skip to Main Content
Inhoud
zo ma di wo do vr za
dag 1 dag 2 dag 3 dag 4
dag 5 dag 6 dag 7 dag 8 dag 9 dag 10 dag 11
dag 12 dag 13 dag 14 dag 15 dag 16 dag 17 dag 18
dag 19 dag 20 dag 21 dag 22 dag 23 dag 24 dag 25
dag 26 dag 27 dag 28 dag 29 dag 30 dag 31 dag 32
dag 33 dag 34 dag 35 dag 36 dag 37 dag 38 dag 39

 

Het Paasfeest is het grootste feest van het liturgische jaar. Wij vieren met Pasen dat Jezus niet meer dood is maar leeft. Hij heeft de dood overwonnen. De Verrijzenis staat centraal in ons christelijke geloof. Het Paasfeest wordt in 2022 op 17 april gevierd. De periode hieraan voorafgaande wordt de Veertigdagentijd genoemd; deze loopt in 2021 van 2 maart tot en met 16 april. Als u goed telt zijn dit 46 dagen. Waarom dan Veertigdagentijd? Dit komt, omdat de 6 zondagen die in deze periode vallen, niet als vastendag gerekend worden en derhalve niet meegeteld worden.

Een groot feest kan pas dan echt gevierd worden als er een intensieve voorbereiding aan vooraf is gegaan. De periode van de Veertigdagentijd is van oudsher een tijd van inkeer, bezinning en gebed ter voorbereiding op Pasen. In deze periode wordt in de liturgie de kleur paars gebruikt.

< Inleiding op de veertigdagentijd

De periode van de Veertigdagentijd is van oudsher een tijd van inkeer, bezinning en gebed ter voorbereiding op Pasen. Het is een bekeringstijd. Zich bekeren is: zich weer (meer) wenden tot God en zich afwenden van alles wat ons van God afhoudt. Jezus zelf heeft ook 40 dagen in vasten en gebed in de woestijn doorgebracht voordat Hij aan de verkondiging van de Blijde Boodschap begon. Veertig jaar trok het volk van het Oude Verbond door de woestijn, alvorens zij het beloofde land bereikte. Veertig dagen bracht Mozes op de berg door om Gods geboden in ontvangst te nemen. Veertig nachten bracht Elia in bidden en vasten door in de woestijn, totdat hij bij de berg Horeb God mocht ervaren. Bij zijn gedaanteverandering op de berg zou Jezus omgeven worden door deze twee oudtestamentische personen, toen Hij zich aan zijn leerlingen als verheerlijkte Heer toonde, vooruitlopend op zijn verrijzenis.

Jaarlijks bereiden de gelovigen zich eveneens gedurende een periode van veertig dagen voor op het grote Paasfeest om met een gelouterd hart het sterven en verrijzen van Christus met Pasen te gedenken. De liturgie van deze tijd is een handreiking voor een diepere bezinning op ons Christen-zijn in zijn geheel. Op twee elementen ligt bijzonder de nadruk: Ten eerste op het doopsel en ten tweede op boetedoening en het doen van goede werken.

De voorbereiding op het doopsel in de Paasnacht van pas bekeerden vond vroeger plaats in de Veertigdagentijd. Dit gebeurt in sommige parochies ook nu nog. In de liturgie van de Paasnacht worden alle gedoopten uitgenodigd hun Doopbeloften te hernieuwen: door het Paasmysterie zijn wij in het doopsel begraven met Jezus Christus, om met Hem een nieuw leven te kunnen beginnen. Het Doopsel is een onuitwisbaar teken in ons hart, maar omdat wij zo vaak ‘afdwalen’, nodigt de Kerk ons ieder jaar uit in de Paasnacht ons opnieuw bewust te worden van de belofte en de genade van ons Doopsel. De herdenking van het Paasmysterie en het sacrament van het doopsel, waardoor alle zonden werden afgewassen, nodigt de gelovigen uit om zich in deze veertigdagentijd te bekeren.

Daarom is de veertigdagentijd een tijd bij uitstek om het sacrament van de boete en verzoening (de biecht) te ontvangen. Het ontvangen van dit sacrament kan voorbereid worden door een boeteviering. Het woordje boete betekent: “Herstelling, heling of aanvulling van iets dat gebroken of verscheurd is”. Als wij ten opzichte van God en onze naaste tekort schieten (een zonde doen) dan is het nodig om te herstellen wat fout is (laten zien dat je spijt hebt).

De oproep tot vasten is heel Bijbels. Op vele plaatsen in het Oude en Nieuwe Testament wordt verteld over mensen die vasten om hun gebeden kracht bij te zetten. Je ervaart dan ook dat je meer openstaat voor Gods liefde. Je maakt je letterlijk leeg om door Gods liefde ‘gevuld’ te worden. De Kerk nodigt ons daarom uit om gedurende de veertigdagentijd te vasten (matiging van voedsel etc.) en op Aswoensdag en op Goede Vrijdag(de zgn. onthoudingsdagen) geen vlees te eten en slechts één volle maaltijd te gebruiken. Daarnaast is de veertigdagentijd een periode van meer toeleg op het gebed en van het doen van goede werken. De praktijk van het vasten, gepaard met gebed, is zeer heilzaam en wordt ook in onze tijd langzamerhand weer herontdekt.

De Veertigdagentijd begint op Aswoensdag. Tijdens de Eucharistieviering op deze dag wordt de as van verbrande palmtakken van het vorig jaar gezegend. Iedereen in de kerk wordt getekend met een kruisje van deze as. Deze as is een teken van boetvaardigheid. Het herinnert ons eraan dat wij slechts stof en as zijn en tot stof zullen terugkeren (‘Gedenk, mens, dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren’.) Deze woorden, afkomstig uit het boek Genesis, benadrukken de vergankelijkheid van het aardse leven, de vorm van het kruis daarentegen wijst op eeuwig leven.

Vanaf het begin van de veertigdagentijd tot de Paaswake wordt het alleluja niet gezegd. De zondagen van deze periode worden 1e, 2e, 3e, 4e en 5e zondag van de veertigdagentijd genoemd. De 6e zondag, waarop de Goede Week begint, heet Palm- en Passiezondag.

Het doel van de Goede Week is de overweging van het lijden en sterven van Christus, te beginnen met zijn intocht als Messias in Jeruzalem op Palmzondag. In de morgen van Witte Donderdag zegent de bisschop de heilige oliën en wijdt hij het chrisma tijdens de eucharistieviering die hij met zijn priesters concelebreert.

Het Paastriduüm van het lijden, de dood en de verrijzenis van de Heer begint met de avondmis van Witte Donderdag; dan vieren wij de instelling van de Heilige Eucharistie.

Op Goede Vrijdag gedenken wij het sterven van Onze Heer Jezus Christus; de Kruisweg wordt dan gebeden en er is een Kruisverering.Op deze dag wordt ook gevast.

In de Paaswake (zaterdagnacht) ziet de Kerk wakend uit naar Christus’ verrijzenis.

Op het Hoogfeest van Pasen vieren wij de opstanding van Christus uit de doden, waardoor Hij ons mensen verlost heeft

< Waar hebben we een veertigdagentijd voor nodig?

Het woord lente komt van het Oud-Hoogduitse woord lenzin. Dit heeft te maken met het lengen van de dagen, de tijd na de winter, wanneer de boeren al gauw gingen zaaien in de hoop op een goede oogst in de zomer. Aan het einde van elke winter keek een boer uit over zijn land en zag iets wat op een kale woestijn leek. Maar hij stelde zich voor hoe prachtig dat land eruit zou zien nadat hij er hard zijn best voor had gedaan. Het is opmerkelijk dat ditzelfde woord ‘lent’ in het Engels gebruikt wordt om de veertigdagentijd aan te duiden.

We hebben een tijd van ontbering nodig
Als alles goed met ons gaat dan neemt ons verlangen naar God en naar nieuwe geestelijke groei vaak zienderogen af, soms zelfs zozeer dat dat verlangen helemaal verdwijnt. Maar als we ons in onze gedachten naar een woestijn verplaatsen — waar het heet is, waar geen voedsel is en geen water en waar we de normale gemakken van het leven moeten ontberen — dan zullen we spoedig op andere gedachten komen. Ontbering maakt dat we onszelf zien als behoeftige mensen die nieuw leven nodig hebben. Het maakt dat we ons tot God wenden en zijn stem gaan zoeken, iets waar we misschien heel goed zonder kunnen zolang we in beslag genomen worden door onze dagelijkse plichten en de verleidelijke aanbiedingen van deze wereld.

Daarom hebben we een vastentijd nodig. We hebben behoefte aan een retraite, een bezinningstijd van veertig dagen. We moeten een stap terug doen uit onze dagelijkse sleur om te kunnen nadenken over ons leven en ons gezin. Of we nu een daad stellen van zelfverloochening of dat we een poging doen om minder zelfzuchtig en meer liefdevol te zijn, we hebben allemaal een tijd nodig waarin we onszelf de normale geneugten des levens ontzeggen om ons geestelijk leven te verzorgen en nieuw zaad te zaaien.

Boeren moeten lang en hard werken om te ploegen, het land klaar te maken en nieuw zaad te zaaien. Dat is allemaal nodig om tot nieuwe groei te kunnen komen. Op dezelfde manier is de veertigdagentijd een tijd van nieuwe geestelijke groei, maar daar moeten noodzakelijkerwijs zweet en inspanning aan voorafgaan.

Tijd voor een nieuwe besef
Tegen de tijd dat we het Paasfeest vieren kunnen we allemaal een grote oogst binnenhalen — meer persoonlijke liefde tot God en meer liefde voor anderen. De komende veertig dagen kunnen we ons besef verdiepen van de Liefde die zich tweeduizend jaar geleden aan het kruis van Golgota naar ons uitstrekte. We kunnen ons verwonderen over de manier waarop de Eucharistie al zoveel eeuwen lang de gelovigen gevoed en gesterkt heeft. We kunnen onze aandacht richten op Gods diepste bedoelingen — ieder naar zich toe te trekken — en bepalen hoe we met onze inzet voor Hem en voor zijn volk kunnen meewerken om deze bedoelingen in vervulling te laten gaan. We kunnen opnieuw tegen onszelf zeggen dat deze wereld niet ons huis is, maar slechts een tussenstation waar we wachten op de terugkeer van Jezus.

Nadat Jezus zelf veertig dagen in de woestijn had gebeden en tenslotte de Satan wegstuurde, kwamen engelen Hem dienen. Zo kunnen ook wij er zeker van zijn dat God aan het einde van onze eigen persoonlijke retraite in de veertigdagentijd ook naar ons zijn engelen zal sturen om ons te dienen en ons met meer genade en meer liefde te vullen. Op Paaszondag zult u mogen zien dat Jezus naar u glimlacht. U zult zien hoe Hij het op prijs heeft gesteld wat u in de veertigdagentijd hebt gedaan.

God zegene u.


< Dagelijkse overwegingen voor de veertigdagentijd jaar C

< Aswoensdag en verder

< Aswoensdag

Eerste lezing uit het boek Joël (2,12-18)
Zo spreekt God de Heer: “Keert tot Mij terug, van ganser harte, met vasten, met geween en met rouwklacht. Scheurt uw hart en niet uw kleren, keert terug tot de Heer uw God, want genadig is Hij en barmhartig, lankmoedig en vol liefde, en Hij heeft spijt over het onheil.” Wie weet, keert Hij terug en krijgt Hij spijt en laat dan zegen achter zich, een meeloffer en een plengoffer voor de Heer uw God!
“Blaast de bazuin op de Sion, kondigt een heilige vastentijd af, roept een plechtige samenkomst bijeen! Verzamelt het volk, belegt een heilige bijeenkomst, brengt de oudsten samen en verzamelt ook de kinderen en de zuigelingen; laat de bruidegom zijn kamer verlaten en de bruid haar bruidsvertrek. Laat tussen de voorhal en het altaar de priesters, die de dienst van de Heer verrichten, wenen en zeggen: Spaar uw volk, Heer, laat niet met uw erfdeel spotten, laat niet de heidenen het overheersen. Moet men onder de volken zeggen: Waar blijft hun God?” Toen is de Heer voor zijn land opgekomen en heeft Hij zijn volk gespaard.

Tweede lezing uit de Tweede brief aan de Korintiërs (5, 20 ­ 6, 2)
Broeders en zusters, wij zijn gezanten van Christus, God roept u op door ons woord. Wij smeken u in Christus’ naam: laat u met God verzoenen! Hem die geen zonde heeft gekend, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij door Hem Gods eigen heiligheid zouden worden. Als Gods medewerkers sporen wij u aan: zorgt dat ge zijn genade niet tevergeefs ontvangt. Hij zegt immers: “Op de gunstige tijd heb Ik u verhoord, op de dag van het heil ben Ik u te hulp gekomen.” Nu is er die gunstige tijd, vandaag is het de dag van het heil.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (6, 1-6 + 16-18)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Denkt er om: beoefent uw gerechtigheid niet voor het oog van de mensen om de aandacht te trekken; anders hebt gij geen recht op loon bij uw Vader die in de hemel is. Wanneer gij dus een aalmoes geeft, bazuin het dan niet voor u uit, zoals de huichelaars doen in de synagoge en op straat, opdat zij door de mensen geprezen worden. Voorwaar Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen. Als gij een aalmoes geeft, laat uw linkerhand dan niet weten, wat uw rechter doet, opdat uw aalmoes in het verborgene blijve en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. Wanneer gij bidt, gedraagt u dan niet als de schijnheiligen, die graag in de synagogen en op de hoeken van de straten staan te bidden om op te vallen bij de mensen; voorwaar Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen! Maar als gij bidt, ga dan in uw binnenkamer, sluit de deur achter u en bidt tot uw Vader die in het verborgene is en uw Vader die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. Wanneer gij vast, zet dan geen somber gezicht zoals de schijnheiligen; zij verstrakken hun gezicht om de mensen te tonen dat zij aan het vasten zijn. Voorwaar, Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen. Maar als gij vast, zalft dan uw hoofd en wast uw gezicht, om niet aan de mensen te laten zien dat gij vast, maar vast voor uw Vader die in het verborgene is en uw Vader die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.”

Overweging
Verzamel het volk, beleg een heilige bijeenkomst, breng de oudsten samen (Joël 2,16)

Valt het u ook op hoe indringend deze woorden klinken? Een invasie van sprinkhanen bedreigt Israël en de profeet Joël maakt bekend dat dit Gods oordeel is over hun zonde. Daarom roept hij het volk bijeen in de tempel zodat ze samen de Heer kunnen zoeken, berouw kunnen tonen en voorbede doen.

En op dezelfde dag waarop deze oproep klinkt voor een publieke manifestatie van gebed en inkeer, zegt de evangelielezing dat wij niemand moeten laten weten dat we bidden, vasten en aalmoezen geven. Jezus wil dat we die dingen in stilte doen om niet gelijk te worden aan “de schijnheiligen” (Matteüs 6,2).

Als we deze beide lezingen combineren, ontdekken we een routekaart voor de hele Veertigdagentijd. Voor deze periode, waarin we worden uitgenodigd de Heer beter te leren kennen, geeft onze hemelse Vader ons aanwijzingen hoe we dat precies moeten doen.

Allereerst, zegt Jezus ons in het evangelie, moeten we in stilte onze eigen besluiten nemen en persoonlijk tijd doorbrengen in gebed. Maar tegelijkertijd zegt de eerste lezing ons hoe belangrijk het is dat we in de Veertigdagentijd bij elkaar komen, om als volk de Heer te zoeken, onze reisdoelen met elkaar te bespreken en elkaar onderweg te bemoedigen.

Hoe kunt u anderen ontmoeten in deze tijd? De mogelijkheden zijn talrijk. U kunt met een klein groepje samenkomen om de lezingen van de zondag voor te bespreken. U kunt met uw huisgenoten overeenkomen dat u samen gaat vasten of een dag in de week een eenvoudiger maal gaat nuttigen, zodat u wat meer tijd hebt om samen te bidden. Wie weet brengt God jullie in contact met iemand die jullie kan aanmoedigen in jullie wandel met Hem. Waar u ook voor kiest, u mag weten dat Jezus u in deze tijd roept. Hij wil wonderen doen in het leven van ieder van ons!

Gebed
Vader, dank U dat U luistert naar de noodkreet van Uw volk. Wijs me alstublieft de weg om Jezus te vinden, zowel in mijn persoonlijk gebed als wanneer ik met anderen samenkom om te bidden. Amen.

< Asdonderdag

Eerste lezing uit het boek Deuteronomium (30,15-20)
Mozes nam het woord en sprak tot het volk: “Ik houd u vandaag het leven en het geluk voor, maar ook de dood en het ongeluk. Als gij luistert naar de geboden van de Heer uw God, die ik u heden geef, als gij de Heer uw God bemint, zijn wegen gaat en zijn geboden, voorschriften en bepalingen nakomt, dan zult gij leven en talrijk worden en zal de Heer uw God u zegenen in het land dat ge in bezit gaat nemen. Maar als uw hart afdwaalt, als ge niet luistert en u laat verleiden, zodat gij u voor andere goden neerbuigt en die vereert, dan kondig ik u heden aan, dat gij zult omkomen en dat ge niet lang zult leven op de grond, die ge na de overtocht van de Jordaan in bezit gaat nemen. Ik neem heden de hemel en de aarde tot getuigen tegen u. Leven en dood houd ik u voor, zegen en vloek. Kies dan het leven, dan zult gij met uw nakomelingen het leven bezitten, door de Heer uw God te beminnen, naar Hem te luisteren en aan Hem gehecht te blijven. Want daarvan hangt het af, of gij zult leven en of gij lang zult wonen op de grond, die de Heer aan uw vaderen, aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft toegezegd.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (9,22-25)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “De Mensenzoon moet veel lijden en door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden verworpen worden, maar na ter dood te zijn gebracht, zal Hij op de derde dag verrijzen.” Maar tot allen sprak Hij: “Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, die zal het redden. Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen, als hij zichzelf hierdoor zijn ondergang en dood berokkent?”

Overweging
Kies dan het leven. . . (Deuteronomium 30,19)

De Israëlieten stonden op het punt het Beloofde Land binnen te gaan. Aan veertig jaar wachten en zwerven was eindelijk een eind gekomen en Mozes bereidde het volk voor op de volgende fase in zijn geschiedenis. God had beloofd dat Hij zijn volk zou brengen naar een land dat overstroomde van melk en honing, en dat moment was nu aangebroken.

Staande voor de Israëlieten confronteerde Mozes hen met de grootste uitdaging waar ze ooit mee te maken zouden krijgen. Wilden zij kiezen voor het leven door de geboden van de Heer te volgen? Of verkozen zij de dood door hun eigen wegen te gaan en die van de volken om hen heen?

Deze uitdaging kwam niet uit de lucht vallen. Mozes had hen er al vaak aan herinnerd wat de Heer allemaal voor hen gedaan had. Hij herinnerde hen eraan hoe God hen had bevrijd uit Egypte en hen ook daarna was blijven beschermen. Hij sprak over het manna dat er elke morgen weer was, en kwakkels elke avond. Hij merkte op dat zelfs hun kleren niet waren versleten zolang ze in de woestijn rondzwierven! Maar nu was de tijd gekomen dat het volk zijn erfenis moest aanvaarden en ervoor moest kiezen om onder Gods bescherming te leven. Het manna zou stoppen, en ook de kwakkels. Het was tijd voor hen om zelf te kiezen voor de weg van gelovige gehoorzaamheid, voor het leven dat God hun aanbood.

Vandaag staat de Heer voor ons, zoals Mozes voor het volk stond, en biedt ons dezelfde roeping en dezelfde belofte aan. Hij staat aan de deur van ons hart en vraagt ons te kiezen voor het leven, en niet voor de dood. Hij houdt zoveel van ons dat Hij het beloofde land van de hemel voor ons heeft geopend. En dat niet alleen, Hij geeft ons hier en nu al een voorsmaak van dat beloofde land. Hij heeft ons elke gave en zegen gegeven die we nodig hebben om elke dag verder te wandelen, vervuld van zijn liefde en vrede.

De keuze is aan ons. Het is helemaal aan ons om te kiezen voor leven of dood. Is het niet wondermooi dat de Heer ons zoveel wil geven?

Gebed
Vader, U bent de maker van het leven. Ik wil U vandaag ontvangen. Ik wil U volgen en luisteren naar Uw stem. Dank U dat U me roept en me vervult met Uw oneindige liefde. Amen.

< Asvrijdag

Eerste lezing uit het boek Jesaja (58, 1-9)
Zo spreekt God de Heer: “Roep het luide uit, houd u niet in, laat uw stem schallen als een trompet; en openbaar mijn volk zijn overtredingen, het huis van Jakob zijn zonden. Zeker, zij raadplegen Mij van dag tot dag, beijveren zich om mijn wil te kennen, als waren zij een volk dat gerechtigheid oefent, en de wet van zijn God niet veracht. Zij vragen Mij om gerechte vonnissen, hunkeren naar de tegenwoordigheid van hun God. Wij vasten, waarom ziet Gij het niet? Wij vernederen ons, waarom slaat Gij er geen acht op? Zie, terwijl gij vast, zijt gij uit op eigen gewin en buit gij uw arbeiders uit. Het is met twist en ruzie dat gij vast, en driftig slaat gij met de vuist. Als gij zo moet vasten vindt uw gebed in de hemel geen gehoor. Is dit soms een vasten wat Mij behaagt, is zo de dag dat de mens zich vernederen moet: het hoofd laten hangen als een riet, op zak en as zich neerleggen? Noemt gij dàt vasten, noemt gij dàt soms de dag aan de Heer aangenaam? Het vasten dat Ik wens is dit: zondige boeien slaken, de bomen van het juk verbreken, de verdrukten in vrijheid laten gaan, elk juk in stukken slaan, uw brood verdelen met de hongerigen, de dakloze zwervers opnemen in uw huis, de naakten die gij ziet kleden, en u niet afkeren van uw eigen vlees. Dan zal uw licht stralen als de dageraad, uw genezing zal voorspoedig zijn; uw gerechtigheid zal voor u uitgaan, de glorie van de Heer u op de voet volgen. Wanneer gij dan tot de Heer bidt zal Hij u verhoren, wanneer gij dan tot Hem roept zal Hij antwoorden: Hier ben Ik!”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (9, 14-15)
Op zekere dag kwamen de leerlingen van Johannes tot Jezus met de vraag: “Waarom vasten wij en de Farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?” Jezus sprak tot hen: “De vrienden van de bruidegom kunnen toch niet bedroefd zijn, zolang de bruidegom bij hen is? Er zullen dagen komen, dat de bruidegom van hen is weggenomen; dan zullen zij vasten.”

Overweging
Kom ons te hulp, o Heer!

Heer, open onze ogen voor de tegenstrijdigheden om ons heen en binnen in ons. Help ons onze tegenstrijdigheden te zien, zoals U dat lang geleden deed met de Israëlieten. U herkende de leegheid van het vasten van uw volk en riep hen op zo te vasten dat hun harten veranderden – zodat zij zich gingen bekommeren om de arme, vergeten en zwakke mensen.

Kom Heer, en doe hetzelfde voor ons! Geef ons een hart dat niet alleen maar verlangt naar uw zegeningen, maar dat ook bereid is uw wil te doen. Leer ons het soort vasten dat U behaagt en dat ons vervult van medelijden met mensen die leven onder de druk van zonde of onrecht. Bevrijd ons van de hoogmoedige gedachte dat wij de waarheid bezitten, en geef ons een hart dat brandt van verlangen om uw waarheid door te geven. Geef ons kansen om mensen te vertellen over uw rijk en help ons die kansen aan te grijpen.

O Heer, geef dat ons vasten niet beperkt blijft tot één dag van fysieke onthouding tegenover vele dagen van genot! Help ons ook om voortdurend te bidden, zodat ons hart meer op het uwe gaat lijken. Reinig onze ogen zodat we U kunnen zien in onze familieleden, onze buren en onze collega’s. Ontsteek uw vuur in onze geest zodat we oprecht gaan houden van verwarde en vernederde mensen en gaan werken aan gerechtigheid.

Hemelse Vader, stuur ons erop uit in de naam van Jezus, uw Zoon, om hongerigen te eten te geven en daklozen onderdak. Laat ons zien hoe we kunnen helpen op praktische manieren, en niet alleen maar gevoelsmatig. Leer ons eenvoudiger te leven, zodat we niet alleen iets kunnen missen van wat we over hebben, maar in staat zijn om van heel ons bezit te delen met minder bedeelden. Haal de oogkleppen weg die ons afschermen van de gewonde, behoeftige en eenzame mensen om ons heen. Help ons al uw kinderen te zien zoals U ze ziet, en van ze te houden zoals U van ze houdt.

Heer, help ons! Maaltijden overslaan heeft alleen maar zin als dat gepaard gaat met daden van barmhartigheid. En onze daden van barmhartigheid missen effect als ze niet gepaard gaan met gebed. Schenk ons wijsheid om die offers aan tijd, voedsel en geld te brengen waardoor uw mensen worden gezegend en uw koninkrijk wordt gebouwd.

Gebed
Heer, mag ik een zegen zijn voor anderen wanneer ik Uw waarheid doorgeef en Uw gaven met hen deel. Amen.

< Aszaterdag

Eerste lezing uit het boek Jesaja (58, 9-14)
Zo spreekt God de Heer: “Wanneer gij uit uw midden de onderdrukking verwijdert en de dreigende vingers en de kwaadsprekerij, wanneer gij uw hart voor de hongerige opent en de mistroostige verzadigt, dan straalt uw licht in de duisternis, dan wordt uw nacht als de middag. Dan zal de Heer u blijven geleiden; Hij zal u in dorre streken verzadigen en aan uw gebeente zal Hij kracht geven. Als een gesproeide tuin zult ge dan worden, als een bron, waarvan het water nooit wegblijft. Dan bouwt gij de oude ruines weer op en herstelt gij de fundamenten van vroeger. ‘De bressendichter’ zal men u noemen, ‘degene die weer leven brengt in de straten.’ Wanneer gij op de sabbat geen reis meer onderneemt en op mijn heilige berg niet langer uw voordeel najaagt, wanneer gij de sabbat uw vreugde noemt en de heilige dag van de Heer eerbiedigt, wanneer gij die dag in ere houdt door niet uw zaken na te gaan en niet uw voordeel te zoeken en geen handel te drijven, dan zult gij vreugde vinden in de Heer; dan voer Ik u alle bergen van de aarde over en laat Ik u genieten van het erfdeel van Jakob, uw vader.” Waarlijk, door de mond van de Heer is dit woord gesproken!

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (5, 27-32)
In die tijd, bij het tolhuis gekomen, richtte Jezus zijn blik op een tollenaar die daar zat, een zekere Levi. Hij zei tot hem: “Volg Mij.” De man stond op, liet alles achter en volgde Hem. Levi nu bood Hem in zijn huis een groot feestmaal aan, waarbij onder anderen talrijke tollenaars met hen aanlagen. De Farizeeën, met name de schriftgeleerden onder hen, morden daarover tegen zijn leerlingen: “Waarom – zeiden ze – eet en drinkt gij met tollenaars en zondaars?” Maar Jezus nam het woord en sprak: “Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen maar om zondaars te roepen, opdat ze zich bekeren.”

Overweging
Hebt u ook wel eens gehoord van het begrip “wellness”? Hierbij gaat het erom een levensstijl te ontwikkelen die bijdraagt aan uw gezondheid en die u minder gevoelig maakt voor ziekten. Een goed wellness-programma omvat een uitgebalanceerd dieet, geregelde oefeningen, de juiste vitaminesupplementen en regelmatige lichamelijke controles – allemaal met de bedoeling om de hele mens nu op een vriendelijke manier te behandelen om te voorkomen dat u later met ziektes te maken krijgt.

Wat heeft dat te maken met de evangelielezing van vandaag? Wel, Jezus zei tegen de Farizeeën en schriftgeleerden: “Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieke wel” (Lucas 5,31). Omdat hij omging met prostituees en andere opvallende zondaars, was Levi waarschijnlijk geestelijk “ziek.” Dus was het alleen maar vanzelfsprekend dat Jezus, de goddelijke geneesheer, zich met hem bezighield.

Niet al Jezus’ leerlingen waren er zo slecht aan toe. Andreas bijvoorbeeld was een toegewijd volgeling van Johannes de Doper voordat hij Jezus ontmoette. En Jakobus en Johannes waren vermoedelijk hardwerkende vissers en gelovige Joden met hart voor hun familie. Hoogstwaarschijnlijk waren deze mannen geestelijk goed in vorm. Maar ze volgden Jezus omdat ze inzagen hoezeer zijn geestelijke medicijn hen kon helpen een nog vollediger, gezonder leven te leiden.

Hoe gezond bent u, geestelijk gezien? Misschien valt u niet in de categorie van de “grote zondaars” waartoe iemand als Levi lijkt te behoren; dan hebt u geen ingrijpende operatie nodig. Maar hoe staat het met die knagende steken en pijnlijke gevoelens die worden veroorzaakt door angst, wrok of “geringe” overtredingen van Gods geboden? Geen van ons is helemaal gezond. We hebben op de een of andere manier allemaal Jezus’ genezende aanraking nodig. En daarom doen we er allemaal goed aan een geestelijk wellness-programma volgen.

Hoe zou zo’n programma eruit kunnen zien? In plaats van om vitamines, vraagt het om een dagelijkse dosis gebed en schriftlezing om ons de energie te geven die we nodig hebben om op de Heer gericht te blijven. Het zou ook oefening vergen – de oefening van onze wil om alles toe te laten wat goed voor ons is en alles af te wijzen wat slecht is. Het houdt ook een vast dieet in van het lichaam en bloed van Christus om ons vervuld te houden van Jezus’ leven en ons verbonden te houden met onze broeders en zusters in de Kerk. Waarom gaat u dan niet vanaf vandaag meedoen met het wellness-centrum van de Heer? U zult er geen spijt van hebben.

Gebed
Heer Jezus, U bent de arts van mijn ziel. Vernieuw mij in Uw liefde zodat ik het leven voluit kan vieren. Amen.

< 1e week van de Veertigdagentijd

< 1e week: zondag

Eerste lezing uit het boek Deuteronomium (26, 4-10)
In die dagen sprak Mozes tot het volk: “De priester neemt dan de korf van u aan en zet hem voor het altaar van de Heer uw God. Dan moet gij, staande voor de Heer uw God, zeggen: Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij is met een klein getal mensen naar Egypte gegaan en, terwijl hij daar als vreemdeling verbleef, een groot, machtig, talrijk volk geworden. Toen de Egyptenaren ons slecht behandelden, ons verdrukten en ons harde slavenarbeid oplegden,hebben wij tot de Heer, de God van onze vaderen, geroepen. En De Heer heeft ons verhoord en zich onze vernedering, ons zwoegen en onze verdrukking aangetrokken. Hij heeft ons uit Egypte geleid met sterke hand, met uitgestrekte arm, onder grote verschrikkingen, tekenen en wonderen. Hij heeft ons naar deze plaats gebracht en ons dit land geschonken, een land van melk en honing. Daarom breng ik nu de eerste vruchten van de grond, die Gij, De Heer, mij hebt geschonken.”
En Mozes voegde eraan toe: “Dan moet ge die voor de Heer uw God neerleggen en u voor Hem neerbuigen.”

Tweede lezing uit de brief aan de Romeinen (10, 8-13)
Dit zegt de Schrift: “het woord is vlak bij, het is in uw mond, het is in uw hart”: het woord namelijk van het geloof, dat wij verkondigen. Want als uw mond belijdt, dat Jezus de Heer is, en uw hart gelooft, dat God Hem van de doden heeft opgewekt, zult gij gered worden. Het geloof van uw hart brengt de gerechtigheid en de belijdenis van uw mond het heil.
Zo zegt het de Schrift: “Niemand die in Hem gelooft zal worden teleurgesteld.” Er bestaat geen verschil tussen Jood en heiden. Zij hebben allen dezelfde Heer, rijk aan gaven voor allen die Hem aanroepen. Want alwie de naam van de Heer aanroept zal gered worden.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (4, 1-13)
In die tijd ging Jezus, vervuld van de heilige Geest, weg van de Jordaan. Hij werd door de Geest naar de woestijn gevoerd, waar Hij veertig dagen verbleef en door de duivel op de proef werd gesteld. Gedurende die dagen at Hij niets en toen ze voorbij waren, kreeg Hij honger. De duivel zei nu tot Hem: “Als Gij de Zoon van God zijt, beveel dan aan die steen daar, dat hij in brood verandert.” Jezus gaf ten antwoord: “Er staat geschreven: De mens leeft niet van brood alleen.” Daarop voerde de duivel Hem omhoog en toonde Hem in een oogwenk alle koninkrijken der wereld, en de duivel sprak tot hem: “Ik zal u alle macht geven over deze heerlijke gebieden, want ze zijn mij geschonken en ik geef ze aan wie ik wil. Als Gij dus in aanbidding voor mij neervalt, zal het in zijn geheel van U zijn.” Toen antwoordde Jezus hem: “Er staat geschreven: De Heer uw God zult Gij aanbidden en Hem alleen dienen.” Daarna bracht de duivel Hem naar Jeruzalem, plaatste Hem op de bovenbouw van een tempelpoort en sprak tot Hem: “Als Gij de zoon van God zijt, werp U dan vanaf deze plaats naar beneden; want er staat geschreven: Aan zijn engelen zal Hij omtrent U het bevel geven U te beschermen en zij zullen U op de handen nemen, opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen.” Maar Jezus gaf hem ten antwoord: “Er is gezegd: Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen.” Toen gaf de duivel al zijn pogingen om Hem te verleiden op en verwijderde zich van Hem tot de vastgestelde tijd.

Overweging
Want als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is, en uw hart gelooft dat God Hem van de doden heeft opgewekt, zult gij gered worden. (Romeinen 10,9)

Elke zondag bij de Eucharistieviering belijden we in het openbaar wat we geloven. Als we de geloofsbelijdenis uitspreken, zeggen we openlijk dat we geloven in de Drievuldigheid, in de maagdelijke geboorte, in Jezus’ dood en opstanding. We spreken ons geloof uit dat de Kerk één, heilig, katholiek en apostolisch is. We vestigen onze hoop op het eeuwige leven. Ja, elke zondag belijden we inderdaad met onze mond dat “Jezus de Heer is” (Romeinen 10,9).

Maar, geloven met ons hart, hoe staat het daarmee? De Schrift zegt dat het hart het middelpunt van ons wezen is. Het is de plaats waar onze diepste verlangens wonen, maar ook de plaats waar we de belangrijkste beslissingen nemen. Geloven met ons hart betekent dus dat we besluiten ons over te geven aan de Heer die voor ons is gestorven en verrezen. Het betekent dat we de Heer liefhebben en besluiten zijn wegen te volgen.

Elke keer wanneer we tijdens de Eucharistieviering de geloofsbelijdenis uitspreken, kunnen we ook peilen hoezeer we in ons hart overtuigd zijn van de woorden die we spreken. In de vroege Kerk waren de christenen bereid er hun leven voor te geven, voor het belijden met hun lippen en het geloven met hun hart. Zoveel betekende het geloof voor hen. Vandaag de dag staan we voor soortgelijke uitdagingen. Ons leven mag dan niet op het spel staan, maar ons hart wel. Komen we voor ons geloof uit in deze wereld? Of laten we ons door de wereld voorschrijven hoe we mogen geloven?

Zorg ervoor dat u, wanneer u vandaag de geloofsbelijdenis uitspreekt bij de Eucharistieviering, hem zowel uiterlijk met uw lippen uitspreekt als innerlijk met uw hart. Zeg tegen de Heer: “Ik geloof in U. Ik vertrouw op U met heel mijn hart. Dank U voor alles wat U voor mij hebt gedaan.” Hoe meer u van deze geloofsbelijdenis in uw hart hebt, hoe meer u uw geloof zult zien groeien. En wanneer uw geloof toeneemt, zult u ontdekken dat u meer medeleven, meer liefde en meer ijver bezit om Jezus te delen met de mensen in uw omgeving.

Gebed
Kom Heer, en versterk mijn geloof in deze Veertigdagentijd. Ik wil U beter kennen en U beter dienen. Amen.

< 1e week: maandag

Eerste lezing uit het boek Leviticus (19, 1-2+11-18)
De Heer sprak tot Mozes: “Zeg tot heel de gemeenschap van de Israëlieten: Wees heilig, want Ik, de Heer uw God, ben heilig. Gij moogt elkaar niet bestelen, niet beliegen en niet bedriegen. Ge moogt mijn naam niet gebruiken voor meineed, want dan ontwijdt ge de naam van uw God. Ik ben de Heer. Gij moogt uw naaste niet uitbuiten en hem in niets te kort doen. Wat een dagloner verdient moogt ge niet vasthouden tot de volgende morgen. Gij moogt een dove niet vervloeken en een blinde niets in de weg leggen, waarover hij struikelen kan. Ge moet ontzag hebben voor uw God. Ik ben de Heer. Wees niet partijdig bij het rechtspreken: begunstig de arme niet en zie de rijke niet naar de ogen. Spreek rechtvaardig recht over uw volksgenoten. Strooi geen lasterpraat rond over elkaar en sta uw naaste niet naar het leven. Ik ben de Heer. Wees niet haatdragend tegen uw broeder. Wijs elkaar terecht: dan maakt ge u niet schuldig aan de zonde van een ander. Neem geen wraak op een volksgenoot en koester geen wrok tegen hem. Bemin uw naaste als uzelf. Ik ben de Heer.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (25, 31-46)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Wanneer de Mensenzoon komt in zijn heerlijkheid en vergezeld van alle engelen, dan zal Hij plaats nemen op zijn troon van glorie. Alle volken zullen voor Hem bijeengebracht worden en Hij zal ze in twee groepen scheiden, zoals de herder een scheiding maakt tussen schapen en bokken. De schapen zal Hij plaatsen aan zijn rechterhand, maar de bokken aan zijn linker. Dan zal de Koning tot die aan zijn rechterhand zeggen: Komt, gezegenden van mijn Vader, en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is vanaf de grondvesting der wereld. Want Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven. Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen, Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed, Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht, Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed? En wanneer zagen we U ziek of in de gevangenis en zijn U komen bezoeken? De Koning zal hun ten antwoord geven: Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan. En tot die aan zijn linkerhand zal Hij dan zeggen: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur dat bereid is voor de duivel en zijn trawanten. Want Ik had honger en gij hebt Mij niet te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij niet te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij niet opgenomen, naakt en gij hebt Mij niet gekleed; Ik was ziek en in de gevangenis en gij zijt Mij niet komen bezoeken. Dan zullen ook zij antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien of dorstig als vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis, en hebben wij niet voor U gezorgd? Daarop zal Hij hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij niet voor een van deze geringsten hebt gedaan, hebt gij ook voor Mij niet gedaan. En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven.”

