Skip to content

Ondertiteling YouTube. Klik rechtsonder op de knop ‘Instellingen’ en selecteer Nederlands.

 

Agnosten en atheïsten weten wat goed is en wat niet. Toch moeten we het sterke verband tussen God en moraal niet onderschatten. Als je namelijk de band met God doorsnijdt, dan leidt dat onherroepelijk tot een relativering en loslaten van het Goede.

In deze video legt Mgr. Barron uit hoe de moraal en het geloof in God met elkaar te maken hebben. God is de bepalende factor, niet de mens en het samenleven tussen mensen. Hij zal enkele fundamentele principes uit de katholieke moraal bespreken.

Er is een belangrijke relatie tussen moraliteit en geloof in God. Het niet geloven in God zal uiteindelijk ook leiden tot een relativering van de moraal.

• Basiswaarde/fundamentele waarde
– Elke handeling heeft uiteindelijk een basis- of onherleidbare waarde. Een waarde die in zichzelf goed is. (Voorbeelden YouTube video of water drinken)
– ‘Basis grammatica’ voor het morele leven.
– Leven, waarheid, rechtvaardigheid, vriendschap, schoonheid: dit zijn waarden die in zichzelf goed zijn.

• Probleem relativisme
– Het morele leven vervalt tot subjectivisme .
– De zelfbepalende wil wordt het belangrijkst, in plaats van de fundamentele waarden.
– Paus Benedictus XVI noemt het ook wel ‘de dictatuur van het relativisme’.
– Iris Murdoch in The Sovereignty of Good: Het goede wordt niet geproduceerd door de wil, ook is het niet ondergeschikt aan de wil. Maar, het goede is sovereign over de wil. Het legt zichzelf op aan de wil.

• Katholieke morele filosofie
– Morele waarden zijn objectief!
– Intrinsiek kwade handeling: de handeling is in zichzelf verkeerd, ongeacht de intentie of omstandigheden. Want, de handeling is intrinsiek (vanuit zichzelf) tegenstrijdig aan de fundamentele/basis waarde.
Voorbeeld: het doden van onschuldigen. Dit is een aanval tegen het goed van het leven, de fundamentele waarde, en het doden kan dus nooit gerechtvaardigd worden.

• Sleutelrelatie God en morele filosofie
– De wil is geordend op basiswaarden in hun onbepaalde vorm: de wil wil niet slechts een bepaalde waarheid: het wil de Waarheid zelf.
– Er is dus één fundamentele waarheid, in onbepaalde vorm: God.
– God is de onbepaalde waarheid, het onbepaalde goed, het onbepaalde leven.
– De wil zal zich, op natuurlijke wijze, naar God bewegen. Denk hierbij aan het voorbeeld dat de wil altijd meer blijft willen, het is nooit helemaal tevreden, totdat het God helemaal heeft gevonden.
– H. Augustinus: ‘Ons hart is rusteloos tot het rust in U’.
– De objectieve waarden zijn een weerspiegeling van en een deelname aan het onbepaalde goede  het zijn wegwijzers naar God.
– Dit vormt dus een probleem voor een atheïst, omdat hij de waarheid in onbepaalde vorm ontkent.
– Ontkenning van God leidt tot het ontkennen van deze objectieve morele waarden  Dit leidt tot een vergoddelijking van het ego. Het ego dat zijn eigen wetten bepaalt.
– Dostojewski (19e eeuw): Als Gods bestaan ontkend wordt, dan wordt alles mogelijk.

Moraliteit
De betekenis van moraliteit is zedelijkheid of zedelijk gedrag. Moraliteit heeft dus alles te maken met de juistheid van een handeling. Er komt een zogenaamde ‘gedragscode’ uit voort.
Elke morele handeling bestaan uit drie elementen:
1. De objectieve handeling: wat we doen.
2. Het subjectieve doel of intentie: waarom we het doen.
3. De concrete situatie of omstandigheden waarin we de handeling uitvoeren: waar, wanneer, hoe, wie, etc.
Een handeling van een individu is moreel goed wanneer het object, ofwel datgene wat we doen, objectief gezien goed is, ongeachte de intentie of de omstandigheden. Daarnaast, voor een moreel goede handeling, moet ook de intentie altijd goed zijn. Wanneer de handeling objectief gezien goed is, maar de intentie is slecht, ook dan is de handeling moreel gezien slecht. Ofwel, ‘het doel wettigt de middelen niet’ (zie Catechismus van de Katholieke Kerk 1753

Moraliteit en vrijheid
Vrijheid is een belangrijk element wanneer men spreekt over de verantwoordelijkheid van moraliteit. Want, wanneer iemand niet vrij is, kan deze ook niet aangerekend worden op zijn daden en kan er dus geen moreel oordeel over worden geveld.
‘Vrijheid is de macht, geworteld in de rede en de wil, om te handelen of niet te handelen, om zo uit zichzelf weloverwogen daden te stellen.’ (CKK 1731)
Menselijke vrijheid is dus niet zomaar de capaciteit om te kiezen tussen het een of ander, maar het is een macht die gegeven is door God, om, in vrijheid, voor het goede te kiezen om te worden zoals God ons heeft geschapen en om het eeuwig geluk bij God te bereiken. Christelijke moraliteit is dus ook hierop gericht: om keuzes te maken die ons leiden naar God toe, het eeuwige geluk. De christelijke moraliteit geeft ons dus een objectieve norm van waaruit wij in vrijheid vóór God kunnen kiezen, en dus voor ons eigen geluk.
Een mens is minder vrij ‘door zich af te keren van de morele wet’, want ‘hij ketent zich aan zichzelf vast, verbreekt de solidariteit met zijn naaste en komt in opstand tegen de goddelijke waarheid’. (CKK 1740) Hierdoor maakt de mens zichzelf een slaaf van de zonden, waardoor hij minder vrij is om te kiezen voor het goede.

