skip to Main Content

< De Heilige Geest daalt neer over de Apostelen, het is de geboorte van de Kerk

Christus, de Zoon van God, die geleden heeft en aan het kruis is gestorven, is met Pasen verrezen uit de doden. Daarna verschijnt Hij nog aan de leerlingen en met Hemelvaart vieren we dat Hij definitief terug gaat naar God de Vader in de hemel.

Voordat Jezus wegging heeft Hij beloofd de gelovigen niet alleen te laten. De Heilige Geest wordt ons gegeven om met God verbonden te blijven. Maar ook om, geholpen door de ingevingen van die Heilige Geest, het Evangelie van Christus te kunnen verkondigen. Als mensen zijn we niet in staat op eigen kracht de volle leer van Jezus’ Blijde Boodschap (= Evangelie) te verkondigen. De Heilige Geest helpt ons daarbij.

We vieren eerste en Tweede Pinksterdag, nadat we in de negen dagen daarvoor (vanaf Hemelvaartsdag) hebben gebeden voor de komst van de Heilige Geest (de pinksternoveen), dat er een goede voedingsbodem mag zijn, dat de mensen Hem accepteren, naar Hem luisteren en door Hem naar de Vader worden gebracht voor het eeuwige geluk. Ook de Apostelen met Maria, de Moeder van Jezus, wachtten zo op de komst van de Heilige Geest.

De Heilige Geest is de Derde Persoon van de Ene God, naast de Vader en de Zoon, zo geloven christenen. Het is een mysterie, maar het is een werkelijkheid, het is reëel, wanneer je de Heilige Schrift leest. Bijvoorbeeld het moment waarop Jezus, de Zoon, gedoopt wordt met de Heilige Geest en waarbij de Vader de Zoon de zending geeft.

De Heilige Geest wordt vaak afgebeeld als Vurige tongen, omdat de leerlingen vol vuur waren van de Boodschap die ze gingen verkondigen en ze in alle talen de mensen konden toespreken.
Ook als duif wordt de Geest verzinnebeeld, omdat de duif voor reinheid en zachtmoedigheid staat, maar bovenal voor hemelse inspiratie, vrede en de ziel. De Heilige Geest is inderdaad de bezieling voor de Kerk om ook in onze tijden de boodschap van God onder de mensen te brengen.

Het Heilig Vormsel is het Sacrament van de Heilige Geest, zoals de H. Doop die van de Vader is en de H. Eucharistie die van de Zoon. Deze drie sacramenten (van 7 Sacramenten, die de Katholieke Kerk kent) zijn daarmee de zogenaamde “initiatie-sacramenten”.

Om het belang van dit Hoogfeest aan te geven kent dit feest ook een “Tweede Pinksterdag”, zoals dat ook met Kerstmis en Pasen is. De Kerk kan er maar niet genoeg van krijgen om een dergelijk feest te blijven vieren.

Kom, Heilige Geest,
vervul de harten van uw gelovigen
en ontsteek in hen het vuur van uw liefde.

Zend uw Geest uit
en alles zal herschapen worden;
en Gij zult het aanschijn van de aarde vernieuwen.

Laat ons bidden:

God, Gij hebt de harten van uw gelovigen
door de verlichting van de Heilige Geest onderwezen;
geef, dat wij door die Heilige Geest
de ware wijsheid mogen bezitten
en ons altijd over zijn vertroosting verblijden.

Door Christus onze Heer.

Amen.

Op de dag van Pinksteren (ook wel Pentecoste, dat is “de vijftigste dag” na Pasen) gaan de Apostelen voor het eerst na Pasen verkondigend naar buiten en spreken in allerlei talen de mensen toe. Pas nu zijn zij in staat overtuigend en duidelijk te spreken van en over hun geloof. En met wat voor een overtuiging! Velen bekeren zich, laten zich dopen en worden zo ook getuigen van Christus. Men zegt wel dat met Pinksteren de Kerk, als gemeenschap van gelovigen, is geboren.

God,

Gij schenkt uw Kerk gaven uit de hemel;
bewaar in haar de genade die Gij gegeven hebt.