Overweging
Ik ben de HEER. . . . Ik ben de HEER. . . . Ik ben de HEER. . . . Ik ben de HEER.

Krijgt u ook niet de indruk dat God ons hier iets heel duidelijk wil maken? Na elke reeks geboden over hoe de Israëlieten met elkaar om moeten gaan, zegt Hij steeds: “Ik ben de Heer.”(Leviticus 19,12+14+16+18). Houdt dit in dat Hij een soort zelfingenomen godheid is die ons hersenspoelt met zijn superioriteitsbesef? Absoluut niet! Hij laat ons weten dat elk gebod dat Hij ons geeft een afspiegeling is van zijn heiligheid, een heiligheid die wij ons ook mogen toe-eigenen. Hij laat ons weten dat we, als we willen weten wie God werkelijk is, alleen maar naar deze geboden hoeven te kijken.

Door zoveel nadruk te leggen op broederliefde, respect en eerbied, laat God ons zien dat Hij zelf een Vader is die al zijn kinderen gelijk behandelt. Wij moeten eerbied tonen omdat dat is wat Hij zelf doet, en Hij is “de HEER”. Het is niet verwonderlijk dat zijn schepping het beste werkt als ze in overeenstemming is met zijn natuur. Als zijn kinderen mogen we niet verwachten dat we echt geluk vinden tenzij we elkaar op dezelfde manier behandelen als Hij ons behandelt.

En toch falen we nog. In het heetst van de strijd verliezen we het zicht op Gods goedheid voor ons en zijn we ongehoorzaam aan Hem door onvriendelijk te zijn tegen de mensen om ons heen. Maar God blijft zichzelf trouw en is niet op zoek naar wraak en koestert geen wrok. Hij doet voor ons precies wat Hij de Israëlieten opdraagt om voor elkaar te doen. Hij vergeeft ons. Hij biedt ons zijn leven en liefde aan. Hij biedt ons nog steeds de vreugde van een hemel op aarde aan als we Hem maar in ons hart willen accepteren.

Is dat niet verbazingwekkend? Hij is de almachtige God, maar Hij speelt niet de baas over ons. Hij is de Ongeschapen Schepper, maar Hij vernedert zich om zijn leven met ons te delen. Als onze God ons zo behandelt, hoeveel te meer moeten wij dan elkaar rechtvaardig en barmhartig behandelen!

Gebed
Vader in de hemel, ik geef me over aan uw waarheid en liefde. Stort uw Geest in me uit opdat ik mag zien welke dingen ik moet veranderen. Maak me heilig en help me om altijd in uw licht te leven.

< 1e week: dinsdag

Eerste lezing uit het boek Jesaja (55, 10-11)
Zo spreekt God de Heer: “Zoals de regen en de sneeuw uit de hemel vallen en daar pas terugkeren, wanneer zij de aarde hebben gedrenkt, haar hebben bevrucht zodat zij groen wordt, wanneer zij het zaad aan de zaaier hebben gegeven en het brood aan de eter, zo zal het ook gaan met het woord dat komt uit mijn mond; het keert niet vruchteloos naar Mij terug; het keert pas terug wanneer het mijn wil volbracht heeft en zijn zending heeft vervuld.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (6, 7-15)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Als gij bidt, gebruik dan geen omhaal van woorden, zoals de heidenen, want deze menen dat zij door hun veelheid van woorden verhoring zullen vinden. Volgt hun voorbeeld dus niet na, want voordat gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt. Gij moet daarom zo bidden: Onze Vader die in de hemel zijt, Uw Naam worde geheiligd; Uw Rijk kome, Uw wil geschiede Op aarde zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood. En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven hebben aan onze schuldenaren. En leid ons niet in bekoring, maar behoed ons voor het kwaad. Want als gij aan de mensen hun fouten vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar als gij niet vergeeft aan de mensen, zal ook uw hemelse Vader uw fouten niet vergeven.”

Overweging
Er zijn meer dan 474.000 boeken over bidden te koop. En meer dan 23.000 daarvan waren van het type “hoe doe je dat”. Dat is veel leesstof voor als je een gebedsdeskundige wilt worden! Wat een troost dat Jezus de voornaamste punten afdeed in acht korte verzen! Hij maakte het eenvoudig. Bid om uw hemelse Vader te kennen, zijn wil, zijn gaven, zijn vergeving, zijn verlossing en zijn bescherming. En boven aan de lijst staan drie eenvoudige woorden: “Uw koninkrijk kome.”

Jezus leerde ons de Vader te vragen dat zijn eeuwige, onwankelbare, hemelse koninkrijk zich zou mogen uitstrekken tot onze tijdelijke, wankele, aardse levens. Dat is goed. Het koninkrijk van God is voor ons bedoeld, niet alleen maar voor Jezus en de engelen! Hij wil dat wij de zegeningen van zijn koninkrijk ervaren zelfs in ons dagelijks leven hier en nu. Door ons op te dragen om het koninkrijk te bidden, zegt Jezus: “Vraag het mijn Vader maar. Richt je hart en je gedachten op het koninkrijk, zodat je steeds wanneer je je tot Hem wendt, kunt vragen: ‘Uw koninkrijk kome.’

Soms zien we een glimp van Gods koninkrijk wanneer we iemand genezen of getroost zien worden door het gebed; wanneer we bevrijd worden uit de klauwen van een verslaving, verbittering of schaamte; wanneer we na het Sacrament van Verzoening weten dat we volledig vergeven zijn. Het koninkrijk wordt zichtbaar door de levens van hen die zorg dragen voor de minsten onder ons. We zien het wanneer er gerechtigheid wordt gedaan in onze woonplaats, in onze kerk en in ons land. Wanneer mensen leven in eenheid, eenvoud en vrede, hebben we iets gezien van het koninkrijk van God.

Maar hoe veelomvattend het ook is, het koninkrijk van God komt tot stand op basis van een persoonlijke één-op-één relatie – de relatie van een kind met zijn vader. Dat is een relatie van eerbied, ontzag, vertrouwen en vertrouwelijkheid. Het koninkrijk van de wereld roept: “Je bent een persoon met eigen rechten! Wees onafhankelijk! Vertrouw niemand!” Maar burgers van het koninkrijk van God zeggen: “Vader, U bent heilig! Mag uw wil gedaan worden hier en nu!” Daar bidden we om als we zeggen: “Uw koninkrijk kome” – dat we elke dag genezing, bevrijding en gerechtigheid mogen zien; dat we recht, vrede en blijdschap mogen ervaren; en dat we mogen leven met krachtige blijken van de heilige Geest terwijl het koninkrijk baan breekt!

Gebed
Vader, laat Uw koninkrijk komen! Mogen we vandaag allemaal Uw overvloedige gaven ervaren. Amen.

< 1e week: woensdag

Eerste lezing uit het boek Jona (3, 1-10)
Het woord van de Heer werd tot Jona gericht: “Sta op, ga naar Nineve, de grote stad Nineve, en zeg haar aan wat Ik u te zeggen heb gegeven.” En Jona stond op en ging naar Nineve, zoals de Heer bevolen had. Nineve was een geweldig grote stad; drie dagen had men nodig om er doorheen te trekken. Jona begon de stad in te gaan, één dagreis ver. Toen riep hij: “Veertig dagen nog, en Nineve wordt met de grond gelijk gemaakt!” Maar de Ninevieten zochten hun steun bij God; zij riepen een vasten uit en allen, van groot tot klein, trokken zij boetekleren aan. Het woord van Jona kwam ook de koning van Nineve ter ore; hij stond op van zijn troon, legde zijn staatsiegewaad af, trok een boetekleed aan en zette zich neer in het stof. Hij liet in Nineve omroepen: “Op last van de koning en van zijn rijksgroten! Mensen en dieren, grootvee en kleinvee, zij mogen niets eten, zij mogen niet grazen en geen water drinken. Mensen en dieren moeten zich in boetekleren hullen en uit alle macht tot God roepen; ieder moet terugkomen van zijn heilloze wegen en van de ongerechtigheid, die aan zijn handen kleeft. Wie weet of God dan niet terugkomt op zijn besluit en daar spijt van krijgt; wie weet of Hij niet terugkomt op zijn vlammende toorn, zodat wij niet te gronde gaan!” En God zag wat zij deden; Hij zag hoe zij terugkwamen van hun heilloze wegen. En God kreeg spijt, dat Hij hen met dat onheil bedreigd had. Hij bracht het niet ten uitvoer.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (11, 29-32)
In die tijd, toen het volk samenstroomde, begon Jezus te spreken: “Dit geslacht is een verdorven geslacht; het verlangt een teken, maar geen ander teken zal het gegeven worden dan het teken van Jona. Zoals namelijk Jona een teken werd voor de Ninevieten, zo zal ook de Mensenzoon het zijn voor dit geslacht. De koningin van het Zuiden zal bij het oordeel opstaan samen met de mensen van dit geslacht en hen veroordelen, want zij kwam van het uiteinde der aarde om te luisteren naar de wijsheid van Salomo; welnu hier is meer dan Salomo. De mensen van Nineve zullen bij het oordeel opstaan samen met dit geslacht en het veroordelen, want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona: welnu, hier is meer dan Jona.”

Overweging
De Veertigdagentijd wordt in het Engels aangeduid met het woord “Lent”. Dat woord heeft dezelfde Germaanse oorsprong als ons woord “lente.” Het is een prachtig woord dat direct doet denken aan nieuw leven. Maar er zijn nog meer associaties. Bij lente kunnen we ook denken aan de voorjaarschoonmaak – een hele klus die meer en meer in onbruik lijkt te raken. Geen wonder dat de Veertigdagentijd en de lente met elkaar te maken hebben! Net als de lente is ook de Veertigdagentijd een tijd van vernieuwing en nieuw leven, en een tijd om eens flink schoon te maken. Het is een prima gelegenheid om geestelijk de balans op te maken en dingen op te ruimen die ons leven belasten en onze relatie met Jezus in de weg staan.

Het belangrijkste gereedschap waarover we voor deze schoonmaak beschikken, is het Sacrament van Verzoening. Bij de biecht komen we open en eerlijk tot de Heer; we bekennen onze zonden en ontvangen zijn genade. Bij de biecht kunnen we ook Jezus’ genezende kracht ontvangen, zoals de lente de naargeestigheid van de winter verandert in een heel palet van kleuren. We werpen de overblijfsels van onze oude daden van ongehoorzaamheid af zodat Jezus ons een nieuw hart kan geven – een zachtmoedig hart dat zich verheugt in zijn wetten en wegen.

Het is dan ook goed dat de Veertigdagentijd begint met een symbool van berouw: het aanbrengen van as op ons voorhoofd. Maar de Veertigdagentijd is veel meer dan alleen de as op ons voorhoofd die maar één dag blijft zitten. Er is zoveel meer dan onze daden van vasten, bidden en aalmoezen. Er is ook Gods werk in ons, zijn kracht die ons gaat veranderen wanneer we tot Hem komen. De Veertigdagentijd draait niet alleen om het opgeven van dingen of het belijden van onze zonden. Het gaat erom dat we nog meer veranderd worden in het beeld van Jezus zelf!

De mensen in Jezus’ omgeving vroegen om een teken dat Hij de Messias was. Jezus zei daarop dat het enige teken dat ze zouden ontvangen, het “teken van Jona” was, en dat was het berouw en de bekering van de Ninevieten toen Jona hun zijn boodschap bracht. Ons berouw en onze bekering kunnen ook een teken zijn voor de wereld. Als we deze Veertigdagentijd alles uit het Sacrament van Verzoening halen wat erin zit dan zullen we veranderen. We zullen aan de mensen in onze omgeving laten zien dat God echt de macht bezit om te genezen en te veranderen.

Gebed
Vader, ik prijs U om Uw barmhartigheid en liefde. Zie om naar mij, een arme zondaar die U om vergeving smeekt. Geef dat mijn leven voor allen die ik ontmoet op mijn reis naar U toe een verwijzing mag zijn naar Jezus, Uw Zoon. Amen.

< 1e week: donderdag

Eerste lezing uit het boek Ester (14, 1+3-5+12-14)
In die tijd nam koningin Ester in doodsnood haar toevlucht tot de Heer: Zij bad aldus tot de God van Israël: “Mijn Heer, onze koning, Gij zijt de enige! Kom mij te hulp, mij die alleen sta en geen andere helper heb dan U, want ik ga een groot gevaar tegemoet. Van mijn geboorte af heb ik in de stam waaruit ik voortkom gehoord, dat Gij, Heer, uit alle volken Israël en uit al hun voorouders onze vaderen hebt aangenomen als een blijvend erfdeel en dat Gij voor hen alles hebt gedaan wat Gij beloofd hadt. Gedenk ons, Heer, openbaar U in het uur van onze nood en geef mij moed, Gij koning van de goden en heerser over alle heerschappij. Leg mij een gelukkig woord in de mond, als ik sta tegenover de leeuw; verander zijn gezindheid en breng hem tot haat tegen de man die ons bestrijdt, zodat hij en zijn medestanders te gronde gaan. Red ons door uw hand en kom mij te hulp, want ik sta alleen en heb niemand anders dan U, Heer.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (7, 7-12)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en ge zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan. Want al wie vraagt, verkrijgt; wie zoekt, vindt en voor wie klopt, doet men open. Of is er wel iemand onder u die zijn zoon een steen zal geven als hij om brood vraagt?Of een slang wanneer hij vraagt om een vis? Als gij dus, ofschoon gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal dan uw Vader die in de hemel is, het goede geven aan wie Hem daarom vragen. Alles, wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doet dat ook voor hen. Dat is Wet en Profeten.”

Overweging
Probeert u zich eens een mooi cadeau voor de geest te halen dat u als kind gekregen hebt voor uw verjaardag. Misschien een nieuwe fiets, of een pop die u graag wilde hebben. Bedenk eens hoe blij u ermee was. Maar lang voor uw volgende verjaardag was het nieuwe eraf en keek u al weer uit naar iets anders. Hoe ouder u werd, hoe minder waarde u ging hechten aan grote cadeaus. Hoewel u ze op prijs stelt, weet u dat ze u niet echt gelukkig zullen maken. U bent op zoek naar iets meer.

Over dat “iets meer” spreekt Jezus hier met zijn leerlingen. Wanneer Hij God vergelijkt met een vader of moeder die goede gaven geeft aan zijn of haar kinderen, weet Hij dat deze vergelijking tekortschiet. Maar dat bedoelde Hij waarschijnlijk ook, omdat Hij wilde dat zijn leerlingen aanvoelden hoeveel groter Gods liefde is dan welke aardse gave die ze maar konden ontvangen. Natuurlijk zal God in hun behoeften voorzien, maar de gaven die Hij voor ze heeft, overstijgen de materiële behoeften.

Wat zijn dan die ongrijpbare gaven die de Vader voor ons heeft? We kunnen vermoedelijk het best beginnen met de grootste gave van allemaal, de gave van de heilige Geest. Het is de heilige Geest die ons de kracht geeft om onze zwakheden te overwinnen en voor de wereld te getuigen van Christus’ aanwezigheid. En hoewel de Geest onzichtbaar is, zijn deugden als vrede, geduld, vriendelijkheid, aandacht en zelfbeheersing dat niet. Dat zijn de vruchten van zijn werk in ons hart en geen enkele hoeveelheid geld of bezit evenaart datgene wat deze kunnen doen om ons leven en onze omgeving te veranderen.

Hoe vaak op een dag hebt u te maken met iets waar u niet tegen op lijkt te kunnen? Dat zijn de momenten waarop we ons tot God moeten wenden en Hem moeten vragen om een dieper besef van zijn liefde en bemoediging. Dat zijn de momenten waarop we zijn cadeau van de heilige Geest open moeten maken om de vrede, kracht en wijsheid te ontvangen die alleen Hij kan geven. Bedenk dat de heilige Geest, die op Pinksteren over de apostelen kwam, nooit is weggegaan! Hij is vandaag nog springlevend en houdt heel veel van u. Roep Hem daarom vandaag aan en zie hoe Hij u helpt om in Christus “glansrijk te zegevieren”! (Romeinen 8,37).

Gebed
Heer, ik heb de ervaring van Uw liefde en kracht nodig. Kom Heilige Geest, en maak dat mijn woorden en daden getuigen van de werkelijkheid van Uw genade. Amen.

< 1e week: vrijdag

Eerste lezing uit het boek Ezechiël (18, 21-28)
Zo spreekt God de Heer: “Wanneer de boosdoener zich afkeert van al de zonden die hij heeft bedreven, wanneer hij al mijn geboden onderhoudt en handelt naar recht en wet, dan zal hij leven, zeker leven en hij zal niet sterven. Van al de wandaden die hij bedreven heeft wordt hem er geen meer toegerekend en vanwege de gerechtigheid die hij betracht heeft zal hij leven. Zou Ik soms behagen vinden in de dood van een boosdoener – luidt de godsspraak van de Heer – en niet veeleer daarin, dat hij zich afkeert van zijn wegen en in leven blijft? Maar wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en verkeerde dingen gaat doen, wanneer hij al de afschuwelijkheden bedrijft die de boosdoener begaat, moet hij dan in leven blijven? Neen, van al de rechtvaardige daden, die hij verricht heeft, wordt hem er geen meer toegerekend, en vanwege de ontrouw die hij getoond heeft, vanwege de zonde die heeft bedreven, zal hij moeten sterven. Gij beweert: ‘De weg van de Heer is niet recht!’ Huis van Israël, luister toch! Zou het werkelijk mijn weg zijn die niet recht is? Zijn niet veeleer uw eigen wegen niet recht? Als een rechtvaardige zich van zijn eigen rechtvaardigheid afkeert en kwaad gaat doen, dan zal hij daaraan sterven, sterven om het kwaad dat hij gedaan heeft. En als de boosdoener zich van zijn boze daden afkeert en gaat handelen naar rechtschapenheid en deugd, dan zal hij in leven blijven. Als hij tot inzicht komt en zich afkeert van zijn slechte daden, dan blijft hij zeker in leven, dan zal hij niet sterven.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (5, 20-26)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Als uw gerechtigheid die van de schriftgeleerden en Farizeeën niet ver overtreft, zult gij zeker niet binnengaan in het Rijk der hemelen. Gij hebt gehoord, dat tot onze voorouders is gezegd: Gij zult niet doden. Wie doodt zal strafbaar zijn voor het gerecht. Maar Ik zeg u: Al wie vertoornd is op zijn broeder, zal strafbaar zijn voor het gerecht. En wie tot zijn broeder zegt: raka, zal strafbaar zijn voor het Sanhedrin, en wie zegt dwaas, zal strafbaar zijn met het vuur van de hel. Als gij uw gave komt brengen naar het altaar en daar schiet u te binnen dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave voor het altaar achter, ga u eerst met uw broeder verzoenen en kom dan terug om uw gave aan te bieden. Haast u het eens te worden met uw tegenpartij, zolang ge nog met hem onderweg zijt; anders zou uw tegenpartij u wel eens aan de rechter kunnen overleveren, en de rechter u aan de gerechtsdienaar, en zoudt gij in de gevangenis worden geworpen. Voorwaar, Ik zeg u: Ge zult daar niet uitkomen, voordat ge tot de laatste penning hebt betaald.”

Overweging
…. al wie vertoornd is op zijn broeder, zal strafbaar zijn voor het gerecht……en wie zegt dwaas, zal strafbaar zijn met het vuur van de hel. (Matteüs 5, 22)

Harde woorden zijn dat. Maar de bedoeling van deze woorden is alleen om te laten zien hoezeer God wil dat al zijn kinderen samenleven in liefde, respect en eerlijkheid. Voor Jezus is eenheid een van de hoogste deugden, een van de belangrijkste levensbeginselen.

Bent u wel eens boos geweest? Herinnert u zich dat uw vader of moeder wel eens boos was? Wat gebeurde er met de rest van het gezin? Waarschijnlijk had het een negatief effect op het hele gezin omdat iedereen er boos en ongeduldig van werd. Als dit de overheersende sfeer in huis was, is het niet meer dan vanzelfsprekend dat vervreemding en eenzaamheid er voet aan de grond kregen.

Leerling van Jezus zijn houdt in dat je bent zoals Jezus. Hij was er altijd op uit aan de tekortkomingen van anderen voorbij te zien. Jezus keek in hun hart en had daar een ontmoeting met hen. En omdat Hij in hun hart zag – hun verlangens, behoeften, pijn, dromen en hoop, kon Hij met velen een relatie aangaan en hen bij God brengen. Zijn tegenstanders daarentegen keken eerder naar de gebreken van de mensen, waardoor ze alleen maar barrières opbouwden tussen hen en God.

Het is van levensbelang dat we de eenheid zoeken. We moeten vergeven. We moeten boosheid laten varen. We hoeven niet te doen alsof we niet gekwetst waren of dat de ander niet fout zat. We hoeven alleen te besluiten met onze pijn naar God te gaan ons best te doen om te vergeven. God zal ons hart veranderen, zelfs als wij het niet kunnen. St. Johannes van het Kruis heeft eens gezegd dat we aan de avond van ons leven zullen worden beoordeeld naar de liefde. Bedenk eens hoe ongelooflijk dat is. We zullen niet worden beoordeeld naar de hoeveelheid geld die we hebben gegeven, hoeveel gebedsbijeenkomsten we hebben bijgewoond, hoeveel werk we hebben gedaan in de tuin van de kerk, maar hoeveel we hebben liefgehad. En dat is iets wat we met Gods hulp allemaal kunnen!

Gebed
Hemelse Vader, stort vandaag Uw genade en barmhartigheid over me uit. Help me om een positieve invloed te hebben op mijn familie en vrienden. Jezus, ik geef U al mijn pijn en wrok, laat me Uw genezing voelen en geef dat ik aan anderen de diepe liefde mag tonen die U aan mij hebt getoond. Amen.

< 1e week: zaterdag

Eerste lezing uit het boek Deuteronomium (26, 16-19)
Mozes sprak tot het volk: “Heden gebiedt de Heer uw God u deze voorschriften en bepalingen te volbrengen. Gij moet ze stipt ten uitvoer brengen, met heel uw hart en heel uw ziel.Gij hebt heden van de Heer de verzekering gekregen, dat Hij uw God zal zijn, als gij tenminste zijn wegen gaat, zijn voorschriften, geboden en bepalingen onderhoudt en naar Hem luistert. En de Heer heeft heden van u de verzekering gekregen, dat gij, zoals Hij beloofd heeft, zijn eigen volk zult zijn en al zijn geboden zult onderhouden. Daarom zal Hij aan u groter eer, faam en luister schenken dan aan de andere volken, die Hij geschapen heeft, en zult gij een volk zijn dat de Heer uw God is toegewijd, zoals Hij beloofd heeft.”

Psalm 119, 1-2+4-5+7-8
Gelukkig die voortgaan volgens de wet van de Heer

Gelukkig degenen wier levensweg rein is,
die voortgaan volgens de wet van de Heer.
Gelukkig die acht slaan op wat Hij verordent,
Hem zoeken met heel hun hart.

Gelukkig die voortgaan volgens de wet van de Heer

Gij hebt Uw bevelen gegeven
opdat men ze trouw volbrengt.
Mogen mijn wegen recht zijn,
gericht op wat Gij beschikt.

Gelukkig die voortgaan volgens de wet van de Heer

Ik zal U in alle oprechtheid loven,
Aanvaardend wat Gij hebt bepaald.
Aan Uw beschikkingen zal k mij houden;
Laat Gij mij dan niet alleen.

Gelukkig die voortgaan volgens de wet van de Heer

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (5, 43-48)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult uw naaste beminnen en uw vijand haten. Maar ik zeg u: Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel, die immers de zon laat opgaan over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Want als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon hebt gij dan? Doen de tollenaars niet hetzelfde? En als gij alleen uw broeders groet, wat voor buitengewoons doet gij dan? Doen de heidenen dat ook niet? Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is.”

Overweging
Gelukkig die acht slaan op wat Hij verordent, Hem zoeken met heel hun hart. (Psalm 119,2)

We willen allemaal Gods geboden onderhouden, maar dat is niet altijd gemakkelijk. Gods wetten zijn een voorrecht en een geschenk – wat de psalmist in deze verzen op welsprekende wijze tot uitdrukking brengt. Maar ze stellen ook grenzen aan onze verlangens en neigingen. Ze vormen de weg naar ware vrijheid, maar soms voelt het heel anders aan alsof God niet wil dat we krijgen wat we echt graag willen.

Maar de psalmist biedt een oplossing voor deze situatie: hij zegt dat we de Heer moeten zoeken met heel ons hart. Hij weet dat we, wanneer we ons van harte toeleggen op het zoeken van de Heer – en niet maar doen alsof – Hem zullen vinden.

Hoe zoekt u de Heer met heel uw hart? Misschien kunt u een of twee dagen per week een half uur vroeger opstaan, terwijl het nog stil is in huis, en tijd nemen om te bidden. Misschien kunt u de andere dagen nog een half uur vrijmaken om de Bijbel te lezen en te overwegen. Of u kunt proberen een paar maal per week naar een Eucharistieviering te gaan en achteraf nog even nablijven om met de Heer te praten.

Als we dat regelmatig doen dan zullen we leren “naar Hem te luisteren” (Deuteronomium 26,17). En we zullen God het volgende tegen ons horen zeggen: “Ja, het is waar. Niet alleen heb Ik van eeuwigheid van u gehouden, Ik verheug me ook in u!” Dat is een boodschap die ons leven verandert en die we steeds weer moeten horen. En wanneer we deze boodschap horen, zullen we ontdekken dat we erop willen reageren door te proberen de Heer te behagen in alles wat we doen. We zullen ontdekken dat Gods wensen – dat we heilig worden, dat we liefhebben zoals Hij liefheeft, dat we zijn koninkrijk op aarde bouwen – onze wensen zijn geworden.

Is dat niet verbazingwekkend? Er kan zoveel gebeuren als we de Heer zoeken. Niet alleen horen we zijn stem en kennen we zijn liefde, we zijn veranderd! We gaan zijn wetten zien als een geschenk aan ons, en niet als een last. We ontdekken dat we Hem willen gehoorzamen omdat we weten dat Hij alleen het beste met ons voor heeft.

Gebed
Heer, ik zoek U met heel mijn hart. Luisteren naar Uw stem en U gehoorzamen is mijn vreugde. Dank U voor Uw liefde. Amen.

< 2e week van de Veertigdagentijd

< 2e week: zondag

Eerste lezing uit het boek Genesis (15, 5-12+17-18)
In die dagen leidde God hem naar buiten en zei: “Kijk naar de hemel en tel de sterren, als ge kunt.” En Hij verzekerde hem: “Zo talrijk wordt uw nageslacht.” Abram geloofde de Heer, en Deze rekende hem dat als gerechtigheid aan. Toen zei God tot hem: “Ik ben de Heer, die u uit Ur in Chaldea heb geleid om u dit land in bezit te geven.” Abram vroeg: “Heer God, hoe kan ik weten dat ik het inderdaad zal krijgen?” Hij zei tot hem: “Haal een driejarige koe, een driejarige bok, een driejarige ram, een tortel en een jonge duif.” Abram haalde dit alles, sneed de dieren middendoor, en legde de stukken tegenover elkaar; alleen de vogels sneed hij niet door. Er kwamen roofvogels op de dode dieren af, maar Abram joeg ze weg. Bij zonsondergang viel Abram in een diepe slaap; hevige angst en duisternis overviel hem. Toen de zon was ondergegaan, en het helemaal donker was geworden, zag Abram een rokende oven en een vurige fakkel die tussen de stukken door ging. Op die dag sloot de Heer een verbond met Abram. Hij zei: “Aan uw nakomelingen schenk Ik dit land, vanaf de beek van Egypte tot aan de grote rivier, de Eufraat.”

Tweede lezing uit de brief aan de Filippenzen (3, 17-4,1)
Broeders en zusters, volgt mij na en houdt hen voor ogen die zich gedragen naar het voorbeeld dat ik u gegeven heb. Want ik heb u er al vaak over gesproken en moet het nu onder tranen herhalen: velen leiden een leven dat hen indeelt bij de vijanden van Christus’ kruis. Zij zijn op weg naar de ondergang, hun buik is hun God, in hun schande stellen zij hun eer, zij hebben hun zinnen gezet op het aardse. Maar ons vaderland is in de hemel, en uit de hemel verwachten wij onze Verlosser, de Heer Jezus Christus. Hij zal ons armzalig lichaam herscheppen en het gelijkvormig maken aan zijn verheerlijkt lichaam, met dezelfde kracht die Hem in staat stelt het heelal aan zich te onderwerpen. Daarom, mijn beminde broeders en zusters, naar wie ik zo verlang, mijn vreugde en mijn kroon, houdt aldus stand in de Heer, mijn geliefden.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (9, 28-36)
In die tijd nam Jezus Petrus, Johannes en Jakobus met zich mee en besteeg de berg Tabor om er te bidden. Terwijl Hij in gebed was, veranderde zijn gelaat van aanblik en werden zijn kleren verblindend wit. En zie, twee mannen waren met Hem in gesprek; het waren Mozes en Elia die in heerlijkheid verschenen waren en spraken over zijn heengaan, dat Hij in Jeruzalem zou voltrekken. Petrus en zijn metgezellen waren intussen door slaap overmand. Klaar wakker geworden zagen zij zijn heerlijkheid en de twee mannen die bij Hem stonden. Toen dezen van Hem heen wilden gaan, zei Petrus tot Jezus: “Meester, het is goed dat wij hier zijn. Laten we drie tenten bouwen, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.” Maar hij wist niet wat hij zei. Terwijl hij zo sprak, kwam er een wolk die hen overschaduwde. Toen de wolk hen omhulde, werden zij door vrees bewogen. Uit de wolk klonk een stem die sprak: “Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene, luistert naar Hem!” Terwijl de stem weerklonk, bemerkten zij dat Jezus alleen was. Zij zwegen erover en verhaalden in die tijd aan niemand iets van wat zij gezien hadden.

Overweging
Wie kan vergeten hoe Abraham met God “onderhandelde” toen hij het opnam voor de bewoners van Sodom en Gomorra? Dat was nogal vrijpostig, vindt u niet? Maar denk ook aan de manier waarop David, Job, Jesaja en Paulus allemaal spraken met de Heer. En we hebben allemaal gehoord van Maria’s gesprek met de engel Gabriël. Hoe meer je in de Bijbel kijkt, hoe meer verhalen je feitelijk vindt over gewone mensen die letterlijk spreken met – en de stem vernemen van – de almachtige God. Op bijna elke bladzijde van de Bijbel!

Al deze ontmoetingen met God worden samengevat en vinden hun hoogtepunt in het verhaal van Jezus’ gedaanteverandering. Als geen van de andere verhalen in de Bijbel ons kan overtuigen, kan deze verbazingwekkende gebeurtenis ons misschien helpen geloven dat communicatie met de hemel echt mogelijk is.

Het verhaal van de gedaanteverandering van Jezus brengt ons tot het stellen van een belangrijke vraag: houdt mijn ervaring bij de Eucharistie, in het gebed of terwijl ik de Schrift lees, in dat ik de invloed van Jezus onderga? Is het zo dat ik iets kan horen van de hemel en kan veranderen door wat ik hoor? Zo ja, dan is dat een fantastische belofte! We weten misschien niet precies hoe het voelt als Jezus tegen ons spreekt, maar er zijn een paar aanwijzingen waar we op kunnen letten.

Misschien voelt u in uw hart een verlangen om Jezus te prijzen en Hem te bedanken voor zijn liefde. Misschien voelt u een toenemende afkeer van de zonde en de manier waarop die u scheidt van de vrede van Christus. U kunt een sterk gevoel van geluk, vrede of blijdschap voelen – met name na het ontvangen van de Eucharistie. Of u voelt zich mogelijk gedrongen tot meer liefdebetoon aan uw gezin. Of u ervaart misschien een toenemend verlangen om de Heer te dienen, of het nu is in uw parochie, in uw gebedsgroep of in uw gemeenschap. Negeer deze gevoelens niet! Jezus werkt op veel manieren en hoe meer we op Hem reageren, hoe meer vertrouwen we zullen hebben in zijn liefde.

Gebed
Jezus, ik vertrouw erop dat U mijn gebeden hoort en daarom blijf ik tot U komen. Heer, ik vertrouw erop dat U me de wijsheid en genade geeft om een leven te leiden dat U behaagt. Amen.

< 2e week: maandag

Eerste lezing uit het boek (Daniël 9, 4-10)
Ach Heer, grote en geduchte God, die het verbond gestand doet en vol erbarmen zijt voor hen die U liefhebben en uw geboden volbrengen; Wij hebben gezondigd en kwaad gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld en zijn weerspannig geweest, wij zijn afgeweken van uw geboden en wetten; wij hebben niet geluisterd naar uw dienaren, de profeten, die in uw naam gesproken hebben tot onze koningen, hoogwaardigheidsbekleders, familiehoofden en tot heel de gezeten bevolking van het land. Heer, Gij staat in uw recht, maar wij hebben reden om ons te schamen en we staan nu ook beschaamd, wij, de mannen van Juda, de inwoners van Jeruzalem en heel Israël, zowel degenen die dichtbij als die veraf wonen in de landen waarheen Gij hen verstoten hebt, omdat zij U ontrouw geworden zijn. Heer, wij moeten ons schamen, wij, onze koningen, onze hoogwaardigheidsbekleders en onze familiehoofden, omdat wij tegen U gezondigd hebben. Moge de Heer onze God barmhartig zijn en vergevingsgezind, want wij zijn weerspannig geweest tegen Hem en we hebben niet geluisterd naar de Heer onze God en niet geleefd naar de geboden die Hij ons door zijn dienaren, de profeten, gegeven heeft.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (6, 36-38)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Weest barmhartig, zoals uw Vader barmhartig is. Oordeelt niet, dan zult ge niet geoordeeld worden; veroordeeld niet, dat zult ge niet veroordeeld worden; spreekt vrij en ge zult vrijgesproken worden. Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, gestampte, geschudde en overlopende maat zal men u in de schoot storten. De maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken.”

Overweging
Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, gestampte, geschudde en overlopende maat zal men u in de schoot storten. (Lucas 6,38)

De meeste peuters leren gemakkelijk de betekenis van “van mij”. Maar ze moeten wel leren om te delen! Eerst doen ze het misschien gewoon na, en delen ze alleen dingen als hun ouders het willen. Maar gaandeweg zullen ze ontdekken dat ze, als ze vriendjes willen hebben, flexibel zullen moeten zijn.

Jammer genoeg blijft het kinderlijke idee van “van mij” vaak hangen tot in de volwassenheid. Daarom besteedde Jezus er zoveel tijd aan om ons te onderwijzen in een andere manier, een manier van onzelfzuchtig geven. In de ene toespraak na de andere zei Jezus dat hoe meer we onszelf leeg maken en aan anderen geven, hoe meer plaats er is om de goede dingen te ontvangen die God voor ons klaar heeft. En zijn voorraadkamer raakt nooit leeg want Hij is een God van eindeloze hulpbronnen!

Gods gaven lopen uiteen van wijsheid, onderscheidingsvermogen en geduld tot evangelisatie. Ze kunnen heel praktisch zijn, zoals het weten om te gaan met een minicrisis in je gezin of het aan je geloof vast kunnen klampen als er vervelende dingen gebeuren. Als we God maar een beetje ruimte geven in ons hart dan reageert Hij met het uitstorten van enorme hoeveelheden genade in ons. Neem de Eucharistie als voorbeeld: die omvat zoveel rijkdom, zoveel gaven – en wij hoeven er alleen maar aan deel te nemen om ze te ontvangen! De H. Theresia van Lisieux zei eens: “Je moet je een beetje openstellen . . . zodat het brood van de engelen kan komen als goddelijke dauw om je kracht te geven, en je alles te geven wat je ontbreekt.”

Zie daarom vandaag op naar de hemel en vestig je ogen op de Heer. Kijk welke gaven Hij in je leven uitstort. Weet ook dat hoe meer je die gaven gebruikt en doorgeeft, hoe meer Hij je zal geven. Kijk om je heen; zie je een gebrek in je gezin? Je kerk? Je gemeenschap? God kan je helpen in die behoefte te voorzien door aan te vullen wat er in jou ontbreekt. Het is geen kwestie van erg je best doen maar van alles aannemen wat Hij ons aanbiedt.

Gebed
Barmhartige Vader, ik open mijn hart en neem alles aan wat U mij zo royaal aanbiedt. Help me om zowel een ontvanger als een uitdeler te zijn van Uw goedheid. Amen.

< 2e week: dinsdag

Eerste lezing uit het boek (Jesaja 1, 10+16-20)
Luister! Het woord van de Heer! “Ga u wassen, ga u reinigen; uit mijn ogen met uw boze daden! Houd op met kwaad doen, leer het goede te doen,onderhoud het recht, help de verdrukte,verdedig de wees, pleit voor de weduwe. Kom dan – zegt de Heer – laten we het uitpraten: Al zijn uw zonden rood als scharlaken,zij zullen wit worden als sneeuw; al zijn ze als purper zo rood, ze zullen blank worden als wol. Als ge gewillig wilt zijn en luistert, zult ge het goede der aarde genieten, maar als gij blijft weigeren en u verzetten, zal het zwaard u verdelgen.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (23, 1-12)
In die tijd sprak Jezus tot het volk en tot zijn leerlingen: “Op de leerstoel van Mozes hebben de schriftgeleerden en de Farizeeën plaats genomen. Doet en onderhoudt daarom alles wat zij u zeggen, maar handelt niet naar hun werken; want zelf handelen ze niet naar hun woorden. Zij maakten bundels van zware, haast ondraaglijke lasten en leggen die de mensen op de schouders, maar zelf zullen ze er geen vinger naar uitsteken. Alles wat zij doen, doen zij om bij de mensen op te vallen; zij maken immers hun gebedsriemen breed en hun kwasten groot, ze zijn belust op de ereplaats bij de maaltijden en de voornaamste zetels in de synagogen, ze laten zich graag groeten op de markt en willen door de mensen rabbi genoemd worden. Maar gij moet u geen rabbi laten noemen. Gij hebt maar één Meester en gij zijt allen broeders. En noemt niemand van u op aarde vader; gij hebt maar één Vader, de hemelse. En laat u ook geen leraar noemen; gij hebt maar één leraar, de Christus. Wie de grootste onder u is, moet uw dienaar zijn. Alwie zichzelf verheft, zal vernederd en wie zichzelf vernedert zal verheven worden.”

