skip to Main Content

. . . Waarom zoekt ge de levenden
onder de doden?
Hij is niet hier, Hij is verrezen . . .
(Lc. 24, 5-6)

< Inleiding

Het Paasfeest is zowel in de Oosterse als in de Westerse kerk het grootste feest van het liturgische jaar. Wij vieren met Pasen dat Jezus niet meer dood is maar leeft. Hij heeft de dood overwonnen. De Verrijzenis staat centraal in ons christelijke geloof. De verrijzenis van Jezus is de hoogste waarheid van ons geloof in Christus.

“Wij dan verkondigen u de blijde boodschap, dat God de belofte aan de vaderen gedaan, voor ons, hun kinderen, vervuld heeft door Jezus te doen verrijzen” (Hand. 13,32-33).

Zowel de christenen als de joden vieren Pasen: voor de joden is dit het Pasen van de geschiedenis, gericht op de toekomst; voor de christenen het Pasen dat zijn vervulling gevonden heeft in de dood en verrijzenis van Christus, hoewel ook zij nog altijd de uiteindelijke voltooiing verwachten.

Aan het Paasfeest is een voorbereiding voorafgegaan, de zgn. veertigdagentijd. In de laatste week voorafgaand aan Pasen, de zgn. Goede Week, wordt het lijden en sterven Christus herdacht. De heilsgeschiedenis vindt haar voltooiing in Pasen.Het plan van God, dat eeuwenlang verborgen was, is nu onthuld: door Jezus zijn we herenigd met God. Eens waren we dood door de zonde, maar nu zijn we levend, gered van de dingen die ons van de Vader gescheiden hielden. Elk obstakel is weggenomen en nu kunnen we persoonlijk de liefde van God onze Hemelse Vader ervaren.Met de opstanding van Christus heeft God zijn onmetelijke kracht over zonde, satan en dood geopenbaard. Deze drie vijanden hielden de mensheid gevangen, vanaf de ongehoorzaamheid van onze stamouders tot aan de eerste Paasdag. Wij zelf hadden geen enkele mogelijkheid om de relatie met God – waartoe we feitelijk geschapen zijn – te herstellen. Maar dankzij God zijn we nu gered! Op het kruis heeft Jezus de straf voor onze zonden betaald. Door op te staan heeft Hij de duivel verslagen en de kracht van de dood voor altijd vernietigd.

Hij werd opgewekt uit de dood door de Heerlijkheid van de Vader, zodat wij een nieuw leven zouden leiden (Romeinen 6,4).

< Lezingen en overwegingen van Pasen

< Paaswake

Eerste lezing uit het boek Exodus (14,15—15,1)
In die dagen sprak de Heer tot Mozes: Wat roept gij Mij toch. Beveel de Israëlieten verder te trekken. Gij zelf moet uw handen opheffen, uw staf uitstrekken over de zee en ze in tweeën splijten. Dan kunnen de Israëlieten over de droge bodem door de zee trekken. Ik ga de Egyptenaren halsstarrig maken, zodat zij hen achterna gaan. En dan zal Ik Mij verheerlijken ten koste van Farao en heel zijn legermacht, zijn wagens en zijn wagenmenners. De Egyptenaren zullen weten dat Ik de Heer ben, als Ik Mij verheerlijk ten koste van Farao, zijn wagens en zijn wagenmenners. De engel van God die aan de spits van het leger der Israëlieten ging, veranderde van plaats en stelde zich achter hen op, tussen het leger van de Egyptenaren en het leger van de Israëlieten. De wolk bleef die nacht oostenwind de zee terugwijken. Hij maakte van de zee droog land en de wateren spleten vaneen. Zo trokken de Israëlieten over de droge bodem de zee door, terwijl de wateren links en rechts een wand vormden. De Egyptenaren zetten de achtervolging in; alle paarden van Farao, zijn wagens en zijn wagenmenners gingen achter de Israëlieten aan de zee in. Tegen de morgenwake richtte de Heer vanuit de wolkkolom en de vuurzuil zijn blikken op de legermacht van de Egyptenaren en bracht ze in verwarring. Hij liet de wielen van de wagens scheeflopen zodat ze slechts met moeite vooruit kwamen. De Egyptenaren riepen uit: Laten we vluchten voor de Israëlieten, want de Heer strijdt voor hen tegen ons. Toen sprak de Heer tot Mozes: Strek uw hand uit over de zee, dan zal het water terugstromen over de Egyptenaren, hun wagens en hun wagenmenners. Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en toen het licht begon te worden vloeide de zee naar haar gewone plaats terug. Daar de Egyptenaren er tegen in vluchtten, dreef de Heer hen midden in de zee. Het water vloeide terug en overspoelde wagens en wagenmenners, heel de strijdmacht van Farao die de.Israëlieten op de bodem van de zee achterna was gegaan. Niet één bleef gespaard. De Israëlieten daarentegen waren over de droge bodem door de zee heengetrokken, terwijl de wateren links en rechts van hen een wand vormden. Zo redde de Heer op deze dag Israël uit de greep van Egypte; Israël zag de Egyptenaren dood op de kust liggen. Toen Israël het machtige optreden van de Heer tegen Egypte gezien had, kreeg het volk ontzag voor de Heer; zij stelde vertrouwen in de Heer en in Mozes zijn dienaar. Toen hieven Mozes en de Israëlieten ter ere van de heer dit lied aan.