Bronnen voor verdieping in moraliteit:
– Vrijheid en moraliteit: Catechismus van de Katholieke Kerk 1731 – 1748
– Moraliteit: CKK 1749 -1802

 

BEGRIPSVRAGEN

De onderstaande vragen zijn een hulpmiddel om de informatie van de video beter te begrijpen en meer eigen te maken.

1. Wat is de basiswaarde in het voorbeeld van het water drinken?

2. Wat, volgens het relativisme, heeft de leidende rol bij een handeling? Waarom is dit een probleem?

3. Waarom is het ontkennen van God een probleem voor een atheïst als het gaat om de moraliteit van handelingen?

4. Vertel in eigen woorden waarom de relatie tussen God en morele filosofie onlosmakelijk zijn.

5. “Ons hart is rusteloos tot het rust in U (God)” (H. Augustinus). Wat heeft deze uitspraak te maken met moraliteit en objectieve waarden?

6. Wanneer is een handeling een intrinsieke kwade handeling?

 

VRAGEN VOOR REFLECTIE EN DISCUSSIE

1. Ben ik mij bewust van het feit dat er objectieve waarden zijn, die bepalen of mijn handelingen goed of slecht zijn?

2. Leef ik in overeenstemming met deze objectieve waarden, of maak ik, bewust of onbewust, toch mijn eigen morele waardes.

3. De meest fundamentele en objectieve waarde in het morele leven is dat elke persoon de waardigheid heeft dat hij is geschapen in het beeld van God, en dus dat het leven in zichzelf goed is. Het leven mag nooit worden bedreigd, en moet altijd, ongeacht de intentie of omstandigheden, worden beschermd. Zie ook CKK 2258.
Ben ik mij hiervan bewust? Leef ik dit ook uit? Waarom wel/niet? Wat zijn handelingen die hier tegen in kunnen gaan?

4. “Ons hart is rusteloos tot het rust in U (God)” (H. Augustinus). Ben ik mijzelf bewust van deze rusteloos, en van het feit dat mijn wil altijd meer wilt omdat het op zoek is naar God? Hoe en op welke gebieden in mijn leven merk ik dit?

5. Wij zijn zwakke mensen en zullen dus niet een perfect leven leiden waarin we altijd de juiste keuzes maken. Soms kiezen we ervoor om een handeling te doen die ingaat tegen de morele waardes. Als christenen hoeven wij dan niet wanhopig te worden, want, Christus heeft ons vrijgekocht. Door zijn kruis en verrijzenis worden wij vergeven. Niet eenmaal, niet tweemaal, maar ‘zeven maal zeventig maal’ (Matteüs 18, 22), oftewel, altijd, zolang wij wel oprecht berouw hebben.
Zijn er gebieden in mijn leven waarin ik de fout in ben gegaan en daardoor de moed heb opgegeven? Zijn er momenten in mijn leven waar ik de fout niet wilde toegeven, en Gods liefdevolle barmhartigheid niet wilde aanvaarden?

 

TEKSTEN TER OVERWEGING

“Wie gerechtigheid nastreeft en goedheid,
hij vindt leven, heil en glorie.”

Spreuken 21, 21

“De wijze vreest en hij vermijdt het kwade,
de dwaas gaat zich te buiten en waant zich veilig.”

Spreuken 14, 16

“Beter weinig, met gerechtigheid,
dan grote inkomsten, met onrecht.”

Spreuken 16, 8

“Hij zal eenieder vergelden naar zijn werken,
met het eeuwige leven hen die door standvastig het goede te doen
streven naar onvergankelijke heerlijkheid en eer.”
Romeinen 2, 6-7

“Streef naar gerechtigheid, godsvrucht, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid.
Strijd de goede strijd van het geloof,
grijp het eeuwige leven.”

1 Timóteüs 6, 11

“Mijd het kwade, doe gij het goede: zo zult ge voor immer hier wonen.
De Heer staat aan de kant van het recht,
nooit zal Hij zijn getrouwen begeven,
zij worden behouden voor eeuwig,
en verdelgd het geslacht van Gods haters.”
Psalm 37, 27-28

“Laten wij daarom vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genade,
om barmhartigheid en genade te verkrijgen en tijdige hulp.”

Hebreeën 4, 16

“Maar God, die rijk is aan erbarming,
heeft wegens de grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad,
ons met Christus ten leven gewekt, hoewel wij dood waren door onze zonden;
aan zijn genade dankt gij uw redding.”

Efeziërs 2, 6-7

Back To Top