Overweging
Kom dan – zegt de Heer – laten we het uitpraten… (Jesaja 1,18)

Wanneer God naar de bevolking van Jeruzalem keek, zag Hij opstandigheid, onrecht en hardvochtigheid, en bovendien de ellende die zulke dingen voor een volk met zich meebrengen. Bewogen om wat Hij zag, riep Hij de profeet Jesaja om zijn hartenkreet uit te spreken: “Laten we de zaak afhandelen!” Kom en laat je reinigen, smeekte Hij; kom en ontvang genezing, herstel, vrijheid.

Laten we de zaak afhandelen! Dat was al de leuze toen Adam en Eva ongehoorzaam waren. God gaf ze niet over aan de zonde. In plaats daarvan beloofde Hij al snel redding. En vanaf dat moment is Gods oproep constant overeind gebleven: in tijden van menselijk lijden en oorlog, in tijden dat het volk de Heer de rug toekeerde en in tijden van openlijke rebellie, in ballingschap en slavernij. Keer naar Mij terug. Laat Mij de muren slechten die ons scheiden. Laat Mij jullie vergeven en schoonwassen.

Vandaag is dat nog steeds Gods wens! Je hoeft zelfs niet op een speciaal moment te wachten om je te verzoenen met de Heer. Je kunt elke dag tot Hem komen en “de zaak afhandelen”. Het enige wat je moet doen is elke avond de tijd nemen om de dag te overzien en de vergeving van de Heer zoeken voor eventuele zonden die je hebt begaan. Denk voordat je naar bed gaat na over je gedachten en daden van die dag en breng alles bij de Heer waarin je fout geweest bent. En als er iets ernstigs opduikt, kun je het aan de Heer vertellen en zo gauw mogelijk gebruik maken van het Sacrament van Verzoening. Het werkt zo bevrijdend als je elke avond “schoon schip maakt”. Het kan zelfs bijdragen aan een goede nachtrust!

Dit is de beste tijd om te beginnen. Breng je hart tot rust en luister goed. Je zult horen hoe de Heer je roept, er bij je op aandringt: “Kom, laten we de zaak afhandelen!”

We denken al gauw dat het er in de Veertigdagentijd om gaat dat we in berouw tot de Heer terugkeren. Maar in de Veertigdagentijd gaat het erom dat God zich naar ons uitstrekt en ons een stortvloed aan genezende liefde en barmhartige genade aanbiedt. Het gaat om God die er alles aan doet om “zaken af te handelen” met ons. Denk daaraan wanneer je je geweten onderzoekt: God zoekt naar jou, en Hij staat klaar om in jouw leven wonderen te doen!

Gebed
Vader, ik sta verbaasd over Uw bereidheid Uw mensen te verwelkomen in Uw huis! Zelfs als ik val, staat U daar met uitgestrekte armen en heet me welkom. Heer, Uw liefde is echt verbazingwekkend! Amen.

< 2e week: woensdag

Eerste lezing uit het boek Jeremia (18, 18-20)
Die het gemunt hadden op het leven van de profeet zeiden: “We beramen een aanslag op Jeremia. Nooit ontbreekt het de priesters aan onderricht, de wijzen aan raad of de profeten aan woorden. Wij letten niet meer op wat hij zegt.” Geef mij gehoor, Heer God, luister naar mijn klacht: Mag men goed met kwaad vergelden? Toch graven zij een kuil voor mij. Vergeet niet, dat ik voor u stond om voor hen ten beste te spreken en uw toorn van hen af te wenden.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (20, 17-28)
Toen Jezus van plan was naar Jeruzalem te gaan nam Hij de twaalf apart en onderweg sprak hij tot hen: “Wij gaan nu naar Jeruzalem, waar de Mensenzoon aan de hogepriesters en schriftgeleerden zal worden overgeleverd. Zij zullen Hem ter dood veroordelen en aan de heidenen overleveren om Hem te bespotten, geselen en kruisigen, maar op de derde dag zal Hij verrijzen.”
Toentertijd trad de moeder van de zonen van Zebedeüs samen met hen op Jezus toe en wierp zich voor zijn voeten om Hem iets te vragen. Hij sprak tot haar: “Wat verlangt ge?” Zij antwoord de Hem: “Laat deze twee jongens van mij in uw Koninkrijk zitten, een aan uw rechter- en een aan uw linkerhand.” Maar Jezus antwoordde: “Gij weet niet wat ge vraagt. Zijt gij in staat de beker te drinken die Ik ga drinken?” Zij zeiden hem: “Ja, dat kunnen wij.” Hij sprak: “Inderdaad, mijn beker zult gij drinken, maar het is niet aan Mij u te doen zitten aan mijn rechter- of linkerhand, omdat alleen zij dit verkrijgen voor wie mijn Vader dit heeft bereid.” Toen de tien anderen dit hoorden, werden zij kwaad op de beide broers. Jezus echter riep hen bij zich en sprak: “Gij weet, dat de heersers der volkeren hen met ijzeren vuist regeren en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen. Dit mag bij u niet het geval zijn; wie onder u groot wil worden, moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn, moet slaaf van u wezen, zoals ook de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.”

Overweging
God heeft een plan voor ieder van ons. Hebt u al geprobeerd te ontdekken wat zijn plan voor u is? Jakobus en Johannes waren daar ook mee bezig. Samen met hun moeder probeerden ze bij Jezus in een goed blaadje te komen. Ze schilderden hoe hun leven eruit zou kunnen gaan zien – met erezetels direct naast de troon van de Heer zelf. Maar Jezus had een heel ander idee voor hen. In plaats van erkend en gediend te worden als “belangrijke” mensen in het koninkrijk moesten ze dienaren worden die zijn voorbeeld zouden gaan volgen door hun leven af te leggen voor het evangelie.

De evangelielezing van vandaag maakt duidelijk dat Jakobus en Johannes nog het hart van een dienaar moesten krijgen. Kun je je voorstellen: Jezus had net verteld dat Hij voor anderen zou gaan lijden en sterven, en dan deze scene … Eerder in het evangelie van Matteüs lezen we hoe Petrus Jezus terzijde nam en Hem berispte voor het voorspellen van zijn dood en verrijzenis (Matteüs 16,22-23). Evenals Jakobus en Johannes lijkt ook Petrus zijn eigen plan gehad te hebben.

Natuurlijk waren de apostelen geen slechte mensen. Ze dienden Jezus ijverig tijdens zijn hele openbare optreden. Maar er is verschil tussen het dienen van een iemand of van een zaak en het dienaar worden. Een dienaar heeft altijd dienst, denkt altijd hoe hij of zij de Kerk kan opbouwen en de Heer eer kan brengen. Dienen daarentegen is iets waar we op elk moment over kunnen beslissen: we kunnen het doen of we kunnen het laten. Pas na Jezus’ verrijzenis – nadat Jezus was teruggekeerd naar de hemel en de Kerk aan hen overliet, gingen de apostelen denken en handelen als dienaren.

Jezus verwacht van niemand van ons dat we Hem honderd percent van de tijd dienen, maar Hij ziet graag dat we het hart van een dienaar krijgen. Hij wil dat we worden als toegewijde ouders wier kinderen altijd in hun hart zijn, zelfs als ze aan het werk zijn of van wat vrije tijd genieten. Een dienaar stopt nooit met nadenken over Gods volk, is altijd bezig met evangeliseren en zet zich voortdurend in voor de Kerk. Dat alles omdat Jezus zijn hart in beslag genomen heeft en hij niets anders wil dan de Heer iets teruggeven voor alles wat Hij heeft gedaan.

Gebed
Heer, ik houd van U en heb ontzag voor Uw liefde voor mij. Verander door Uw genade mijn hart. Heer, ik wil Uw dienaar worden! Amen.

< 2e week: donderdag

Eerste lezing uit het boek Jeremia (17, 5-10)
Dit zegt God de Heer: “Vervloekt is hij die op mensen vertrouwt, die steunt op een schepsel en zich afkeert van de Heer. Hij is een kale struik in de steppe; nooit krijg hij regen. Hij staat op dorre woestijngrond in een onvruchtbaar, verlaten gebied. Gezegend is hij die op de Heer vertrouwt, en zich veilig weet bij Hem. Hij is een boom aan een rivier met wortels tot in het water Hij heeft geen last van de hitte, zijn bladeren blijven groen. Een tijd van droogte deert hem niet, hij blijft vrucht dragen. Niets is zo onbetrouwbaar als het hart, onverbeterlijk is het, wie kan het peilen? Ik, God de Heer, doorgrond hart en nieren, Ik vergeld ieder naar zijn gedrag, naar de vrucht van zijn werk.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (16, 19-31)
In die tijd zei Jezus tot de Farizeeën: “Er was eens een rijk man die in purper en fijn linnen gekleed ging en iedere dag uitbundig feest vierde, terwijl een arme, die Lazarus heette, met zweren overdekt voor de poort lag. Hij verlangde er naar zijn honger te stillen met wat bij de rijkaard van de tafel viel. Maar er kwamen alleen honden die zijn zweren likken. Nu gebeurde het dat de arme stierf en door de engelen in de schoot van Abraham werd gedragen. De rijke stierf ook en kreeg een eervolle begrafenis. In de onderwereld, ten prooi aan vele pijnen, sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham, en Lazarus in diens schoot. Toen riep hij uit: Vader Abraham, ontferm u over mij en geef Lazarus opdracht de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong daarmee te komen verfrissen, want ik word door de vlammen hier gefolterd. Maar Abraham antwoordde: Mijn zoon, herinner u hoe gij tijdens uw leven uw deel van het goede hebt gekregen en op gelijke manier Lazarus het kwade; daarom ondervindt hij nu hier de vertroosting, maar wordt gij gefolterd. Daarenboven gaapt er tussen ons en u voorgoed een wijde kloof, zodat er geen mogelijkheid bestaat – zelfs als men het zou willen – van hier naar u te gaan noch van daar naar ons te komen. De rijke zei: Dan vraag ik u, vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader wilt sturen, want ik heb nog vijf broers; laat hij hen waarschuwen, opdat zij niet eveneens in deze plaats van pijniging terecht komen. Maar Abraham sprak: Zij hebben Mozes en de profeten; laat ze naar hen luisteren. Maar hij zei: Och neen, vader Abraham! Maar als er een uit de doden naar hen toegaat, zullen ze zich bekeren. Hij echter sprak tot hem: Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen ze zich ook niet laten overreden, als er iemand uit de doden opstaat.”

Overweging
Hij is een kale struik in de steppe . . .Hij staat op dorre woestijngrond in een onvruchtbaar, verlaten gebied. (Jeremia 17,6)

Jeremia zegt op dichterlijke wijze dat de mens die niet op God vertrouwt, gebonden is aan een plek “zonder wisseling van seizoenen”. We kunnen wel klagen over de hitte van de zomer of de sneeuw in de winter, de herfstbladeren die we moeten aanharken of de maartse buien, maar de meesten van ons houden toch wel van de afwisseling van de seizoenen. We genieten van de prachtige herfstkleuren en verwelkomen de sneeuw die een somber landschap omtovert in een schitterend wintertafereel. In deze tijd van het jaar zien we het meeste uit naar de eerste krokussen die zich uit de grond wurmen en het heldere groen van jonge blaadjes die zich ontvouwen. Het is niet toevallig dat de Veertigdagentijd in de lente valt. We zien het voor onze ogen gebeuren: het beloofde nieuwe leven overwint de dood.

En hoe is het met ons geestelijk leven? Lijken wij op die “kale struik in de woestijn”? Misschien lopen we vast in een jaarlijks terugkerend patroon. Elk jaar doen we in de Veertigdagentijd afstand van dezelfde ondeugden, maar we pakken ze in de loop van het jaar ook net zo weer op. En ook is het na Pasen al gauw weer gedaan met de vrome praktijken waar we mee begonnen zijn. En het kan ook zijn dat we zodanig vast zitten aan onze bezittingen of verantwoordelijkheden dat we geen kans zien onze band met de Heer te verdiepen.

Als we meer op God vertrouwden, zou Hij ons dan in staat kunnen stellen iets nieuws te proberen? Misschien nodigt God ons deze Veertigdagentijd uit iets toe te voegen aan onze vaste gewoonten, bijvoorbeeld een nieuwe manier van bidden of een nieuwe relatie met Hem. Misschien hebt u altijd al extra dingen gedaan zoals dagelijks naar de Eucharistieviering gaan of de hele rozenkrans bidden. Dan zou het kunnen dat God u dit jaar uitnodigt tijd vrij te maken om eenvoudigweg stil naar Hem te luisteren. En misschien moedigt God ons aan om in plaats van: “Ik zal voor je bidden”, te zeggen: “Kan ik misschien nu direct even met je bidden?”

Misschien is het tijd om een nieuw jaargetijde van ons leven in te gaan – van de spontaniteit van het kind naar het enthousiasme van de jeugd, van het ijverige werk van de middelbare leeftijd naar de nadenkende wijsheid van de senioren. Vergeet niet dat God u nergens heen brengt waar Hij al niet op u staat te wachten! Vraag dat Hij u de volgende stap op uw gezamenlijke reis duidelijk zal maken.

Gebed
God van wijsheid, U bent onze schuilplaats geweest van eeuw tot eeuw. U bent onveranderlijk en toch bent U altijd nieuw. Help me in deze Veertigdagentijd mijn hart te openen voor de nieuwe manier waarop U Uw liefde aan mij wilt openbaren. Amen.

< 2e week: vrijdag

Eerste lezing uit het boek Genesis (37, 3-4+12-13+17-28)
Israël hield meer van Jozef dan van al zijn andere zonen, omdat hij hem nog op zijn oude dag had gekregen. Hij had voor hem een prachtig kleed laten maken. De broers bemerkten dat hun vader meer van Jozef hield dan van hen, en zij gingen hem zo haten dat ze geen goed woord meer voor hem over hadden. Eens waren zijn broers bij Sichem de kudden van hun vader gaan weiden, toen Israël tot Jozef zei: “Je weet dat je broers de kudde weiden bij Sichem. Zou je niet naar hen toe willen gaan?” Jozef ging daarop zijn broers achterna en vond hen inderdaad in Dotan. Zij hadden hem al in de verte zien aankomen, en voor hij bij hen was, smeedden zij het plan om hem te doden. Ze zeiden tot elkaar: “Daar komt hij aan, de grote dromer! Nu hebben we de kans. We vermoorden hem en gooien hem in een put. We kunnen zeggen dat een wild beest hem verslonden heeft. Dan zullen we eens kijken wat er van zijn dromen terecht komt!” Toen Juda dit hoorde, probeerde hij hem uit hun handen te redden en zei: “We mogen hem niet doden.” Ruben zei tot hen: “Vergiet toch geen bloed! Ginds in de steppe is een put; gooi hem daarin, maar sla niet de hand aan hem.” Hij wilde hem uit hun handen redden en bij zijn vader terugbrengen. Zodra Jozef bij zijn broers kwam, trokken zij hem het kleed uit, het prachtige kleed dat hij droeg, grepen hem en wierpen hem in de put. De put was leeg en er stond geen water in. Terwijl ze zaten te eten, zagen zij ineens een karavaan van Ismaëlieten, die van Gilead kwam. De kamelen waren beladen met gom, balsem en hars; zij waren op weg naar Egypte om de koopwaar daar af te leveren. Nu zei Juda tot zijn broers: “Wat hebben we eraan, die broer van ons te vermoorden en zijn bloed te bedekken! Laten wij hem liever aan de Ismaëlieten verkopen en niet de hand aan hem slaan; hij is toch een broer van ons, ons eigen vlees.” Zijn broers stemden daarmee in. Toen Midjanitische kooplieden voorbijkwamen, trokken de broers Jozef uit de put en verkochten hem voor twintig sikkel zilver aan de Ismaëlieten. De kooplieden voerden Jozef naar Egypte.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (21, 33-43+45-46)
In die tijd sprak Jezus tot de hogepriesters en de oudsten van het volk: “Luistert naar een andere gelijkenis: Er was eens een landeigenaar die een wijngaard aanlegde; hij zette er een heining omheen, hakte een wijnpers erin uit en bouwde een wachttoren. Daarop verpachtte hij hem aan wijnbouwers en vertrok naar den vreemde. Toen de tijd van de oogst gekomen was, zond hij zijn dienaren naar de wijnbouwers om de opbrengst in ontvangst te nemen. Maar de wijnbouwers grepen zijn dienaren vast. Zij mishandelden de een, doodden de ander en stenigden een derde. Daarop zond hij andere dienaren, talrijker dan de eersten; maar zij behandelden hen op dezelfde manier. Tenslotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe, in de veronderstelling, dat zij zijn zoon wel zouden ontzien. Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze onder elkaar: Dat is de erfgenaam; vooruit, laten we hem vermoorden en ons zijn erfenis toe-eigenen. Ze grepen hem vast, wierpen hem de wijngaard uit en doodden hem. Wanneer nu de eigenaar van de wijngaard komt, wat zal hij dan wel met die wijnbouwers doen?” Ze antwoordden Hem: “Hij zal die ellendelingen een ellendige dood doen sterven en zijn wijngaard zal hij aan andere wijnbouwers verpachten, die hem de opbrengst op de vastgestelde tijd zullen afdragen.” Toen sprak Jezus tot hen: “Hebt gij nooit in de Schrift gelezen: De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, is juist de hoeksteen geworden. Op last van de Heer is dat gebeurd en het is wonderbaar in onze ogen. Daarom zeg Ik u, het Rijk Gods zal u ontnomen worden en gegeven aan een volk dat wel de vruchten daarvan opbrengt.” Toen de hogepriesters en Farizeeën zijn gelijkenissen gehoord hadden, begrepen ze dat Hij over hen sprak. Zij zonnen dus op een middel om zich van Hem meester te maken, maar ze waren bang voor het volk, omdat men Hem voor een profeet hield.

Overweging
In het Oude Testament komen we veel verhalen en personen tegen die voortekenen zijn van Jezus en het heil dat Hij komt brengen. Neem nu het verhaal van Jozef, de zoon van Jakob. Jozef was de lieveling van zijn vader; Jezus is Gods geliefde Zoon. Uit jaloezie wilden Jozefs broers hem doden, net zoals sommige volksgenoten van Jezus plannen maakten om Hem te doden. Beiden werden verraden door de mensen die het dichtst bij hen stonden: Jozefs broers verkochten hem voor twintig zilverstukken, terwijl een van Jezus’ naaste leerlingen dertig zilverstukken ontving om Hem aan de gezagsdragers te verraden.

Beide mannen waren een zegen voor hun omgeving. Jozef sloeg graan op om het volk te vrijwaren van hongersnood en Jezus voedde vijfduizend mensen met enkele broden en een paar vissen. Als Jozefs broers naar Egypte komen op zoek naar graan, maakt Jozef zich op het laatste moment aan hen bekend, en ze verzoenen zich. Op soortgelijke wijze liet Jezus na de verrijzenis aan de apostelen zien dat Hij de hemelse Heer was – waarbij Hij zelfs door muren heen ging en in een oogwenk verdween. Zowel Jozef als Jezus veranderden van lijdende dienaren in redders van hun volk. Jozef redde de kinderen Israëls van de honger, terwijl Jezus al zijn mensen redde van zonde en dood.

Maar ondanks alle overeenkomsten was Jozef niet gelijk aan Jezus, en zeker niet volmaakt zoals Hij. Jozef was “de dromer” – een beetje een verwaand mannetje die de neiging had zijn grote broers op hun zenuwen te werken. Maar ondanks het gebrek aan respect dat hij ten opzichte van zijn broers aan de dag legde probeerde hij op zijn eenzame tocht naar Egypte wel dicht bij de Heer te blijven. Dat was de basis waarop de Heer hem meer en meer kon zuiveren, tot hij twintig jaar later in staat was zijn broers te vergeven en met liefde, vrijgevigheid en respect te behandelen.

Jozefs verhaal is ook ons verhaal. Ondanks onze zwakke kanten kunnen ook wij meer gezuiverd worden door de Heer en steeds meer op Hem gaan lijken. We kunnen leren gemakkelijker te vergeven. We kunnen leren meer lief te hebben. En we kunnen leren gemakkelijker te dienen. Met Jezus zijn alle dingen mogelijk.

Gebed
Jezus, ik kijk met ontzag naar Uw macht om te veranderen. Ik sta open om door U te worden veranderd, om meer en meer op U te gaan lijken. Genees en reinig me, genadige God. Amen.

< 2e week: zaterdag

Eerste lezing uit het boek Micha (7, 14-15+18-20)
Neem uw herdersstaf en weid uw volk,Heer, de schapen die uw erfdeel zijn; tussen de bomen, midden in het woud, zijn zij zo vereenzaamd. Laat ze weiden in Basan en Gilead, zoals in vroegere dagen. Ik laat wonderen zien, zoals in de dagen dat gij uit Egypte wegtrok.
Welke God is als Gij, die de schuld vergeeft, die voorbijgaat aan de zonde, door de rest van zijn erfdeel bedreven, die zijn toorn niet altijd laat duren, maar zijn vreugde vindt in goedheid? Hij zal zich opnieuw over ons ontfermen, Hij zal onze schuld onder zijn voeten verpletteren. Al onze zonden zal Hij naar de bodem van de zee verwijzen. Aan Jakob zult Gij uw trouw, aan Abraham uw goedheid tonen, zoals Gij het onze vaderen hebt bezworen, in de dagen van weleer.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (15, 1-3+11-32)
In die tijd kwamen telkens weer tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Hem om naar Hem te luisteren. De Farizeeën en de schriftgeleerden morden daarover en zeiden: “Die man ontvangt zondaars en eet met hen.”
Hij hield hen deze gelijkenis voor: “Een man had twee zoons. Nu zei de jongste van hen tot zijn vader: Vader, geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb. En hij verdeelde zijn vermogen onder hen. Niet lang daarna pakte de jongste zoon alles bij elkaar en vertrok naar een ver land. Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven. Toen hij alles opgemaakt had, kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden. Nu ging hij in dienst bij een der inwoners van dat land, die hem het veld in stuurde om varkens te hoeden. En al had hij graag zijn buik willen vullen met de schillen die de varkens aten, niemand gaf ze hem. Toen kwam hij tot nadenken en zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik verga hier van de honger. Ik ga weer naar mijn vader en ik zal hem zeggen: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten, maar neem mij aan als een van uw dagloners. Hij ging dus op weg naar zijn vader. Zijn vader zag hem al in de verte aankomen, en hij werd door medelijden bewogen; hij snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk. Maar de zoon zei tot hem: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten. Doch de vader gelastte zijn knechten: Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan, steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan.Haalt het gemeste kalf en slacht het; laten we eten en feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden. Ze begonnen dus feest te vieren. Intussen was zijn oudste zoon op het land. Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde, hoorde hij muziek en dans. Hij riep een van de knechten en vroeg wat dat te betekenen had. Deze antwoordde: Uw broer is thuisgekomen en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten, omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen. Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen. Toen zijn vader naar buiten kwam en bij hem aandrong, gaf hij zijn vader ten antwoord: Al zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden, toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven om eens met mijn vrienden feest te vieren. En nu die zoon van u is gekomen die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen, hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten. Toen antwoordde de vader: Jongen, jij bent altijd bij me en alles wat van mij is, is ook van jou. Maar er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was en levend is geworden, verloren was en is teruggevonden.”

Overweging
Zijn vader zag hem al in de verte aankomen. . . (Lucas 15,20)

De verloren zoon nam het geld van zijn vader mee en verkwistte het. Niets was er meer van over, enkel de puinhopen van zijn genotzucht en geldsmijterij. Zie hem daar staan: gekleed in lompen, vuil en uitgehongerd. Met geen mogelijkheid kon hij nog iets doen om de schijn te redden, hij had helemaal niets meer om zijn vader een beetje gunstig te stemmen. En het ergste was: hij kon nergens anders heen. Dus ging hij op weg naar het huis van zijn vader, angstvallig en zich vreselijk bewust van zijn beledigingen aan het adres van zijn vader. Het is maar al te begrijpelijk dat hij zenuwachtig was en bang voor de ontmoeting met zijn vader.

De vader zag de jongen “al in de verte” aankomen. Kennelijk had de vader op de uitkijk gestaan om een levensteken van hem op te vangen. En zodra hij de jongen zag, rende hij op hem af om hem te begroeten. Probeer u de situatie voor te stellen: een welgestelde landeigenaar, waarschijnlijk goed gekleed, die met uitgestrekte armen afrent op een vuile jongeman in lompen, dodelijk vermoeid en hongerig. Stel u voor hoe deze aanzienlijke man de jongen omarmt, met kussen overlaadt en roept om ringen, kleding en een feestmaal. Zonder ook maar één woord van verwijt accepteerde hij het berouw van zijn zoon en vierde hij zijn terugkeer: Mijn zoon leeft! Hij is terug!

Wat een aangrijpend beeld van de manier waarop onze hemelse Vader ons behandelt! Hij staat altijd op de uitkijk naar ons. Onze toestand deert Hem niet. Hij stoort zich niet aan de lompen en het vuil die ons misschien bedekken. Hij wacht niet koel en afstandelijk af tot wij naar Hem toe komen en Hij precies de goede toon hoort van verdriet of berouw. Nee, Hij rent naar ons toe! Hij wil ons omarmen, ons met barmhartigheid behandelen en zich verheugen over onze terugkeer. Het doet er niet toe waar we zijn geweest of wat we hebben gedaan. Het enige wat ertoe doet is dat we thuisgekomen zijn.

Het is gemakkelijk deze beelden af te doen als een romantische fabel over berouw en vergeving. Maar Jezus is geen naïeve dromer of iemand die sprookjes verzint. Hij spreekt de goddelijke waarheid. Uw hemelse Vader houdt echt zo veel van u. Hij verwijt u nooit uw zonden. Hij wacht altijd vol verlangen dat u zich nog meer naar Hem toekeert. Zelfs nu rent Hij naar u toe, vol verlangen om zijn armen om u heen te slaan en u thuis te verwelkomen.

Gebed
Vader, ik vertrouw op Uw goedheid en genade. Dank U dat U Uw armen naar mij uitstrekt en me thuis verwelkomt! Amen.

< 3e week van de Veertigdagentijd

< 3e week: zondag

Eerste lezing uit het boek Exodus (3, 1-8+13-15)
In die dagen hoedde Mozes de kudde van zijn schoonvader Jitro, de priester van Midjan. Eens dreef hij de kudde tot ver in de woestijn en kwam hij bij de berg van God, de Horeb. Toen verscheen hem de engel van de Heer, in een vuur dat opvlamde uit een doornstruik. Mozes keek toe en zag dat de doornstruik in lichter laaie stond en toch niet verbrandde. Hij dacht: “Ik ga er op af om dat vreemde verschijnsel te onderzoeken. Hoe komt het dat die doornstruik niet verbrandt?” De Heer zag hem naderbij komen om te kijken. En vanuit de doornstruik riep God hem toe: “Mozes, Mozes.” “Hier ben ik,” antwoordde hij. Toen sprak de Heer: “Kom niet dichterbij en doe uw sandalen uit, want de plaats waar gij staat is heilige grond.” En Hij vervolgde: “Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.” Toen bedekte Mozes zijn gezicht want hij durfde niet naar God op te zien. De Heer sprak: “Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, de jammerklachten om zijn onderdrukkers gehoord; ja, Ik ken zijn lijden. Ik daal af om mijn volk te bevrijden uit de macht van Egypte.” Maar Mozes sprak opnieuw tot God: “Als ik nu bij de Israëlieten kom en hun zeg: de God van uw vaderen zendt mij tot u, en zij vragen: Hoe is zijn naam? wat moet ik dan antwoorden?” Toen sprak God tot Mozes: “Ik ben die is.” En ook: “Dit moet gij de Israëlieten zeggen: Hij die is zendt mij tot u.” Bovendien zei God tot Mozes: “Dit moet ge de Israëlieten zeggen: de Heer, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, zendt mij tot u. Dit is mijn naam voor altijd. Zo moet men Mij aanspreken, alle geslachten door.”

Tweede lezing uit de Eerste brief aan de Korintiërs (10, 1-6 + 10-12)
Broeders en zusters, gij moet goed weten dat onze vaderen wel allen onder de wolk zijn geweest, allen door de Zee zijn getrokken; allen zijn zij door wolk en zee in Mozes gedoopt, en allen aten zij hetzelfde geestelijk voedsel, allen dronken dezelfde geestelijke drank, – want zij dronken uit een geestelijke rots die met hen meeging, en die rots was de Christus – maar in de meesten van hen heeft God geen welbehagen gehad; immers, zij werden neergeveld in de woestijn. Deze gebeurtenissen zijn een les voor ons, opdat wij niet, zoals zij, slechte dingen zouden begeren. Mort ook niet tegen God, zoals sommigen van hen gemord hebben: zij zijn gedood door de verderver. Wat hun overkwam had een diepe zin en het werd te boek gesteld als een waarschuwing voor ons, tot wie het einde der tijden gekomen is. Daarom, wie meent te staan, moet oppassen dat hij niet valt.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (13, 1-9)
In die tijd waren er bij Jezus enkele mensen die Hem vertelden wat er gebeurd was met de Galileeërs, van wie Pilatus het bloed met dat van hun offerdieren vermengd had. Daarop zei Jezus: “Denkt ge, dat onder alle Galileeërs alleen deze mensen zondaars waren, omdat zij dat lot ondergaan hebben? Volstrekt niet, zeg Ik u. Maar als gij u niet bekeert, zult ge allen op een dergelijke manier omkomen. Of die achttien die gedood werden, doordat de toren bij de Siloam op hen viel: denkt ge dat die alleen schuldig waren onder alle mensen die in Jeruzalem woonden? Volstrekt niet, zeg Ik u. Maar als gij niet tot bekering komt, zult ge allen op eenzelfde wijze omkomen.”
Toen vertelde Hij de volgende gelijkenis: “Iemand had een vijgenboom die in zijn wijngaard geplant stond; hij kwam zoeken of er vrucht aan zat, maar vond niets. Toen zei hij tot de wijngaardenier: Al sinds drie jaar kom ik aan deze vijgenboom vruchten zoeken, maar ik vind er geen. Hak hem om: waartoe put hij nog de grond uit? Maar de man gaf hem ten antwoord: Heer, laat hem dit jaar nog staan; laat mij eerst de grond er omheen omspitten en er mest op brengen. Misschien draagt hij het volgend jaar vrucht; zo niet, dan kunt ge hem omhakken.”

Overweging
Toen God Mozes riep vanuit het brandende braambos, stuurde Hij hem weg op een van de langste en meest ingrijpende reizen van de geschiedenis – en Hij begon met de opdracht: “Doe uw sandalen uit” (Exodus 3,5). Waarom zou God dat gezegd hebben?

Het vervolg van het vers geeft een reden: “de plaats waar u staat is heilige grond”. Stel u voor hoe snel Mozes gehoorzaamde! In Egypte, waar hij was opgegroeid, moesten de mensen op blote voeten voor de farao of een andere aanzienlijke persoon verschijnen. Dat was zowel een uiting van respect als de erkenning dat je een lagere status bezat. Staande voor de hoogste Heer van allen, wiens heerlijkheid straalde als een onzichtbaar krachtenveld, moet Mozes zich wel onder de indruk en klein hebben gevoeld.

Wat zegt dit over onze houding tegenover het gebed? Zonder brandende struiken om ons te laten schrikken, gaan we gemakkelijk een beetje nonchalant met God om, en vaak zelfs alsof het een opgave is om maar snel af te handelen. Het beeld van Mozes die zijn sandalen uitdoet, herinnert ons eraan dat onze liefdevolle Vader een ontzagwekkende God is wiens heiligheid we in de verste verte niet kunnen bevatten. Het zegt ons dat we Hem met eerbied, nederigheid en in het besef van onze zonde en zwakheid moeten benaderen. Maar het tafereel zegt ons ook nog andere dingen.

Schoenen en sandalen worden vuil en ook vandaag de dag is het in veel culturen en huizen gewoonte om ze uit te trekken alvorens naar binnen te gaan. In zekere zin is dat hetzelfde wat we dienen te doen wanneer we tot God komen. Vuil schoeisel kan ook staan voor de afleiding die zich opdringt wanneer we bidden. Als dat gebeurt, kunnen we de raad opvolgen van de H. Alfonsus de Liguori en ons best doen alle gedachten die ons afleiden, achter te laten bij de deur van onze gebedstijd. We kunnen ook met de H. Bernardus zeggen: “Gedachten van mij, jullie moeten hier wachten. Na mijn gebed zullen we het over andere dingen hebben.”

Dus als u vandaag gaat bidden, trek dan uw sandalen uit! Hij die Mozes riep, roept u!

Gebed
Vader, wie ben ik dat U zoveel van me houdt – genoeg om Uw enige Zoon voor mij over te hebben? Help me alles opzij te zetten wat me van U scheidt en Uw liefde te beantwoorden zo goed als ik kan. Amen.

< 3e week: maandag

Eerste lezing uit het Tweede boek Koningen (5, 1-15a)
In die dagen was Naäman, de legeroverste van de koning van Aram, zeer gezien bij zijn heer en had grote invloed, want door hem had De Heer voor Aram uitkomst gebracht. Hij was een groot soldaat, maar de man leed aan een huidziekte. Nu hadden Aramese benden eens een strooptocht ondernomen in Israël en daarbij een jong meisje buitgemaakt; dat was nu in dienst bij de vrouw van Naäman. Ze zei tot haar meesteres: “Och, kon mijn heer maar eens naar de profeet gaan die in Samaria woont; die zou hem wel van zijn ziekte afhelpen.” Naäman ging aan zijn heer vertellen wat het meisje uit Israël gezegd had. Toen zei de koning van Aram: “Ga erheen; ik zal u een brief meegeven voor de koning van Israël.” Hij ging op weg, nam tien talenten zilver, zesduizend sikkel goud en tien feestgewaden mee, en meldde zich met de brief bij de koning van Israël. Daarin stond: Met deze brief zend ik mijn dienaar Naäman tot u; ik verzoek u hem van zijn huidziekte te genezen. Zodra de koning van Israël de brief gelezen had, scheurde hij zijn kleren en zei: “Ben ik soms God, met macht over leven en dood, dat hij iemand naar mij toestuurt die ik van zijn huidziekte moet genezen? Let maar eens op mijn woorden: hij zoekt ruzie met mij.” Toen Elisa, de man Gods, hoorde dat de koning van Israël zijn kleren gescheurd had, liet hij de koning vragen: “Waarom hebt u uw kleren gescheurd? Stuur hem naar mij toe. Dan zal hij weten dat er een profeet is in Israël.” Toen ging Naäman met zijn paarden en wagen op weg en hield stil voor het huis van Elisa. Deze zond iemand met de boodschap: Was u zevenmaal in de Jordaan; dan zal uw huid weer gezond worden en zult u gereinigd zijn. Toen werd Naäman boos en ging heen. Hij zei: “Ik had gedacht: hij zal naar buiten komen en voor me gaan staan. Dan zal hij de naam van de Heer zijn God aanroepen, met zijn hand over de plek strijken en de ziekte wegnemen. Zijn de Abana en de Parpar, de rivieren van Damascus, soms niet beter dan al de wateren van Israël? Kan ik mij daarin niet wassen om gereinigd te worden?” Hij keerde zich om en ging verontwaardigd heen. Maar zijn dienaren gingen naar hem toe en zeiden: “Vader, gesteld dat de profeet u iets moeilijks opgedragen had, dan had u het toch ook gedaan? Waarom dan niet, nu hij u zegt dat u zich maar hoeft te wassen om weer rein te worden?” Toen ging hij naar de Jordaan en dompelde zich zevenmaal onder, zoals de man Gods gezegd had. Zijn huid werd weer als die van een klein kind en hij was gereinigd. Hij keerde met heel zijn gevolg naar de man Gods terug, trad het huis binnen, ging voor hem staan en zei: “Nu weet ik dat er alleen in Israël een God is, en nergens anders op aarde.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (4, 24-30)
Toen Jezus in Nazaret kwam, zei Hij tot het volk in de synagoge: “Voorwaar, Ik zeg u: geen profeet is heilzaam voor zijn eigen vaderstad. En het is waar wat Ik u zeg: in de tijd van Elia immers, toen de hemel drie jaar en zes maanden gesloten bleef en een grote hongersnood uitbrak over het hele land, waren er veel weduwen in Israël; toch werd Elia tot niemand van hen gezonden, behalve tot een weduwe in Sarepta in het gebied van Sidon. En in de tijd van de profeet Elisa waren er vele melaatsen in Israël; toch werd niemand van hen gereinigd, behalve de Syriër Naäman.” Toen ze dit hoorden, werden allen die in de synagoge waren, woedend. Ze sprongen overeind, joegen Hem de stad uit en dreven Hem voort tot aan de steile rand van de berg waarop hun stad gebouwd was, om Hem daar in de afgrond te storten. Maar Hij ging midden tussen hen door en vertrok.

Overweging
… ze sprongen op, joegen Hem de stad uit (Lucas 4,29)

Wat had Jezus gezegd waardoor zijn stadgenoten zo boos werden? Misschien komt het door de mensen die Jezus hier als voorbeeld gebruikte, de weduwe uit Sarepta die Elia op bezoek kreeg, en de Syriër Naäman die door Elisa van melaatsheid werd genezen. Geen van beiden kwam uit Israël en dat moet de mensen ongetwijfeld geraakt hebben. Was Jezus erop uit hen te beledigden? Wat had deze zoon van een timmerman tegen zijn eigen volk? Het idee dat iemand uit hun midden hun de les aan het lezen was kan genoeg reden geweest zijn om hen kwaad te maken.

Laten we eens kijken naar het verhaal van Naäman om te zien wat Jezus bedoelde. Net als het volk had ook Naäman gehoord over een profeet en ook hij was niet ingenomen met de handelwijze van de profeet. Kon Elisa hem niet rechtstreeks genezen, in plaats van dat hij zich zeven maal in een rivier moest gaan baden? En waarom moest hij helemaal naar Israël gaan terwijl Syrië volop rivieren had? (2 Koningen 5,11-12). Naäman had zijn eigen ideeën over de manier waarop God moest werken, en pas toen hij zijn veilige plek verliet, vond hij waar hij naar zocht.

Het is waar dat we, om te ontvangen wat God voor ons wil, meestal een stap in geloof moeten zetten – soms letterlijk een stap. De Israëlieten moesten door de Rode Zee lopen. Jozua’s leger moest om de muren van Jericho heen. Vaak moeten we iets concreets doen om Gods beloften in ons leven in vervulling te zien gaan. We kunnen aan zijn opdrachten twijfelen, zoals Naäman deed. Maar we kunnen ook proberen onze twijfels te overwinnen en ten slotte die stap doen die ons brengt op een plaats waar zijn voorziening op ons wacht.