Geef dat deHeilige Geest
die over ons is gekomen
zich steeds sterker in ons doet gevoelen,

en laat dit geestelijk voedsel
ons ten goede komen
bij onze voortgang
op de weg der verlossing.

Door onze Heer Jezus Christus,
uw Zoon,
die met U leeft en heerst
in de eenheid van de Heilige Geest,
God,
door alle eeuwen der eeuwen.

Amen

< Homilie op het hoogfeest van Pinksteren

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Op de avond van de eerste dag van de week,
toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen
gesloten waren uit vrees voor de Joden,
kwam Jezus binnen,
ging in hun midden staan en zei:

“Vrede zij u.”
Na dit gezegd te hebben
toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde.
De leerlingen waren vervuld van vreugde
toen zij de Heer zagen.

Nogmaals zei Jezus tot hen:
“Vrede zij u.
Zoals de Vader Mij gezonden heeft
zo zend Ik u.”

Na deze woorden blies Hij over hen en zei:
“Ontvangt de heilige Geest.

Als gij iemand zonden vergeeft,
dan zijn ze vergeven,
en als gij ze niet vergeeft,
zijn ze niet vergeven.”
Johannes 20,19-23

Homilie

Als we met mensen spreken over de Kerk, wat horen we dan? Horen we wat we vandaag op Pinksteren horen, over de geboorte van de Kerk? Over de heilige Geest die wordt uitgestort over de apostelen? Ontmoeten we dan mensen die in de kracht van de heilige Geest hun eigen angsten en reserves overwinnen om de opdracht die Jezus bij zijn Hemelvaart had gegeven uit te voeren: “Gaat uit, naar alle landen, doopt hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest….”?

Nee, wij horen in onze Kerk niet het Pinksterverhaal. En ook niet zoveel andere optimistische verhalen over de toekomst. Mensen, wat wordt er veel gesomberd! Als een pastoor bij mensen op bezoek gaat, hoor je meestal allemaal verhalen over vroeger. En als mensen vroom en gelovig zijn, menen ze de pastoor een plezier te doen door te zeggen hoe jammer ze het vinden dat mensen niet meer naar de kerk gaan en het tegenwoordig zo anders is en hoe het mogelijk is dat al die kerken gesloten zijn. En als het niet over de eigen parochie gaat, dan is het over bisschoppen, het gebrek aan priesters enzovoorts.

Als we zo spreken over de Kerk, beseffen we wel wat we dan doen? Ik hoor hetzelfde als in de hele samenleving: onderbuikgevoelens, ontevredenheid, bezorgdheid over de toekomst. Ik hoor ook mensen die zelf lid zijn van de club waarop ze vervolgens ook bergen kritiek hebben – zoals ook Nederlanders zich soms zo laatdunkend uitlaten over hun eigen land dat buitenlanders zich wel eens afvragen: maar hebben jullie dan geen trots? Is onze enige trots in deze tijd het oranje van het voetbal?

Waar het om gaat is, dat we in de gaten krijgen dat ons spreken over de Kerk verraadt dat we veel te veel het gevoel hebben de laatste generatie te zijn die straks het licht uitmaakt. Veel katholieken in ons land maken een uitgebluste indruk, geesteloos, zonder hoop op een nieuwe toekomst. Als bisschop Hurkmans daar tegenover een nieuwe evangelisatie zet, dan halen velen daar de schouders over op. “Haalt toch niets uit.”

Morgen, op de tweede pinksterdag, vieren we de heilige Bonifatius. De meeste mensen weten uit de geschiedenisboekjes van vroeger nog dat hij bij Dokkum werd vermoord. Maar niet als een arm slachtoffer van zinloos geweld, maar omwille van zijn vast vertrouwen in de verkondiging van het evangelie. Een missionaris, een evangelisatie-bisschop, die vermoord werd omwille van zijn Blijde Boodschap. Dat klinkt erg, maar misschien is het nog wel veel erger dat we in onze tijd zo lauw en onverschillig zijn geworden, dat er niemand meer hoeft te sterven voor zijn geloof. Waar martelaren ontstaan, wordt tenminste nog met vuur het geloof beleden, hoe erg de moord op onschuldige predikers ook is. De Friezen van de 8e eeuw wisten tenminste waar ze wel en niet in wilden geloven. Maar wij? Wat kan het ons schelen?