Tweede lezing uit de brief aan de Romeinen (6,3-11)
Broeders en zusters, gij weet toch, dat de doop, waardoor wij één zijn geworden met Christus Jezus, ons heeft doen delen in zijn dóód? Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden, zoals Christus door de macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt. Zijn wij één met Hem geworden door het beeld van zijn dood, dan moeten wij Hem ook volgen in zijn opstanding, in de overtuiging dat onze oude mens met Hem gekruisigd is; daardoor is aan het bestaan in de zonde een einde gekomen, zodat wij niet langer aan de zonde dienstbaar zijn. Want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde. Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven; want wij weten, dat Christus, eenmaal van de doden verrezen, niet meer sterft: de dood heeft geen macht meer over Hem. Door de dood die Hij gestorven is, heeft Hij eens voor al afgerekend met de zonde; het leven dat Hij leeft, heeft alleen met God van doen. Zo moet ook gij uzelf beschouwen: als dood voor de zonde en levend voor God in Christus Jezus.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus (16,1-7)
Toen de sabbat voorbij was kochten Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus, en Salóme welriekende kruiden om Hem te gaan balsemen. Op de eerste dag van de week, heel vroeg, toen de zon juist op was, gingen zij naar het graf. Maar ze zeiden tot elkaar: ‘Wie zal de steen voor ons van de ingang van het graf wegrollen?’ Opkijkend bemerkten ze echter dat de steen weggerold was; en deze was zeer groot. Binnengetreden in het graf zagen ze tot hun ontsteltenis aan de rechterkant een jongeman zitten in een wit gewaad. Maar hij sprak tot haar: ‘Schrikt niet. Gij zoekt Jezus de Nazarener die gekruisigd is. Hij is verrezen, Hij is niet hier. Kijk, dit is de plaats waar men Hem neergelegd had. Gaat aan zijn leerlingen en aan Petrus zeggen: Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult ge Hem zien, zoals Hij u gezegd heeft.’

Overweging
Hij gaat u voor naar Galilea. Daar zult u Hem zien. (Marcus 16, 7)

Vandaag ervaren we de stilte van het graf terwijl Jezus ”sliep in de dood”, alsof Hij rustte van zijn kwellende lijden. Vervolgens zullen we, vanavond bij de Paaswake, met het Credo verkondigen dat Jezus is neergedaald in de hel, de poorten ervan ingetrapt heeft en Satans wurggreep op het menselijk ras gebroken heeft. Als geloofsgemeenschap zullen wij er met vurig verlangen op wachten dat zijn opstanding ons bevrijdt van de oude vloek van de zonde en ons herstelt in het leven in God. We zullen vanavond ook worden herinnerd aan de nacht waarin de Israëlieten uit Egypte ontkwamen aan de oevers van de Rode Zee. Zij ontsnapten in de woestijn nadat de engel van de dood hen overgeslagen had en waren nu ingesloten door de zee voor hen en farao’s troepen vlak achter hen. Daar hielden zij de wacht, met de geheimzinnige engel van de Heer en de wolkkolom die hen de hele nacht bewaakten (Exodus 14,19). Wat moeten ze vurig gehoopt hebben op hun bevrijding! Hun leven stond in de waagschaal en ze konden alleen pal staan in geloof (14,14). Er was niets anders dat zij ook maar konden doen. Alles hing nu van God af.

Jezus’ leerlingen bevonden zich in een soortgelijke situatie na zijn kruisiging. Geen enkele inspanning – noch Petrus’ verdriet om de verloochening van zijn Meester, noch de hartelijke voorbereidingen van de vrouwen om Jezus’ lichaam met kruiden te zalven – kon de Meester weer tot leven brengen. Zij konden alleen maar wachten. Maar juist hier, waar alle menselijke hulpbronnen uitgeput zijn, straalt Gods macht het mooist. Toen wij dood waren in de zonde, stuurde Hij zijn Zoon om ons tot leven te wekken. Toen wij onszelf niet konden redden, redde Jezus ons. Toen wij slaaf werden van de duivel, heeft God onze ketens losgemaakt.

Laten we vannacht wachten op de Heer. We hoeven alleen maar “stil te zijn” en Hij zal voor ons handelen. Zelfs als u de Paaswake niet bij kunt wonen, breng dan vannacht wat tijd wakend door en wacht op het doorbreken van het licht van Christus in onze wereld. Dit is de “waarlijk heilige nacht, de enige die tijd en uur mocht kennen waarop Christus uit de doden verrees!” (Paasjubelzang).

Gebed
O Christus, onze Redder, al onze hoop is op U! Door uw verrijzenis bevrijdt U ons van onze zonden en angsten. Verander ons verdriet in vreugde. Herstel ons, Heer, tot leven in U. Amen.


< Hoogfeest van Pasen

Eerste lezing uit de Handelingen van Apostelen (10,34+37-43)
In die tijd nam Petrus het woord en sprak: “Gij weet wat er overal in Judea gebeurd is; hoe Jezus van Nazaret zijn optreden begon in Galilea na het doopsel dat Johannes predikte, en hoe God Hem gezalfd heeft met de heilige Geest en met kracht. Hij ging weldoende rond en genas allen die onder de dwingelandij van de duivel stonden, want God was met Hem. En wij zijn getuigen van alles wat Hij in het land van de joden en in Jeruzalem gedaan heeft. Hem hebben ze aan het kruishout geslagen en vermoord. God heeft Hem echter op de derde dag doen opstaan en laten verschijnen, niet aan het hele volk, maar aan de getuigen die door God tevoren waren uitgekozen, aan ons die met Hem gegeten en gedronken hebben nadat Hij uit de doden was opgestaan. Hij gaf ons de opdracht aan het volk te prediken, en te getuigen dat Hij de door God aangestelde rechter is over de levenden en de doden. Van Hem leggen alle profeten het getuigenis af, dat ieder die in Hem gelooft door zijn Naam vergiffenis van zonden verkrijgt.”