Waar u ook bent op uw geloofsreis, weet dat God u nog verder wil brengen. Zit vandaag in uw gebed rustig voor de Heer en luister naar de manieren waarop Hij u misschien roept om te groeien in het geloof. Accepteer het dat hoewel uw plannen aardig goed lijken, zijn plannen nog beter zijn, ook al lijken ze helemaal niet op wat u verwachtte. Als u er een gewoonte van maakt op Gods wijsheid te vertrouwen in plaats van op die van uzelf, zult u ontdekken dat u meer vrede, blijdschap en innerlijke kracht bezit. Laat u dus door Hem leiden. U zult er geen spijt van hebben!

Gebed
Vader, help me op U te vertrouwen. Geef me de genade mijn wil aan de Uwe over te geven, zelfs al betekent dit dat ik iets moet doen waar ik bang voor ben. Amen.

< 3e week: dinsdag

Eerste lezing uit het boek Daniël (3, 25+34-43)
In die dagen verrichtte Azarja staande dit gebed: “Terwille van uw naam: verstoot ons toch niet voorgoed en verbreek niet uw verbond, trek uw barmhartigheid niet van ons terug terwille van Abraham, uw vriend, terwille van Isaäk, uw dienaar, en van Israël, uw heilige. Aan hen hebt Gij beloofd hun nakomelingen even talrijk te maken als de sterren aan de hemel en de zandkorrels aan het strand der zee. Maar nu zijn wij, Heer, het kleinste volk geworden van alle volkeren op aarde en nergens ter wereld hebben wij nog iets te betekenen vanwege onze zonden. Wij hebben nu geen koning meer, geen profeet, geen leider, geen brand- en slachtoffers, geen spijsoffers en reukwerk, zelfs geen heilige plaats waar wij U kunnen offeren om zo uw barmhartigheid te kunnen ervaren. Maar laat ons bij U gehoor vinden vanwege ons vermorzeld hart en onze ootmoedige geest. Moge vandaag ons offer bestaan in volmaakte aanhankelijkheid aan U en moge het U evenzeer behagen als kwamen we met brandoffers van rammen en stieren en met tienduizenden vette lammeren, want geen smaad treft hen die op U vertrouwen. Thans volgen wij U van ganser harte; wij eerbiedigen U en zoeken U. Laat ons toch niet te schande worden, maar handel met ons naar uw goedheid en naar uw grote barmhartigheid. Red ons op uw wonderbare wijze en verheerlijk, Heer, uw naam.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (18, 21-35)
In die tijd kwam Petrus naar Jezus toe en sprak: “Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?” Jezus antwoordde hem: “Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal. Daarom gelijkt het Rijk der hemelen op een koning die rekening en verantwoording wilde vragen aan zijn dienaren. Toen hij hiermee begon, bracht men iemand bij hem die tienduizend talenten schuldig was. Daar hij niets had om te betalen gaf de heer het bevel hem te verkopen met vrouw en kinderen en al wat hij bezat om zo de schuld te vereffenen. De dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. De heer kreeg medelijden met die dienaar, liet hem gaan en schold hem de geleende som kwijt. Maar toen die dienaar buiten kwam, trof hij daar een andere dienaar die hem honderd denarien schuldig was; hij greep hem bij de keel en zei: Betaal wat je schuldig bent. De andere dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heb geduld met mij en ik zal u betalen. Maar hij weigerde en liet hem zelfs in de gevangenis zetten, totdat hij zijn schuld zou hebben betaald. Toen nu de overige dienaren zagen wat er gebeurd was, waren zij diep verontwaardigd en gingen hun heer alles vertellen. Daarop liet de heer hem roepen en sprak: Jij lelijke knecht, heel die schuld heb ik je kwijtgescholden, omdat je mij erom gesmeekt hebt. Had jij dan ook geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ik met jou medelijden heb gehad? En in toorn ontstoken leverde zijn heer hem over aan de beulen, totdat hij zijn hele schuld betaald zou hebben. Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen, die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt.”

Overweging
Het spreken in gelijkenissen was een van Jezus’ meest effectieve onderwijsmethoden. Als meester in het verhalen vertellen kon hij de aandacht van zijn luisteraars boeien en hen bij de spannende gebeurtenissen van het verhaal betrekken. Maar Jezus’ gelijkenissen waren niet gewoon spannende verhalen – ze onthullen ons de liefde van God en de waarden van zijn koninkrijk. Ze roepen ons op tot een diepere bekering.

Om de moraal nog extra te benadrukken, maakte Jezus vaak gebruik van overdrijving – een algemeen Semitisch gebruik – of van contrasten als wijsheid en dwaasheid, goedgeefsheid en gierigheid. Er is waarschijnlijk geen duidelijker voorbeeld van overdrijving dan de evangelielezing van vandaag over de dienaar die niet wist te vergeven. Een man die een enorme schuld werd kwijtgescholden – gelijk aan 150.000 jaarlonen – weigerde de schuld van een andere man kwijt te schelden – een schuld ter grootte van 1/20.000 van 1 procent van zijn eigen schuld. Hoewel de dienaar besefte dat hij volledig aangewezen was op de barmhartigheid van zijn schuldeiser, liet hij zijn hart daardoor niet verzachten. En het gevolg daarvan was vernietigend.

Het harde einde van dit verhaal is voor ons een rechtstreekse oproep om even vergevingsgezind te zijn voor anderen als God voor ons is geweest. Het onderstreept ook iets wat Jezus zijn leerlingen had verteld in de Bergrede: “Want als jullie de mensen hun overtredingen vergeven, zal je hemelse Vader ook jullie vergeven. Maar als jullie de mensen niet vergeven, zal je Vader jullie overtredingen ook niet vergeven” (Matteüs 6,14-15). Als wij niet ons best doen barmhartig, meelevend en vergevingsgezind te zijn, zullen we het moeilijk vinden om te bidden of om Gods eigen liefde en barmhartigheid in ons leven te onderkennen.

Deze Veertigdagentijd biedt ons een speciale gelegenheid om werk te maken van die gebieden in ons leven waar barmhartigheid nodig is. Het is nu de tijd om ons hart door Gods barmhartigheid zacht te laten maken zodat we onze manier van omgaan met de mensen in ons leven kunnen veranderen. God wil niet dat we een wrok tegen iemand koesteren of iemand onaardig behandelen die bij ons “in de schuld” staat. Hij wil niet dat onze harten verduisterd zijn door bitterheid of wrok. In plaats daarvan wil Hij dat zijn vrede ons beheerst – en via ons iedereen in onze omgeving aanraakt. Wilt u dat ook niet?

Gebed
Dank U, Jezus, voor de talloze malen dat U mijn zonden hebt vergeven. Bevrijd me van alle hardvochtigheid die ik voor anderen koester en leer me barmhartig te zijn vanuit Uw onuitputtelijke barmhartigheid. Amen.

< 3e week: woensdag

Eerste lezing uit het boek Deuteronomium (4, 5-9)
In die dagen sprak Mozes tot het volk: “Luister dan, Israël, naar de voorschriften en bepalingen die ik u leer, en handel daarnaar. Dan zult gij leven en bezit gaan nemen van het land dat de Heer, de God van uw vaderen, u schenkt. Ik heb u nu de voorschriften en bepalingen geleerd, zoals de Heer uw God mij heeft opgedragen. Handel ernaar in het land dat gij in bezit gaat nemen en breng ze stipt ten uitvoer, want daaruit zal voor de volken uw wijsheid en uw inzicht blijken. Als zij al deze voorschriften horen, zullen ze zeggen: Dat machtige volk is wijs en verstandig. Is er soms een andere grote natie, aan wie hun goden zo nabij zijn als de Heer onze God ons nabij is, zo vaak wij Hem aanroepen? Of is er een andere grote natie die zulke volmaakte voorschriften en bepalingen heeft als de wet die ik u heden geef? Wees dus op uw hoede en zorg er voor, dat gij niet vergeet wat gij met eigen ogen gezien hebt. Laat dat uw leven lang niet uit uw gedachten gaan en geef het door aan uw kinderen en kleinkinderen.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (5, 17-19)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Denkt niet dat Ik gekomen ben om Wet en Profeten op te heffen; Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om de vervulling te brengen. Want voorwaar, ik zeg u: Eerder nog zullen hemel en aarde vergaan, dan dat een jota of haaltje vergaat uit de Wet, voordat alles geschied is. Wie dus één van die voorschriften, zelfs het geringste, opheft en zo de mensen leert, zal de geringste geacht worden in het Rijk der hemelen, maar wie ze onderhoudt en leert zal groot geacht worden in het Rijk der hemelen.”

Overweging
Mozes gaf een opsomming van alles wat God voor zijn volk had gedaan: Hij leidde het uit Egypte en sloot een verbond met hen. Hij gaf hun zijn Tien Geboden en beloofde voor altijd met hen te zijn. Nu stonden ze op het punt de Jordaan over te steken en het land binnen te gaan dat Hij voor hen had gereserveerd. Daarom herinnerde Mozes hen eraan hoe belangrijk het was dat ze de grote daden van de Heer in het verleden niet zouden vergeten. Hij waarschuwde hen ervoor op te passen dat deze dingen niet “uit uw gedachten gaan en geef het door aan uw kinderen en kleinkinderen” (Deuteronomium 4,9).

Is het niet verbazingwekkend hoe gemakkelijk wij, bij onze dagelijkse inspanningen, kunnen vergeten wat God voor ons heeft gedaan? Daarom is het nuttig om van tijd tot tijd een stapje terug te doen en zowel onze eigen geschiedenis te overzien als de grote lijnen van de heilsgeschiedenis.

Waarom zouden we daar vandaag niet mee beginnen? Pak een pen en maak een lijstje van uw lievelingsverhalen in de Bijbel. Probeer bij elk verhaal aan te geven hoe God bezig was zijn volk te redden en voor te bereiden op Jezus. Zoek naar algemene patronen – dingen die u iets zeggen over Gods goedheid, zijn barmhartigheid en zijn macht om te redden.

Laat het daar niet bij. Nadat u eerst dit perspectief geschetst hebt, kijkt u vervolgens naar uw eigen leven. Maak nu een lijstje van de keren dat u zonder enige twijfel wist dat God aan het werk was. Dat kan zijn toen u niet wist welke weg u moest volgen, maar plotseling alles begreep. Het kan een keer zijn toen u zich geholpen voelde in het omgaan met een verstoorde relatie. Het kan een tijd zijn van gebed of een keer bij de Eucharistieviering toen u zich bijzonder dicht bij de Heer voelde.

Als u deze zegeningen een vaste plaats geeft in uw herinnering, kunt u er gebruik van maken in moeilijke tijden. Wanneer u vraagtekens zet bij Gods liefde, kunt u deze zegeningen terugroepen uit uw herinnering om de twijfel uit te drijven. Als u gebukt gaat onder een beproeving, kunt u nog altijd weten dat God met u is en u leidt met zijn ongeziene hand. Laat zijn zegeningen nooit “uit uw gedachten gaan”!

Gebed
Jezus, wat een geschenk om elke week bij U te zijn in de Eucharistieviering! Graveer met vuur in mijn geheugen de grote dingen die U in mijn leven doet en gedaan hebt. Geef dat ik ze nooit zal vergeten. Amen.

< 3e week: donderdag

Eerste lezing uit het boek Jeremia (7, 23-28)
Zo spreekt de Heer: “Dit alleen heb Ik hen bevolen: Luistert naar Mij, dan zal Ik uw God zijn en gij zult mijn volk zijn. Volgt de weg die Ik u wijs, dan zal het u goed gaan. Maar ze hebben niet geluisterd en Mij niet gehoorzaamd. Ze blijven hardnekkig in de boosheid. Hoe langer hoe meer keerden ze zich van Mij af. Sinds de uittocht van uw voorvaderen uit Egypte, tot heden toe, heb Ik u mijn dienaren de profeten gezonden, telkens weer. Maar ze hebben niet naar Mij geluisterd en Mij niet gehoorzaamd. Ze bleven hardnekkig, meer nog dan hun voorvaderen. Zeg hun dat alles, luisteren zullen ze niet; roep het hun toe, antwoorden zullen ze niet. Dan moet ge tegen hen zeggen: Hier is nu het volk dat niet wil luisteren naar de Heer, zijn God, dat zich niet laat beleren. Weg is de oprechtheid, ze komt niet meer over hun lippen.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (11, 14-23)
Eens dreef Jezus een duivel uit die stom was. Zodra de duivel was uitgevaren, kon de stomme weer spreken. De mensen stonden er verbaasd van. Maar enkelen van hen zeiden: “Door Beëlzebub, de vorst der duivels, drijft Hij de duivels uit.” Anderen – om Hem op de proef te stellen – verlangden van Hem een teken uit de hemel. Maar Hij kende hun gedachten en sprak tot hen: “Elk rijk dat innerlijk verdeeld is, vervalt tot een woestenij, het ene huis valt op het andere. Als nu ook de satan met zichzelf in strijd is, hoe kan zijn rijk dan standhouden? Ge zegt immers, dat ik door Beëlzebub de duivels uitdrijf. Als Ik door Beëlzebub de duivels uitdrijf, door wie drijven uw zonen ze dan uit? Daarom zullen zij uw rechters zijn. Maar als ik door de vinger Gods de duivels uitdrijf, dan is inderdaad het Rijk Gods tot u gekomen. Wanneer een sterke, welbewapend, zijn huis en hof bewaakt, is zijn bezit veilig. Komt er echter iemand die sterker is dan hij en die hem overwint, dan rooft deze zijn volle uitrusting, waarop hij zijn vertrouwen stelde, en verdeelt wat hij bezit als buit. Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij bijeenbrengt, die verstrooit.”

Overweging
Zijn naam, Satan, betekent Tegenstander, en toch lijkt het erop dat we zijn gevaar gemakkelijk onderschatten. We geloven wel in het bestaan van de duivel, maar tegelijkertijd vinden we het toch wel lastig om ons een beeld te vormen van zijn actieve kwaadwillendheid. We zien hem liever in een soort irritante bijrol dan als een hoofdrolspeler in het heilsmysterie. Maar Jezus wist dat Hij de duivel niet kon onderschatten.

Aangezien Satan zelf niets kan scheppen probeert hij in plaats daarvan de dingen die er al zijn te verdraaien en in de war te sturen. Zo heeft de wereldbevolking nog nooit zoveel vrijheid genoten, maar zien we tegelijkertijd enorm veel bolwerken van zonde. Nog nooit hadden mensen zoveel zelfvertrouwen als in deze tijd, maar tegelijkertijd ervaren ook enorm veel mensen angst en onzekerheid. Onze wereld lijkt kleiner dan ooit, maar toch voelen veel mensen zich eenzaam en verlaten.

Een van de meest voorkomende en effectieve tactieken van de Satan is het zaad van de twijfel te zaaien in ons hoofd. Hij wil dat we twijfelen aan Gods liefde en dus de liefde gaan zoeken in andere relaties. Hoeveel mensen vallen niet in de valkuil van steeds wisselende seksuele relaties? Satan wil dat we twijfelen aan Gods zorg voor ons, zodat we tegen elke prijs op zoek gaan naar meer zekerheden in ons leven. Denk maar aan degenen die de toppen van financieel succes bereikt hebben maar daarvoor de hoge prijs betaald hebben van ontwrichte relaties. Satan wil dat we twijfelen aan Gods barmhartigheid en vergeving, zodat we gevangen blijven in schuld en schuldgevoel.

Wat moeten we dus doen? Stel uw hoop op Gods beloften. Steeds wanneer u in de verleiding komt aan Gods liefde te twijfelen, denk er dan aan dat niets u kan scheiden van de liefde van God (Romeinen 8,35-39). Steeds wanneer u in de verleiding komt te twijfelen aan Gods zorg voor u, bedenk dan dat God zorgt voor de bloemen op het veld en de vogels in de lucht, en er natuurlijk nog meer plezier in heeft u te voorzien van alles wat u nodig hebt (Lucas 12,22-34). En steeds wanneer u twijfelt aan Gods vergeving, houd uzelf dan voor dat God rijk is aan barmhartigheid en niet gauw boos wordt (Efeziërs 2,4; Psalm 103,12). Dat zijn allemaal waarheden waarop u uw leven kunt bouwen! Bedenk dat Hij die in u is, groter is dan hij die in de wereld is.

Gebed
Heer Jezus, U hebt de macht van de duivel verslagen en door het doopsel hebt U mij deel gegeven aan Uw overwinning. Ik geloof dat niets me kan scheiden van Uw liefde. Heilige Geest, vul me met een diep geloof en vertrouwen op Gods beloften. Amen.

< 3e week: vrijdag

Eerste lezing uit het boek Hosea (14, 2-10)
Zo spreekt de Heer: “Bekeer u, Israël, tot de Heer uw God want over uw schuld zijt gij gestruikeld. Kom met uw woorden als gave, bekeer u tot de Heer en zeg Hem: Gij vergeeft toch alle schuld; aanvaard ook onze goede wil: wij zullen onze woorden als offerdieren geven. Assur kan ons niet redden; wij zullen niet meer op paarden rijden en tegen het maaksel van onze handen zeggen wij nooit meer: Gij zijt onze God. Gij, de Heer, zijt immers degene bij wie de wees ontferming vindt.
Ik wil hen van hun ontrouw genezen en hun van harte mijn liefde schenken. Mijn toorn heeft zich van hem afgewend. Ik wil voor Israël zijn als de dauw: als een lelie zal hij gaan bloeien en hij zal wortels schieten, als op de Libanon. Zijn scheuten lopen uit, zijn luister evenaart die van de olijfboom, zijn geur die van de Libanon. Zij zullen opnieuw in zijn schaduw zitten; zij zullen koren kunnen verbouwen, zij zullen bloeien als de wingerd en vermaard zijn als de wijn van de Libanon. Wat heb Ik dan nog met de afgoden te maken, Efraïm? Ik ben het die hem verhoort en die naar hem omziet. Ik ben als een altijd groene cipres: aan Mij zijn uw vruchten te danken. Wie is zo wijs dat hij dit beseft, wie is zo verstandig dat hij dit inziet? Inderdaad, recht zijn de wegen van de Heer; de rechtschapenen bewandelen die, maar rebellen komen er ten val.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus (12, 28-34)
In die tijd trad een schriftgeleerde op Jezus toe en legde Hem de vraag voor: “Wat is het allereerste gebod?” Jezus antwoordde: “Het eerste is: Hoor, Israël! De Heer onze God is de enige Heer. Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht. Het tweede is dit: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Er is geen ander gebod voornamer dan deze twee.” Toen zei de schriftgeleerde tot Hem: “Juist, Meester, terecht hebt Ge gezegd: Hij is de enige en er bestaat geen andere buiten Hem; en Hem beminnen met heel zijn hart, heel zijn verstand en heel zijn kracht en de naaste beminnen als zichzelf gaat boven alle brand – en slachtoffers.” Omdat Jezus zag dat hij wijs gesproken had, zei Hij hem: “Gij staat niet ver af van het Koninkrijk Gods.” En niemand durfde Hem nog een vraag te stellen.

Overweging
Gij staat niet ver af van het Koninkrijk Gods. (Marcus 12,34)

Na deze woorden van Jezus viel de menigte stil. Niemand durfde Hem nog een vraag te stellen. Jezus was eraan gewend dat schriftgeleerden en Farizeeën Hem benaderden met vragen over de wet. Hij gebruikte die vragen dikwijls als een gelegenheid om een gelijkenis of een lering te geven die inging tegen de bedoeling van de vraagstellers of die hun schijnheiligheid aan het licht bracht. Maar ditmaal zei Jezus iets volkomen onverwachts. Wat was er anders?

Jezus zag dat deze man al het een en ander begrepen had van wat Hij leerde. Hoewel we niet veel weten over deze schriftgeleerde blijkt uit zijn woorden dat hij persoonlijk tot het inzicht gekomen was dat het routinematig uitvoeren van allerlei offerrituelen een zinloze bezigheid was. Mogelijk had hij persoonlijk ervaren wat Hosea beschreef in de eerste lezing: genezing en liefde ontvangen van een God die zonden vergeeft. Op grond daarvan begreep hij dat God en je naaste liefhebben het hoogste doel was en de feitelijke vervulling van de wet van Mozes.

Jezus wil bij ons een vergelijkbaar begrip zien. Hij wil tot de kern van de zaak doordringen en ons oproepen lief te hebben op manieren waarmee de geest van de wet wordt vervuld. Maar dat betekent niet dat we godsdienstige gebruiken afwijzen! Deze schriftgeleerde kan ons voorbeeld zijn. Hij verwierp de wet van Mozes niet; in plaats daarvan ging hij die zien op de manier zoals God hem bedoeld heeft. Zijn religieuze praktijken vloeiden voort uit zijn liefde voor God, met als gevolg dat anderen via hem leven ontvingen en bewijzen van Gods liefde.

Wanneer we de uiterlijke gebruiken van ons geloof gaan zien zoals ze bedoeld zijn – uitingen van onze liefde tot God en van zijn genade die in ons werkt – dan verschijnt alles wat we doen in een ander licht. We gaan niet alleen naar de Eucharistie; we offeren onszelf in liefde tot God en in dienst aan anderen. We geven niet zomaar geld aan de armen of bidden voor mensen in nood; we hebben Christus lief. We vasten niet alleen maar; we verloochenen onszelf zodat onze liefde gezuiverd wordt. Het is de vervulling van de geest van de wet die ons in staat stelt om lief te hebben in de kracht van de Heilige Geest.

Gebed
Heer Jezus, geef mij begrip! Help me nederig te zijn en open mijn ogen om te zien waar het in Uw wet om gaat opdat ik echt kan liefhebben, van harte! Ik wil dat al mijn daden uit liefde voortkomen. Amen.

< 3e week: zaterdag

Eerste lezing uit het boek Hosea (6, 1-6)
Zo spreekt de Heer: “In zijn ellende zal mijn volk Mij zoeken van de vroege morgen af en zeggen: Kom, laten we terugkeren tot de Heer; Hij heeft ons verscheurd, Hij zal ons ook genezen; Hij heeft wonden geslagen, Hij zal ze ook verbinden. Na twee dagen maakt Hij ons weer levend, op de derde dag laat Hij ons weer opstaan om weer te leven voor zijn aanschijn. Wij willen de Heer liefhebben, ons inspannen om Hem te kennen. En zeker als de dageraad vertoont Hij zich, komt Hij over ons als de regen, als de lenteregen die de aarde drenkt. Wat moet Ik met u beginnen, Efraïm? Wat moet Ik met u beginnen, Juda? Uw vroomheid is als de morgennevel, als de dauw die vroeg in de morgen verdwijnt. Daarom heb Ik op u ingeslagen door de profeten, heb Ik de dood gebracht door de woorden van mijn mond: mijn oordeel brak door als het licht. Want vroomheid wens Ik, geen offergaven, en erkenning van God, méér dan brandoffers.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (18, 9-14)
In die tijd vertelde Jezus, met het oog op sommigen die, – overtuigd van eigen gerechtigheid – de anderen minachtten, de volgende gelijkenis. “Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de één was een Farizeeër en de andere een tollenaar. De Farizeeër stond met opgeheven hoofd en bad bij zichzelf als volgt: God, ik dank u dat ik niet zo ben als de rest van de mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als die tollenaar daar. Ik vast tweemaal per week en geef tienden van al mijn inkomsten. Maar de tollenaar bleef op een afstand en wilde zelfs niet zijn ogen opheffen naar de hemel; maar hij klopte zich op de borst, en zei: God wees mij, zondaar, genadig. Ik zeg u: deze ging gerechtvaardigd naar huis en niet die andere, want alwie zich verheft zal vernederd, maar wie zich vernedert zal verheven worden.”

Overweging
Klinkt deze schriftlezing niet verwarrend? De Israëlieten dringen er bij elkaar op aan naar de Heer terug te keren, maar God wijst hun offer af, en hard ook. Wat heeft God ertoe gebracht zo boos, zo bitter te reageren?

“Want barmhartigheid wil Ik, en geen offer” (Hosea 6,6). Dat was het hele probleem. God doorzag de woorden van de Israëlieten en ontdekte dat hun harten niet veranderd waren. Hun woorden waren goed gekozen, maar er zat niets achter. Hij wist dat mooie uitspraken als deze leken op “de dauw die vroeg in de ochtend verdwijnt” (Hosea 6,4). God wenste geen lege vroomheid. Hij wilde een volk dat elkaar behandelde met recht en barmhartigheid. Hij wilde een volk dat zorgde voor de armen en hen niet uitbuitte. Hij wilde een volk dat zich zeven dagen per week aan zijn verbond hield en niet alleen op de sabbat.

God is niet veranderd sinds de dagen van Hosea. Hij wil nog altijd dat zijn Kerk een volk is dat voor Hem apart gezet is. Hij wil nog altijd zien dat we leven in heiligheid, zuiverheid, recht en gehoorzaamheid. En Hij gruwelt er nog steeds van als we denken dat we op zondag even wat religieuze plichtplegingen kunnen doen om vervolgens de rest van de week alle dingen te doen zoals we dat zelf willen.

Wat moeten we dus doen, met name als de lezing van vandaag een gevoelige snaar bij ons raakt? Eén ding is dat we berouw kunnen tonen. God ziet het graag als we naar Hem terugkeren en onze nalatigheden toegeven – niet omdat Hij ons graag vernedert maar omdat Hij weet hoeveel krachtiger Hij kan werken wanneer wij berouw hebben in plaats van zelfgenoegzaam te zijn. Het enige waar het in het Sacrament van Verzoening om gaat is genezing en herstel, het is geen zaak van misdaad en straf.

Maar belangrijker dan berouw is dat we ook een plan maken om te veranderen. Dat kan een specifieke toewijding inhouden aan dagelijks gebed. Het kan een regelmatig onderzoek van ons geweten impliceren en het nemen van praktische maatregelen om zonde te vermijden. Het kan ook een besluit inhouden om meer deel te nemen aan het werk van de Kerk, in evangelisatie of sociale activiteiten.

God wil ons leven veranderen, maar om dit te doen heeft Hij onze medewerking nodig. Doe daarom boete en maak een plan dat niet alleen offers inhoudt maar ook liefde.

Gebed
Jezus, ik geef mijn hart aan U over zodat U mij een nieuw hart kunt geven. Maak mij meer zoals U, Heer! Amen.

< 4e week van de Veertigdagentijd

< 4e week: zondag

Eerste lezing uit het boek Jozua (5, 9-12)
In die dagen sprak de Heer tot Jozua: “Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld.” Terwijl de Israëlieten in Gilgal gelegerd waren, vierden zij het paasfeest op de veertiende dag van de maand, in de avond, in de vlakte van Jericho. En daags na Pasen, juist op die dag, aten zij ongezuurd brood en geroosterd graan dat van het land zelf afkomstig was. De volgende dag hield het manna op; ze konden nu eten wat het land voortbracht. Voortaan kregen de Israëlieten geen manna meer: zij aten gedurende heel het jaar datgene wat Kanaän voortbracht.

Tweede lezing uit de tweede brief aan de Korintiërs (5, 17-21)
Broeders en Zusters,
Wie in Christus is, is een nieuwe schepping: het oude is voorbij, het nieuwe is al gekomen. En dit alles komt van God. Hij heeft ons door Christus met zich verzoend en ons, apostelen, de dienst van die verzoening toevertrouwd. Ja, God was het die in Christus de wereld met zich verzoende: Hij telde de fouten van de mensen niet en ons gaf Hij de boodschap van de verzoening mee. Wij zijn dus gezanten van Christus, God roept u op door ons woord. Wij smeken u in Christus ‘ naam: laat u met God verzoenen! Hem die geen zonde heeft gekend, heeft God voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij door Hem Gods eigen heiligheid zouden worden.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (15, 1-3+11-32)
In die tijd kwamen tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Hem om naar Hem te luisteren. De Farizeeën en de schriftgeleerden morden daarover en zeiden: “Die man ontvangt zondaars en eet met hen.” Hij hield hen deze gelijkenis voor:
“Een man had twee zonen. Nu zei de jongste van hen tot zijn vader: Vader, geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb. En hij verdeelde zijn vermogen onder hen. Niet lang daarna pakte de jongste zoon alles bij elkaar en vertrok naar een ver land. Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven. Toen hij alles opgemaakt had, kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden. Nu ging hij in dienst bij een der inwoners van dat land, die hem het veld in stuurde om varkens te hoeden. En al had hij graag zijn buik willen vullen met de schillen die de varkens aten, niemand gaf ze hem. Toen kwam hij tot nadenken en zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik verga hier van de honger. Ik ga weer naar mijn vader en ik zal hem zeggen: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten, maar neem mij aan als een van uw dagloners. Hij ging dus op weg naar zijn vader. Zijn vader zag hem al in de verte aankomen, en hij werd door medelijden bewogen; hij snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk. Maar de zoon zei tot hem: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten. Doch de vader gelastte zijn knechten: Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan, steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan. Haalt het gemeste kalf en slacht het; laten we eten en feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden. Ze begonnen dus feest te vieren. Intussen was zijn oudste zoon op het land. Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde, hoorde hij muziek en dans. Hij riep een van de knechts en vroeg wat dat te betekenen had. Deze antwoordde: Uw broer is thuisgekomen en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten, omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen. Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen. Toen zijn vader naar buiten kwam en bij hem aandrong,gaf hij zijn vader ten antwoord: Al zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden, toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven om eens met mijn vrienden feest te vieren. En nu die zoon van u is gekomen die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen, hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten. Toen antwoordde de vader: Jongen, jij bent altijd bij me en alles wat van mij is, is ook van jou. Maar er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was en levend is geworden, verloren was en is teruggevonden. ”

Overweging
Nadat ze op miraculeuze wijze de Jordaan waren overgestoken, vernieuwden de Israëlieten hun verbond met de Heer en vierden ze het eerste Paasfeest in het Beloofde Land. En toen gebeurde het: het manna stopte. Opeens eindigde deze wonderlijke voorziening die hen veertig jaar in de woestijn in leven gehouden had, en de mensen moesten in plaats daarvan leren leven van de overvloed van Kanaän. Het moet een raar gevoel geweest zijn om die morgen wakker te worden en geen kant en klare manna te zien. Nu moesten ze werken voor hun voedsel.

Soms worden we boos over veranderingen die zich in ons leven voordoen. We voelen Gods aanwezigheid in het gebed niet op dezelfde manier als toen we Hem pas leerden kennen. Als we verhuisd zijn gaan we naar een nieuwe parochie – kleine verschillen kunnen maken dat de liturgie er vreemd aanvoelt. We gaan van school af of gaan met pensioen, of we komen uit de gevangenis en missen de structuur van een vaste dagelijkse routine. We voelen ons losgeslagen en weten niet waar we God kunnen vinden.

Als u nu een tijd van verandering doormaakt, bedenk dan dat God dezelfde is, gisteren, vandaag en altijd. Hij zorgt nog altijd voor u. Natuurlijk moet u het koesteren hoe Hij in het verleden voor u gezorgd heeft. Maar u moet ook openstaan voor wat Hij nu met u wil doen. Als het manna opgedroogd lijkt te zijn, kijk dan eens om u heen naar de melk en honing. Misschien hoort u een tijdlang zijn stem bij de Eucharistieviering duidelijker dan in uw eigen stille tijd. Denk niet vol weemoed terug aan uw oude pastoor, maar let in plaats daarvan eens goed op de verfrissende manieren waarop uw nieuwe pastor leiding geeft en dient.

Verandering is niet altijd gemakkelijk. Maar God gaat altijd voor u uit in elke nieuwe situatie. U hoeft alleen Zijn aanwezigheid te zoeken en u zult nieuwe en verrassende manieren vinden om Hem te ontmoeten.

Gebed
Vader, U voorziet royaal in al mijn behoeften. U kent me door en door. Help me de nieuwe manieren te accepteren waarop U vandaag voor me wilt zorgen. Amen.

< 4e week: maandag

Eerste lezing uit de profeet Jesaja (65,17-21)
Zo spreekt de Heer: “In die dagen ga Ik scheppen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; aan wat vroeger is geweest wordt niet meer gedacht, het komt niet meer in de gedachten op: maar vreugde ga Ik voor u scheppen en jubel voor altijd; waarachtig, Jeruzalem wordt door Mij herschapen in een stad vol jubel met een bevolking vol blijdschap. Dan zal Ik jubelen om Jeruzalem en Mij verblijden om mijn volk; en snikken noch kermen worden er nog gehoord. Er is geen zuigeling meer aan wie slechts een kort leven beschoren is, en geen grijsaard die zijn leven niet voltooit, want de jongste sterft als man van honderd jaar, en wie de honderd jaar niet bereikt wordt als vervloekt beschouwd. Zelf wonen zij in de huizen die zij hebben gebouwd, en eten de vruchten van de wijngaard die zij zelf hebben geplant.” Zo spreekt de almachtige Heer.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (4,43-54)
In die tijd verliet Jezus Samaria en ging naar Galilea. Hijzelf had verklaard, dat een profeet in zijn eigen vaderstad niet in aanzien is. Toen Hij nu in Galilea kwam, ontvingen de Galileeërs Hem welwillend, omdat zij alles hadden gezien, wat Hij te Jeruzalem op het feest had gedaan. Zij waren immers zelf ook op het feest geweest. Zo kwam Hij dan wederom te Kana in Galilea, waar Hij van het water wijn had gemaakt. Daar bevond zich een koninklijke beambte, wiens zoon te Kafarnaum ziek lag. Toen hij hoorde dat Jezus uit Judea naar Galilea was gekomen, ging hij naar Hem toe en verzocht Hem, dat Hij mee zou komen om zijn zoon te genezen, want deze lag op sterven. “Als gij geen wondertekenen ziet,” zei Jezus tot hem, “dan gelooft gij niet.” Daarop zei die hofbeambte: “Heer, kom toch eer mijn kind sterft!” Jezus antwoordde: “Ga maar, uw zoon leeft.” De man geloofde wat Jezus hem zei en ging heen. Zijn dienaars kwamen hem onderweg reeds tegemoet met de boodschap dat zijn kind leefde. Hij vroeg hun naar het uur waarop de beterschap was ingetreden, en zij zeiden hem: “Gisteren op het zevende uur is de koorts van hem geweken.” Toen besefte de vader, dat het gebeurd was juist op het uur waarop Jezus gezegd had: “Uw zoon leeft.” Hij zelf en heel zijn gezin geloofden. Dit tweede teken deed Jezus ook weer toen Hij uit Judea naar Galilea gekomen was.

Overweging
Dit tweede teken deed Jezus ook weer toen Hij uit Judea naar Galilea gekomen was. (Johannes 4,54)

Een hoofdknik. Een zere keel. Een rode avondhemel. Op het eerste gezicht hebben ze niets met elkaar te maken, maar toch … Al deze dingen hebben gemeen dat het tekens zijn die ons iets zeggen over iets anders.

Johannes gebruikt in zijn evangelie de term “teken” als hij het heeft over de wonderdaden van Jezus. Tekenen verwijzen naar werkelijkheden die veel belangrijker zijn dan het weer van morgen of het begin van een verkoudheid. Johannes had van “wonderen” kunnen spreken maar hij wenste de nadruk te leggen op hun hogere doel. Ze waren niet alleen bedoeld om Jezus’ zending en identiteit te onthullen, maar ook om geloof op te roepen bij de aanwezigen.

Deze oproep tot geloof blijkt uit de opbouw van Johannes’ evangelie, dat in twee grote stukken uiteenvalt: het “Boek der tekenen” (Johannes 1,19 – 12,50) en het “Boek der verheerlijking” (13,1 – 20,31), waarin de tekens in vervulling gaan. In het deel over de “tekenen” wordt speciale aandacht besteed aan zeven van Jezus’ wonderen. In de evangelielezing van vandaag (het tweede teken) geneest Hij een jongen door eenvoudigweg een woord uit te spreken zonder dat Hij hem hoeft te zien. Twee andere tekenen zijn ook genezingen: een man die niet kon lopen (5,1-15) en een blindgeboren man (9,1-41). Daarnaast zijn er wonderen van wijn en brood (2,1-11; 6,1-15) en een demonstratie van Jezus’ macht over de krachten der natuur (6,16-21). Dit gedeelte heeft als hoogtepunt de opwekking van Lazarus uit de dood (11,1-57). Kan de boodschap nog duidelijker zijn? Jezus is het levende Woord, levend water, levensbrood, licht der wereld, Heer van de schepping, Heer van het leven!

In het Boek van de verheerlijking wordt dit allemaal expliciet gemaakt. Daar, in het grootste teken van allemaal – waar we aan herinnerd worden bij elk kruisteken – geeft Jezus zijn leven voor ons. Opgeheven voor ieders ogen wordt Hij onthuld als Heer en God.

In Johannes’ evangelie zien we Jezus aan het werk om de Vader te openbaren aan gewone mensen met gewone verwachtingen en behoeften. Deze Jezus is vandaag onder ons nog altijd bezig tekenen te doen, grote en kleine, om onze aandacht te krijgen en ons naar Zichzelf toe te trekken. Welke tekenen heeft Hij u gegeven? Hoe nodigt Hij u uit in Hem te geloven? En hoe gaat u reageren?

Gebed
Jezus, U openbaart Uzelf op zoveel manieren aan mij. Help me de tekenen van Uw liefde en aanwezigheid in mijn leven te herkennen. Ik geloof! Help me U lief te hebben en te volgen, en leid me naar Uw heerlijkheid. Amen.