Ja, ik houd u Bonifatius bij de Friezen voor als een tweede pinksterverhaal, maar dan in onze streken. Zoals de apostelen na het ontvangen van de heilige Geest vol vuur waren tegenover de uitgeblustheid van de eigentijdse parochies. Het verschil tussen enthousiasme enerzijds en somberheid anderzijds.

Waarom, broeders en zusters, zouden wij eigenlijk Pinksteren vieren als we geen zin hebben om die lauwe en onverschillige houding vandaag op het kerkplein achter te laten? Waarom Pinksteren vieren als we niet meer zouden geloven dat het wonder van vuur en enthousiasme niet tweeduizend jaar geleden is gebeurd, maar vandaag, heden, aan ons gebeurt?

Als we spreken over de Kerk, hebben we het dan over een geloofsgemeenschap? Ik zou het toch denken! Niets anders brengt ons in wezen samen dan het simpele feit dat we samen ergens in geloven. En niet zomaar ergens in. Wij geloven in God als onze Vader – heel nabij – Jezus als onze Christus en Verlosser – heel concreet – en de heilige Geest als de Helper – heel actueel. Hoe iedereen ook zijn of haar eigen beleving daarbij heeft, dát delen we allemaal samen. Als wij werkelijk gelovigen zijn en dat samen willen beleven – kom op: dan geloven we toch óók dat dit verhaal toekomst heeft? We geloven toch niet in iets van het verleden? Waar is dan toch die identiteit van christenen? Worden wij herkend omdat wij samen Jezus Christus beleven en ergens voor staan? Of willen we niet herkend worden?

Als we spreken over de Kerk, hebben we het dan over een missionaire gemeenschap? Jezus heeft niet tegen zijn apostelen gezegd: “Hou dit binnenskamers.” De katholieke Kerk is geen esoterisch genootschap, maar een open gemeenschap. Open om met alle mensen te delen waar wij in geloven en wat ons gelukkig maakt. Ja, ook als wij eigenlijk zouden denken: ‘is dat niet onzinnig’, of ‘is dit nu wel de juiste gelegenheid’ – juist dan geloven wij dat de heilige Geest ons moed geeft om te getuigen met ons leven en ook nog met woorden. Zo komt Jezus Christus en zijn Blijde Boodschap bij de miljoenen hunkerende mensen.

Als we spreken over de Kerk, dan denk ik wel eens: nee, wij zijn veel te veel bezig met onze eigen navelstaarderij. Katholieken zijn veel te bezig met hun eigen structuren, reorganistaties, met bijzaken!

Als we spreken over de Kerk, dan denk ik ook vooral aan al die mensen die wachten op zin en verlossing. Wij mopperen over de vele gedoopte schapen die niet naar de Kerk komen, maar zoeken we echt naar hen? Als Jezus spreekt over 99 schapen en één verlorene, dan vindt iedereen het sympathiek dat Jezus dat ene verlorene gaat zoeken. De 99 redden zich wel. Maar wij? Wij zien er 10 in de stal en 90 buiten lopen en wat zeggen we: laat die zich maar redden, wij hebben problemen zat met ons tienen? Kom op zeg! Wat is dat voor een Kerk? Is dat de gemeenschap van Jezus of de Goede Herder? Vinden we het dan gek dat we geen antwoorden hebben in onze samenleving die steeds onrustiger wordt en waar mensen zich steeds meer afvragen wat we moeten doen?

Nee, als we spreken over de Kerk, dan zouden we eerst moeten denken aan onze eigen keuze en opdracht als christen. Wij zijn gedoopt en gezalfd met de heilige Geest. Wij hebben de opdracht om zelf altijd optimistisch te zijn, zelf te gelóven waarvoor we staan, onze identiteit hoog houden, naar onszelf en daarna ook naar anderen. En zelf de hand aan de ploeg slaan voor het Rijk Gods, zoals de helden als de H.Bonifatius. We moeten niet alles alleen maar verwachten van de priesters. Die hebben we nodig voor de sacramenten, maar niet als loopjongens. Zelf de handen uit de mouwen steken en zelf het evangelie verkondigen aan al die mensen die rand- of buitenkerkelijk zijn. Niet de priesters maken de parochies, maar de parochianen. Als zij echt een aanstekelijke geloofsgemeenschap zijn, dan bloeit de Kerk; als zij zelf lauwe, burgerlijke, ontevreden, activistische mensen zijn die niets meer te melden hebben over Jezus en het evangelie dan ‘eh, eh, ja, een bijzonder voorbeeld’, ja dan hoeven we aan zo’n gemeenschap ook niet een van die weinige priesters te verspillen.