Tweede lezing uit de brief aan de Kolossenzen (3,1-4)
Broeders en zusters,
als gij dan met Christus ten leven zijt gewekt zoekt wat boven is, daar waar Christus zetelt aan de rechterhand Gods. Zint op het hemelse, niet op het aardse. Gij zijt immers gestorven en uw leven is nu met Christus verborgen in God. Christus is uw leven, en wanneer Hij verschijnt zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (20,1-9)
Op de eerste dag van de week kwam Maria Magdalena vroeg in de morgen – het was nog donker – bij het graf en zag dat de steen van het graf was weggerold. Zij liep snel naar Simon Petrus en naar de andere, de door Jezus beminde leerling, en zei tot hen: “Ze hebben de Heer uit het graf genomen en wij weten niet waar ze Hem hebben neergelegd.” Daarop gingen Petrus en de andere leerling op weg naar het graf. Ze liepen samen vlug voort, maar die andere leerling snelde Petrus vooruit en kwam het eerst bij het graf aan. Voorover bukkend zag hij de zwachtels liggen maar hij ging niet naar binnen. Simon Petrus die hem volgde kwam ook bij het graf en trad wel binnen. Hij zag dat de zwachtels er lagen, maar dat de zweetdoek die zijn hoofd bedekt had niet bij de zwachtels lag, maar ergens afzonderlijk opgerold op een andere plaats. Toen pas ging ook de andere leerling die het eerst bij het graf was aangekomen naar binnen; hij zag en geloofde, want zij hadden nog niet begrepen hetgeen er geschreven stond, dat Hij namelijk uit de doden moest opstaan.

Overweging
. . . dat Hij uit de doden móést opstaan. (Johannes 20, 9)

Bij het eerste wonder, de bruiloft te Kana, veranderde Jezus water in wijn. Johannes zei van dit wonder: “Hij openbaarde zijn heerlijkheid en zijn leerlingen geloofden in Hem.” (Johannes 2,11). Het wonder openbaarde Jezus’ heerlijkheid en die openbaring inspireerde tot geloof.

Dit grondpatroon – een teken dat heerlijkheid onthult, een heerlijkheid die op zijn beurt weer inspireert tot geloof – komt steeds weer terug in het Johannesevangelie. Bijvoorbeeld na de genezing van de zoon van de dienaar van de koning wordt gezegd: “Hiermee had Jezus wederom een teken verricht” en het leidde ertoe dat het hele gezin van de dienaar ging geloven (Johannes 4,54). Toen Jezus de broden en vissen vermenigvuldigde, zeiden de mensen die het teken zagen: “Dit is ongetwijfeld de profeet” (6,14). Toen Hij de blinde man genas, zei de man: “Heer, ik geloof” (9,38). Toen Hij Lazarus uit de doden had opgewekt, was dit “ook de reden waarom de menigte Hem tegemoet was getrokken: ze hadden gehoord dat Hij dit teken had verricht.” (12,18).

Het grootste van al deze tekens is Jezus’ opstanding. Paaszondag is de belangrijkste dag van de hele geschiedenis. Het is het hoogtepunt van Gods prachtige heilsplan en de basis van ons hele geloof als katholieken. Maar hoe essentieel een teken als dit ook is, hoeveel weet hebben we er feitelijk van? In hoeverre laten we ons door dit teken brengen tot een dieper en meer vreugdevol geloof?

Wees niet tevreden met wat u weet! Zelfs als u veel weet, blijf zoeken naar meer inzicht en openbaring. Vandaag is het de perfecte dag om wat tijd uit te trekken om op zijn minst één verhaal over Jezus’ opstanding te lezen. Lees ze alle vier als u kunt! Wees als Maria Magdalena en hol naar het graf. Blijf daar totdat u hoort hoe Jezus u bij uw naam noemt. Eer deze dag. Vier hem. Onthoud dat het niet alleen over Jezus gaat, het gaat ook om het nieuwe leven dat Hij aan u gegeven heeft. Aan iedereen! Wij allemaal, die gedoopt zijn in zijn dood, zijn ook gedoopt in zijn glorieuze opstanding!

Gebed
Jezus, dank U voor het grote teken van uw verrijzenis! Heer, ik geloof; help me nog meer te geloven, te vertrouwen en lief te hebben. Amen.

< De Paaswake

In deze heilige nacht waarin onze Heer Jezus Christus van de dood naar het leven is overgegaan, nodigt de Kerk alle gelovigen over heel de wereld uit, bijeen te komen om te waken en te bidden. Tijdens de Paaswake herdenken wij het Pasen van de Heer : wij luisteren naar zijn woord en vieren zijn sacramenten . En eens hopen wij te mogen delen in zijn overwinning op de dood om voor altijd met Hem te leven in God.

In deze nacht wordt het Licht, dat Christus is, feestelijk binnengedragen en bejubeld. Symbool van de verrezen Heer is de paaskaars die van nu af haar licht zal doen schijnen. In de kaars zijn vijf wierookkorrels in kruisvorm gestoken; zij verbeelden de vijf wonden van Jezus in handen, voeten en hart.
Na het ontsteken en binnendragen van de paaskaars (Lumen Christi) wordt de plechtige paasboodschap gezongen.

In de dienst van het woord wordt ons verteld hoe God in het Oude Verbond de verwachting van het Licht heeft opgeroepen. Er zijn 9 schriftlezingen met de hoogtepunten uit de heilsgeschiedenis: de heilsgeschiedenis vindt haar voltooiing in Pasen.