< 4e week: dinsdag

Eerste lezing uit het boek Ezechiël (47, 1-9+12)
De engel van de Heer bracht mij terug naar de ingang van de tempel. Daar zag ik hoe er van onder de drempel water stroomde in oostelijke richting; de voorzijde van de tempel lag namelijk op het oosten. Het water vloeide onder de rechtervleugel van de tempel door, aan de zijde van het altaar. Daarop leidde hij mij door de noorderpoort naar buiten. Hij voerde mij buitenom naar de oostzijde: het water stroomde van onder de rechtervleugel.
Toen ging hij met een duimstok in de hand verder in oostelijke richting.Hij mat een afstand af van duizend el en liet mij vervolgens door het water stappen: het reikte tot aan mijn enkels. Opnieuw mat hij duizend el af en liet mij door het water waden: het kwam tot mijn knieën; en hij mat nog eens duizend el af en liet mij door het water waden: nu kwam het tot mijn middel. Toen hij nog eens duizend el afgemeten had was het een rivier geworden waar ik niet meer door heen kon waden; het water was zo diep dat men er niet stappend, maar alleen zwemmend door kon komen. Toen vroeg hij: “Ziet ge dat, mensenkind?” Daarna leidde hij mij terug langs de oever van de rivier. Terwijl hij mij terugvoerde zag ik hoe er op beide oevers van de rivier heel veel bomen stonden. De engel van de Heer zei mij: “de rivier stroomt naar de vlakte in het oosten, en verder stroomt hij naar de Araba, om vervolgens uit te monden in de Zoutzee waarvan het water drinkbaar wordt. Overal waar de rivier stroomt zullen de waterdieren in leven kunnen blijven, zal het water drinkbaar worden, en zal alles in leven blijven. Op beide oevers van de rivier zullen allerlei vruchtbomen opschieten waarvan de bladeren niet verwelken,en de vruchten nooit opraken; want de bomen zulle elke maand vrucht dragen. Zij worden immers gevoed met water uit de tempel. De vruchten zullen dienen als voedsel en de bladeren als geneesmiddel.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (5, 1-3a+5-16)
Omdat er een feest van de Joden was, ging Jezus op naar Jeruzalem. Nu is er in Jeruzalem bij de Schaapspoort een badinrichting, in het Hebreeuws Betesda geheten, met vijf zuilengangen. In die gangen lag altijd een groot aantal gebrekkigen. Nu was daar een man die al achtendertig jaar lang gebrekkig was. Jezus zag hem liggen en omdat Hij wist dat hij reeds lang zo lag, zei Hij tot hem: “Wil je gezond worden?” De zieke gaf Hem ten antwoord: “Heer, ik heb niemand om mij, wanneer het water bewogen wordt, in het bad te brengen en terwijl ik ga, daalt een ander voor mij er in af.” Daarop zei Jezus hem: “Sta op, neem je bed op en loop.” Op slag werd de man gezond. Hij nam zijn bed op en liep. Die dag was het echter sabbat en daarom zeiden de Joden tot de genezene: “Het is sabbat, je mag je bed niet dragen.” Hierop antwoordde hij hun: “Die mij gezond heeft gemaakt, Die heeft gezegd: Neem je bed op en loop!” Daarom vroegen zij hem: “Wie is die man die je zei: Neem je bed op en loop?” De genezene wist niet wie het was, want Jezus had zich ongemerkt teruggetrokken, omdat er veel volk ter plaatse was.
Later trof Jezus hem in de tempel en sprak tot hem: “Zie, je bent nu genezen! Zondig niet meer, opdat je niets ergers overkomt.” De man ging heen en vertelde aan de Joden, dat het Jezus was die hem genezen had. Omdat Jezus dergelijke dingen op sabbat deed, begonnen de Joden Hem te vervolgen.

Overweging
De profeet Ezechiël tekent een beeld van een prachtige rivier die ontspringt in de tempel en dieper en wijder wordt naarmate hij verder stroomt. Eerst is het een beekje waarin het water tot aan je enkels komt, maar gaandeweg wordt het een rivier die je alleen zwemmend kunt oversteken. Hij stroomt uit over het hele land, en overal waar hij komt brengt hij leven en houdt hij het leven in stand. Hij maakt zelfs van het brakke, giftige water van de Dode Zee een verfrissende bron!

En weet u, wij die gedoopt zijn zijn in diezelfde rivier ondergedompeld. Nu stroomt Gods leven in ons, klaar om ons mee te voeren.

Waar staat u in die stroom? Tot uw enkels? Kopje-onder? Ergens daartussenin? Het doet er niet toe! Waar u ook bent, God nodigt u uit er dieper in te gaan. Wees niet bang erin te stappen of te springen, te spetteren en nat te worden. In tegenstelling tot zoveel andere rivieren die wij mensen allemaal vervuild hebben, wast deze rivier iedereen schoon die erin stapt. Hij raakt nooit vervuild, hoe groot de zonden ook zijn die we meedragen. Want het is de rivier van Gods barmhartigheid.

Waar raakt het water van Gods leven u vandaag? Wellen er tranen van verdriet, berouw of vreugde in u op? Misschien nodigt God u uit om te worden afgeboend, gereinigd en vernieuwd door de sacramenten, in het bijzonder door het Sacrament van Verzoening. Misschien baadt u in het rustgevende water van Gods aanwezigheid en dringt het vocht door in uw dorstige ziel. Misschien bent u er halsoverkop ingesprongen en hebt u het gevoel dat u er wanhopig in rond spartelt. Als dat het geval is, ontspan u dan en laat de Geest u dragen.

Vergeet de volgende keer dat u naar de kerk gaat niet om even stil te staan bij het wijwaterbakje. Als het in uw kerk droog staat in de Veertigdagentijd, neem dan de tijd om na te denken over uw dorst naar een frisse uitstorting van de Geest op Pasen. Als er wijwater in zit, maak dan extra aandachtig het kruisteken. Denk er bij het uitgaan van de kerk ook aan dat de rivier van Ezechiël dieper en sterker wordt en meer leven geeft daar waar hij de plaats van de aanbidding verlaat en uitstroomt in de wereld die God geschapen heeft en die Hij liefheeft. Door die stroom wordt u nu gedragen; hij geeft u kracht om een doorgeefluik te zijn van genezing en nieuw leven voor allen in uw omgeving.

Gebed
Heilige Geest, ik dorst naar U. Laat het water van Uw nieuwe leven in mij binnenstromen. Laat Uw liefde via mij uitstromen om de wereld te vernieuwen. Amen.

< 4e week: woensdag

Eerste lezing uit het boek Jesaja (49, 8-15)
Zo spreekt de Heer: “Op de tijd van mijn welbehagen verhoor Ik u, op de dag van het heil kom Ik u helpen. Ik zal u vormen en u maken tot de man van het verbond, om het land weer te herstellen, om het verkommerde erf opnieuw te verdelen, om tot de geboeiden te zeggen: ‘Komt naar buiten!’ en tot hen die in duisternis zitten: ‘Vertoont u!’ Langs de wegen zullen zij weiden, op de kale gronden zullen zij grazen. Zij lijden geen honger of dorst, geen gloeiende wind, geen brandende zon die hen deert, want Degene die zich ontfermt over hen, Hij geleidt hen, Hij brengt hen naar de waterbronnen. Van al mijn bergen maak Ik banen en mijn wegen worden geëffend. Er zijn er die komen van verre; anderen komen uit het noorden en van de zeekant, en weer anderen uit Sinim. Hemelen, juicht, en gij Aarde, verblijd u! Bergen, breekt uit in gejubel, want de Heer is zijn volk komen toroosten, zich komen ontfermen over zijn arme getrouwen. Sion denkt: ‘De Heer heeft mij verlaten, mijn God heeft mij vergeten.’ Kan een vrouw haar zuigeling vergeten? Heeft een moeder niet meer te doen met het kind van haar schoot? En al zou een moeder haar kind vergeten, Ik vergeet u nooit!”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (5, 17-30)
In die tijd verdedigde Jezus zich tegen de Joden met de woorden: “Tot op de dag van vandaag is Mijn Vader voortdurend aan het werk, en ook Ik houd niet op met werken.” Om die reden waren de Joden er nog meer op uit om Hem te doden. Hij tastte immers niet slechts de sabbat aan, maar Hij noemde zelfs God zijn eigen Vader en maakte daardoor zichzelf aan God gelijk. Hierop nam Jezus opnieuw het woord en sprak: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: de Zoon kan niets uit zichzelf, maar alleen datgene wat Hij de Vader ziet doen. En alles wat Deze doet, doet de Zoon insgelijks. De Vader toch heeft de Zoon lief en laat Hem alles zien wat Hij doet. Nog grotere werken dan deze zal Hij Hem tonen, zodat gij verbaasd zult staan. Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil. De Vader oordeelt niemand, maar heeft het oordeel geheel en al in handen van de Zoon gelegd, opdat allen de Zoon zouden eren zoals zij de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert evenmin de Vader die Hem zond. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie luistert naar mijn woord en gelooft in Hem die Mij zond, heeft eeuwig leven en is aan geen oordeel onderworpen, hij is immers reeds uit die dood naar het leven overgegaan. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: er zal een uur komen, ja het is er al, waarop de doden de stem van Gods Zoon zullen horen en die haar horen, zullen leven. Zoals de Vader leven heeft in zichzelf, zo gaf Hij ook aan de Zoon leven in zichzelf te hebben. Hij heeft Hem macht gegeven om oordeel te vellen; Hij is immers de Mensenzoon. Verwondert u niet hierover: er zal een uur komen, waarop allen die in de graven zijn, zijn stem zullen horen. Dan zullen zij die het goede deden, er uit te voorschijn komen tot de opstanding ten leven, maar die het kwade deden tot de opstanding ten oordeel. Ik kan niets uit Mijzelf: Ik oordeel naar wat Ik hoor en mijn oordeel is rechtvaardig, omdat Ik niet mijn eigen wil zoek, maar de wil van Hem die Mij zond.”

Overweging
Kan een vrouw haar zuigeling vergeten? Heeft een moeder niet meer te doen met het kind van haar schoot? En al zou een moeder haar kind vergeten, Ik vergeet u nooit! (Jesaja 49,15)

Wat een aangrijpend beeld van God en van zijn liefde voor ons! Onze God zal ons nooit en te nimmer in de steek laten. Dat is op zich al verbazingwekkend genoeg, maar laten we niet vergeten wie we zijn: zondaars die het verdienen veroordeeld te worden, zonder enig recht op genade. Is dat niet wonderbaarlijk? Zijn liefde voor ons verandert niet op basis van ons gedrag. Nee, Hij houdt van ons eenvoudigweg omdat Hij ons heeft gemaakt en zich voor eeuwig aan ons verbonden heeft.

Bedenk ook hoe anders onze liefde is in vergelijking met Gods liefde. Wij kunnen het ene moment gelukkig zijn en het volgende moment boos. Wij houden meer van mensen als ze aardig tegen ons zijn, en mensen die ons veronachtzamen laten ons koud. En zelfs met de mensen van wie wij houden is het niet altijd hetzelfde: op sommige dagen is het gemakkelijker om van ze te houden dan op andere dagen.

Gods liefde is nooit onderhevig aan dit soort schommelingen. Hij houdt van ons als we vallen. Hij houdt van ons wanneer we niet trouw zijn aan zijn geboden. Kortom: Hij houdt ook van ons als wij niet erg aardig zijn!

Dat wil niet zeggen dat God niet geeft om gerechtigheid. De Israëlieten hadden slechte tijden, maar God liet hen nooit in de steek. Zelfs als Hij hen moest straffen en de gevolgen van hun zonden onder ogen liet zien, liet Hij hen nooit los. Hij was altijd bereid hen terug te nemen en helemaal opnieuw te beginnen. In sommige gevallen gebruikte God zelfs hun ongeluk om hen te onderrichten en zuiverder te maken.

Waarom is Gods liefde zo constant? Omdat Hij God is, natuurlijk. Maar ook omdat Hij een veel breder beeld heeft dan wij. God blijft zijn ogen altijd gericht houden op zijn doel voor ons, om ons te maken tot kostbaar vaatwerk, geschikt om te worden gevuld met zijn eigen goddelijk leven. Hij kan geduld met ons hebben omdat Hij beschikt over de eeuwigheid om met ons te werken. Hij zal zijn volk nooit opgeven!

Gebed
Vader, toon me vandaag alstublieft dieper Uw liefde. Mijn idee van liefde is soms zo beperkt, doorbreek daarom alstublieft de grenzen die ik eraan heb gesteld. Ik wil niets anders, Vader, dan gevuld worden met Uw leven. Amen.

< 4e week: donderdag

Eerste lezing uit het boek Exodus (32, 7-14)
In die tijd sprak de Heer tot Mozes: “Ga naar beneden, want het volk dat gij uit Egypte hebt geleid is tot zonde vervallen. Ze zijn nu al afgeweken van de weg die Ik hun had voorgeschreven: ze hebben een stierenbeeld gemaakt, ze buigen zich daarvoor neer, ze dragen er offers voor op en schreeuwen: Israël, dit is de god die u uit Egypte heeft geleid.” Ook sprak de Heer tot Mozes: “Ik zie nu hoe halsstarrig dit volk is. Laat Mij begaan, dan kan ik hen in mijn brandende toorn vernietigen. Maar van u zal Ik een groot volk maken.” Mozes trachtte de Heer, zijn God, gunstig te stemmen en vroeg: “Waarom Heer, uw toorn laten woeden tegen het volk dat Gij met grote kracht en sterke hand uit Egypte hebt geleid? Waarom de Egyptenaren laten honen: Hij heeft ze laten gaan met de boze opzet ze in de bergen te laten omkomen en ze van de aarde weg te vagen? Laat toch uw toorn niet langer tegen woeden. Zie af van het onheil waarmee Gij uw volk bedreigt. Denk aan uw dienaren Abraham, Isaäk en Israël, aan wie Gij onder ede beloofd hebt: Ik zal uw nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, en heel het land waarover Ik heb gesproken zal Ik uw nakomelingen voor altijd in bezit geven. Het zal voor eeuwig hun erfdeel zijn.” Toen zag de Heer af van het onheil waarmee hij zijn volk had bedreigd.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (5, 31-47)
In die tijd sprak Jezus tot de Joden: “Als Ik over Mijzelf getuig, dan heeft mijn getuigenis geen waarde. Er is een ander de over mij getuigt, en Ik weet dat de getuigenis die Hij over Mij aflegt, geloofwaardig is. Gij hebt een gezantschap naar Johannes gestuurd en deze heeft getuigd voor de waarheid. Weliswaar behoef Ik de getuigenis van een mens niet, maar Ik zeg dit opdat gij gered zult worden. Hij was de lamp, ontstoken om te verlichten, en een korte tijd hebt gij u in zijn licht willen verheugen. De getuigenis echter die Ik bezit, is waardevoller dan die van Johannes, want het zijn juist de werken die de Vader Mij gegeven heeft om te volbrengen en die Ik ook volbreng, die van Mij getuigen, dat Ik door de Vader gezonden ben. Ook de Vader zelf die Mij zond, heeft getuigenis over Mij afgelegd. Zijn stem hebt gij nimmer gehoord noch zijn gestalte gezien, en zijn woord hebt gij niet blijvend in u, omdat gij Degene die Hij zond niet gelooft. Gij onderzoekt de Schriften in de mening daarin eeuwig leven te vinden, maar juist dezen getuigen over Mij. En toch wilt gij niet tot Mij komen om het leven te vinden. Ik zoek niet door de mensen geëerd te worden, maar Ik weet dat gij in uw hart geen liefde tot God hebt. Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader en toch aanvaardt Gij Mij niet. Komt een ander in zijn eigen naam, dan zult gij hem wel aanvaarden. Maar hoe zoudt gij ook kunnen geloven als gij van elkaar eer tracht te verwerven, terwijl gij de eer die van de enige God komt, niet zoekt? Meent niet, dat Ik u bij de Vader zal aanklagen. Er is al iemand die u aanklaagt: Mozes, op wie gij uw hoop hebt gesteld. Want als ge Mozes zoudt geloven, zoudt ge ook Mij geloven, want juist over Mij heeft hij geschreven. Als ge niet gelooft wat hij schreef, hoe zoudt ge dan geloven wat Ik spreek?”

Overweging
Iedereen die in een rechtszaak verwikkeld is weet zich graag gesteund door harde bewijzen. Volkomen logisch! Jezus, die hier uitgedaagd wordt door de Joodse autoriteiten, roept de beste getuigen op om aan te tonen dat Hij uit naam van God handelt. Dat zijn het getuigenis van Johannes de Doper, het getuigenis van zijn eigen onderwijs en wonderen, en de Schrift, waarvan elk woord voor Hem getuigt (Johannes 5,39). Maar ondanks dat alles willen de religieuze leiders Hem niet accepteren. Wat kan Jezus nog meer doen om hen te overtuigen?

Het meest overtuigende bewijs dat Jezus kan geven is zijn eigen leven, gebracht als offer. Het is het getuigenis van de goddelijke liefde, die alle wetten vervult die de Joden eeuwenlang geëerbiedigd hadden en getracht te vervullen.

In de Eucharistie ontvangen we het absolute bewijs van Jezus’ toewijding aan ons. In tijden van beproeving kost het best wel moeite om dat te zien, want door de beproevingen brokkelen ons geloof en vertrouwen langzaam af. We moeten onszelf eraan herinneren dat we bij elke communie het hoogste ontvangen van alles wat Jezus heeft gedaan en geleerd. De lezingen kunnen ons Jezus’ woorden geven en zijn leven aan ons openbaren. De preek kan zijn woorden verklaren en ons verstand openen voor zijn waarheid. Tijdens de gebeden van de liturgie kunnen we Hem vragen voor ons te bidden. En bij de communie ontvangen we Hemzelf.

Wat zou u tegen Jezus zeggen als u wist dat Hij dichter bij u was dan uw eigen schaduw? Nu, zo dicht is Hij bij u tijdens de communie. Hij kent al uw verwachtingen en dromen, en ook al uw moeilijkheden. In alle facetten van uw leven wil Hij betrokken worden. Maar bovenal wil Hij u ervan overtuigen dat zijn liefde echter is dan alle andere dingen op aarde. Neem dus na de communie de tijd om bij Hem te zijn. Probeer zijn aanwezigheid in u te voelen, zoals u de liefde van uw beste vriend of vriendin kunt voelen. Vertel Hem wat u op uw hart hebt maar zorg dat u ook luistert naar wat Hij op zijn hart heeft. Stel u ervoor open dat zijn aanwezigheid uw zorgen verdrijft en u een nieuw perspectief voor uw leven geeft. Laat Hem getuigen van zichzelf, daar ter plekke in uw hart!

Gebed
Heer, dank U voor het ontzagwekkend mysterie van Uw aanwezigheid in de Eucharistie. Geef dat ik nooit vergeten zal welke prijs U voor mij betaald hebt en mij altijd bewust zal zijn van de liefde die U telkens opnieuw bereid bent met mij te delen! Amen.

< 4e week: vrijdag

Eerste lezing uit het boek Wijsheid (2, 1+12-22)
In valse waan zeggen de goddelozen tot elkaar: “Laten wij de rechtvaardigen belagen, want hij is van geen nut, hij gaat in tegen onze werken, hij verwijt ons zonden tegen de wet, hij beschuldigt ons van overtredingen tegen onze opvoeding. Hij wendt voor kennis van God te bezitten en hij noemt zich een kind van de Heer; hij is ons tot een verwijt tegen onze opvattingen geworden; alleen al hem te zien is ons een last, want zijn levensstijl is anders dan van anderen en zijn gedrag is ongewoon; als valse munt beschouwt hij ons, hij mijdt onze wegen alsof ze onrein waren; hij noemt het einde der rechtvaardigen zalig, hij beroemt er zich op dat God zijn vader is. Laten wij zien of zijn woorden waar zijn, en nemen wij als proef wat bij zijn heengaan gebeurt. Want als de rechtvaardige Gods zoon is, zal Hij hem te hulp komen en hem redden uit de hand van zijn tegenstanders. Laten we met brutaliteit en kwelling hem aanpakken, om te zien of hij werkelijk zachtmoedig is en om zijn geduld te toetsen. Laten wij hem tot een schandelijke dood veroordelen, hij zal immers, naar zijn zeggen, toch beschermd worden.” Zo redeneerden zij, maar daarmee waren ze op een dwaalspoor, want hun slechtheid verblindde hen. Zij verstonden Gods geheimen niet, zij hoopten niet op loon voor een heilig leven, noch geloofden zij in een ereprijs voor smetteloze zielen.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (7, 1-2+10+25-30)
In die tijd trok Jezus rond in Galilea, want Hij wilde dat niet in Judea doen, omdat de Joden er op uit waren Hem te doden. Het liep tegen één van de Joodse feesten, het Loofhuttenfeest. Toen zijn broeders naar het feest waren gegaan, vertrok Hij ook, niet openlijk maar onopvallend. Enkele Jeruzalemmers zeiden: “Is dit niet de man die ze zoeken te doden? En zie nu eens. Hij staat in het openbaar te spreken en men zegt Hem niets! Zou de overheid nu werkelijk erkend hebben, dat Hij de Messias is? Maar van deze man weten wij waar Hij vandaan is, wanneer echter de Messias komt, weet geen mens waar Hij vandaan komt.” Terwijl Jezus in de tempel leerde, riep Hij met luider stem: “Gij kent mij en gij weet waar Ik vandaan ben; toch ben Ik niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij die waarachtig is, heeft Mij gezonden, Hem kent gij niet. Ik ken Hem, omdat Ik uit Hem ben en Hij Mij heeft gezonden.” Ze wilden zich van Hem meester maken, maar niemand sloeg de hand aan Hem, want Zijn uur was nog niet gekomen.

Overweging
De meesten van ons hebben wel een paar “vijanden”, mensen die niet veel met ons op hebben en die proberen ons het leven zuur te maken. Maar weinigen van ons hebben echter te maken met iemand die serieus probeert ons te vermoorden. Jezus had zulke vijanden en daarom ging Hij voorzichtig te werk (Johannes 7,1). Hun dreigementen waren serieus, dus stuurde Hij zijn verwanten vooruit naar Jeruzalem en bleef zelf achter (Johannes 7,3-9). Het lijkt erop dat Hij niemand de kans wilde geven Hem te doden.

Maar toen veranderde Hij van gedachten (Johannes 7,10). Misschien sprak de heilige Geest tot Hem. Ondanks het gevaar was Jezus gehoorzaam en ging Hij zelfs naar de tempel om te onderwijzen (Johannes 7,14). Hoe kon Hij dat? Omdat Hij wist dat Hij zijn Vader duidelijk kon verstaan en Hij Hem absoluut vertrouwde. Jezus durfde zijn leven op het spel te zetten omdat Hij wist dat de Vader Hem lang genoeg zou beschermen en Hem uit de handen van zijn vijanden zou houden totdat Hij volbracht zou hebben waartoe Hij gezonden was (Johannes 7,30).

In de Veertigdagentijd hebben ook wij een prachtige kans om ons vermogen te ontwikkelen en versterken om God te kunnen horen, gehoorzamen en vertrouwen! Misschien kunnen we vandaag ons leven onder de loep nemen en schuld belijden voor de keren waarop we niet beantwoord hebben aan wat we wisten dat God van ons vroeg. Misschien kunnen we vandaag een paar keer de stap zetten om te gehoorzamen aan wat we denken dat God tegen ons zegt. Onze ervaring zal een bevestiging zijn van de waarheden die we al kennen en ons nog meer leren over hoe de heilige Geest tot ons spreekt.

Een praktische manier om God te leren verstaan, vertrouwen en gehoorzamen is door een paar dingen op te schrijven: wat denk ik dat de heilige Geest tegen me zegt? Wat heb ik ermee gedaan? En wat was het gevolg? Misschien kunt u een notitieboekje of een stuk papier naast uw bed of op een andere handige plek leggen. Aan het eind van uw gebed noteert u dan wat de Geest heeft gezegd. En aan het eind van de dag noteert u in het kort elk gebed dat beantwoord is, elke stap die u hebt gedaan in antwoord op de leiding van de Geest en elk resultaat dat u zag. Op sommige dagen is er misschien niets te noteren, of alleen maar misstappen, maar zelfs daarvan kunnen we iets leren. Het zal niet lang duren of u hebt een boek vol mirakels!

Gebed
Heilige Geest, ik wil iets van U horen. Onderwijs me, leid me, begeleid me door mijn dagen. Help me U te vertrouwen en te gehoorzamen, zodat ik kan uitvoeren waarvoor U me hebt geschapen.

< 4e week: zaterdag

Eerste lezing uit het boek Jeremia (11, 18-20)
Toen God de Heer mij waarschuwde, kreeg ik het pas door; Gij hebt mij inderdaad hun plannen laten zien. Ik was argeloos als een lam dat ter slachting geleid wordt; ik vermoedde niet wat ze tegen mij beraamden: ‘We vellen de boom in zijn volle kracht. We bannen hem uit het land van de levenden, zodat zijn naam niet meer worden genoemd.’ Heer, God van de hemelse machten, uw oordeel is rechtvaardig, Gij doorgrondt hart en nieren. Laat mij dan zien, hoe Ge U op hen wreekt; ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (7, 40-53)
Bij het horen van Jezus’ woorden zeiden sommigen van het volk: “Dit is inderdaad de profeet.” Anderen zeiden: “Het is de Messias.” Weer anderen wierpen op: “Komt de Messias soms uit Galilea? Heeft de Schrift niet gezegd, dat de Messias komen zal uit het geslacht van David en uit Betlehem, het dorp waar David woonde?” Zo ontstond er dus om Hem verdeeldheid onder het volk. Sommigen hunner wilden Hem gevangennemen, maar niemand sloeg de hand aan Hem. Toen dan ook de dienaars bij de hogepriesters en Farizeeën terugkwamen, vroegen dezen hun: “Waarom hebt gij Hem niet meegebracht?” De dienaars antwoordden: “Nooit heeft iemand zo gesproken als die man.” Waarop de Farizeeën zeiden: “Hebt gij u soms ook laten bedriegen? Heeft dan één van de overheden of van de Farizeeën in Hem geloofd? Dat volk, ja, dat de Wet niet kent; vervloekt zijn ze!” Maar een uit hun kring, Nikodemus, die vroeger bij Jezus gekomen was, merkte op: “Veroordeelt onze Wet iemand zonder hem eerst te horen en te vernemen wat hij doet?” Zij gaven hem ten antwoord: “Zijt gij soms ook uit Galilea? Zoek maar na en gij zult zien dat de profeet niet uit Galilea opstaat.” Toen ging ieder naar huis.

Overweging
Stel u eens voor hoe het was: een grote menige die krioelt in de straten van Jeruzalem voor het Loofhuttenfeest. Iedereen heeft horen spreken over Jezus, de man die met gezag onderwijst en die de zieken geneest. Maar dan zijn ze er zelf bij als Hij spreekt en raken ze helemaal in de ban van Hem. Deze man moet wel een profeet zijn – of misschien is Hij wel de Messias.

Hij komt uit Galilea. Maar de Messias moet uit Bethlehem komen, de stad van David. Plotseling zijn ze aan het discussiëren en gaan ze in twee groepen uiteen: zij die geloven dat Jezus de Messias is – degene uit wie stromen van levend water voortkomen (Johannes 7,38) – en zij die denken dat Hij onmogelijk de Messias kan zijn omdat zijn achtergrond niet klopt met wat de Schriften zeggen.

We zouden verwachten dat Jezus’ komst een tijd van vrede in zou luiden, maar nu heerst er verdeeldheid onder de menigte. De scheiding die er na zijn dood en verrijzenis zal heersen tussen degenen die in Hem geloven en zij die dat niet doen (Johannes 7,43) wordt hier al zichtbaar. Maar we hoeven niet verrast te zijn. Jezus zelf heeft gezegd: “Ik ben geen vrede komen brengen, maar een zwaard”, Hij is gekomen om een wig te drijven tussen zoon en vader, tussen dochter en moeder (Matteüs 10,34-35).

Het is een feit dat we met betrekking tot Jezus niet onverschillig kunnen blijven. We kunnen zijn woorden en daden niet negeren. Hij doet verbazingwekkende uitspraken over wie Hij is en waartoe zijn Vader Hem gezonden heeft. Zoals de gerechtsdienaren aan de Farizeeën vertellen: “Nog nooit heeft een mens zo gesproken!” (Johannes 7,46). Geloven we Hem of niet? We moeten kiezen.

En als we ervoor kiezen in Jezus te geloven dan moeten we niet verbaasd zijn als sommigen tegen ons zijn. Dat kunnen familieleden zijn die zich niet op hun gemak voelen bij onze geloofsopvattingen; of collega’s die zich afvragen waarom we leven en handelen zoals we doen. Sommigen kunnen zelfs een hekel aan ons hebben of ons belachelijk maken omdat we christen zijn.

Toch houdt Jezus van iedereen, zelfs van degenen die Hem verwerpen. En als Hij van hen houdt dan moeten wij dat ook doen. Wie weet, misschien helpt onze liefde hen om ook Jezus te willen volgen. In het verleden zijn er al vele vreemde en mooie dingen gebeurd. We mogen er zeker van zijn dat God wil dat zulke dingen ook nu weer gebeuren!

Gebed
Jezus, ik wil U volgen. Help me zelfs te houden van hen die U afwijzen. Mag ik voor hen een weerspiegeling zijn van Uw licht. Amen.

< 5e week van de Veertigdagentijd

< 5e week: zondag

Eerste lezing uit het boek Jesaja (43, 16-21)
Zo spreekt de Heer, die door de zee en weg legt, een baan door de onstuimige golven; en die wagen en paard daarover laten gaan, leger en strijdmacht, gesloten aaneen, maar dan gaan ze rusten, staan niet meer op, uitgeblust zijn ze, uitgedoofd als een vlaspit. Denk niet meer aan het verleden en sla geen acht op wat reeds lang voorbij is: Ik onderneem iets nieuws, het begin is er al: ziet ge het niet? Een weg leg Ik door de steppe, rivieren laat Ik stromen door de woestijn. De wilde dieren zullen ontzag voor Mij hebben, de jakhalzen en de struisvogels; want door de steppe laat Ik beken stromen, rivieren door de woestijn, zodat mijn uitverkoren volk zich kan laven: en dit volk dat Ik mij gevormd heb zal mijn lof verkondigen!

Tweede lezing uit de brief aan de Christenen van Filippi (3, 8-14)
Broeders en zusters, Ik beschouw alles als verlies, want mijn Heer Jezus Christus kennen gaat alles te boven. Om Christus heb ik alles prijsgegeven en houd ik alles voor afval als het er om gaat Hem te winnen en één te zijn met Hem. Ik heb geen eigen gerechtigheid op grond van de wet; mijn gerechtigheid komt door het geloof in Christus, ze is een gave van God en steunt op het geloof. Ik wil Christus kennen, ik wil de kracht van zijn opstanding gewaarworden en de gemeenschap met zijn lijden, ik wil steeds meer op Hem lijken in zijn sterven om eens te mogen komen tot de wederopstanding uit de doden. Niet dat ik het al bereikt heb. Ik ben nog steeds niet volmaakt. Maar ik streef er vurig naar het te grijpen, gegrepen als ik ben door Jezus Christus. Nee, vrienden, ik beeld mij niet in er al te zijn. Alleen dit: ik vergeet wat achter mij ligt ik reik naar wat voor mij ligt ik storm af op het doel: de prijs van Gods heerlijke roeping.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (8, 1-11)
In die tijd begaf Jezus zich naar de Olijfberg. ’s Morgens vroeg verscheen Hij weer in de tempel en al het volk kwam naar Hem toe. Hij ging zitten en onderrichtte hen. Toen brachten de schriftgeleerden en Farizeeën Hem een vrouw die op overspel was betrapt. Zij plaatsten haar in het midden en zeiden tot Hem: “Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt terwijl ze overspel bedreef. Nu heeft Mozes ons in de Wet bevolen zulke vrouwen te stenigen. Maar Gij, wat zegt Gij ervan?” Dit bedoelden ze als een strikvraag in de hoop Hem ergens van te kunnen beschuldigen. Jezus echter boog zich voorover en schreef met zijn vinger op de grond. Toen zij bij Hem aanhielden met vragen richtte Hij zich op en zei tot hen: “Laat degene onder u die zonder zonden is, het eerste een steen op haar werpen.” Weer boog Hij zich voorover en schreef op de grond. Toen zij dit hoorden dropen zij een voor een af, de oudsten het eerst, tot dat Jezus alleen achterbleef met de vrouw die daar was blijven staan. Nu richtte Jezus zich op en sprak tot haar: “Vrouw, waar zijn ze gebleven? Heeft niemand u veroordeeld?” Zij antwoordde: “Niemand, Heer.” Toen zei Jezus tot haar: “Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig niet meer.”

Overweging
Het verkeerslicht staat al even op oranje, maar omdat je al laat bent trap je het gaspedaal nog iets dieper in … helaas, je haalt het niet en rijdt door rood. Plotseling zie je in je spiegel lichtsignalen opflitsen: een politieauto haalt je in. Je probeert je gedachten op een rijtje te zetten en bidt dat de agent je genadig mag zijn. En als door een wonder kom je er met een waarschuwing vanaf en mag je doorrijden.

De schriftgeleerden en Farizeeën in het evangelie van vandaag doen ons denken aan politieagenten die zonder pardon toezien op de naleving van de wet. Wat een verschil met de politieagent uit de eerste alinea, die vriendelijk en mild was. Als we die godsdienstige leiders vergelijken met meedogenloze politieagenten dan kan het niet anders of ze dropen zwaar teleurgesteld af. Maar er is nog een andere mogelijkheid, en die zullen we hierna bekijken.

Wie van u zonder zonde is, moet dan maar als eerste een steen op haar werpen. (Johannes 8,7) Jezus had net aangegeven dat Hij al hun zonden kende, maar Hij sprak er niet over. In plaats daarvan behandelde Hij hen met dezelfde barmhartigheid die Hij ook aan de overspelige vrouw betoond had. Een voor een liepen ze weg. Misschien waren sommigen getroffen door Jezus’ eerlijkheid en kalmte. Misschien gingen sommigen Hem wel volgen. Misschien vonden er die dag echte bekeringen plaats, allemaal vanwege de betoonde barmhartigheid.

Ook wij zijn allemaal zondaars en we hebben allemaal het oordeel verdiend. Echter, vanwege Gods oneindige liefde zijn we daar allemaal voor bewaard. Volgens de wet van Mozes had die vrouw moeten sterven. Maar Jezus bevrijdde haar. Vandaag staat Hij klaar om ook u te bevrijden. Kijk dus naar het kruis en verwonder u over Gods barmhartigheid. Belijd vol dankbaarheid dat u bewaard bent voor het oordeel en dat u de belofte van eeuwig leven hebt mogen ontvangen! En als u een steen naar iemand anders wilt gooien, zelfs als ze het verdienen, probeer het dan na te laten omdat u weet dat Jezus er nooit een naar u zal gooien.

Gebed
Dank U, Jezus, voor de barmhartigheid en genade die U me hebt gegeven. Vader, laat deze waarheden vandaag mijn hart bepalen zodat ik die barmhartigheid en dat medelijden kan delen met ieder die ik tegenkom. Amen.

< 5e week: maandag

Eerste lezing uit het boek Daniël (13,1-9+15-17+19-30+33-62)
Lang geleden woonde er in Babel een man die Joakim heette. Zijn vrouw was Susanna, de dochter van Chelkia; zij was buitengewoon mooi en vroom. Omdat haar ouders rechtschapen mensen waren hadden ze hun dochter volgens de wet van Mozes opgevoed. Joakim was zeer rijk en bezat een park, dat bij zijn huis lag; bij hem kwamen de joden samen, omdat hij de aanzienlijkste man onder hen was. Nu waren er dat jaar twee oudsten uit het volk tot rechters aangesteld; van hen gold wat de Heer gezegd heeft: ‘De goddeloosheid is in Babel begonnen, bij de oudsten, die rechters waren en voorgaven het volk te besturen.’ Ze waren voortdurend in het huis van Joakim, waar ieder die rechtszaken had zich tot hen wendde.
Als het volk tegen de middag vertrokken was, ging Susanna wandelen in het park van haar man. De twee oudsten sloegen haar dagelijks gade, als zij zich ging verpozen, en een hartstochtelijke begeerte naar haar kwam in hen op. Zij smoorden de stem van hun geweten, wendden hun ogen af van de hemel en dachten niet aan de dreiging van de rechtvaardige straffen. Terwijl zij naar een geschikte dag uitzagen, ging Susanna, vergezeld van twee dienstmeisjes, volgens haar gewoonte weer eens het park in. En omdat het warm was, wilde zij er een bad nemen. Er was niemand behalve de twee oudsten, die zich hadden verscholen en haar begluurden. Susanna zei dus tot de dienstmeisjes: “Ga olie en balsem halen en sluit de poort van het park, dan ga ik een bad nemen.” Zodra de dienstmeisjes vertrokken waren, kwamen de twee oudsten te voorschijn en liepen op haar toe en zeiden: “Susanna, de poort van het park is gesloten en er is niemand die ons ziet; we branden van begeerte naar je! Wees ons daarom terwille en heb gemeenschap met ons, anders zullen we tegen jou getuigen, dat er een jongeman bij je was en dat je daarom de dienstmeisjes had weggestuurd.”
Susanna zuchtte diep en sprak: “Van alle kanten word ik bedreigd: want doe ik het, dan wacht mij de dood; doe ik het niet, dan zal ik uw hand niet ontkomen. Maar liever val ik onschuldig in uw handen dan te zondigen tegen de Heer.” Daarop begon Susanna luid te roepen, maar de twee oudsten schreeuwden tegen haar in en één van hen liep naar de poort van het park en opende die. Toen degenen die in huis waren het geschreeuw in het park hoorden, kwamen ze door de zij-ingang toegesneld om te zien wat Susanna overkomen was. Toen de oudsten hun verhaal deden, geraakten de bedienden in grote verlegenheid, want nog nooit was zoiets van Susanna verteld.
Toen het volk de volgende dag weer bij haar man Joakim samenkwam, gingen de oudsten ertoe over om hun goddeloos plan uit te voeren en Susanna ter dood te brengen. Voor het verzamelde volk bevalen ze: “Laat Susanna halen, de dochter van Chelkia, de vrouw van Joakim.” Men liet haar halen. Zij verscheen, vergezeld van haar ouders, haar kinderen en al haar verwanten. Haar verwanten en allen die haar zagen weenden. Terwijl de twee oudsten voor het volk gingen staan en hun handen op haar hoofd legden, blikte Susanna schreiend op naar de hemel, want in haar hart bleef zij vertrouwen op de Heer.
Toen verklaarden de oudsten: “Terwijl we alleen in het park wandelden, kwam zij met twee dienstmeisjes naar binnen, sloot de poort en stuurde de meisjes weg. Daarop kwam er een jongeman naar haar toe, die zich schuil had gehouden, en ging bij haar liggen. Toen we vanuit een hoek van het park het misdrijf bemerkten, snelden we naar haar toe en zagen dat ze met elkaar gemeenschap hadden. Hem konden we niet te pakken krijgen, omdat hij sterker was dan wij, de poort opende en zich uit de voeten maakte; maar haar grepen we en we vroegen haar, wie die jongeman was, maar ze wilde het ons niet zeggen. Dat getuigen wij.”
De vergadering geloofde hen, gezien zij oudsten van het volk waren en rechters, en veroordeelde Susanna ter dood. Toen riep Susanna met luide stem: “Eeuwige God, die het verborgene kent en alles reeds weet, voordat het gebeurt, Gij weet dat ze een vals getuigenis tegen mij hebben afgelegd; en ofschoon ik niet gedaan heb hetgeen ze mij boosaardig ten laste leggen, moet ik toch sterven.” De Heer verhoorde haar gebed.
Terwijl zij werd weggeleid om gedood te worden, gaf God een jongeman, Daniël geheten, een heilig besluit in. Deze jongeman riep met luider stem: “Ik ben onschuldig aan haar bloed!” Waarop het volk zich naar hem toekeerde en vroeg: “Wat bedoel je daarmee?” Hij ging in hun midden staan en zei: “Zijn jullie niet goed wijs, zonen van Israël? Veroordelen jullie een dochter van Israël zonder nader onderzoek en kennis van zaken? Ga terug naar de rechtszaal, want dezen hier hebben een vals getuigenis tegen haar afgelegd.” Daarop ging al het volk haastig naar de rechtszaal terug. Daar zeiden de oudsten tot Daniël: “Neem plaats in ons midden en deel ons je bedoelingen mee, want God heeft je het gezag van de ouderdom verleend.”
Toen zei Daniël tot hen: “Zonder ze van elkaar af, dan zal ik ze aan een verhoor onderwerpen.” Ze werden dus van elkaar gescheiden. Daniël riep vervolgens één van de twee oudsten bij zich en zei: “Je bent in boosheid vergrijsd, maar nu krijg je de straf voor de zonden die je bedreven hebt, door onrechtvaardige vonnissen te vellen: onschuldigen heb je veroordeeld en schuldigen vrijgesproken in strijd met het gebod van de Heer: Breng iemand die onschuldig is en in zijn recht staat niet ter dood. Welnu, als je haar op heterdaad betrapt hebt, zeg dan onder wat voor een boom heb je ze samen gezien?” Hij antwoordde: “Onder een mastiekboom.” Daniël hernam: “Die prachtige leugen kost je je kop! Want Gods engel heeft van God al bevel gekregen je in tweeën te splijten.”
Nadat Daniël deze had laten wegleiden, liet hij de ander voorkomen en zei tot hem: “Je bent een afstammeling van Kanaän en niet van Juda! De schoonheid heeft je verleid en de hartstocht heeft je hoofd op hol gebracht. Zo handelen jullie met de dochters van Israël en uit vrees waren die jullie ter wille, maar een dochter van Juda heeft zich niet willen schikken naar jullie boosheid. Welnu: onder wat voor een boom heb je ze samen gezien?” Hij antwoordde: “Onder een steeneik.” Daniël hernam: “Ook jij hebt door die prachtige leugen je kop verspeeld! Want Gods engel staat reeds klaar om je met het zwaard doormidden te houwen en jullie beiden te verdelgen.”
Hierop barstte heel de vergadering los in luid gejuich en men loofde God, die redt wie op Hem vertrouwt. En nu Daniël met hun eigen woorden bewezen had dat de twee oudsten een vals getuigenis hadden afgelegd, keerde het volk zich tegen hen en overeenkomstig de wet van Mozes voltrokken ze aan de oudsten de straf die zij in hun boosheid hun naaste hadden toegedacht: ze werden ter dood gebracht. Zo werd die dag een onschuldige van de dood gered.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (8, 12-20)
In die tijd richtte Jezus het woord tot de Farizeeën en sprak: Ik ben het licht der wereld. Wie Mij volgt dwaalt niet rond in de duisternis, maar zal het licht des levens bezitten. De Farizeeën wierpen Hem tegen: Gij getuigt over Uzelf; Uw getuigenis heeft geen waarde. Jezus antwoordde hun: Ook al getuig Ik over Mijzelf toch heeft Mijn getuigenis waarde, omdat Ik weet vanwaar Ik gekomen ben en waarheen Ik ga. Gij echter weet niet vanwaar Ik kom of waarheen Ik ga. Gij oordeelt naar het aardse, Ik oordeel niemand. En zelfs als Ik zou oordelen dan is mijn oordeel toch rechtsgeldig, omdat Ik niet alleen ben maar de Vader die Mij gezonden heeft met Mij is. Ook in Uw wet staat geschreven dat het getuigenis van twee mensen geldig is. Ik ben het die getuig over Mijzelf, en ook de Vader die Mij gezonden heeft getuigt over Mij. Zij vroegen Hem dan: Waar is Uw Vader? Jezus antwoordde: Gij kent Mij evenmin als Gij Mijn Vader kent; zoudt Gij Mij kennen dan zoudt gij ook Mijn Vader kennen. Deze woorden sprak Hij bij de schatkamer, toen Hij onderricht gaf in de tempel. En niemand greep Hem, want Zijn uur was nog niet gekomen.