Als we spreken over de Kerk, laten we dan spreken over de vraag hoe wij nu, zoals we hier aanwezig zijn, het echt Pinksteren kunnen laten worden. Hier en nu, dat vuur van de heilige Geest. In onszelf om het echt te delen met alle mensen om ons heen. Naar buiten, de straat op, weg van al die binnenkerkelijke problemen, aan de slag met je geloof. Dat verdiepen, om te kunnen getuigen van Jezus die ons leeft. Ik wens u een zalig Pinksteren. Amen.

< Meditatie van Pater Bots bij het Pinkster Evangelie

Niet zomaar beginnen met bidden. De geest is er niet op ingesteld. In ons gewone doen en laten is onze eigen geest middelpunt. Die oriëntatie is heilloos voor het gebed. Maar vóórdat we het in de gaten hebben, nemen we die ik-oriëntatie in het gebed mee. Dan krijg je een soort pseudo-gebed. Meteen aan het begin moeten we die grondafwijking van onze geest corrigeren en op Hem richten. We kunnen deze ommekeer van onze geest gemakkelijker opbrengen door niet te veel te letten op onze gevoelens en gedachten, die soms maar moeilijk bij te sturen zijn, maar ons concentreren op de diepere lagen van ons wezen, onder het voelen en denken, waar wij met het puntje van onze ziel van Hem willen zijn. Ik wíl toch bidden. Daarom ben ik toch juist hier. Dat is het waar Hij op let en niet zozeer op gevoelens en gedachten. Door zo met het hart bij Hem te willen zijn, ontstaat er vanzelf ook een diepere rust.

Bij de plaats van het gebed, een paar passen ervandaan, maak ik me eerst bewust van Gods tegenwoordigheid, zien hoe Hij van zijn kant geen moeite heeft om bij mij te zijn, hoe Hij mij opneemt in zijn vrede en verzoening door zijn heilige Geest over mij uit te ademen. Eenmaal doordrongen van zijn heilige tegenwoordigheid, maak ik een gebaar van eerbied en aanbidding, zoals dat ook in het gemeenschappelijke, liturgische gebed voortdurend gebeurt (staan, knielen, buigen, op de borst kloppen enz.). Zo’n gebaar kan soms een stroom van gevoelens losmaken.

De houding van het gebed aannemen, een houding die gekenmerkt wordt door ontvankelijkheid. In elk gebed ga ik immers ontvangen. In dit gebed de heilige Geest: “Ontvangt de heilige Geest” (v.22). En dat ga ik nu ook vragen als een genade, dat heel mijn leven bezield mag worden door de heilige Geest, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit. Want de dingen van de natuur (eigenschappen, talenten, vaardigheden) hebben alleen maar waarde voorzover ze bezield zijn door de heilige Geest.

Nu is mijn geest enigszins in de goede gesteltenis om het geheim op mij te laten inwerken. Eerst overzie ik de geschiedenis even als in vogelvlucht. De apostelen worden eerst getoond in hun eigen ik-gerichte gesteltenis en die gaat altijd gepaard met vrees, vrees namelijk om zijn ik te verliezen. Jezus buigt die gesteltenis om door zijn heilige Geest mee te delen, dat is een op God gerichte oriëntatie van zuivere, pure zelfloze liefde. Daarom toont Hij hun eerst zijn handen en zijn zijde. Ter identificatie: Ik ben dezelfde; de Gekruisigde is de Verrezene. Maar dat betekent ook: de zelfloosheid van de totale zelfgave aan het kruis is mijn blijvende signalement. En die geef Ik aan mijn kerk.