1 Genesis: 1,1 – 2,2 God bezag alles wat Hij gemaakt had en Hij zag dat het goed was
2 Genesis: 22,1-18 Het offer van onze aartsvader Abraham
3 Exodus: 14,15 – 15,1 De Israëlieten gingen over de droge bodem de zee door
4 Jesaja: 54,5-14 Met een eeuwige liefde heeft uw Heer zich over u ontfermd
5 Jesaja: 55,1-11 Komt naar mij en gij zult leven en Ik ga een blijvend verbond met u sluiten
6 Baruch: 3,9-15.32 – 4,4 Bewandel het rechte pad naar de luister van de Heer
7 Ezechiël: 36,16-28 Ik zal zuiver water over u sprenkelen en Ik zal u een nieuw hart geven
8 Romeinen: 6,3-11 Door het doopsel in zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden
9 Marcus: 16,1-7 Hij is verrezen, Hij is niet hier

Daarna volgt de zegening van het doopwater en hernieuwen de gelovigen de doopbeloften; door het paasmysterie zijn wij in het doopsel begraven met Jezus Christus, om met Hem een nieuw leven te kunnen beginnen. Het Doopsel is een onuitwisbaar teken in ons hart, maar omdat wij zo vaak ‘afdwalen’, nodigt de Kerk ons ieder jaar uit in de Paasnacht ons opnieuw bewust te worden van de belofte en de genade van ons Doopsel.

Tenslotte wordt de H. Eucharistie gevierd.

< Paasjubelzang

Juicht nu, Engelen van God in de hemel, steekt de bazuin en verkondigt het heil: uw Koning heeft overwonnen. Aarde, lichtovergoten, verheug u: de luister van de eeuwige Koning omstraalt u, zie, van heel de wereld is het,duister geweken. En gij, onze moeder de Kerk, overstroomd door dit glanzende licht, verblijd u. Deze heilige ruimte weerklinke van de machtige stem van het volk.
Daarom, broeders en zusters, staande in dit wondere schijnsel, bidt samen met mij de barmhartige God: dat ik, onwaardige dienaar, gelouterd door zijn glorievol licht, het lied van de paaskaars waardig mag zingen.

De Heer zij met u.
En met uw geest.
Verheft uw hart.
Wij zijn met ons hart bij de Heer.
Brengen wij dank aan de Heer, onze God.
Hij is onze dankbaarheid waardig.

Ja, wij moeten met hart en ziel en met luide stem de lof zingen van de onzichtbare God, de almachtige Vader, en van zijn eengeboren Zoon, onze Heer Jezus Christus, die voor ons de schuld van Adam aan de eeuwige Vader betaald heeft, en de schuldbrief van de oude zonde heeft uitgewist met het bloed van zijn hart. Dit is het Paasfeest waarop het ware Lam wordt geslacht: zijn bloed heiligt de deuren van hen die geloven.

In deze nacht hebt Gij eens onze vaderen, de zonen van Israël uit Egypte geleid en droogvoets door de Rode Zee gevoerd. Deze nacht heeft het duister van de zonde door de lichtende vuurzuil verdreven. Deze nacht heeft, over geheel de wereld, hen die in Christus geloven, van de zonden gescheiden, in genade hersteld, en geheiligd. In deze nacht heeft Christus de boeien van de dood verbroken en is Hij zegevierend uit het dodenrijk opgestaan. Zonder de weldaad van de verlossing had ons leven geen enkele zin. Hoe mateloos groot was uw goedheid voor ons. 0 onschatbaar bewijs van uw liefde: om de slaaf vrij te kopen hebt Gij de Zoon prijsgegeven. Moest de zonde van Adam niet worden begaan om door Christus’ dood te worden gedelgd. Gelukkige schuld, waaraan wij de Verlosser danken.

0 waarlijk heilige nacht, de enige die tijd en uur mocht kennen waarop Christus uit de doden verrees. Dit is de nacht waarvan geschreven staat: voor u is het donker niet duister, de nacht zo licht als de dag. Deze heilige nacht verjaagt de zonden en vergeeft de schulden; de gevallenen richt zij op, de bedroefden maakt zij blij; zij verdrijft de haat, brengt vrede, en doet de machtigen buigen.

Aanvaard dan, heilige Vader, in deze genadevolle nacht de lofprijzing die de Kerk U bij dit brandend waslicht als een avondoffer aanbiedt.
Wat deze lichtkolom verkondigt, weten wij: zij meldt de heerlijkheid van God; ook al neemt men van dit licht” zijn glans vermindert niet, (want het blijft gevoed door de smeltende was, die moeder bij heeft bereid voor deze kostbare fakkel. 0 waarlijk heilige nacht: hemel en aarde worden één, God en mens ontmoeten elkaar.

Zo bidden wij U, Heer moge deze kaars, gewijd tot eer van uw Naam, onverzwakt blijven branden om de duisternis van deze nacht te verdrijven; moge haar licht samenvloeien met de hoge hemellichten, en haar vlam de morgenster begroeten: de morgenster die nooit verbleken zal, die, uit het dodenrijk herrezen, over heel het menselijk geslacht stralend is opgegaan: Christus, uw Zoon, die leeft en heerst in de eeuwen der eeuwen. Amen.

< Hernieuwing van doopbeloften

Broeders en zusters, door het paasmysterie zijn wij in de doop begraven met Jezus Christus, om met Hem een nieuw leven te kunnen leiden. Daarom willen wij, nu de veertigdaagse voorbereiding op het Paasfeest ten einde is, onze doopbeloften opnieuw uitspreken. Want eens hebben wij ons verzet tegen de boze macht en tegen al het kwaad dat hij sticht, en hebben wij beloofd God in zijn heilige katholieke kerk te dienen.