Overweging
Ik ben het licht der wereld. (Johannes 8,12)

Heer Jezus, U bent het licht en in U is er geen duisternis! Het licht van uw aanwezigheid is zo helder als de zon op een wolkenloze dag. Niets kan uw zuiverheid verduisteren of uw stralen overschaduwen.

Jezus, het licht van Gods waarheid schijnt in U en maakt een einde aan alle verwarring. Uw ware licht brengt licht naar alle mensen, waar we ook zijn. Het is constant en onveranderlijk te midden van de veranderlijke filosofieën van deze wereld. We kunnen ervan op aan dat U nooit zult verflauwen.

Heer, uw glans heeft de duisternis van de zonde verdreven, zowel in ons hart als in de wereld. Net als de stralen van de zon schijnt uw licht tot in elke donkere hoek. Voor U is geen enkele donkere plek onbereikbaar. In de dageraad van de verrijzenis bent U de zon die altijd opgaat over de donkere nacht van zonde en dood. U hebt ze overwonnen en verdrijft ze met het licht van uw verlossing! Zelfs als de duisternis U bestrijdt, kan uw licht niet worden gedoofd! De duisternis kan u nooit de baas worden!

Alle lof aan U, Jezus, dat U ons leven verlicht wanneer wij ons naar U toe keren! Als U ons hart beschijnt worden we ons bewust van onze duisternis. We worden in het licht gebracht als pasgeboren baby’s die stralen in de kracht van uw helderheid. Maar hoe meer wij in uw licht leven, hoe beter we de duisternis zien en ons ervan af kunnen wenden.

Heer, elke dag schijnt U met uw licht op ons pad door uw woord in de Schrift. Uw licht richt onze voeten en leert ons welke weg we moeten volgen. Wanneer wij achter U aan gaan, is onze hele weg verlicht en worden we vrijgemaakt om de roeping te aanvaarden die U ons hebt gegeven.

Heer, U hebt ons geroepen om het licht van de wereld te zijn! Wanneer de vlam van uw leven in ons ontstoken is dan wordt uw glans door ons heen zichtbaar voor anderen. We worden een afspiegeling van uw leven, als een lamp op de top van een heuvel, en we trekken mensen naar U toe. We worden bakens van U, die uw heiligheid, uw vreugde en uw plan laten zien aan de wereld. Wat een ontzagwekkend voorrecht!

Gebed
Jezus, licht van de wereld, schijn in mijn leven! Verdrijf de duisternis van de zonde, overtuig me van Uw waarheid, wijs mij de weg en maak dat ik Uw licht kan laten schijnen voor anderen! Amen.

< 5e week: dinsdag

19 maart 2013

Eerste lezing uit het boek Numeri (21, 4-9)
In die tijd trokken de Hebreeën van de berg Hor in de richting van de Rietzee, want zij wilden om Edom heentrekken. Maar onderweg werd het volk ongeduldig. Het keerde zich tegen God en tegen Mozes: “Hebt u ons uit Egypte gevoerd om te sterven in de woestijn? Er is geen brood, er is geen water en dat minderwaardige eten staat ons tegen.” Toen zond de Heer giftige slangen op het volk af. Deze beten de Israëlieten en velen van hen vonden de dood. Nu kwam het volk naar Mozes en zei: “Wij hebben gezondigd, want wij hebben ons tegen de Heer en tegen u gekeerd. Bid de Heer, dat Hij die slangen van ons wegneemt.” Toen bad Mozes voor het volk en de Heer zei tot hem: “Maak zo’n giftige slang en zet die op een paal. Iedereen die gebeten is en er naar opziet, zal in leven blijven.” Mozes maakte een bronzen slang en zette die op een paal. Ieder die door een slang was gebeten en zijn ogen op de bronzen slang richtte, bleef in leven.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (8, 21-30)
In die tijd sprak Jezus tot de Farizeeën: “Ik ga heen en gij zult Mij zoeken, maar in uw zonden zult ge sterven. Waar Ik heenga kunt gij niet komen.” De Joden zeiden daarop: “Hij zal toch geen zelfmoord plegen, dat Hij zegt: Waar Ik heenga kunt gij niet komen?” Maar Hij hernam: “Gij zijt van beneden. Ik ben van boven. Gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld. Daarom zei Ik u, dat gij in uw zonden zult sterven, want als gij niet gelooft dat Ik ben, zult gij in uw zonden sterven.” Zij vroegen Hem toen: “Wie zijt Gij dan?” Jezus antwoordde: “Waarom zou Ik daar eigenlijk nog met u over spreken? Veel zou Ik over u kunnen zeggen tot uw veroordeling. Maar Hij die Mij gezonden heeft, is waarachtig, en wat ik van Hem heb gehoord, dat zeg Ik tot de wereld.” Zij begrepen niet dat Hij hun van de Vader sprak. Daarop zei Jezus: “Wanneer gij de Mensenzoon omhoog zult hebben geheven, dan zult gij inzien dat Ik ben en Ik uit Mijzelf niets doe, maar dit alles zeg zoals de Vader het Mij heeft geleerd. En Hij die Mij gezonden heeft, is met Mij; Hij heeft Mij niet alleen gelaten, omdat ik altijd doe wat Hem behaagt.” Toen Hij aldus sprak, gingen er velen in Hem geloven.

Overweging
…..want als gij niet gelooft dat Ik ben, zult gij in uw zonden sterven (Johannes 8,24)

Toen de Farizeeën Jezus dit hoorden zeggen, waren zij ontzet dat deze man, die geen plaats in het Sanhedrin had, zoiets over zichzelf zei. U kunt zich het gefluister en de boze opmerkingen voorstellen toen Jezus zei: “U bent van beneden, Ik ben van boven” (Johannes 8,23).

Deze woorden zijn heel kort en kernachtig, maar er zit wel een hele mooie belofte in: Jezus wil dat wij “boven” leven met Hem, niet maar in de eeuwigheid in de hemel, maar ook al hier, op aarde.

Dit is een indrukwekkend en zelfs troostrijk idee. Maar wat betekent het in ons gewone leven? Hoe kunnen we onszelf in een positie brengen dat we met Jezus kunnen worden opgeheven?
Eén mogelijkheid is dat we aandacht schenken aan de manier waarop we reageren als iemand of iets ons boos dreigt te maken. Staan we even stil en doen we een schietgebed om geduld en begrip voordat we iets gaan zeggen? Of verliezen we ons geduld en slaan we terug? Hoe meer we geduld oefenen en de Heer om hulp vragen, hoe meer we ontdekken dat de heilige Geest ons opheft en ons zijn eigen genade en kracht geeft.

Laten we in deze speciale tijd van inkeer en zelfverloochening de Heer vragen dat we alle patronen van onze gevallen natuur mogen gaan herkennen, niet alleen boosheid maar ook zelfzucht, hebzucht, wrok en trots. Laten we onze hoop vestigen op de belofte dat we, samen met de Heilige Geest, deze ondeugden kunnen overwinnen en meer op Jezus kunnen gaan lijken, Degene die altijd “boven” leefde.

Ja, het kost tijd en veel van onze eigen wil om dat te doen. Ja, we zullen bij tijd en wijle ook struikelen en tekortschieten. Maar als we de Heer om hulp blijven vragen, als we onze best blijven doen om ons van de zonde af te keren, zullen we merken dat we groeien in nederigheid, liefde en medelijden, en dat we stabieler en doelgerichter worden in onze daden en bedoelingen. Met andere woorden, we zullen merken dat we een hemels leven met Jezus ervaren, ook al leiden we ons alledaagse leven hier op aarde.

Gebed
Jezus, vervul me met de Heilige Geest zodat ik sterf aan mijn zonden. Ik wil niet sterven in mijn zonden. Nee, ik wil leven met U in de hemel. Amen.

< 5e week: woensdag

Eerste lezing uit het boek Daniël (3, 14-20+91-92+95)
In die dagen vroeg koning Nebukadnessar aan de mannen Sadrak, Mesak en Abednego: “Is het waar dat jullie mijn god niet vereren en het gouden beeld dat ik heb opgericht niet aanbidden? Welnu, zijn jullie misschien nu bereid om bij het horen van de muziek van hoorn en fluit, van citer, luit en harp, van doedelzak en allerlei andere muziekinstrumenten je neer te werpen en het beeld te aanbidden dat ik gemaakt heb? Weigeren jullie dat, dan worden jullie op staande voet in het laaiende vuur van een oven geworpen en welke god zal jullie dan uit mijn macht kunnen bevrijden?” Sadrak, Mesak en Abednego gaven de koning ten antwoord: “Nebukadnessar, wij vinden het niet nodig op uw vraag een antwoord te geven. Als er een god is die dat kan, dan is het onze God die wij vereren: Hij is in staat ons te bevrijden uit het laaiende vuur van een oven en Hij zal ons ontrukken aan uw greep, koning. Maar de koning zij ervan overtuigd, dat, ook als God ons niet redt, wij uw god niet zullen vereren en het gouden beeld dat u hebt opgericht niet zullen aanbidden.” Toen werd Nebukadnessar woedend op Sadrak, Mesak en Abednego en zijn gelaat vertrok; hij gaf bevel de oven zevenmaal heter te stoken dan gewoonlijk en de sterkste kerels uit zijn leger droeg hij op, Sadrak, Mesak en Abednego te binden, en in de laaiende vuuroven te werpen. Toen Nebukadnessar hun lofzang hoorde, was hij een en al verbazing; hij stond ijlings op en zei tot zijn raadsheren: “We hebben toch drie mannen geboeid in het vuur geworpen?” Zij gaven de koning ten antwoord: “Zeker, koning!” Hij hernam: “Maar ik zie vier mannen ongeboeid en zonder letsel zich in het vuur bewegen; de vierde gelijkt op een godenzoon.” Toen nam Nebukadnessar het woord en zei: “Geloofd zij de God van Sadrak, Mesak en Abednego: Hij heeft zijn engel gezonden om zijn dienaren te redden, die vol vertrouwen op Hem het bevel van de koning hebben overtreden en hun lichamen hebben prijsgegeven, omdat ze geen god wilden vereren of aanbidden dan hun eigen God.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (8, 31-42)
In die tijd zei Jezus tot de Joden die in Hem geloofden: “Indien gij trouw blijft aan mijn woord, zijt gij waarlijk mijn leerlingen. Dan zult ge de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken.” Men wierp op: “Wij zijn van Abrahams geslacht en nooit iemands slaaf geweest. Hoe kunt Gij dan zeggen: gij zult vrij worden?” Jezus antwoordde hun: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: alwie zonde doet, is slaaf van de zonde, en de slaaf blijft niet voor eeuwig in het huis. De Zoon blijft voor eeuwig. Als de Zoon u vrijmaakt, zult gij werkelijk vrij zijn. Ik weet dat gij van Abrahams geslacht zijt; niettemin zoekt gij Mij te doden, omdat mijn woord bij u geen ingang vindt. Ik verkondig wat Ik bij de Vader heb gezien, maar gij doet wat gij van uw vader gehoord hebt.” Zij antwoordden Hem: “Onze vader is Abraham!” Daarop zei Jezus hun: “Als gij kinderen van Abraham zijt, doet dan ook de werken van Abraham. Thans echter zoekt gij Mij, een mens te doden, terwijl Ik u de waarheid heb gezegd, die Ik van God heb gehoord. Zoiets deed Abraham niet. Gij doet de werken van uw vader.” Zij zeiden Hem: “Wij zijn niet uit ontucht geboren; een vader hebben wij en dat is God.” Jezus zeide hun: “Als God uw vader was, zoudt gij Mij beminnen, want van God ben Ik uitgegaan en van Godswege ben Ik hier. Neen, Ik ben niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.”

Overweging
Vaderschap en zoonschap. Deze begrippen lijken centraal te staan in deze discussie tussen Jezus en enkele Joodse leiders. Waren zij geen zonen van Abraham? Had God hen niet uitgekozen uit alle volken op aarde en geroepen om zijn eigen volk te zijn?

Ja en nee.

Iemands kind zijn kun je op twee manieren opvatten. Je kunt een kind verwekken en dan is dat kind genetisch gezien jouw kind. Maar als dat kind niet onder jouw dak woont en jouw manier van denken, jouw opvattingen en levensinstelling niet overneemt dan ontbreekt er een wezenlijk deel van het kindschap.

Voor veel Joodse leiders leek een zoon-van-Abraham-zijn sterk op het eerste soort zoonschap. God had hen aangenomen als zijn eigen kinderen en dat was het dan. Omdat zij niet probeerden hun vader na te volgen, misten ze het dieper gaande – en meer bevredigende – aspect van het kindschap van God. Natuurlijk benaderden niet alle Joden hun geloof op die manier. Maar sommigen waren er tevreden mee nakomelingen van Abraham te zijn, ook al ervoeren ze niet de blijdschap en de vrijheid die God met hen voor had.

Broeders en zusters, we kunnen kinderen van God worden op de meest diepgaande en sterke manier die mogelijk is. We kunnen beginnen de gewoonten van onze Vader over te nemen, zijn opvattingen, zijn manier van doen. Daarom is Jezus ook gekomen. Hij is niet alleen gekomen om de zonde weg te doen. Hij is gekomen om ons te veranderen in zijn broeders en zusters, dragers van de familiegelijkenis (Johannes 1,12-13). “Een leerling van Jezus worden betekent de uitnodiging aannemen om tot Gods familie te behoren, om te leven in overeenstemming met zijn manier van leven” (Catechismus van de Katholieke Kerk, 2233).

Elke dag biedt volop gelegenheden om die familiegelijkenis aan te nemen. Dat is niet altijd gemakkelijk maar het is ook niet al te moeilijk. We kunnen weigeren mee te doen aan roddel. We kunnen iemand vergeven die ons diep heeft gekwetst. We kunnen een handje helpen of anonieme diensten verlenen. Steeds wanneer we deze dingen doen, laten we de wereld zien dat we het voorrecht hebben aanvaard om leden van Gods familie te mogen zijn.

Gebed
Vader, dank U dat U Jezus naar ons toe hebt gestuurd. Dank U dat U ons vervult van Uw Geest en ons tot Uw kinderen maakt. Help me trouw te zijn aan Uw wet van de liefde zodat ik meer en meer mag gaan lijken op U. Amen.

< 5e week: donderdag

Eerste lezing uit het boek (Genesis 17, 3-9)
In die dagen wierp Abram zich ter aarde, en God sprak tot hem: “Dit is mijn verbond met u: Gij zult de vader worden van een menigte volken. Gij zult niet langer Abram heten; uw naam zal Abraham zijn, want Ik maak u tot vader van een menigte volken. Ik zal u zeer vruchtbaar maken, volken zal Ik van u maken, zelfs koningen zullen uit u voortkomen. Ik sluit een verbond met u en uw nakomelingen, geslacht na geslacht, een altijddurend verbond: Ik zal uw God zijn en de God van uw nakomelingen. Geheel Kanaän, het land waar gij nu als vreemdeling verblijft, zal Ik aan u en uw nakomelingen geven om het voor altijd te bezitten, en Ik zal hun God zijn.” Verder zei God nog tot Abraham: “Gij van uw kant moet mijn verbond onderhouden, gij en uw nakomelingen, geslacht na geslacht.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (8, 51-59)
In die tijd zei Jezus tot de Joden: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als iemand mijn woord onderhoudt, zal hij in eeuwigheid de dood niet zien.” Toen zeiden de Joden Hem: “Nu weten wij zeker dat Gij van de duivel bezeten zijt. Want Abraham en de profeten zijn gestorven, terwijl Gij beweert: Als iemand mijn woord onderhoudt, zal hij in eeuwigheid de dood niet smaken. Zijt Gij soms groter dan onze vader Abraham, die wel gestorven is. Zelfs de profeten zijn gestorven. Voor wie houdt Gij uzelf wel?” Jezus antwoordde: “Als Ik Mijzelf verheerlijk dan is mijn glorie niets; maar mijn Vader is het die Mij verheerlijkt, van wie gij zegt: Hij is onze God. Toch kent gij Hem niet. Ik daarentegen ken Hem en als Ik zou zeggen dat Ik Hem niet ken, zou Ik aan u gelijk zijn: een leugenaar. Maar Ik ken Hem en onderhoud zijn woord. Abraham, uw vader, juichte van vreugde bij de gedachte dat hij mijn dag zou zien; hij heeft hem gezien en zich verheugd.” Toen zeiden de Joden tot Hem: “Gij zijt nog geen vijftig jaar en Gij hebt Abraham gezien?” Jezus antwoordde hun: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: voor Abraham werd, ben Ik.” Toen raapten zij stenen op om Hem te stenigen, maar Jezus trok zich terug en verliet de tempel.

Overweging
Wie zich houdt aan mijn woord, zal de dood niet zien (Johannes 8,51)

Omdat Jezus eens voor al de dood heeft overwonnen, is zijn woord voor altijd levengevend. Het maakt ons nu levend, en dat leven blijft in ons en richt ons naar het eeuwige leven, net zoals een kompas altijd naar het noorden wijst. We kunnen zijn woord gebruiken om levengevende woorden te ontvangen en door te geven, maar ook om woorden die ten dode zijn te negeren en af te wijzen.

Zo veel woorden die we elke dag horen, die we onszelf influisteren of tegen anderen zeggen zijn woorden ten dode: “Ik wil het hebben. Als ik dat koop dan zal ik me echt gelukkig voelen.” “Idioot! Je maakt er weer een troep van.” “Hoe kon ik het ook verwachten? Niemand geeft immers om me.”

Jezus heeft beloofd dat zij die zijn woord vasthouden nooit de dood zullen zien. Welke woorden houdt u in uw hart en op uw lippen? Gelooft u dat in deze woorden echt de kracht schuilt om geestelijk leven of geestelijke dood te brengen? Misschien is het vandaag wel het geschikte moment om eens na te gaan wat voor woorden u bezigt – bewust maar ook onbewust – en hoe deze woorden overkomen bij de mensen om u heen.

Ook onze herinneringen kunnen instrumenten ten dode of ten leven zijn. Als we onze aandacht richten op fouten uit het verleden – hetzij van onszelf, hetzij van iemand anders – dan wordt het verleden een blokkade die verhindert dat we ons kunnen openstellen voor Gods plan voor vandaag. Als we ons aan de andere kant Gods vele barmhartigheden en grote daden voor ons herinneren, bouwen we een blijvende relatie op van dankbaarheid en vertrouwen. We kunnen zelfs aan onze zonden terugdenken in het licht van Gods onvoorwaardelijke vergeving en het goede dat Hij laat voortkomen uit rampzalig schijnende omstandigheden.

De Israëlieten kenden dit geheim. Elk jaar wanneer ze het Pascha vierden, vertelden ze het opnieuw als hun eigen persoonlijke ervaring, ook al lagen de eigenlijke gebeurtenissen ver in het verleden. In de tussenpsalm van vandaag (Psalm 105,4-9) herinnert de zanger het volk eraan: “Denk aan de wonderen die Hij verrichtte, aan zijn machtig woord, van tekens vergezeld” (vers 5).

Gebed
Jezus, U bent het levengevende Woord van God! U hebt me gered van de dood. Help me uw woord te ontvangen in mijn diepste wezen en dat leven te delen met iedereen die ik tegenkom.

< 5e week: vrijdag

Eerste lezing uit het boek Jeremia (20, 10-13)
Ik hoor velen fluisteren: “Daar heb je ontzetting – overal.” Breng hem aan, ja, we brengen hem aan. Al mijn vrienden willen niets liever dan mij ten val brengen. Ze zeggen: ‘Misschien laat hij zich misleiden, dan overmeesteren we hem en kunnen we ons op hem wreken.’ God de Heer is bij mij als een machtig strijder. Mijn achtervolgers vallen neer, ze zullen niet overwinnen. Ze worden diep beschaamd, nooit bereiken ze iets. Hun schande duurt eeuwig, ze wordt nooit vergeten! God van de hemelse machten, die alles rechtvaardig onderzoekt, die hart en nieren doorgrondt, laat mij zien hoe Gij u op hen wreekt. Ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd. Zing een lied, een loflied voor de Heer uw God, want Hij heeft het leven van de arme uit de macht van de boosdoeners gered.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (10, 31-42)
In die tijd raapten de Joden stenen op om Jezus te stenigen. Maar Jezus zei hun: “Ik heb voor uw ogen veel goede werken verricht, die uit de Vader voortkomen; om welk van die werken wilt gij Mij stenigen?” De Joden gaven Hem ten antwoord: “Niet om een goed werk stenigen wij U, maar om een godslastering: dat Gij, een mens, Uzelf tot God maakt.” Jezus antwoordde hun: “Staat er niet in uw Wet geschreven: Ik heb gezegd: gij zijt goden? Zij heeft hen tot wie het woord Gods gericht werd, goden genoemd, en de Schrift heeft bindende kracht. Maar waarom dan beschuldigt ge Mij, die door de Vader geheiligd en in de wereld gezonden werd, van godslastering als Ik Mijzelf Gods Zoon noem? Als Ik de werken van mijn Vader niet doe, behoeft gij Mij niet te geloven, maar zo Ik ze wel doe, gelooft dan die werken, als ge Mij niet wilt geloven. Dan zult gij inzien en erkennen, dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader ben.”
Toen probeerden zij opnieuw Hem te grijpen, maar Hij stelde zich buiten hun bereik. Hij ging terug naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes aanvankelijk gedoopt had, en bleef daar. Velen kwamen tot Hem, want ze zeiden: “Johannes heeft weliswaar geen enkel teken gedaan, maar alles wat hij over deze man zei, was waar.” En velen begonnen daar in Hem te geloven.

Overweging
Hebt u wel eens het gevoel gehad dat men erop uit was u een hak te zetten? Of dat het was alsof iemand zijn best deed u onzeker of belachelijk te maken? Wel, dan bent u niet de enige. Feitelijk bent u in goed gezelschap. De beide lezingen van vandaag gaan over geloofshelden – Jeremia en Jezus – die reageren op publieke verdachtmaking, bedreiging en verraad.

Hoe reageert u dus als u zich in een dergelijke situatie bevindt? Zegt u het Jeremia na: “HEER van de hemelse machten . . . laat mij zien hoe U wraak neemt” (Jeremia 20,12)? Of volgt u Jezus’ woorden: “heb je vijanden lief en bid voor wie je vervolgen, dan zullen jullie kinderen worden van je Vader in de hemel” (Matteüs 5,44-45)?

Denk je eens in dat je in Jeremia’s schoenen staat. Hij had de zware opdracht gekregen om oordeelsprofetieën te verkondigen over zijn eigenzinnige familie, vrienden en landgenoten (Jeremia 4,1+4). Hij bad de Heer om barmhartigheid, maar de mensen keerden zich tegen hem met plannen om hem te doden. Jeremia’s gebed in de eerste lezing van vandaag spreekt hij uit nadat hij ontdekt had dat er een tweede plan was om hem te vermoorden!

Ondanks het feit dat Jeremia aan zijn gebed een ietwat wraakzuchtig verzoekje toevoegt, laat hij wel degelijk een bewonderenswaardige reactie zien op onrecht en boosaardigheid. Hij gaat met zijn gebroken hart naar God. En dit teken van vertrouwen heeft de Heer bijzonder behaagd. Hij troostte Jeremia, gaf hem kracht voor zijn opdracht en redde hem zelfs van “de macht van de boosdoeners” die erop uit waren hem te pakken (Jeremia 20,13).

Denkt u dat u op dezelfde manier naar uw Vader toe kunt gaan? Dat kan inderdaad. Het zal Hem niet storen als u Hem over uw frustraties vertelt. En het is veel beter om het te uiten dan het op te kroppen. God kent uw hart en Hij is altijd bereid zijn hart voor u open te stellen wanneer u het uwe voor Hem uitstort.

Wanneer u zich waagt aan deze openhartige, wederzijdse benadering, zult u zien hoe uw boze en gefrustreerde gebeden veranderen in gebeden van compassie en barmhartigheid. Geef God de tijd en Hij zal u veranderen!

Gebed
Vader, ik vertrouw erop dat U geduld met me zult hebben als ik mijn hart met U deel. Hoor alstublieft mijn gebed en leer me de weg van liefde en vergeving. Amen

< 5e week: zaterdag

Eerste lezing uit het boek Ezechiël (37, 21-28)
Zo zegt God de Heer: “Ik zal de kinderen van Israël, die overal verspreid onder de heidenvolken leven, bijeenbrengen en hun terugvoeren naar hun eigen grond. Ik zal hen tot één enkel volk maken, in het land, op de bergen van Israël, en één koning zal over hen allen regeren. Zij zullen niet langer twee volken zijn, niet langer verdeeld over twee rijken. Zij zullen zich niet meer bezoedelen met hun afgoden, hun gruwelbeelden en al hun misdaden.Uit de trouweloosheden waaraan zij zich bezondigd hebben zal Ik hen verlossen en Ik zal hen reinigen, zodat zij mijn volk zijn en Ik hun God. Dan zal mijn dienaar David koning over hen zijn: zij zullen allen één herder hebben.Zij zullen leven volgens mijn geboden en mijn wetten werkelijk onderhouden. Zij zullen wonen in het land dat Ik mijn dienaar Jakob gegeven heb, het land waar hun vaderen gewoond hebben; zij en hun kinderen en hun kleinkinderen zullen daar voor altijd wonen, en mijn dienaar David zal voor altijd hun vorst zijn. Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten: een altijddurend verbond zal het zijn. Ik zal hun een woonplaats geven, Ik zal hen talrijk maken en mijn heiligdom voor altijd onder hen vestigen. Mijn woning zal bij hen zijn. Zo zullen de heidenvolken weten, dat Ik, de Heer, Israël heilig maak, doordat mijn heiligdom voor altijd onder hen is.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (11, 45-56)
Vele Joden die in die dagen naar Maria waren gekomen en zagen wat Jezus gedaan had, geloofden in Hem. Enigen van hen gingen echter naar de Farizeeën om hun te vertellen wat Jezus gedaan had. De hogepriesters en Farizeeën belegden daarop een zitting van het Sanhedrin en zeiden: “Wat doen we? Want die man verricht veel wonderen. Als wij Hem zijn gang laten gaan, zullen ze allemaal in Hem geloven. Dan zullen de Romeinen komen en met de heilige plaats ook ons volk wegvagen.” Maar een van hen, Kajafas, die in dat jaar hogepriester was, zei hun: “Gij begrijpt er niets van; ge denkt er niet aan, dat het beter voor u is, dat er één mens voor het volk sterft dan dat het hele volk ten onder gaat.” Dat zei hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester in dat jaar profeteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het volk, en niet voor het volk alleen, maar ook om de verstrooide kinderen van God samen te brengen. Van die dag af waren ze besloten Hem te doden.
Jezus bewoog zich daarom niet meer openlijk onder de Joden, maar vertrok vandaar naar de streek bij de woestijn, en wel naar de stad Efraim, waar Hij met zijn leerlingen verbleef. Toen echter het paasfeest van de Joden op handen was, gingen velen uit die streek voor Pasen naar Jeruzalem om zich te reinigen. Ze zochten naar Jezus en zeiden tot elkaar, terwijl ze in de tempel stonden: “Wat dunkt u? Zou Hij niet naar het feest komen?”

Overweging
Over het algemeen ziet men een “profeet” als een zonderling die een wat vreemd leven leidt en die de toekomst kan voorspellen. Een profeet is echter eenvoudigweg iemand die iets verneemt van de Heer en die anderen kan vertellen wat God tegen hem of haar heeft gezegd. Ezechiël kreeg één duidelijke boodschap die hij steeds weer verkondigde: Jahweh is de Heer. Niet de vorsten in de landen waarheen de Israëlieten waren verbannen. Niet de goden van deze vorsten. Alleen Jahweh. Hij alleen is het, die het gezag en de macht en het verlangen heeft om zijn volk te herstellen.

Deze boodschap van Ezechiël had een bijzonder dringend karakter, gelet op de toestand waarin het volk verkeerde waar God hem naar toe gestuurd had. Israël was in ballingschap, ze waren beroofd van hun vertrouwde omgeving, de geluiden en geuren van het land dat God hun beloofd had. Dat is ballingschap: wonen in een omgeving waar je niet vertrouwd mee bent en die aan iemand anders toebehoort. Maar ondanks hun ballingschap beloofde Jahweh – de ene, ware God – dat Hij hen thuis zou brengen. Hij zou hen weer samenbrengen en dan zou hun schande gewist zijn. Niet langer zouden ze verdeeld zijn en zich in de steek gelaten voelen. Nee, God ging hen bevrijden en zou hen weer maken tot zijn volk. Hij wilde hen weiden, vrede met hen stichten en voor altijd bij hen wonen.

Maar weinigen van ons zijn letterlijk uit hun land verbannen, maar je zou kunnen zeggen dat we allemaal soms leven als ballingen van het koninkrijk van God. We verkeren in “landen” waar verschillende afgoden aanbeden worden. En om eerlijk te zijn, we bevinden ons daar in het gezelschap van vele medeburgers van Gods koninkrijk. Het kan zijn dat we verkeren in het domein van drugs- en alcoholmisbruik, of in het rijk van de bitterheid, boosheid en wrok. Misschien bevinden we ons in een land van leugen, bedrog, oplichting of diefstal, of zijn we ingelijfd bij het volk van wedijver, bezit en hoogmoed.

Het kan donker lijken in ons verbanningsoord, maar Ezechiël heeft een boodschap voor ons: God wil ons thuis brengen! Hij is de ene, ware God, de enige die machtig genoeg is om ons te bevrijden en ons stevig in zijn koninkrijk te planten. Hoe diep we ook gewond zijn, hoe fel gekwetst we zijn of hoe star ons hart is, onze God is groter. Zijn oog is op ons. Zijn hand is naar ons uitgestrekt. Laten wij ons dus naar Hem uitstrekken!

Gebed
Vader, U bent mijn Heer en mijn God. Kom vandaag in mijn hart en vestig Uw koninkrijk binnen in mij! Amen.

< Dagelijkse overwegingen voor de veertigdagentijd jaar C

< Aswoensdag en verder

< Aswoensdag

Eerste lezing uit het boek Joël (2,12-18)
Zo spreekt God de Heer: “Keert tot Mij terug, van ganser harte, met vasten, met geween en met rouwklacht. Scheurt uw hart en niet uw kleren, keert terug tot de Heer uw God, want genadig is Hij en barmhartig, lankmoedig en vol liefde, en Hij heeft spijt over het onheil.” Wie weet, keert Hij terug en krijgt Hij spijt en laat dan zegen achter zich, een meeloffer en een plengoffer voor de Heer uw God!
“Blaast de bazuin op de Sion, kondigt een heilige vastentijd af, roept een plechtige samenkomst bijeen! Verzamelt het volk, belegt een heilige bijeenkomst, brengt de oudsten samen en verzamelt ook de kinderen en de zuigelingen; laat de bruidegom zijn kamer verlaten en de bruid haar bruidsvertrek. Laat tussen de voorhal en het altaar de priesters, die de dienst van de Heer verrichten, wenen en zeggen: Spaar uw volk, Heer, laat niet met uw erfdeel spotten, laat niet de heidenen het overheersen. Moet men onder de volken zeggen: Waar blijft hun God?” Toen is de Heer voor zijn land opgekomen en heeft Hij zijn volk gespaard.

Tweede lezing uit de Tweede brief aan de Korintiërs (5, 20 ­ 6, 2)
Broeders en zusters, wij zijn gezanten van Christus, God roept u op door ons woord. Wij smeken u in Christus’ naam: laat u met God verzoenen! Hem die geen zonde heeft gekend, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij door Hem Gods eigen heiligheid zouden worden. Als Gods medewerkers sporen wij u aan: zorgt dat ge zijn genade niet tevergeefs ontvangt. Hij zegt immers: “Op de gunstige tijd heb Ik u verhoord, op de dag van het heil ben Ik u te hulp gekomen.” Nu is er die gunstige tijd, vandaag is het de dag van het heil.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (6, 1-6 + 16-18)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Denkt er om: beoefent uw gerechtigheid niet voor het oog van de mensen om de aandacht te trekken; anders hebt gij geen recht op loon bij uw Vader die in de hemel is. Wanneer gij dus een aalmoes geeft, bazuin het dan niet voor u uit, zoals de huichelaars doen in de synagoge en op straat, opdat zij door de mensen geprezen worden. Voorwaar Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen. Als gij een aalmoes geeft, laat uw linkerhand dan niet weten, wat uw rechter doet, opdat uw aalmoes in het verborgene blijve en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. Wanneer gij bidt, gedraagt u dan niet als de schijnheiligen, die graag in de synagogen en op de hoeken van de straten staan te bidden om op te vallen bij de mensen; voorwaar Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen! Maar als gij bidt, ga dan in uw binnenkamer, sluit de deur achter u en bidt tot uw Vader die in het verborgene is en uw Vader die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. Wanneer gij vast, zet dan geen somber gezicht zoals de schijnheiligen; zij verstrakken hun gezicht om de mensen te tonen dat zij aan het vasten zijn. Voorwaar, Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen. Maar als gij vast, zalft dan uw hoofd en wast uw gezicht, om niet aan de mensen te laten zien dat gij vast, maar vast voor uw Vader die in het verborgene is en uw Vader die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.”

Overweging
Verzamel het volk, beleg een heilige bijeenkomst, breng de oudsten samen (Joël 2,16)

Valt het u ook op hoe indringend deze woorden klinken? Een invasie van sprinkhanen bedreigt Israël en de profeet Joël maakt bekend dat dit Gods oordeel is over hun zonde. Daarom roept hij het volk bijeen in de tempel zodat ze samen de Heer kunnen zoeken, berouw kunnen tonen en voorbede doen.

En op dezelfde dag waarop deze oproep klinkt voor een publieke manifestatie van gebed en inkeer, zegt de evangelielezing dat wij niemand moeten laten weten dat we bidden, vasten en aalmoezen geven. Jezus wil dat we die dingen in stilte doen om niet gelijk te worden aan “de schijnheiligen” (Matteüs 6,2).

Als we deze beide lezingen combineren, ontdekken we een routekaart voor de hele Veertigdagentijd. Voor deze periode, waarin we worden uitgenodigd de Heer beter te leren kennen, geeft onze hemelse Vader ons aanwijzingen hoe we dat precies moeten doen.