De geheimen van ons geloof zijn altijd gelocaliseerd. Ze hebben ‘ergens’ plaats gevonden. Men doet dus recht aan het geloofsgeheim door zich de plaats voor te stellen waar het gebeurde. Bovendien is dat een niet gering hulpmiddel om zijn gedachten er bij te houden of na een verstrooiing weer terug te keren. Naar een plaats keert een mens nu eenmaal sneller terug dan naar een idee.

De geschiedenis van dit geheim is toen en daar begonnen, maar is sindsdien niet opgehouden te geschieden. Het is daarom goed zich ook de plaatsen te binnen te brengen waar ik een bijzondere mededeling van de heilige Geest heb beleefd: genade-oorden, persoonlijke geestelijke belevenissen.

Het bidden gaat gemakkelijker, wanneer wij ons ervan bewust maken, dat wij “niet eens weten hoe wij behoren te bidden” (Rom 8,26). De Geest moet onze zwakheid te hulp komen en daarom vragen wij steeds om de bijzondere genade: nu om de heilige Geest te mogen ontvangen, zodat mijn geest van zelfzucht wordt omgekeerd, be-keerd tot een geest van zelveloosheid.

“In de avond van de eerste dag van de week.”

De christelijke zondag. Geruisloos heeft de Joodse sabbat plaats gemaakt voor de christelijke zondag. Geen revolutie, maar een haast naadloze overgang. Of beter: de ontreddering van deze revolutie heeft Jezus zelf opgevangen. Want om helemaal opnieuw te kunnen beginnen was het nodig, dat het oude werd losgelaten. Dat loslaten heeft Jezus gedaan: zijn milieu, zijn geboortegrond, zijn verwanten, zijn goede naam, de trouw van zijn leerlingen, zijn gezondheid, zijn moeder, zijn leven, kortom alles wat Jezus bond aan de Joodse grond, aan de Joodse wet, aan het Oude Verbond, Hij werd eruit ontworteld. Aan al het oude afgestorven is Jezus voor ons de nieuwe tempel geworden en is zijn gloriedag onze zondag, de dag des Heren geworden, de dag van onze Heer.

“toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus binnen…”

Het verheerlijkte lichaam van Jezus is niet meer gebonden aan de begrenzingen van tijd en ruimte. Maar ook daarvoor heeft Hij de prijs betaald. Eerst heeft Hij zich tot het uiterste toe gebonden aan de begrenzingen van het menselijke bestaan en heeft Hij elke overschrijding van die grenzen als een bekoring afgewezen. Vanaf de geboorte in een grot tot en met de mensonwaardige executie op het kruis is Jezus trouw gebleven aan de voorwaarden van het gewone menselijke bestaan. Door zich vrijwillig te binden aan de begrensdheid door tijd en plaats heeft Jezus alle plaatsen en alle tijden overstegen en is Hij de mens voor allen geworden om nu te kunnen zijn overal waar mensen zijn. Wil ons leven een betekenis hebben die uitgaat boven de nauwe grenzen van onze menselijke situatie, dan hoeven wij niet ons aan de greep van onze menselijke oorsprongssituatie te onttrekken, ons te ontwortelen, maar dan moeten wij juist ten einde toe eraan trouw blijven.

“ging in hun midden staan en zei: Vrede zij u.”

Dat is het aanschouwelijk beeld van de kerk: Jezus in het midden, zijn vrede schenkend. “Niet de vrede zoals de wereld die geeft” (Joh 14,27). Niet de vrede van deze wereld, want dat is een vrede die gebonden blijft aan vredige omstandigheden. Het is een vrede “die alle begrip te boven gaat” (Fil 4,7), een vrede in omstandigheden waarbij mensen zich afvragen hoe iemand daarbij nog de vrede kan bewaren. Met die vrede heeft Christus de wereld overwonnen: “Dit heb Ik u gezegd, opdat gij de vrede zoudt bezitten in Mij. Weliswaar leeft gij in de wereld in verdrukking, maar hebt goede moed: Ik heb de wereld overwonnen” (Joh 16,33).

“Na dit gezegd te hebben, toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde.”