Daarom, zult u zich te allen tijde verzetten tegen kwaad en onrecht om in vrijheid te leven als kinderen van God?

Ja, dat beloof ik.

Zult u zich verzetten tegen de bekoring van zonde en onrecht, zodat het kwaad zich niet van u meester maakt?

Ja, dat beloof ik.

Zult u de Heer uw God dienen en Hem alleen?

Ja, dat beloof ik.

Gelooft u in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde?

Ik geloof.

Gelooft u in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Heer, geboren uit de maagd Maria, die geleden heeft, gestorven en begraven is, die uit de dood is opgestaan en leeft aan Gods rechterhand?

Ik geloof.

Gelooft u in de heilige Geest; de heilige katholieke kerk; de gemeenschap van de heiligen; de vergeving van de zonden; de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven?

Ik geloof.

Moge de almachtige God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons heeft doen herboren worden uit water en de heilige Geest en ons vergeving heeft geschonken van onze zonden, ons bewaren tot het eeuwig leven in Christus Jezus onze Heer.

Amen

Vidi aquam egredientem de templo,
a latere dextro, alleluia;
et omnes ad quos pervenit aqua ista
salvi facti sunt et dicent:
alleluia, alleluia.
Ik heb water zien stromen, uit de tempel, aan de rechterzijde, alleluja;
en allen tot wie dit water is gekomen zijn verlost en zullen zeggen:
alleluja, alleluja.

< Oorsprong van Pasen

De oorsprong van de christelijke paasviering ligt in de joodse liturgie (Pesach), die na een lange ontwikkeling (waarin twee tradities samenvloeien, die van de ongedesemde broden en die van het slachten van het lam) uitdrukkelijk wordt geconcentreerd op de herdenking van de bevrijding uit Egypte, de tocht door het water en de woestijn naar het beloofde land. Aldus verstaat Israël zijn bevrijding uit Egypte: telkens wanneer het paasfeest gevierd wordt, worden de gelovigen weer aan de gebeurtenissen van de uittocht herinnerd, opdat zij ernaar gaan leven.

De christelijke paasviering herdenkt dezelfde geschiedenis van God en zijn volk, maar dan in de persoon van Jezus, die het nieuwe paaslam werd (1 Kor. 5:8). Jezus vierde tijdens het paasmaal met zijn apostelen het laatste avondmaal en zo gaf Hij aan het joodse paasfeest zijn definitieve zin. Door zijn dood en verrijzenis, het nieuwe Pasen, loopt het avondmaal loopt inderdaad vooruit op de overgang van Jezus naar zijn Vader. Dit wordt gevierd in de eucharistie die het joodse paasfeest tot vervulling brengt en vooruitgrijpt op het uiteindelijke paasfeest van de kerk in de heerlijkheid van het Koninkrijk.

Men kan in de paasviering, historisch gezien, verschillende perioden onderscheiden.

1. Vóór de kerkvrede van 313
Vóór de kerkvrede van 313 bestond de paasviering uit vasten (treuren om de dood van de Heer; vgl. Mc. 2:20). Deze vasten werd besloten door een nachtwake, waarin gelezen werd uit de Schrift: de passages over het paaslam, de lijdende dienaar, het lijden van de Messias. De vasten werd verbroken door de eucharistie, dwz. de communie. Deze eucharistie was de inleiding op de blijde viering van de vijftig dagen (Paastijd). Pasen was lijdensherdenking, waaraan het element van de overwinning niet ontbrak.

2. Na de kerkvrede van 313
Na de kerkvrede kreeg men meer oog voor het verloop van de gebeurtenissen in de laatste dagen van Jezus’ leven, zoals beschreven in de vier evangeliën. Het paasmysterie werd uiteengelegd in een viering van drie dagen (Triduum Sacrum): Goede Vrijdag (lijden en sterven), Paaszaterdag (grafrust) en paaszondag, die echter toch één geheel vormden. De paaswake was als het ware een samenvatting van deze drie dagen, vooral toegepast op degenen die gedoopt werden. In deze tijd werd de paaszondag de blijde afsluiting van het Triduum, het hoogtepunt van het kerkelijk jaar. Men vindt deze opvatting van het Paasfeest in vele geschriften, o.a. in sommige preken van Augustinus en van paus Leo de Grote.

3. Laatste stadium
In een laatste stadium (dat in de Latijnse ritus vanaf de middeleeuwen tot in de moderne tijd voortduurde) werd de paaszondag geïsoleerd van de voorafgaande dagen. Het zgn. Triduum, nu omvattend Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Paaszaterdag, werd tot een voorbereiding op de Paaszondag. De nachtwake (paaswake) werd van de nacht verschoven naar de Paaszaterdagmorgen of -middag.

4. Herziening liturgie
De liturgische beweging in de Rooms-Katholieke Kerk heeft de eenheid van het paasmysterie in de liturgieviering van de kerk trachten te herstellen. In 1955 werd de liturgie van de Goede Week op basis van historische gegevens herzien. Belangrijker nog was het resultaat van het Tweede Vaticaans Concilie, dat in zijn Constitutie over de Liturgie het mysterie van Pasen het fundament noemt voor elke liturgische viering en dat tegelijk een gehele herziening van de paasliturgie in het vooruitzicht stelde. Dit werk is in 1970 voltooid met het verschijnen van het nieuwe Missale Romanum.

< Op welke datum wordt Pasen gevierd?

De datum van de eerste paasdag valt – volgens de christelijke kalender – op de eerste zondag na volle maan na het begin van de lente (21 maart) en kent hierdoor dus een spreiding van 34 dagen (van 22 maart tot 25 april).