Allereerst, zegt Jezus ons in het evangelie, moeten we in stilte onze eigen besluiten nemen en persoonlijk tijd doorbrengen in gebed. Maar tegelijkertijd zegt de eerste lezing ons hoe belangrijk het is dat we in de Veertigdagentijd bij elkaar komen, om als volk de Heer te zoeken, onze reisdoelen met elkaar te bespreken en elkaar onderweg te bemoedigen.

Hoe kunt u anderen ontmoeten in deze tijd? De mogelijkheden zijn talrijk. U kunt met een klein groepje samenkomen om de lezingen van de zondag voor te bespreken. U kunt met uw huisgenoten overeenkomen dat u samen gaat vasten of een dag in de week een eenvoudiger maal gaat nuttigen, zodat u wat meer tijd hebt om samen te bidden. Wie weet brengt God jullie in contact met iemand die jullie kan aanmoedigen in jullie wandel met Hem. Waar u ook voor kiest, u mag weten dat Jezus u in deze tijd roept. Hij wil wonderen doen in het leven van ieder van ons!

Gebed
Vader, dank U dat U luistert naar de noodkreet van Uw volk. Wijs me alstublieft de weg om Jezus te vinden, zowel in mijn persoonlijk gebed als wanneer ik met anderen samenkom om te bidden. Amen.

< Asdonderdag

Eerste lezing uit het boek Deuteronomium (30,15-20)
Mozes nam het woord en sprak tot het volk: “Ik houd u vandaag het leven en het geluk voor, maar ook de dood en het ongeluk. Als gij luistert naar de geboden van de Heer uw God, die ik u heden geef, als gij de Heer uw God bemint, zijn wegen gaat en zijn geboden, voorschriften en bepalingen nakomt, dan zult gij leven en talrijk worden en zal de Heer uw God u zegenen in het land dat ge in bezit gaat nemen. Maar als uw hart afdwaalt, als ge niet luistert en u laat verleiden, zodat gij u voor andere goden neerbuigt en die vereert, dan kondig ik u heden aan, dat gij zult omkomen en dat ge niet lang zult leven op de grond, die ge na de overtocht van de Jordaan in bezit gaat nemen. Ik neem heden de hemel en de aarde tot getuigen tegen u. Leven en dood houd ik u voor, zegen en vloek. Kies dan het leven, dan zult gij met uw nakomelingen het leven bezitten, door de Heer uw God te beminnen, naar Hem te luisteren en aan Hem gehecht te blijven. Want daarvan hangt het af, of gij zult leven en of gij lang zult wonen op de grond, die de Heer aan uw vaderen, aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft toegezegd.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (9,22-25)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “De Mensenzoon moet veel lijden en door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden verworpen worden, maar na ter dood te zijn gebracht, zal Hij op de derde dag verrijzen.” Maar tot allen sprak Hij: “Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, die zal het redden. Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen, als hij zichzelf hierdoor zijn ondergang en dood berokkent?”

Overweging
Kies dan het leven. . . (Deuteronomium 30,19)

De Israëlieten stonden op het punt het Beloofde Land binnen te gaan. Aan veertig jaar wachten en zwerven was eindelijk een eind gekomen en Mozes bereidde het volk voor op de volgende fase in zijn geschiedenis. God had beloofd dat Hij zijn volk zou brengen naar een land dat overstroomde van melk en honing, en dat moment was nu aangebroken.

Staande voor de Israëlieten confronteerde Mozes hen met de grootste uitdaging waar ze ooit mee te maken zouden krijgen. Wilden zij kiezen voor het leven door de geboden van de Heer te volgen? Of verkozen zij de dood door hun eigen wegen te gaan en die van de volken om hen heen?

Deze uitdaging kwam niet uit de lucht vallen. Mozes had hen er al vaak aan herinnerd wat de Heer allemaal voor hen gedaan had. Hij herinnerde hen eraan hoe God hen had bevrijd uit Egypte en hen ook daarna was blijven beschermen. Hij sprak over het manna dat er elke morgen weer was, en kwakkels elke avond. Hij merkte op dat zelfs hun kleren niet waren versleten zolang ze in de woestijn rondzwierven! Maar nu was de tijd gekomen dat het volk zijn erfenis moest aanvaarden en ervoor moest kiezen om onder Gods bescherming te leven. Het manna zou stoppen, en ook de kwakkels. Het was tijd voor hen om zelf te kiezen voor de weg van gelovige gehoorzaamheid, voor het leven dat God hun aanbood.

Vandaag staat de Heer voor ons, zoals Mozes voor het volk stond, en biedt ons dezelfde roeping en dezelfde belofte aan. Hij staat aan de deur van ons hart en vraagt ons te kiezen voor het leven, en niet voor de dood. Hij houdt zoveel van ons dat Hij het beloofde land van de hemel voor ons heeft geopend. En dat niet alleen, Hij geeft ons hier en nu al een voorsmaak van dat beloofde land. Hij heeft ons elke gave en zegen gegeven die we nodig hebben om elke dag verder te wandelen, vervuld van zijn liefde en vrede.

De keuze is aan ons. Het is helemaal aan ons om te kiezen voor leven of dood. Is het niet wondermooi dat de Heer ons zoveel wil geven?

Gebed
Vader, U bent de maker van het leven. Ik wil U vandaag ontvangen. Ik wil U volgen en luisteren naar Uw stem. Dank U dat U me roept en me vervult met Uw oneindige liefde. Amen.

< Asvrijdag

Eerste lezing uit het boek Jesaja (58, 1-9)
Zo spreekt God de Heer: “Roep het luide uit, houd u niet in, laat uw stem schallen als een trompet; en openbaar mijn volk zijn overtredingen, het huis van Jakob zijn zonden. Zeker, zij raadplegen Mij van dag tot dag, beijveren zich om mijn wil te kennen, als waren zij een volk dat gerechtigheid oefent, en de wet van zijn God niet veracht. Zij vragen Mij om gerechte vonnissen, hunkeren naar de tegenwoordigheid van hun God. Wij vasten, waarom ziet Gij het niet? Wij vernederen ons, waarom slaat Gij er geen acht op? Zie, terwijl gij vast, zijt gij uit op eigen gewin en buit gij uw arbeiders uit. Het is met twist en ruzie dat gij vast, en driftig slaat gij met de vuist. Als gij zo moet vasten vindt uw gebed in de hemel geen gehoor. Is dit soms een vasten wat Mij behaagt, is zo de dag dat de mens zich vernederen moet: het hoofd laten hangen als een riet, op zak en as zich neerleggen? Noemt gij dàt vasten, noemt gij dàt soms de dag aan de Heer aangenaam? Het vasten dat Ik wens is dit: zondige boeien slaken, de bomen van het juk verbreken, de verdrukten in vrijheid laten gaan, elk juk in stukken slaan, uw brood verdelen met de hongerigen, de dakloze zwervers opnemen in uw huis, de naakten die gij ziet kleden, en u niet afkeren van uw eigen vlees. Dan zal uw licht stralen als de dageraad, uw genezing zal voorspoedig zijn; uw gerechtigheid zal voor u uitgaan, de glorie van de Heer u op de voet volgen. Wanneer gij dan tot de Heer bidt zal Hij u verhoren, wanneer gij dan tot Hem roept zal Hij antwoorden: Hier ben Ik!”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (9, 14-15)
Op zekere dag kwamen de leerlingen van Johannes tot Jezus met de vraag: “Waarom vasten wij en de Farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?” Jezus sprak tot hen: “De vrienden van de bruidegom kunnen toch niet bedroefd zijn, zolang de bruidegom bij hen is? Er zullen dagen komen, dat de bruidegom van hen is weggenomen; dan zullen zij vasten.”

Overweging
Kom ons te hulp, o Heer!

Heer, open onze ogen voor de tegenstrijdigheden om ons heen en binnen in ons. Help ons onze tegenstrijdigheden te zien, zoals U dat lang geleden deed met de Israëlieten. U herkende de leegheid van het vasten van uw volk en riep hen op zo te vasten dat hun harten veranderden – zodat zij zich gingen bekommeren om de arme, vergeten en zwakke mensen.

Kom Heer, en doe hetzelfde voor ons! Geef ons een hart dat niet alleen maar verlangt naar uw zegeningen, maar dat ook bereid is uw wil te doen. Leer ons het soort vasten dat U behaagt en dat ons vervult van medelijden met mensen die leven onder de druk van zonde of onrecht. Bevrijd ons van de hoogmoedige gedachte dat wij de waarheid bezitten, en geef ons een hart dat brandt van verlangen om uw waarheid door te geven. Geef ons kansen om mensen te vertellen over uw rijk en help ons die kansen aan te grijpen.

O Heer, geef dat ons vasten niet beperkt blijft tot één dag van fysieke onthouding tegenover vele dagen van genot! Help ons ook om voortdurend te bidden, zodat ons hart meer op het uwe gaat lijken. Reinig onze ogen zodat we U kunnen zien in onze familieleden, onze buren en onze collega’s. Ontsteek uw vuur in onze geest zodat we oprecht gaan houden van verwarde en vernederde mensen en gaan werken aan gerechtigheid.

Hemelse Vader, stuur ons erop uit in de naam van Jezus, uw Zoon, om hongerigen te eten te geven en daklozen onderdak. Laat ons zien hoe we kunnen helpen op praktische manieren, en niet alleen maar gevoelsmatig. Leer ons eenvoudiger te leven, zodat we niet alleen iets kunnen missen van wat we over hebben, maar in staat zijn om van heel ons bezit te delen met minder bedeelden. Haal de oogkleppen weg die ons afschermen van de gewonde, behoeftige en eenzame mensen om ons heen. Help ons al uw kinderen te zien zoals U ze ziet, en van ze te houden zoals U van ze houdt.

Heer, help ons! Maaltijden overslaan heeft alleen maar zin als dat gepaard gaat met daden van barmhartigheid. En onze daden van barmhartigheid missen effect als ze niet gepaard gaan met gebed. Schenk ons wijsheid om die offers aan tijd, voedsel en geld te brengen waardoor uw mensen worden gezegend en uw koninkrijk wordt gebouwd.

Gebed
Heer, mag ik een zegen zijn voor anderen wanneer ik Uw waarheid doorgeef en Uw gaven met hen deel. Amen.

< Aszaterdag

Eerste lezing uit het boek Jesaja (58, 9-14)
Zo spreekt God de Heer: “Wanneer gij uit uw midden de onderdrukking verwijdert en de dreigende vingers en de kwaadsprekerij, wanneer gij uw hart voor de hongerige opent en de mistroostige verzadigt, dan straalt uw licht in de duisternis, dan wordt uw nacht als de middag. Dan zal de Heer u blijven geleiden; Hij zal u in dorre streken verzadigen en aan uw gebeente zal Hij kracht geven. Als een gesproeide tuin zult ge dan worden, als een bron, waarvan het water nooit wegblijft. Dan bouwt gij de oude ruines weer op en herstelt gij de fundamenten van vroeger. ‘De bressendichter’ zal men u noemen, ‘degene die weer leven brengt in de straten.’ Wanneer gij op de sabbat geen reis meer onderneemt en op mijn heilige berg niet langer uw voordeel najaagt, wanneer gij de sabbat uw vreugde noemt en de heilige dag van de Heer eerbiedigt, wanneer gij die dag in ere houdt door niet uw zaken na te gaan en niet uw voordeel te zoeken en geen handel te drijven, dan zult gij vreugde vinden in de Heer; dan voer Ik u alle bergen van de aarde over en laat Ik u genieten van het erfdeel van Jakob, uw vader.” Waarlijk, door de mond van de Heer is dit woord gesproken!

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (5, 27-32)
In die tijd, bij het tolhuis gekomen, richtte Jezus zijn blik op een tollenaar die daar zat, een zekere Levi. Hij zei tot hem: “Volg Mij.” De man stond op, liet alles achter en volgde Hem. Levi nu bood Hem in zijn huis een groot feestmaal aan, waarbij onder anderen talrijke tollenaars met hen aanlagen. De Farizeeën, met name de schriftgeleerden onder hen, morden daarover tegen zijn leerlingen: “Waarom – zeiden ze – eet en drinkt gij met tollenaars en zondaars?” Maar Jezus nam het woord en sprak: “Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen maar om zondaars te roepen, opdat ze zich bekeren.”

Overweging
Hebt u ook wel eens gehoord van het begrip “wellness”? Hierbij gaat het erom een levensstijl te ontwikkelen die bijdraagt aan uw gezondheid en die u minder gevoelig maakt voor ziekten. Een goed wellness-programma omvat een uitgebalanceerd dieet, geregelde oefeningen, de juiste vitaminesupplementen en regelmatige lichamelijke controles – allemaal met de bedoeling om de hele mens nu op een vriendelijke manier te behandelen om te voorkomen dat u later met ziektes te maken krijgt.

Wat heeft dat te maken met de evangelielezing van vandaag? Wel, Jezus zei tegen de Farizeeën en schriftgeleerden: “Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieke wel” (Lucas 5,31). Omdat hij omging met prostituees en andere opvallende zondaars, was Levi waarschijnlijk geestelijk “ziek.” Dus was het alleen maar vanzelfsprekend dat Jezus, de goddelijke geneesheer, zich met hem bezighield.

Niet al Jezus’ leerlingen waren er zo slecht aan toe. Andreas bijvoorbeeld was een toegewijd volgeling van Johannes de Doper voordat hij Jezus ontmoette. En Jakobus en Johannes waren vermoedelijk hardwerkende vissers en gelovige Joden met hart voor hun familie. Hoogstwaarschijnlijk waren deze mannen geestelijk goed in vorm. Maar ze volgden Jezus omdat ze inzagen hoezeer zijn geestelijke medicijn hen kon helpen een nog vollediger, gezonder leven te leiden.

Hoe gezond bent u, geestelijk gezien? Misschien valt u niet in de categorie van de “grote zondaars” waartoe iemand als Levi lijkt te behoren; dan hebt u geen ingrijpende operatie nodig. Maar hoe staat het met die knagende steken en pijnlijke gevoelens die worden veroorzaakt door angst, wrok of “geringe” overtredingen van Gods geboden? Geen van ons is helemaal gezond. We hebben op de een of andere manier allemaal Jezus’ genezende aanraking nodig. En daarom doen we er allemaal goed aan een geestelijk wellness-programma volgen.

Hoe zou zo’n programma eruit kunnen zien? In plaats van om vitamines, vraagt het om een dagelijkse dosis gebed en schriftlezing om ons de energie te geven die we nodig hebben om op de Heer gericht te blijven. Het zou ook oefening vergen – de oefening van onze wil om alles toe te laten wat goed voor ons is en alles af te wijzen wat slecht is. Het houdt ook een vast dieet in van het lichaam en bloed van Christus om ons vervuld te houden van Jezus’ leven en ons verbonden te houden met onze broeders en zusters in de Kerk. Waarom gaat u dan niet vanaf vandaag meedoen met het wellness-centrum van de Heer? U zult er geen spijt van hebben.

Gebed
Heer Jezus, U bent de arts van mijn ziel. Vernieuw mij in Uw liefde zodat ik het leven voluit kan vieren. Amen.

< 1e week van de Veertigdagentijd

< 1e week: zondag

Eerste lezing uit het boek Deuteronomium (26, 4-10)
In die dagen sprak Mozes tot het volk: “De priester neemt dan de korf van u aan en zet hem voor het altaar van de Heer uw God. Dan moet gij, staande voor de Heer uw God, zeggen: Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij is met een klein getal mensen naar Egypte gegaan en, terwijl hij daar als vreemdeling verbleef, een groot, machtig, talrijk volk geworden. Toen de Egyptenaren ons slecht behandelden, ons verdrukten en ons harde slavenarbeid oplegden,hebben wij tot de Heer, de God van onze vaderen, geroepen. En De Heer heeft ons verhoord en zich onze vernedering, ons zwoegen en onze verdrukking aangetrokken. Hij heeft ons uit Egypte geleid met sterke hand, met uitgestrekte arm, onder grote verschrikkingen, tekenen en wonderen. Hij heeft ons naar deze plaats gebracht en ons dit land geschonken, een land van melk en honing. Daarom breng ik nu de eerste vruchten van de grond, die Gij, De Heer, mij hebt geschonken.”
En Mozes voegde eraan toe: “Dan moet ge die voor de Heer uw God neerleggen en u voor Hem neerbuigen.”

Tweede lezing uit de brief aan de Romeinen (10, 8-13)
Dit zegt de Schrift: “het woord is vlak bij, het is in uw mond, het is in uw hart”: het woord namelijk van het geloof, dat wij verkondigen. Want als uw mond belijdt, dat Jezus de Heer is, en uw hart gelooft, dat God Hem van de doden heeft opgewekt, zult gij gered worden. Het geloof van uw hart brengt de gerechtigheid en de belijdenis van uw mond het heil.
Zo zegt het de Schrift: “Niemand die in Hem gelooft zal worden teleurgesteld.” Er bestaat geen verschil tussen Jood en heiden. Zij hebben allen dezelfde Heer, rijk aan gaven voor allen die Hem aanroepen. Want alwie de naam van de Heer aanroept zal gered worden.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (4, 1-13)
In die tijd ging Jezus, vervuld van de heilige Geest, weg van de Jordaan. Hij werd door de Geest naar de woestijn gevoerd, waar Hij veertig dagen verbleef en door de duivel op de proef werd gesteld. Gedurende die dagen at Hij niets en toen ze voorbij waren, kreeg Hij honger. De duivel zei nu tot Hem: “Als Gij de Zoon van God zijt, beveel dan aan die steen daar, dat hij in brood verandert.” Jezus gaf ten antwoord: “Er staat geschreven: De mens leeft niet van brood alleen.” Daarop voerde de duivel Hem omhoog en toonde Hem in een oogwenk alle koninkrijken der wereld, en de duivel sprak tot hem: “Ik zal u alle macht geven over deze heerlijke gebieden, want ze zijn mij geschonken en ik geef ze aan wie ik wil. Als Gij dus in aanbidding voor mij neervalt, zal het in zijn geheel van U zijn.” Toen antwoordde Jezus hem: “Er staat geschreven: De Heer uw God zult Gij aanbidden en Hem alleen dienen.” Daarna bracht de duivel Hem naar Jeruzalem, plaatste Hem op de bovenbouw van een tempelpoort en sprak tot Hem: “Als Gij de zoon van God zijt, werp U dan vanaf deze plaats naar beneden; want er staat geschreven: Aan zijn engelen zal Hij omtrent U het bevel geven U te beschermen en zij zullen U op de handen nemen, opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen.” Maar Jezus gaf hem ten antwoord: “Er is gezegd: Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen.” Toen gaf de duivel al zijn pogingen om Hem te verleiden op en verwijderde zich van Hem tot de vastgestelde tijd.

Overweging
Want als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is, en uw hart gelooft dat God Hem van de doden heeft opgewekt, zult gij gered worden. (Romeinen 10,9)

Elke zondag bij de Eucharistieviering belijden we in het openbaar wat we geloven. Als we de geloofsbelijdenis uitspreken, zeggen we openlijk dat we geloven in de Drievuldigheid, in de maagdelijke geboorte, in Jezus’ dood en opstanding. We spreken ons geloof uit dat de Kerk één, heilig, katholiek en apostolisch is. We vestigen onze hoop op het eeuwige leven. Ja, elke zondag belijden we inderdaad met onze mond dat “Jezus de Heer is” (Romeinen 10,9).

Maar, geloven met ons hart, hoe staat het daarmee? De Schrift zegt dat het hart het middelpunt van ons wezen is. Het is de plaats waar onze diepste verlangens wonen, maar ook de plaats waar we de belangrijkste beslissingen nemen. Geloven met ons hart betekent dus dat we besluiten ons over te geven aan de Heer die voor ons is gestorven en verrezen. Het betekent dat we de Heer liefhebben en besluiten zijn wegen te volgen.

Elke keer wanneer we tijdens de Eucharistieviering de geloofsbelijdenis uitspreken, kunnen we ook peilen hoezeer we in ons hart overtuigd zijn van de woorden die we spreken. In de vroege Kerk waren de christenen bereid er hun leven voor te geven, voor het belijden met hun lippen en het geloven met hun hart. Zoveel betekende het geloof voor hen. Vandaag de dag staan we voor soortgelijke uitdagingen. Ons leven mag dan niet op het spel staan, maar ons hart wel. Komen we voor ons geloof uit in deze wereld? Of laten we ons door de wereld voorschrijven hoe we mogen geloven?

Zorg ervoor dat u, wanneer u vandaag de geloofsbelijdenis uitspreekt bij de Eucharistieviering, hem zowel uiterlijk met uw lippen uitspreekt als innerlijk met uw hart. Zeg tegen de Heer: “Ik geloof in U. Ik vertrouw op U met heel mijn hart. Dank U voor alles wat U voor mij hebt gedaan.” Hoe meer u van deze geloofsbelijdenis in uw hart hebt, hoe meer u uw geloof zult zien groeien. En wanneer uw geloof toeneemt, zult u ontdekken dat u meer medeleven, meer liefde en meer ijver bezit om Jezus te delen met de mensen in uw omgeving.

Gebed
Kom Heer, en versterk mijn geloof in deze Veertigdagentijd. Ik wil U beter kennen en U beter dienen. Amen.

< 1e week: maandag

Eerste lezing uit het boek Leviticus (19, 1-2+11-18)
De Heer sprak tot Mozes: “Zeg tot heel de gemeenschap van de Israëlieten: Wees heilig, want Ik, de Heer uw God, ben heilig. Gij moogt elkaar niet bestelen, niet beliegen en niet bedriegen. Ge moogt mijn naam niet gebruiken voor meineed, want dan ontwijdt ge de naam van uw God. Ik ben de Heer. Gij moogt uw naaste niet uitbuiten en hem in niets te kort doen. Wat een dagloner verdient moogt ge niet vasthouden tot de volgende morgen. Gij moogt een dove niet vervloeken en een blinde niets in de weg leggen, waarover hij struikelen kan. Ge moet ontzag hebben voor uw God. Ik ben de Heer. Wees niet partijdig bij het rechtspreken: begunstig de arme niet en zie de rijke niet naar de ogen. Spreek rechtvaardig recht over uw volksgenoten. Strooi geen lasterpraat rond over elkaar en sta uw naaste niet naar het leven. Ik ben de Heer. Wees niet haatdragend tegen uw broeder. Wijs elkaar terecht: dan maakt ge u niet schuldig aan de zonde van een ander. Neem geen wraak op een volksgenoot en koester geen wrok tegen hem. Bemin uw naaste als uzelf. Ik ben de Heer.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (25, 31-46)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Wanneer de Mensenzoon komt in zijn heerlijkheid en vergezeld van alle engelen, dan zal Hij plaats nemen op zijn troon van glorie. Alle volken zullen voor Hem bijeengebracht worden en Hij zal ze in twee groepen scheiden, zoals de herder een scheiding maakt tussen schapen en bokken. De schapen zal Hij plaatsen aan zijn rechterhand, maar de bokken aan zijn linker. Dan zal de Koning tot die aan zijn rechterhand zeggen: Komt, gezegenden van mijn Vader, en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is vanaf de grondvesting der wereld. Want Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven. Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen, Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed, Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht, Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed? En wanneer zagen we U ziek of in de gevangenis en zijn U komen bezoeken? De Koning zal hun ten antwoord geven: Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan. En tot die aan zijn linkerhand zal Hij dan zeggen: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur dat bereid is voor de duivel en zijn trawanten. Want Ik had honger en gij hebt Mij niet te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij niet te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij niet opgenomen, naakt en gij hebt Mij niet gekleed; Ik was ziek en in de gevangenis en gij zijt Mij niet komen bezoeken. Dan zullen ook zij antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien of dorstig als vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis, en hebben wij niet voor U gezorgd? Daarop zal Hij hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij niet voor een van deze geringsten hebt gedaan, hebt gij ook voor Mij niet gedaan. En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven.”

Overweging
Ik ben de HEER. . . . Ik ben de HEER. . . . Ik ben de HEER. . . . Ik ben de HEER.

Krijgt u ook niet de indruk dat God ons hier iets heel duidelijk wil maken? Na elke reeks geboden over hoe de Israëlieten met elkaar om moeten gaan, zegt Hij steeds: “Ik ben de Heer.”(Leviticus 19,12+14+16+18). Houdt dit in dat Hij een soort zelfingenomen godheid is die ons hersenspoelt met zijn superioriteitsbesef? Absoluut niet! Hij laat ons weten dat elk gebod dat Hij ons geeft een afspiegeling is van zijn heiligheid, een heiligheid die wij ons ook mogen toe-eigenen. Hij laat ons weten dat we, als we willen weten wie God werkelijk is, alleen maar naar deze geboden hoeven te kijken.

Door zoveel nadruk te leggen op broederliefde, respect en eerbied, laat God ons zien dat Hij zelf een Vader is die al zijn kinderen gelijk behandelt. Wij moeten eerbied tonen omdat dat is wat Hij zelf doet, en Hij is “de HEER”. Het is niet verwonderlijk dat zijn schepping het beste werkt als ze in overeenstemming is met zijn natuur. Als zijn kinderen mogen we niet verwachten dat we echt geluk vinden tenzij we elkaar op dezelfde manier behandelen als Hij ons behandelt.

En toch falen we nog. In het heetst van de strijd verliezen we het zicht op Gods goedheid voor ons en zijn we ongehoorzaam aan Hem door onvriendelijk te zijn tegen de mensen om ons heen. Maar God blijft zichzelf trouw en is niet op zoek naar wraak en koestert geen wrok. Hij doet voor ons precies wat Hij de Israëlieten opdraagt om voor elkaar te doen. Hij vergeeft ons. Hij biedt ons zijn leven en liefde aan. Hij biedt ons nog steeds de vreugde van een hemel op aarde aan als we Hem maar in ons hart willen accepteren.

Is dat niet verbazingwekkend? Hij is de almachtige God, maar Hij speelt niet de baas over ons. Hij is de Ongeschapen Schepper, maar Hij vernedert zich om zijn leven met ons te delen. Als onze God ons zo behandelt, hoeveel te meer moeten wij dan elkaar rechtvaardig en barmhartig behandelen!

Gebed
Vader in de hemel, ik geef me over aan uw waarheid en liefde. Stort uw Geest in me uit opdat ik mag zien welke dingen ik moet veranderen. Maak me heilig en help me om altijd in uw licht te leven.

< 1e week: dinsdag

Eerste lezing uit het boek Jesaja (55, 10-11)
Zo spreekt God de Heer: “Zoals de regen en de sneeuw uit de hemel vallen en daar pas terugkeren, wanneer zij de aarde hebben gedrenkt, haar hebben bevrucht zodat zij groen wordt, wanneer zij het zaad aan de zaaier hebben gegeven en het brood aan de eter, zo zal het ook gaan met het woord dat komt uit mijn mond; het keert niet vruchteloos naar Mij terug; het keert pas terug wanneer het mijn wil volbracht heeft en zijn zending heeft vervuld.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (6, 7-15)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Als gij bidt, gebruik dan geen omhaal van woorden, zoals de heidenen, want deze menen dat zij door hun veelheid van woorden verhoring zullen vinden. Volgt hun voorbeeld dus niet na, want voordat gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt. Gij moet daarom zo bidden: Onze Vader die in de hemel zijt, Uw Naam worde geheiligd; Uw Rijk kome, Uw wil geschiede Op aarde zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood. En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven hebben aan onze schuldenaren. En leid ons niet in bekoring, maar behoed ons voor het kwaad. Want als gij aan de mensen hun fouten vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar als gij niet vergeeft aan de mensen, zal ook uw hemelse Vader uw fouten niet vergeven.”

Overweging
Er zijn meer dan 474.000 boeken over bidden te koop. En meer dan 23.000 daarvan waren van het type “hoe doe je dat”. Dat is veel leesstof voor als je een gebedsdeskundige wilt worden! Wat een troost dat Jezus de voornaamste punten afdeed in acht korte verzen! Hij maakte het eenvoudig. Bid om uw hemelse Vader te kennen, zijn wil, zijn gaven, zijn vergeving, zijn verlossing en zijn bescherming. En boven aan de lijst staan drie eenvoudige woorden: “Uw koninkrijk kome.”

Jezus leerde ons de Vader te vragen dat zijn eeuwige, onwankelbare, hemelse koninkrijk zich zou mogen uitstrekken tot onze tijdelijke, wankele, aardse levens. Dat is goed. Het koninkrijk van God is voor ons bedoeld, niet alleen maar voor Jezus en de engelen! Hij wil dat wij de zegeningen van zijn koninkrijk ervaren zelfs in ons dagelijks leven hier en nu. Door ons op te dragen om het koninkrijk te bidden, zegt Jezus: “Vraag het mijn Vader maar. Richt je hart en je gedachten op het koninkrijk, zodat je steeds wanneer je je tot Hem wendt, kunt vragen: ‘Uw koninkrijk kome.’

Soms zien we een glimp van Gods koninkrijk wanneer we iemand genezen of getroost zien worden door het gebed; wanneer we bevrijd worden uit de klauwen van een verslaving, verbittering of schaamte; wanneer we na het Sacrament van Verzoening weten dat we volledig vergeven zijn. Het koninkrijk wordt zichtbaar door de levens van hen die zorg dragen voor de minsten onder ons. We zien het wanneer er gerechtigheid wordt gedaan in onze woonplaats, in onze kerk en in ons land. Wanneer mensen leven in eenheid, eenvoud en vrede, hebben we iets gezien van het koninkrijk van God.

Maar hoe veelomvattend het ook is, het koninkrijk van God komt tot stand op basis van een persoonlijke één-op-één relatie – de relatie van een kind met zijn vader. Dat is een relatie van eerbied, ontzag, vertrouwen en vertrouwelijkheid. Het koninkrijk van de wereld roept: “Je bent een persoon met eigen rechten! Wees onafhankelijk! Vertrouw niemand!” Maar burgers van het koninkrijk van God zeggen: “Vader, U bent heilig! Mag uw wil gedaan worden hier en nu!” Daar bidden we om als we zeggen: “Uw koninkrijk kome” – dat we elke dag genezing, bevrijding en gerechtigheid mogen zien; dat we recht, vrede en blijdschap mogen ervaren; en dat we mogen leven met krachtige blijken van de heilige Geest terwijl het koninkrijk baan breekt!

Gebed
Vader, laat Uw koninkrijk komen! Mogen we vandaag allemaal Uw overvloedige gaven ervaren. Amen.

< 1e week: woensdag

Eerste lezing uit het boek Jona (3, 1-10)
Het woord van de Heer werd tot Jona gericht: “Sta op, ga naar Nineve, de grote stad Nineve, en zeg haar aan wat Ik u te zeggen heb gegeven.” En Jona stond op en ging naar Nineve, zoals de Heer bevolen had. Nineve was een geweldig grote stad; drie dagen had men nodig om er doorheen te trekken. Jona begon de stad in te gaan, één dagreis ver. Toen riep hij: “Veertig dagen nog, en Nineve wordt met de grond gelijk gemaakt!” Maar de Ninevieten zochten hun steun bij God; zij riepen een vasten uit en allen, van groot tot klein, trokken zij boetekleren aan. Het woord van Jona kwam ook de koning van Nineve ter ore; hij stond op van zijn troon, legde zijn staatsiegewaad af, trok een boetekleed aan en zette zich neer in het stof. Hij liet in Nineve omroepen: “Op last van de koning en van zijn rijksgroten! Mensen en dieren, grootvee en kleinvee, zij mogen niets eten, zij mogen niet grazen en geen water drinken. Mensen en dieren moeten zich in boetekleren hullen en uit alle macht tot God roepen; ieder moet terugkomen van zijn heilloze wegen en van de ongerechtigheid, die aan zijn handen kleeft. Wie weet of God dan niet terugkomt op zijn besluit en daar spijt van krijgt; wie weet of Hij niet terugkomt op zijn vlammende toorn, zodat wij niet te gronde gaan!” En God zag wat zij deden; Hij zag hoe zij terugkwamen van hun heilloze wegen. En God kreeg spijt, dat Hij hen met dat onheil bedreigd had. Hij bracht het niet ten uitvoer.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (11, 29-32)
In die tijd, toen het volk samenstroomde, begon Jezus te spreken: “Dit geslacht is een verdorven geslacht; het verlangt een teken, maar geen ander teken zal het gegeven worden dan het teken van Jona. Zoals namelijk Jona een teken werd voor de Ninevieten, zo zal ook de Mensenzoon het zijn voor dit geslacht. De koningin van het Zuiden zal bij het oordeel opstaan samen met de mensen van dit geslacht en hen veroordelen, want zij kwam van het uiteinde der aarde om te luisteren naar de wijsheid van Salomo; welnu hier is meer dan Salomo. De mensen van Nineve zullen bij het oordeel opstaan samen met dit geslacht en het veroordelen, want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona: welnu, hier is meer dan Jona.”

Overweging
De Veertigdagentijd wordt in het Engels aangeduid met het woord “Lent”. Dat woord heeft dezelfde Germaanse oorsprong als ons woord “lente.” Het is een prachtig woord dat direct doet denken aan nieuw leven. Maar er zijn nog meer associaties. Bij lente kunnen we ook denken aan de voorjaarschoonmaak – een hele klus die meer en meer in onbruik lijkt te raken. Geen wonder dat de Veertigdagentijd en de lente met elkaar te maken hebben! Net als de lente is ook de Veertigdagentijd een tijd van vernieuwing en nieuw leven, en een tijd om eens flink schoon te maken. Het is een prima gelegenheid om geestelijk de balans op te maken en dingen op te ruimen die ons leven belasten en onze relatie met Jezus in de weg staan.

Het belangrijkste gereedschap waarover we voor deze schoonmaak beschikken, is het Sacrament van Verzoening. Bij de biecht komen we open en eerlijk tot de Heer; we bekennen onze zonden en ontvangen zijn genade. Bij de biecht kunnen we ook Jezus’ genezende kracht ontvangen, zoals de lente de naargeestigheid van de winter verandert in een heel palet van kleuren. We werpen de overblijfsels van onze oude daden van ongehoorzaamheid af zodat Jezus ons een nieuw hart kan geven – een zachtmoedig hart dat zich verheugt in zijn wetten en wegen.

Het is dan ook goed dat de Veertigdagentijd begint met een symbool van berouw: het aanbrengen van as op ons voorhoofd. Maar de Veertigdagentijd is veel meer dan alleen de as op ons voorhoofd die maar één dag blijft zitten. Er is zoveel meer dan onze daden van vasten, bidden en aalmoezen. Er is ook Gods werk in ons, zijn kracht die ons gaat veranderen wanneer we tot Hem komen. De Veertigdagentijd draait niet alleen om het opgeven van dingen of het belijden van onze zonden. Het gaat erom dat we nog meer veranderd worden in het beeld van Jezus zelf!

De mensen in Jezus’ omgeving vroegen om een teken dat Hij de Messias was. Jezus zei daarop dat het enige teken dat ze zouden ontvangen, het “teken van Jona” was, en dat was het berouw en de bekering van de Ninevieten toen Jona hun zijn boodschap bracht. Ons berouw en onze bekering kunnen ook een teken zijn voor de wereld. Als we deze Veertigdagentijd alles uit het Sacrament van Verzoening halen wat erin zit dan zullen we veranderen. We zullen aan de mensen in onze omgeving laten zien dat God echt de macht bezit om te genezen en te veranderen.

Gebed
Vader, ik prijs U om Uw barmhartigheid en liefde. Zie om naar mij, een arme zondaar die U om vergeving smeekt. Geef dat mijn leven voor allen die ik ontmoet op mijn reis naar U toe een verwijzing mag zijn naar Jezus, Uw Zoon. Amen.

< 1e week: donderdag

Eerste lezing uit het boek Ester (14, 1+3-5+12-14)
In die tijd nam koningin Ester in doodsnood haar toevlucht tot de Heer: Zij bad aldus tot de God van Israël: “Mijn Heer, onze koning, Gij zijt de enige! Kom mij te hulp, mij die alleen sta en geen andere helper heb dan U, want ik ga een groot gevaar tegemoet. Van mijn geboorte af heb ik in de stam waaruit ik voortkom gehoord, dat Gij, Heer, uit alle volken Israël en uit al hun voorouders onze vaderen hebt aangenomen als een blijvend erfdeel en dat Gij voor hen alles hebt gedaan wat Gij beloofd hadt. Gedenk ons, Heer, openbaar U in het uur van onze nood en geef mij moed, Gij koning van de goden en heerser over alle heerschappij. Leg mij een gelukkig woord in de mond, als ik sta tegenover de leeuw; verander zijn gezindheid en breng hem tot haat tegen de man die ons bestrijdt, zodat hij en zijn medestanders te gronde gaan. Red ons door uw hand en kom mij te hulp, want ik sta alleen en heb niemand anders dan U, Heer.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (7, 7-12)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en ge zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan. Want al wie vraagt, verkrijgt; wie zoekt, vindt en voor wie klopt, doet men open. Of is er wel iemand onder u die zijn zoon een steen zal geven als hij om brood vraagt?Of een slang wanneer hij vraagt om een vis? Als gij dus, ofschoon gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal dan uw Vader die in de hemel is, het goede geven aan wie Hem daarom vragen. Alles, wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doet dat ook voor hen. Dat is Wet en Profeten.”

Overweging
Probeert u zich eens een mooi cadeau voor de geest te halen dat u als kind gekregen hebt voor uw verjaardag. Misschien een nieuwe fiets, of een pop die u graag wilde hebben. Bedenk eens hoe blij u ermee was. Maar lang voor uw volgende verjaardag was het nieuwe eraf en keek u al weer uit naar iets anders. Hoe ouder u werd, hoe minder waarde u ging hechten aan grote cadeaus. Hoewel u ze op prijs stelt, weet u dat ze u niet echt gelukkig zullen maken. U bent op zoek naar iets meer.

Over dat “iets meer” spreekt Jezus hier met zijn leerlingen. Wanneer Hij God vergelijkt met een vader of moeder die goede gaven geeft aan zijn of haar kinderen, weet Hij dat deze vergelijking tekortschiet. Maar dat bedoelde Hij waarschijnlijk ook, omdat Hij wilde dat zijn leerlingen aanvoelden hoeveel groter Gods liefde is dan welke aardse gave die ze maar konden ontvangen. Natuurlijk zal God in hun behoeften voorzien, maar de gaven die Hij voor ze heeft, overstijgen de materiële behoeften.

Wat zijn dan die ongrijpbare gaven die de Vader voor ons heeft? We kunnen vermoedelijk het best beginnen met de grootste gave van allemaal, de gave van de heilige Geest. Het is de heilige Geest die ons de kracht geeft om onze zwakheden te overwinnen en voor de wereld te getuigen van Christus’ aanwezigheid. En hoewel de Geest onzichtbaar is, zijn deugden als vrede, geduld, vriendelijkheid, aandacht en zelfbeheersing dat niet. Dat zijn de vruchten van zijn werk in ons hart en geen enkele hoeveelheid geld of bezit evenaart datgene wat deze kunnen doen om ons leven en onze omgeving te veranderen.