De tekenen dus van zijn nederlaag. De vrede van Christus is dus de vrede waarmee de nederlaag wordt verdragen. Christus heeft het kwaad overwonnen door zich er niet kwaad over te maken en het actief te bestrijden, maar door het met een zacht en vredig gemoed te dragen. Deze nederigheid schept eenheid onder de mensen: vrede. Hoogmoed schept verdeeldheid. Als we tegen elkaar opbieden, onszelf voortdurend in een concurrentiepositie plaatsen tegenover anderen: nog sneller, nog rijker, nog meer luxe, nog meer comfort, anderen de ogen uitsteken, ontstaat er verdeeldheid en geweld. Anderen willen niet onderdoen, zij doen zichzelf en anderen geweld aan om hetzelfde inkomen te krijgen. Daardoor komen anderen weer te kort: kinderen, zieken, zwakker begaafden. Er is geen tijd meer voor hen. Van louter voortvarendheid loopt men ook zichzelf voorbij en teert men in op de zwakkere, maar zoveel kostbaardere krachten in zichzelf: inkeer, gebed, stilte, tijd nemen voor zichzelf en voor elkaar, spel, contemplatie, allerlei niet-nuttige bezigheden, lezen, genieten van de natuur, poëzie, muziek enz. Christus en de kerk zijn ervoor om voor die zachte krachten een lans te breken.

“Nogmaals zei Jezus tot hen: Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.”

De apostelen en wij worden opgenomen in Jezus’ eigen goddelijke vredeszending. Een innerlijke vrede dus, een vrede van het hart, maar niet een vrede die inwendig blijft. De vrede van Christus bepaalt vanuit onze kern heel ons wezen en vandaaruit al onze contacten. Nu mijn contacten nagaan of ik er de vrede die Christus in mijn hart legt, dieper in kan laten doorsijpelen. Met name bij de personen met wie ik het minder goed kan vinden en over de onderwerpen die gevoelig liggen.

“Na deze woorden blies Hij over hen en zei: Ontvangt de heilige Geest.”

De heilige Geest, dat is Jezus zelf in zijn eenheid met de Vader. Het is de Persoon, die zoals in het credo staat, “die voortkomt van de Zoon en de Vader.” Wanneer we Jezus over de Vader horen spreken en we ervaren bij zo’n woord van Jezus over de Vader een beweging van genegenheid voor de Vader, een opwelling van liefde voor Hem, dan hebben wij op zo’n moment contact met de heilige Geest, dan worden wij ons bewust hoe we zijn opgenomen in de liefdesstroom tussen de Zoon en de Vader. Soms denken mensen: God is zo ver weg, zo hoog, hoog in de hemel. Of Jezus, die is zo lang geleden, al bijna twee duizend jaar. Dan mogen we bedenken: de heilige Geest, dat is Jezus en de Vader levend en vlak bij, de kracht en het licht van God in het eigen hart. Precies wat er in het evangelie staat: “En wie Mij liefheeft, zal door mijn Vader bemind worden; ook Ik zal hem beminnen en Ik zal Mij aan hem openbaren” (Joh 14,21). Luisteren naar wat de woorden van Jezus in je doen, dat is “geestelijk leven”. Geestelijk of pneumatisch leven, leven van de heilige Geest.

Aan het eind gesprekjes voeren met Jezus die van zijn kant zich zo menselijk laat kennen en zijn vrienden troost. Dan me door Jezus naar de Vader laten brengen en bij Hem mijn hart uitstorten. Met vernieuwd vertrouwen en verdiepte eerbied het Onze Vader bidden.

Na afloop is het een geschikt moment om in mijzelf de geesten te onderscheiden door in een reflexie na te gaan:

  • Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? Mijn verstrooiingen bewegen zich op de terreinen waar ik mij door een geest van zelfzucht laat leiden.
  • Waar waren we bij elkaar? Bij Jezus zijn kan alleen maar in de heilige Geest. Want “niemand kan zeggen: Jezus is de Heer, tenzij door de heilige Geest” (1 Kor 12,3).
  • En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Wanneer de gevoelens voor Hem niet zijn op te sluiten binnen de kaders van het gebed, maar spontaan blijven opwellen uit het hart, dan is dat er een teken van dat de heilige Geest in mij werkt.

< Veni Sancte Spiritus

< Preken van plebaan Hagen

U kunt hier meer preken over Pinksteren lezen van plebaan Hagen.

Back To Top