In 2021 wordt Pasen gevierd op 4 april.

Het joodse paasfeest (Pesach) wordt gevierd in de voorjaarsmaand Nisan (maart-april), te beginnen bij de vollemaansnacht. Door deze verschillende berekeningen kunnen de data van het christelijke en het joodse paasfeest soms ver uit elkaar liggen.

Op het Concilie van Nicea (in 325) zijn alle kerken overeengekomen dat het christelijk paasfeest gevierd wordt op de zondag die volgt op de volle maan na het begin van de lente.
De kalenderhervorming in het westen (in 1582; men spreekt dan over de “Gregoriaanse kalender”, naar de naam van paus Gregorius XIII) had een verschuiving van verschillende dagen tot gevolg ten opzichte van de kalender in het oosten.
De oosterse en westerse kerken zijn nu op zoek naar een oplossing om weer op eenzelfde datum de dag van de verrijzenis van de Heer te kunnen vieren.

Lees meer voor details de Verklaring van het Tweede Heilig Vaticaans Oecumenisch Concilie over de kalenderhervorming.

< Pasen en de Catechismus

In de geloofsbelijdenis bidden we: “ . . . Jezus Christus is nedergedaald ter helle, de derde dag verrezen uit de doden . . .

Wat dit betekent kunnen we lezen in de Catechismus van de Katholieke Kerk

631 “Jezus is in de diepte afgedaald. Hij die is neergedaald, is dezelfde die ook is opgestegen” (Ef. 4,9-10). De geloofsbelijdenis van de apostelen belijdt in hetzelfde geloofsartikel de nederdaling ter helle van Christus en zijn verrijzenis uit de doden op de derde dag, omdat Hij in zijn Pasen uit de diepte van de dood het leven laat.
632 De herhaalde bevestigingen van het Nieuwe Testament dat Jezus is opgewekt uit de doden” (Hand, 3,15; Rom. 8,11; 1 Kor. 15,20), veronderstellen dat Hij voorafgaand aan de verrijzenis in het verblijf van de doden vertoefd heeft (Vgl. Heb. 13,20). Dat is de eerste betekenis die de prediking van de apostelen gegeven heeft aan Jezus’ nederdaling ter helle. Jezus heeft, evenals alle mensen, de dood gekend. Hij heeft zich met zijn ziel bij hen gevoegd in het dodenrijk. Maar Hij is er nedergedaald als Verlosser, de Blijde Boodschap verkondigend aan de geesten die er waren gekerkerd (Vgl. 1 Petr. 3,18-19).
633 Het dodenrijk waarin Christus na zijn sterven is nedergedaald, noemt de Schrift de hel, de Sjeool of de Hades (Vgl. Fil. 2,10; Hand. 2,24; Apok. 1,18; Ef. 4,9), omdat zij die zich daar bevinden, verstoken zijn van het zien van God (Vgl. Ps. 6,6; 88,11-13). Dat is immers het geval voor alle doden, goede of slechte, wanneer zij wachten op de Verlosser (Vgl. Ps. 89,49; 1 Sam. 28,19; Ez. 32,17-32) dat wil niet zeggen dat hun lot gelijk is, zoals Jezus laat zien in de parabel van de arme Lazarus, die in “de schoot van Abraham” was opgenomen (Vgl. Lc. 16,22-26). “Het zijn juist de zielen van deze vromen die in de schoot van Abraham op hun bevrijder wachtten, die Jezus Christus bevrijdde, toen Hij nederdaalde ter helle” . Jezus is niet nedergedaald ter helle om de verdoemden te bevrijden, evenmin om de hel van de verdoemenis af te breken, maar om de rechtvaardigen die Hem voorgegaan waren, te bevrijden (Mt 27,52-53).
634 “Het evangelie is ook aan gestorvenen verkondigd…” (1 Petr. 4,6). De nederdaling ter helle is de volledige vervulling van de evangelische aankondiging van het heil. Zij is de allerlaatste fase van de Messiaanse zending van Jezus. Deze fase is zeer beperkt in de tijd, maar strekt zich ontzettend ver uit wat haar werkelijke betekenis betreft. Zij leert dat het verlossingswerk zich uitbreidt tot alle mensen van alle tijden en van alle plaatsen, want allen die zijn gered, hebben immers deel gekregen aan de verlossing.
635 Christus is dus neergedaald in de diepte van de dood (Vgl. Mt. 12,40; Rom. 10,7; Ef. 4,9), opdat “de doden de stem van Gods Zoon zullen horen en die haar horen, zullen leven” (Joh. 5,25). Jezus, “de leidsman ten leven” (Hand. 3,15) heeft “door zijn dood de vorst van de dood, de duivel, onttroond en hen die door de vrees voor de dood heel hun leven aan onvrijheid onderworpen waren, bevrijd” (Heb. 2,14-15). Voortaan heeft de verrezen Christus “de sleutels van de dood en het dodenrijk” (Apok. 1,18) en “buigt bij de naam van Jezus zich iedere knie in de hemel, op aarde en onder de aarde” (Fil. 2,10). Vandaag heerst er een grote stilte op aarde; een grote stilte en verder een grote verlatenheid. Een grote stilte want de Koning slaapt. De aarde heeft gebeefd en is tot rust gekomen, omdat God in het vlees is ingeslapen en hen die sedert eeuwen sliepen, heeft Hij doen opstaan (…). Voorzeker gaat Hij onze eerste voorvader, zoals het verloren schaap, zoeken. Ongetwijfeld wil Hij ook hen die in de duisternis en de schaduw van de dood gezeten zijn (vgl. Lc. 1,79), bezoeken, ongetwijfeld gaat Hij de gevangen Adam en ook Eva, die met hem gevangen zit, van hun smarten bevrijden, Hij, hun God en hun Zoon (…). Ik ben uw God, degene die omwille van u uw zoon geworden is (…). Ontwaak, gij die slaapt, want Ik heb u niet daarom geschapen, opdat gij hier in de onderwereld geketend uw dagen slijt. Sta op uit de doden, Ik ben het leven van de doden.
638 “Wij dan verkondigen u de blijde boodschap, dat God de belofte aan de vaderen gedaan, voor ons, hun kinderen, vervuld heeft door Jezus te doen verrijzen” (Hand. 13,32-33). De verrijzenis van Jezus is de hoogste waarheid van ons geloof in Christus, geloofd en beleefd als centrale waarheid door de eerste christengemeenschap, als fundamentele waarheid door de overlevering doorgegeven, vastgelegd door de geschriften van het Nieuwe Testament, tegelijk met het kruis gepredikt als wezenlijk onderdeel van het Paasmysterie.
639 Het mysterie van de verrijzenis van Christus is een werkelijk gebeuren waarvan men de manifestaties in de geschiedenis heeft kunnen constateren, zoals het Nieuwe Testament getuigt. Reeds de heilige Paulus kan omstreeks het jaar 56 aan de Korintiërs schrijven: “Ik heb u overgeleverd wat ik ook zelf als overlevering heb ontvangen, namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften, en dat Hij begraven is, en dat Hij is opgestaan op de derde dag volgens de Schriften, en dat Hij is verschenen aan Kefas en daarna aan de Twaalf” (1 Kor. 15,3-4). De apostel spreekt hier over de levende overlevering van de verrijzenis, die hij ontvangen had na zijn bekering voor de poorten van Damascus (Vgl. Hand. 9,3-18).
640 “Wat zoekt ge de Levende bij de doden? Hij is niet hier, Hij is verrezen” (Lc, 24,5-6). In het kader van de gebeurtenissen van Pasen is het eerste element waar men op stuit, het lege graf. Dat is op zich geen direct bewijs. De afwezigheid van het lichaam van Christus in het graf zou ook anders uitgelegd kunnen worden (Vgl. Joh. 20,13; Mt. 28,11-15). Desondanks is het lege graf voor allen een wezenlijk teken geweest. De ontdekking ervan door de leerlingen is de eerste stap geweest naar de erkenning van het feit zelf van de verrijzenis. Dat is allereerst het geval voor de heilige vrouwen (Vgl. Lc. 24,3.22-23), daarna voor Petrus (Vgl. Lc. 24,12). “De door Jezus beminde leerling” (Joh. 20,2) verzekert dat hij bij het binnengaan van het lege graf en het ontdekken van “de zwachtels die daar lagen” (Joh. 20,6) “zag en geloofde” (Joh. 20,8). Dat veronderstelt dat hij uit de toestand van het lege graf (Vgl. Joh. 20,5-7) afgeleid heeft dat de afwezigheid van het lichaam van Jezus niet het resultaat van mensenwerk geweest kan zijn en dat Jezus niet eenvoudigweg teruggekeerd was tot een aards leven, zoals in het geval van Lazarus (Vgl. Joh. 11,44).
641 Maria Magdalena en de heilige vrouwen zijn de eerste geweest, die de Verrezene ontmoet hebben (Vgl. Mc. 16,1; Lc. 24,1). Zij kwamen om het balsemen van het lichaam van Jezus, dat, op de avond van de Goede Vrijdag (Vgl. Mt. 28,9-10; Joh. 20,11-18) vanwege het aanbreken van de sabbat haastig begraven was, te voltooien (Vgl. Joh. 19,41.42). Zo waren de vrouwen voor de apostelen zelf de eerste boodschapsters van de verrijzenis van Christus (Vgl. Lc. 24,9-10). Daarna verschijnt Jezus aan de apostelen, allereerst aan Petrus, dan aan de Twaalf (Vgl. 1 Kor. 15,5). Petrus, die geroepen is het geloof van zijn broeders te versterken (Vgl. Lc. 22,31-32), ziet dus de Verrezene vóór hen en op grond van zijn getuigenis roept de gemeenschap uit: “De Heer is waarlijk verrezen, Hij is aan Simon verschenen” (Lc. 24,34.36).
642 Al wat in die Paasdagen gebeurd is, betrekt ieder van de apostelen afzonderlijk – en heel in het bijzonder Petrus – bij de vestiging van het nieuwe tijdperk dat op Paasmorgen begonnen is. Als getuigen van de Verrezene blijven zij de fundamenten waarop zijn kerk gegrondvest is. Het geloof van de eerste gemeenschap van gelovigen is gebaseerd op het getuigenis van concrete mensen, die de christenen kenden en die voor het merendeel nog onder hen leefden. Deze “getuigen van de verrijzenis van Christus” (Vgl. Hand. 1,22) zijn vooral Petrus en de Twaalf, maar zij niet alleen: Paulus zegt duidelijk dat Jezus behalve aan Jakobus én aan alle apostelen ook nog aan meer dan vijfhonderd personen tegelijk verschenen is (Vgl. 1 Kor. 15,4-8).
643 Geconfronteerd met deze getuigenissen is het onmogelijk de verrijzenis van Christus te interpreteren als iets dat buiten de fysieke orde valt en haar niet te erkennen als een historisch feit. Uit de feiten blijkt dat het geloof van de leerlingen door het lijden en de kruisdood van hun Meester, door Hem van tevoren aangekondigd, radicaal op de proef gesteld is (Vgl. Lc. 22,31-32). De schok die het lijden teweegbracht, was zo groot dat de leerlingen (of tenminste sommigen onder hen) niet onmiddellijk het bericht over de verrijzenis geloofden. Verre van ons een gemeenschap te tonen die gegrepen is door een mystieke vervoering, laten ons de evangelies leerlingen zien die terneergeslagen (“met een bedrukt gezicht” Lc. 24,17) en bang zijn (Vgl Joh. 20,19). Daarom geloofden zij de heilige vrouwen niet, toen zij van het graf terugkeerden, en “leek dat verhaal hun beuzelpraat” (Lc. 24,11). Wanneer Jezus op de avond van Pasen aan zijn leerlingen verschijnt, “maakt Hij hun een verwijt van hun hardnekkig ongeloof, omdat zij geen geloof hadden geschonken aan diegenen die Hem gezien hadden, nadat Hij verrezen was” (Mc. 16,14).
644 Zelfs wanneer de leerlingen geconfronteerd worden met de werkelijkheid van de verrezen Jezus, twijfelen zij nog (Vgl Lc. 24,39), zo onmogelijk komt hun de zaak voor: zij menen een geest te zien (Vgl Lc. 24,39). “Van vreugde en verbazing kunnen zij niet geloven” (Lc. 24,41). Thomas zal dezelfde beproeving van de twijfel kennen ((Vgl. Joh. 20,24-27) en bij de laatste verschijning in Galilea, zoals die door Matteüs verteld wordt, “twijfelden sommigen echter” (Mt. 28,17). Daarom is de hypothese dat de verrijzenis een “product” van het geloof (of van de lichtgelovigheid) van de apostelen zou zijn geweest, ongegrond. Integendeel: hun geloof in de verrijzenis is onder de werking van de goddelijke genade voortgekomen uit de directe ervaring met de werkelijkheid van de verrezen Jezus.
645 Jezus treedt na zijn verrijzenis rechtstreeks in contact met zijn leerlingen door hen aan te raken (Vgl. Lc. 24,39; Joh. 20,27) en de maaltijd met hen te gebruiken (Vgl Lc. 24,30.41-43; Joh. 21.9.13-15). Hij nodigt hen uit daardoor te erkennen dat Hij geen geest is (Vgl Lc. 24,39), maar vooral om daardoor vast te stellen dat het verrezen lichaam waarin Hij hun verschijnt, hetzelfde lichaam is dat gefolterd en gekruisigd is, aangezien het nog de sporen draagt van het lijden (Vgl. Lc. 24,40; Joh. 20,20.27). Dit authentieke, werkelijke lichaam heeft echter tegelijkertijd de nieuwe kenmerken van een verheerlijkt lichaam: het is niet meer gebonden aan tijd en ruimte, maar Hij kan het laten verschijnen op welke wijze en wanneer Hij maar wil (Vgl. Mt. 28,9.16-17; Lc. 24,15.36; Joh. 20,14.19.26; 21,4), want zijn menselijke natuur kan op aarde niet meer vastgehouden worden en behoort alleen nog maar tot het goddelijk rijk van de Vader (Vgl. Joh. 20,17). Daarom ook staat het Jezus na zijn verrijzenis volledig vrij te verschijnen, zoals Hij wil: in de gedaante van de tuinman (Vgl Joh. 20,14-15) of “in andere gedaantes” (Mc. 16,12) dan die welke aan de leerlingen bekend waren, juist om hun geloof op te wekken (Vgl. Joh. 20,14; 21,4.7).
646 De verrijzenis van Christus was geen terugkeer naar het aardse leven, zoals dat het geval was met de opwekkingen die Hij voor Pasen gedaan had: de dochter van Jaïrus, de jongeman uit Naïm en Lazarus. Deze feiten waren wonderbare gebeurtenissen, maar de door een wonder ten leven gewekte personen kregen door de macht van Jezus een “gewoon” aards leven terug. Op een gegeven ogenblik zullen zij opnieuw sterven. De verrijzenis van Christus is wezenlijk anders. In zijn verrezen lichaam gaat Hij van (de toestand van) de dood over naar een ander leven buiten tijd en ruimte, Het lichaam van Jezus is in de verrijzenis vervuld van de kracht van de heilige Geest; Hij deelt in het goddelijk leven door de staat van zijn heerlijkheid, en wel zo dat de heilige Paulus over Christus kan zeggen dat Hij “de hemelse mens” is (Vgl. 1 Kor. 15,35-50).
647 “O waarlijk heilige nacht”, zingt het Exsultet, “de enige die tijd en uur mocht kennen waarop Christus uit de doden verrees!” Niemand is immers ooggetuige geweest van de gebeurtenis zelf van de verrijzenis en geen enkele evangelist beschrijft haar. Niemand heeft kunnen zeggen hoe zij fysiek gezien tot stand gekomen is. En het diepste wezen ervan, de overgang naar een ander leven, was nog minder zintuiglijk waarneembaar. Hoewel de verrijzenis een historische gebeurtenis is, die door het teken van het lege graf en de werkelijkheid van de ontmoetingen van de apostelen met de verrezen Christus vast te stellen is, blijft ze, in zoverre ze de geschiedenis te boven gaat en daarboven uitstijgt, ten diepste een geloofsmysterie. Daarom toont de verrezen Christus zich niet aan de wereld (Vgl. Joh. 14,22), maar wel aan zijn leerlingen, “aan degenen die Hem van Galilea naar Jeruzalem hadden vergezeld, juist aan degenen die nu getuigen van Hem zijn voor het volk” (Hand. 13,31).
Back To Top