Hoe vaak op een dag hebt u te maken met iets waar u niet tegen op lijkt te kunnen? Dat zijn de momenten waarop we ons tot God moeten wenden en Hem moeten vragen om een dieper besef van zijn liefde en bemoediging. Dat zijn de momenten waarop we zijn cadeau van de heilige Geest open moeten maken om de vrede, kracht en wijsheid te ontvangen die alleen Hij kan geven. Bedenk dat de heilige Geest, die op Pinksteren over de apostelen kwam, nooit is weggegaan! Hij is vandaag nog springlevend en houdt heel veel van u. Roep Hem daarom vandaag aan en zie hoe Hij u helpt om in Christus “glansrijk te zegevieren”! (Romeinen 8,37).

Gebed
Heer, ik heb de ervaring van Uw liefde en kracht nodig. Kom Heilige Geest, en maak dat mijn woorden en daden getuigen van de werkelijkheid van Uw genade. Amen.

< 1e week: vrijdag

Eerste lezing uit het boek Ezechiël (18, 21-28)
Zo spreekt God de Heer: “Wanneer de boosdoener zich afkeert van al de zonden die hij heeft bedreven, wanneer hij al mijn geboden onderhoudt en handelt naar recht en wet, dan zal hij leven, zeker leven en hij zal niet sterven. Van al de wandaden die hij bedreven heeft wordt hem er geen meer toegerekend en vanwege de gerechtigheid die hij betracht heeft zal hij leven. Zou Ik soms behagen vinden in de dood van een boosdoener – luidt de godsspraak van de Heer – en niet veeleer daarin, dat hij zich afkeert van zijn wegen en in leven blijft? Maar wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en verkeerde dingen gaat doen, wanneer hij al de afschuwelijkheden bedrijft die de boosdoener begaat, moet hij dan in leven blijven? Neen, van al de rechtvaardige daden, die hij verricht heeft, wordt hem er geen meer toegerekend, en vanwege de ontrouw die hij getoond heeft, vanwege de zonde die heeft bedreven, zal hij moeten sterven. Gij beweert: ‘De weg van de Heer is niet recht!’ Huis van Israël, luister toch! Zou het werkelijk mijn weg zijn die niet recht is? Zijn niet veeleer uw eigen wegen niet recht? Als een rechtvaardige zich van zijn eigen rechtvaardigheid afkeert en kwaad gaat doen, dan zal hij daaraan sterven, sterven om het kwaad dat hij gedaan heeft. En als de boosdoener zich van zijn boze daden afkeert en gaat handelen naar rechtschapenheid en deugd, dan zal hij in leven blijven. Als hij tot inzicht komt en zich afkeert van zijn slechte daden, dan blijft hij zeker in leven, dan zal hij niet sterven.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (5, 20-26)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Als uw gerechtigheid die van de schriftgeleerden en Farizeeën niet ver overtreft, zult gij zeker niet binnengaan in het Rijk der hemelen. Gij hebt gehoord, dat tot onze voorouders is gezegd: Gij zult niet doden. Wie doodt zal strafbaar zijn voor het gerecht. Maar Ik zeg u: Al wie vertoornd is op zijn broeder, zal strafbaar zijn voor het gerecht. En wie tot zijn broeder zegt: raka, zal strafbaar zijn voor het Sanhedrin, en wie zegt dwaas, zal strafbaar zijn met het vuur van de hel. Als gij uw gave komt brengen naar het altaar en daar schiet u te binnen dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave voor het altaar achter, ga u eerst met uw broeder verzoenen en kom dan terug om uw gave aan te bieden. Haast u het eens te worden met uw tegenpartij, zolang ge nog met hem onderweg zijt; anders zou uw tegenpartij u wel eens aan de rechter kunnen overleveren, en de rechter u aan de gerechtsdienaar, en zoudt gij in de gevangenis worden geworpen. Voorwaar, Ik zeg u: Ge zult daar niet uitkomen, voordat ge tot de laatste penning hebt betaald.”

Overweging
…. al wie vertoornd is op zijn broeder, zal strafbaar zijn voor het gerecht……en wie zegt dwaas, zal strafbaar zijn met het vuur van de hel. (Matteüs 5, 22)

Harde woorden zijn dat. Maar de bedoeling van deze woorden is alleen om te laten zien hoezeer God wil dat al zijn kinderen samenleven in liefde, respect en eerlijkheid. Voor Jezus is eenheid een van de hoogste deugden, een van de belangrijkste levensbeginselen.

Bent u wel eens boos geweest? Herinnert u zich dat uw vader of moeder wel eens boos was? Wat gebeurde er met de rest van het gezin? Waarschijnlijk had het een negatief effect op het hele gezin omdat iedereen er boos en ongeduldig van werd. Als dit de overheersende sfeer in huis was, is het niet meer dan vanzelfsprekend dat vervreemding en eenzaamheid er voet aan de grond kregen.

Leerling van Jezus zijn houdt in dat je bent zoals Jezus. Hij was er altijd op uit aan de tekortkomingen van anderen voorbij te zien. Jezus keek in hun hart en had daar een ontmoeting met hen. En omdat Hij in hun hart zag – hun verlangens, behoeften, pijn, dromen en hoop, kon Hij met velen een relatie aangaan en hen bij God brengen. Zijn tegenstanders daarentegen keken eerder naar de gebreken van de mensen, waardoor ze alleen maar barrières opbouwden tussen hen en God.

Het is van levensbelang dat we de eenheid zoeken. We moeten vergeven. We moeten boosheid laten varen. We hoeven niet te doen alsof we niet gekwetst waren of dat de ander niet fout zat. We hoeven alleen te besluiten met onze pijn naar God te gaan ons best te doen om te vergeven. God zal ons hart veranderen, zelfs als wij het niet kunnen. St. Johannes van het Kruis heeft eens gezegd dat we aan de avond van ons leven zullen worden beoordeeld naar de liefde. Bedenk eens hoe ongelooflijk dat is. We zullen niet worden beoordeeld naar de hoeveelheid geld die we hebben gegeven, hoeveel gebedsbijeenkomsten we hebben bijgewoond, hoeveel werk we hebben gedaan in de tuin van de kerk, maar hoeveel we hebben liefgehad. En dat is iets wat we met Gods hulp allemaal kunnen!

Gebed
Hemelse Vader, stort vandaag Uw genade en barmhartigheid over me uit. Help me om een positieve invloed te hebben op mijn familie en vrienden. Jezus, ik geef U al mijn pijn en wrok, laat me Uw genezing voelen en geef dat ik aan anderen de diepe liefde mag tonen die U aan mij hebt getoond. Amen.

< 1e week: zaterdag

Eerste lezing uit het boek Deuteronomium (26, 16-19)
Mozes sprak tot het volk: “Heden gebiedt de Heer uw God u deze voorschriften en bepalingen te volbrengen. Gij moet ze stipt ten uitvoer brengen, met heel uw hart en heel uw ziel.Gij hebt heden van de Heer de verzekering gekregen, dat Hij uw God zal zijn, als gij tenminste zijn wegen gaat, zijn voorschriften, geboden en bepalingen onderhoudt en naar Hem luistert. En de Heer heeft heden van u de verzekering gekregen, dat gij, zoals Hij beloofd heeft, zijn eigen volk zult zijn en al zijn geboden zult onderhouden. Daarom zal Hij aan u groter eer, faam en luister schenken dan aan de andere volken, die Hij geschapen heeft, en zult gij een volk zijn dat de Heer uw God is toegewijd, zoals Hij beloofd heeft.”

Psalm 119, 1-2+4-5+7-8
Gelukkig die voortgaan volgens de wet van de Heer

Gelukkig degenen wier levensweg rein is,
die voortgaan volgens de wet van de Heer.
Gelukkig die acht slaan op wat Hij verordent,
Hem zoeken met heel hun hart.

Gelukkig die voortgaan volgens de wet van de Heer

Gij hebt Uw bevelen gegeven
opdat men ze trouw volbrengt.
Mogen mijn wegen recht zijn,
gericht op wat Gij beschikt.

Gelukkig die voortgaan volgens de wet van de Heer

Ik zal U in alle oprechtheid loven,
Aanvaardend wat Gij hebt bepaald.
Aan Uw beschikkingen zal k mij houden;
Laat Gij mij dan niet alleen.

Gelukkig die voortgaan volgens de wet van de Heer

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (5, 43-48)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult uw naaste beminnen en uw vijand haten. Maar ik zeg u: Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel, die immers de zon laat opgaan over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Want als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon hebt gij dan? Doen de tollenaars niet hetzelfde? En als gij alleen uw broeders groet, wat voor buitengewoons doet gij dan? Doen de heidenen dat ook niet? Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is.”

Overweging
Gelukkig die acht slaan op wat Hij verordent, Hem zoeken met heel hun hart. (Psalm 119,2)

We willen allemaal Gods geboden onderhouden, maar dat is niet altijd gemakkelijk. Gods wetten zijn een voorrecht en een geschenk – wat de psalmist in deze verzen op welsprekende wijze tot uitdrukking brengt. Maar ze stellen ook grenzen aan onze verlangens en neigingen. Ze vormen de weg naar ware vrijheid, maar soms voelt het heel anders aan alsof God niet wil dat we krijgen wat we echt graag willen.

Maar de psalmist biedt een oplossing voor deze situatie: hij zegt dat we de Heer moeten zoeken met heel ons hart. Hij weet dat we, wanneer we ons van harte toeleggen op het zoeken van de Heer – en niet maar doen alsof – Hem zullen vinden.

Hoe zoekt u de Heer met heel uw hart? Misschien kunt u een of twee dagen per week een half uur vroeger opstaan, terwijl het nog stil is in huis, en tijd nemen om te bidden. Misschien kunt u de andere dagen nog een half uur vrijmaken om de Bijbel te lezen en te overwegen. Of u kunt proberen een paar maal per week naar een Eucharistieviering te gaan en achteraf nog even nablijven om met de Heer te praten.

Als we dat regelmatig doen dan zullen we leren “naar Hem te luisteren” (Deuteronomium 26,17). En we zullen God het volgende tegen ons horen zeggen: “Ja, het is waar. Niet alleen heb Ik van eeuwigheid van u gehouden, Ik verheug me ook in u!” Dat is een boodschap die ons leven verandert en die we steeds weer moeten horen. En wanneer we deze boodschap horen, zullen we ontdekken dat we erop willen reageren door te proberen de Heer te behagen in alles wat we doen. We zullen ontdekken dat Gods wensen – dat we heilig worden, dat we liefhebben zoals Hij liefheeft, dat we zijn koninkrijk op aarde bouwen – onze wensen zijn geworden.

Is dat niet verbazingwekkend? Er kan zoveel gebeuren als we de Heer zoeken. Niet alleen horen we zijn stem en kennen we zijn liefde, we zijn veranderd! We gaan zijn wetten zien als een geschenk aan ons, en niet als een last. We ontdekken dat we Hem willen gehoorzamen omdat we weten dat Hij alleen het beste met ons voor heeft.

Gebed
Heer, ik zoek U met heel mijn hart. Luisteren naar Uw stem en U gehoorzamen is mijn vreugde. Dank U voor Uw liefde. Amen.

< 2e week van de Veertigdagentijd

< 2e week: zondag

Eerste lezing uit het boek Genesis (15, 5-12+17-18)
In die dagen leidde God hem naar buiten en zei: “Kijk naar de hemel en tel de sterren, als ge kunt.” En Hij verzekerde hem: “Zo talrijk wordt uw nageslacht.” Abram geloofde de Heer, en Deze rekende hem dat als gerechtigheid aan. Toen zei God tot hem: “Ik ben de Heer, die u uit Ur in Chaldea heb geleid om u dit land in bezit te geven.” Abram vroeg: “Heer God, hoe kan ik weten dat ik het inderdaad zal krijgen?” Hij zei tot hem: “Haal een driejarige koe, een driejarige bok, een driejarige ram, een tortel en een jonge duif.” Abram haalde dit alles, sneed de dieren middendoor, en legde de stukken tegenover elkaar; alleen de vogels sneed hij niet door. Er kwamen roofvogels op de dode dieren af, maar Abram joeg ze weg. Bij zonsondergang viel Abram in een diepe slaap; hevige angst en duisternis overviel hem. Toen de zon was ondergegaan, en het helemaal donker was geworden, zag Abram een rokende oven en een vurige fakkel die tussen de stukken door ging. Op die dag sloot de Heer een verbond met Abram. Hij zei: “Aan uw nakomelingen schenk Ik dit land, vanaf de beek van Egypte tot aan de grote rivier, de Eufraat.”

Tweede lezing uit de brief aan de Filippenzen (3, 17-4,1)
Broeders en zusters, volgt mij na en houdt hen voor ogen die zich gedragen naar het voorbeeld dat ik u gegeven heb. Want ik heb u er al vaak over gesproken en moet het nu onder tranen herhalen: velen leiden een leven dat hen indeelt bij de vijanden van Christus’ kruis. Zij zijn op weg naar de ondergang, hun buik is hun God, in hun schande stellen zij hun eer, zij hebben hun zinnen gezet op het aardse. Maar ons vaderland is in de hemel, en uit de hemel verwachten wij onze Verlosser, de Heer Jezus Christus. Hij zal ons armzalig lichaam herscheppen en het gelijkvormig maken aan zijn verheerlijkt lichaam, met dezelfde kracht die Hem in staat stelt het heelal aan zich te onderwerpen. Daarom, mijn beminde broeders en zusters, naar wie ik zo verlang, mijn vreugde en mijn kroon, houdt aldus stand in de Heer, mijn geliefden.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (9, 28-36)
In die tijd nam Jezus Petrus, Johannes en Jakobus met zich mee en besteeg de berg Tabor om er te bidden. Terwijl Hij in gebed was, veranderde zijn gelaat van aanblik en werden zijn kleren verblindend wit. En zie, twee mannen waren met Hem in gesprek; het waren Mozes en Elia die in heerlijkheid verschenen waren en spraken over zijn heengaan, dat Hij in Jeruzalem zou voltrekken. Petrus en zijn metgezellen waren intussen door slaap overmand. Klaar wakker geworden zagen zij zijn heerlijkheid en de twee mannen die bij Hem stonden. Toen dezen van Hem heen wilden gaan, zei Petrus tot Jezus: “Meester, het is goed dat wij hier zijn. Laten we drie tenten bouwen, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.” Maar hij wist niet wat hij zei. Terwijl hij zo sprak, kwam er een wolk die hen overschaduwde. Toen de wolk hen omhulde, werden zij door vrees bewogen. Uit de wolk klonk een stem die sprak: “Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene, luistert naar Hem!” Terwijl de stem weerklonk, bemerkten zij dat Jezus alleen was. Zij zwegen erover en verhaalden in die tijd aan niemand iets van wat zij gezien hadden.

Overweging
Wie kan vergeten hoe Abraham met God “onderhandelde” toen hij het opnam voor de bewoners van Sodom en Gomorra? Dat was nogal vrijpostig, vindt u niet? Maar denk ook aan de manier waarop David, Job, Jesaja en Paulus allemaal spraken met de Heer. En we hebben allemaal gehoord van Maria’s gesprek met de engel Gabriël. Hoe meer je in de Bijbel kijkt, hoe meer verhalen je feitelijk vindt over gewone mensen die letterlijk spreken met – en de stem vernemen van – de almachtige God. Op bijna elke bladzijde van de Bijbel!

Al deze ontmoetingen met God worden samengevat en vinden hun hoogtepunt in het verhaal van Jezus’ gedaanteverandering. Als geen van de andere verhalen in de Bijbel ons kan overtuigen, kan deze verbazingwekkende gebeurtenis ons misschien helpen geloven dat communicatie met de hemel echt mogelijk is.

Het verhaal van de gedaanteverandering van Jezus brengt ons tot het stellen van een belangrijke vraag: houdt mijn ervaring bij de Eucharistie, in het gebed of terwijl ik de Schrift lees, in dat ik de invloed van Jezus onderga? Is het zo dat ik iets kan horen van de hemel en kan veranderen door wat ik hoor? Zo ja, dan is dat een fantastische belofte! We weten misschien niet precies hoe het voelt als Jezus tegen ons spreekt, maar er zijn een paar aanwijzingen waar we op kunnen letten.

Misschien voelt u in uw hart een verlangen om Jezus te prijzen en Hem te bedanken voor zijn liefde. Misschien voelt u een toenemende afkeer van de zonde en de manier waarop die u scheidt van de vrede van Christus. U kunt een sterk gevoel van geluk, vrede of blijdschap voelen – met name na het ontvangen van de Eucharistie. Of u voelt zich mogelijk gedrongen tot meer liefdebetoon aan uw gezin. Of u ervaart misschien een toenemend verlangen om de Heer te dienen, of het nu is in uw parochie, in uw gebedsgroep of in uw gemeenschap. Negeer deze gevoelens niet! Jezus werkt op veel manieren en hoe meer we op Hem reageren, hoe meer vertrouwen we zullen hebben in zijn liefde.

Gebed
Jezus, ik vertrouw erop dat U mijn gebeden hoort en daarom blijf ik tot U komen. Heer, ik vertrouw erop dat U me de wijsheid en genade geeft om een leven te leiden dat U behaagt. Amen.

< 2e week: maandag

Eerste lezing uit het boek (Daniël 9, 4-10)
Ach Heer, grote en geduchte God, die het verbond gestand doet en vol erbarmen zijt voor hen die U liefhebben en uw geboden volbrengen; Wij hebben gezondigd en kwaad gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld en zijn weerspannig geweest, wij zijn afgeweken van uw geboden en wetten; wij hebben niet geluisterd naar uw dienaren, de profeten, die in uw naam gesproken hebben tot onze koningen, hoogwaardigheidsbekleders, familiehoofden en tot heel de gezeten bevolking van het land. Heer, Gij staat in uw recht, maar wij hebben reden om ons te schamen en we staan nu ook beschaamd, wij, de mannen van Juda, de inwoners van Jeruzalem en heel Israël, zowel degenen die dichtbij als die veraf wonen in de landen waarheen Gij hen verstoten hebt, omdat zij U ontrouw geworden zijn. Heer, wij moeten ons schamen, wij, onze koningen, onze hoogwaardigheidsbekleders en onze familiehoofden, omdat wij tegen U gezondigd hebben. Moge de Heer onze God barmhartig zijn en vergevingsgezind, want wij zijn weerspannig geweest tegen Hem en we hebben niet geluisterd naar de Heer onze God en niet geleefd naar de geboden die Hij ons door zijn dienaren, de profeten, gegeven heeft.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (6, 36-38)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Weest barmhartig, zoals uw Vader barmhartig is. Oordeelt niet, dan zult ge niet geoordeeld worden; veroordeeld niet, dat zult ge niet veroordeeld worden; spreekt vrij en ge zult vrijgesproken worden. Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, gestampte, geschudde en overlopende maat zal men u in de schoot storten. De maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken.”

Overweging
Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, gestampte, geschudde en overlopende maat zal men u in de schoot storten. (Lucas 6,38)

De meeste peuters leren gemakkelijk de betekenis van “van mij”. Maar ze moeten wel leren om te delen! Eerst doen ze het misschien gewoon na, en delen ze alleen dingen als hun ouders het willen. Maar gaandeweg zullen ze ontdekken dat ze, als ze vriendjes willen hebben, flexibel zullen moeten zijn.

Jammer genoeg blijft het kinderlijke idee van “van mij” vaak hangen tot in de volwassenheid. Daarom besteedde Jezus er zoveel tijd aan om ons te onderwijzen in een andere manier, een manier van onzelfzuchtig geven. In de ene toespraak na de andere zei Jezus dat hoe meer we onszelf leeg maken en aan anderen geven, hoe meer plaats er is om de goede dingen te ontvangen die God voor ons klaar heeft. En zijn voorraadkamer raakt nooit leeg want Hij is een God van eindeloze hulpbronnen!

Gods gaven lopen uiteen van wijsheid, onderscheidingsvermogen en geduld tot evangelisatie. Ze kunnen heel praktisch zijn, zoals het weten om te gaan met een minicrisis in je gezin of het aan je geloof vast kunnen klampen als er vervelende dingen gebeuren. Als we God maar een beetje ruimte geven in ons hart dan reageert Hij met het uitstorten van enorme hoeveelheden genade in ons. Neem de Eucharistie als voorbeeld: die omvat zoveel rijkdom, zoveel gaven – en wij hoeven er alleen maar aan deel te nemen om ze te ontvangen! De H. Theresia van Lisieux zei eens: “Je moet je een beetje openstellen . . . zodat het brood van de engelen kan komen als goddelijke dauw om je kracht te geven, en je alles te geven wat je ontbreekt.”

Zie daarom vandaag op naar de hemel en vestig je ogen op de Heer. Kijk welke gaven Hij in je leven uitstort. Weet ook dat hoe meer je die gaven gebruikt en doorgeeft, hoe meer Hij je zal geven. Kijk om je heen; zie je een gebrek in je gezin? Je kerk? Je gemeenschap? God kan je helpen in die behoefte te voorzien door aan te vullen wat er in jou ontbreekt. Het is geen kwestie van erg je best doen maar van alles aannemen wat Hij ons aanbiedt.

Gebed
Barmhartige Vader, ik open mijn hart en neem alles aan wat U mij zo royaal aanbiedt. Help me om zowel een ontvanger als een uitdeler te zijn van Uw goedheid. Amen.

< 2e week: dinsdag

Eerste lezing uit het boek (Jesaja 1, 10+16-20)
Luister! Het woord van de Heer! “Ga u wassen, ga u reinigen; uit mijn ogen met uw boze daden! Houd op met kwaad doen, leer het goede te doen,onderhoud het recht, help de verdrukte,verdedig de wees, pleit voor de weduwe. Kom dan – zegt de Heer – laten we het uitpraten: Al zijn uw zonden rood als scharlaken,zij zullen wit worden als sneeuw; al zijn ze als purper zo rood, ze zullen blank worden als wol. Als ge gewillig wilt zijn en luistert, zult ge het goede der aarde genieten, maar als gij blijft weigeren en u verzetten, zal het zwaard u verdelgen.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (23, 1-12)
In die tijd sprak Jezus tot het volk en tot zijn leerlingen: “Op de leerstoel van Mozes hebben de schriftgeleerden en de Farizeeën plaats genomen. Doet en onderhoudt daarom alles wat zij u zeggen, maar handelt niet naar hun werken; want zelf handelen ze niet naar hun woorden. Zij maakten bundels van zware, haast ondraaglijke lasten en leggen die de mensen op de schouders, maar zelf zullen ze er geen vinger naar uitsteken. Alles wat zij doen, doen zij om bij de mensen op te vallen; zij maken immers hun gebedsriemen breed en hun kwasten groot, ze zijn belust op de ereplaats bij de maaltijden en de voornaamste zetels in de synagogen, ze laten zich graag groeten op de markt en willen door de mensen rabbi genoemd worden. Maar gij moet u geen rabbi laten noemen. Gij hebt maar één Meester en gij zijt allen broeders. En noemt niemand van u op aarde vader; gij hebt maar één Vader, de hemelse. En laat u ook geen leraar noemen; gij hebt maar één leraar, de Christus. Wie de grootste onder u is, moet uw dienaar zijn. Alwie zichzelf verheft, zal vernederd en wie zichzelf vernedert zal verheven worden.”

Overweging
Kom dan – zegt de Heer – laten we het uitpraten… (Jesaja 1,18)

Wanneer God naar de bevolking van Jeruzalem keek, zag Hij opstandigheid, onrecht en hardvochtigheid, en bovendien de ellende die zulke dingen voor een volk met zich meebrengen. Bewogen om wat Hij zag, riep Hij de profeet Jesaja om zijn hartenkreet uit te spreken: “Laten we de zaak afhandelen!” Kom en laat je reinigen, smeekte Hij; kom en ontvang genezing, herstel, vrijheid.

Laten we de zaak afhandelen! Dat was al de leuze toen Adam en Eva ongehoorzaam waren. God gaf ze niet over aan de zonde. In plaats daarvan beloofde Hij al snel redding. En vanaf dat moment is Gods oproep constant overeind gebleven: in tijden van menselijk lijden en oorlog, in tijden dat het volk de Heer de rug toekeerde en in tijden van openlijke rebellie, in ballingschap en slavernij. Keer naar Mij terug. Laat Mij de muren slechten die ons scheiden. Laat Mij jullie vergeven en schoonwassen.

Vandaag is dat nog steeds Gods wens! Je hoeft zelfs niet op een speciaal moment te wachten om je te verzoenen met de Heer. Je kunt elke dag tot Hem komen en “de zaak afhandelen”. Het enige wat je moet doen is elke avond de tijd nemen om de dag te overzien en de vergeving van de Heer zoeken voor eventuele zonden die je hebt begaan. Denk voordat je naar bed gaat na over je gedachten en daden van die dag en breng alles bij de Heer waarin je fout geweest bent. En als er iets ernstigs opduikt, kun je het aan de Heer vertellen en zo gauw mogelijk gebruik maken van het Sacrament van Verzoening. Het werkt zo bevrijdend als je elke avond “schoon schip maakt”. Het kan zelfs bijdragen aan een goede nachtrust!

Dit is de beste tijd om te beginnen. Breng je hart tot rust en luister goed. Je zult horen hoe de Heer je roept, er bij je op aandringt: “Kom, laten we de zaak afhandelen!”

We denken al gauw dat het er in de Veertigdagentijd om gaat dat we in berouw tot de Heer terugkeren. Maar in de Veertigdagentijd gaat het erom dat God zich naar ons uitstrekt en ons een stortvloed aan genezende liefde en barmhartige genade aanbiedt. Het gaat om God die er alles aan doet om “zaken af te handelen” met ons. Denk daaraan wanneer je je geweten onderzoekt: God zoekt naar jou, en Hij staat klaar om in jouw leven wonderen te doen!

Gebed
Vader, ik sta verbaasd over Uw bereidheid Uw mensen te verwelkomen in Uw huis! Zelfs als ik val, staat U daar met uitgestrekte armen en heet me welkom. Heer, Uw liefde is echt verbazingwekkend! Amen.

< 2e week: woensdag

Eerste lezing uit het boek Jeremia (18, 18-20)
Die het gemunt hadden op het leven van de profeet zeiden: “We beramen een aanslag op Jeremia. Nooit ontbreekt het de priesters aan onderricht, de wijzen aan raad of de profeten aan woorden. Wij letten niet meer op wat hij zegt.” Geef mij gehoor, Heer God, luister naar mijn klacht: Mag men goed met kwaad vergelden? Toch graven zij een kuil voor mij. Vergeet niet, dat ik voor u stond om voor hen ten beste te spreken en uw toorn van hen af te wenden.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (20, 17-28)
Toen Jezus van plan was naar Jeruzalem te gaan nam Hij de twaalf apart en onderweg sprak hij tot hen: “Wij gaan nu naar Jeruzalem, waar de Mensenzoon aan de hogepriesters en schriftgeleerden zal worden overgeleverd. Zij zullen Hem ter dood veroordelen en aan de heidenen overleveren om Hem te bespotten, geselen en kruisigen, maar op de derde dag zal Hij verrijzen.”
Toentertijd trad de moeder van de zonen van Zebedeüs samen met hen op Jezus toe en wierp zich voor zijn voeten om Hem iets te vragen. Hij sprak tot haar: “Wat verlangt ge?” Zij antwoord de Hem: “Laat deze twee jongens van mij in uw Koninkrijk zitten, een aan uw rechter- en een aan uw linkerhand.” Maar Jezus antwoordde: “Gij weet niet wat ge vraagt. Zijt gij in staat de beker te drinken die Ik ga drinken?” Zij zeiden hem: “Ja, dat kunnen wij.” Hij sprak: “Inderdaad, mijn beker zult gij drinken, maar het is niet aan Mij u te doen zitten aan mijn rechter- of linkerhand, omdat alleen zij dit verkrijgen voor wie mijn Vader dit heeft bereid.” Toen de tien anderen dit hoorden, werden zij kwaad op de beide broers. Jezus echter riep hen bij zich en sprak: “Gij weet, dat de heersers der volkeren hen met ijzeren vuist regeren en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen. Dit mag bij u niet het geval zijn; wie onder u groot wil worden, moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn, moet slaaf van u wezen, zoals ook de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.”

Overweging
God heeft een plan voor ieder van ons. Hebt u al geprobeerd te ontdekken wat zijn plan voor u is? Jakobus en Johannes waren daar ook mee bezig. Samen met hun moeder probeerden ze bij Jezus in een goed blaadje te komen. Ze schilderden hoe hun leven eruit zou kunnen gaan zien – met erezetels direct naast de troon van de Heer zelf. Maar Jezus had een heel ander idee voor hen. In plaats van erkend en gediend te worden als “belangrijke” mensen in het koninkrijk moesten ze dienaren worden die zijn voorbeeld zouden gaan volgen door hun leven af te leggen voor het evangelie.

De evangelielezing van vandaag maakt duidelijk dat Jakobus en Johannes nog het hart van een dienaar moesten krijgen. Kun je je voorstellen: Jezus had net verteld dat Hij voor anderen zou gaan lijden en sterven, en dan deze scene … Eerder in het evangelie van Matteüs lezen we hoe Petrus Jezus terzijde nam en Hem berispte voor het voorspellen van zijn dood en verrijzenis (Matteüs 16,22-23). Evenals Jakobus en Johannes lijkt ook Petrus zijn eigen plan gehad te hebben.

Natuurlijk waren de apostelen geen slechte mensen. Ze dienden Jezus ijverig tijdens zijn hele openbare optreden. Maar er is verschil tussen het dienen van een iemand of van een zaak en het dienaar worden. Een dienaar heeft altijd dienst, denkt altijd hoe hij of zij de Kerk kan opbouwen en de Heer eer kan brengen. Dienen daarentegen is iets waar we op elk moment over kunnen beslissen: we kunnen het doen of we kunnen het laten. Pas na Jezus’ verrijzenis – nadat Jezus was teruggekeerd naar de hemel en de Kerk aan hen overliet, gingen de apostelen denken en handelen als dienaren.

Jezus verwacht van niemand van ons dat we Hem honderd percent van de tijd dienen, maar Hij ziet graag dat we het hart van een dienaar krijgen. Hij wil dat we worden als toegewijde ouders wier kinderen altijd in hun hart zijn, zelfs als ze aan het werk zijn of van wat vrije tijd genieten. Een dienaar stopt nooit met nadenken over Gods volk, is altijd bezig met evangeliseren en zet zich voortdurend in voor de Kerk. Dat alles omdat Jezus zijn hart in beslag genomen heeft en hij niets anders wil dan de Heer iets teruggeven voor alles wat Hij heeft gedaan.

Gebed
Heer, ik houd van U en heb ontzag voor Uw liefde voor mij. Verander door Uw genade mijn hart. Heer, ik wil Uw dienaar worden! Amen.

< 2e week: donderdag

Eerste lezing uit het boek Jeremia (17, 5-10)
Dit zegt God de Heer: “Vervloekt is hij die op mensen vertrouwt, die steunt op een schepsel en zich afkeert van de Heer. Hij is een kale struik in de steppe; nooit krijg hij regen. Hij staat op dorre woestijngrond in een onvruchtbaar, verlaten gebied. Gezegend is hij die op de Heer vertrouwt, en zich veilig weet bij Hem. Hij is een boom aan een rivier met wortels tot in het water Hij heeft geen last van de hitte, zijn bladeren blijven groen. Een tijd van droogte deert hem niet, hij blijft vrucht dragen. Niets is zo onbetrouwbaar als het hart, onverbeterlijk is het, wie kan het peilen? Ik, God de Heer, doorgrond hart en nieren, Ik vergeld ieder naar zijn gedrag, naar de vrucht van zijn werk.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (16, 19-31)
In die tijd zei Jezus tot de Farizeeën: “Er was eens een rijk man die in purper en fijn linnen gekleed ging en iedere dag uitbundig feest vierde, terwijl een arme, die Lazarus heette, met zweren overdekt voor de poort lag. Hij verlangde er naar zijn honger te stillen met wat bij de rijkaard van de tafel viel. Maar er kwamen alleen honden die zijn zweren likken. Nu gebeurde het dat de arme stierf en door de engelen in de schoot van Abraham werd gedragen. De rijke stierf ook en kreeg een eervolle begrafenis. In de onderwereld, ten prooi aan vele pijnen, sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham, en Lazarus in diens schoot. Toen riep hij uit: Vader Abraham, ontferm u over mij en geef Lazarus opdracht de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong daarmee te komen verfrissen, want ik word door de vlammen hier gefolterd. Maar Abraham antwoordde: Mijn zoon, herinner u hoe gij tijdens uw leven uw deel van het goede hebt gekregen en op gelijke manier Lazarus het kwade; daarom ondervindt hij nu hier de vertroosting, maar wordt gij gefolterd. Daarenboven gaapt er tussen ons en u voorgoed een wijde kloof, zodat er geen mogelijkheid bestaat – zelfs als men het zou willen – van hier naar u te gaan noch van daar naar ons te komen. De rijke zei: Dan vraag ik u, vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader wilt sturen, want ik heb nog vijf broers; laat hij hen waarschuwen, opdat zij niet eveneens in deze plaats van pijniging terecht komen. Maar Abraham sprak: Zij hebben Mozes en de profeten; laat ze naar hen luisteren. Maar hij zei: Och neen, vader Abraham! Maar als er een uit de doden naar hen toegaat, zullen ze zich bekeren. Hij echter sprak tot hem: Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen ze zich ook niet laten overreden, als er iemand uit de doden opstaat.”

Overweging
Hij is een kale struik in de steppe . . .Hij staat op dorre woestijngrond in een onvruchtbaar, verlaten gebied. (Jeremia 17,6)

Jeremia zegt op dichterlijke wijze dat de mens die niet op God vertrouwt, gebonden is aan een plek “zonder wisseling van seizoenen”. We kunnen wel klagen over de hitte van de zomer of de sneeuw in de winter, de herfstbladeren die we moeten aanharken of de maartse buien, maar de meesten van ons houden toch wel van de afwisseling van de seizoenen. We genieten van de prachtige herfstkleuren en verwelkomen de sneeuw die een somber landschap omtovert in een schitterend wintertafereel. In deze tijd van het jaar zien we het meeste uit naar de eerste krokussen die zich uit de grond wurmen en het heldere groen van jonge blaadjes die zich ontvouwen. Het is niet toevallig dat de Veertigdagentijd in de lente valt. We zien het voor onze ogen gebeuren: het beloofde nieuwe leven overwint de dood.

En hoe is het met ons geestelijk leven? Lijken wij op die “kale struik in de woestijn”? Misschien lopen we vast in een jaarlijks terugkerend patroon. Elk jaar doen we in de Veertigdagentijd afstand van dezelfde ondeugden, maar we pakken ze in de loop van het jaar ook net zo weer op. En ook is het na Pasen al gauw weer gedaan met de vrome praktijken waar we mee begonnen zijn. En het kan ook zijn dat we zodanig vast zitten aan onze bezittingen of verantwoordelijkheden dat we geen kans zien onze band met de Heer te verdiepen.

Als we meer op God vertrouwden, zou Hij ons dan in staat kunnen stellen iets nieuws te proberen? Misschien nodigt God ons deze Veertigdagentijd uit iets toe te voegen aan onze vaste gewoonten, bijvoorbeeld een nieuwe manier van bidden of een nieuwe relatie met Hem. Misschien hebt u altijd al extra dingen gedaan zoals dagelijks naar de Eucharistieviering gaan of de hele rozenkrans bidden. Dan zou het kunnen dat God u dit jaar uitnodigt tijd vrij te maken om eenvoudigweg stil naar Hem te luisteren. En misschien moedigt God ons aan om in plaats van: “Ik zal voor je bidden”, te zeggen: “Kan ik misschien nu direct even met je bidden?”

Misschien is het tijd om een nieuw jaargetijde van ons leven in te gaan – van de spontaniteit van het kind naar het enthousiasme van de jeugd, van het ijverige werk van de middelbare leeftijd naar de nadenkende wijsheid van de senioren. Vergeet niet dat God u nergens heen brengt waar Hij al niet op u staat te wachten! Vraag dat Hij u de volgende stap op uw gezamenlijke reis duidelijk zal maken.

Gebed
God van wijsheid, U bent onze schuilplaats geweest van eeuw tot eeuw. U bent onveranderlijk en toch bent U altijd nieuw. Help me in deze Veertigdagentijd mijn hart te openen voor de nieuwe manier waarop U Uw liefde aan mij wilt openbaren. Amen.

< 2e week: vrijdag

Eerste lezing uit het boek Genesis (37, 3-4+12-13+17-28)
Israël hield meer van Jozef dan van al zijn andere zonen, omdat hij hem nog op zijn oude dag had gekregen. Hij had voor hem een prachtig kleed laten maken. De broers bemerkten dat hun vader meer van Jozef hield dan van hen, en zij gingen hem zo haten dat ze geen goed woord meer voor hem over hadden. Eens waren zijn broers bij Sichem de kudden van hun vader gaan weiden, toen Israël tot Jozef zei: “Je weet dat je broers de kudde weiden bij Sichem. Zou je niet naar hen toe willen gaan?” Jozef ging daarop zijn broers achterna en vond hen inderdaad in Dotan. Zij hadden hem al in de verte zien aankomen, en voor hij bij hen was, smeedden zij het plan om hem te doden. Ze zeiden tot elkaar: “Daar komt hij aan, de grote dromer! Nu hebben we de kans. We vermoorden hem en gooien hem in een put. We kunnen zeggen dat een wild beest hem verslonden heeft. Dan zullen we eens kijken wat er van zijn dromen terecht komt!” Toen Juda dit hoorde, probeerde hij hem uit hun handen te redden en zei: “We mogen hem niet doden.” Ruben zei tot hen: “Vergiet toch geen bloed! Ginds in de steppe is een put; gooi hem daarin, maar sla niet de hand aan hem.” Hij wilde hem uit hun handen redden en bij zijn vader terugbrengen. Zodra Jozef bij zijn broers kwam, trokken zij hem het kleed uit, het prachtige kleed dat hij droeg, grepen hem en wierpen hem in de put. De put was leeg en er stond geen water in. Terwijl ze zaten te eten, zagen zij ineens een karavaan van Ismaëlieten, die van Gilead kwam. De kamelen waren beladen met gom, balsem en hars; zij waren op weg naar Egypte om de koopwaar daar af te leveren. Nu zei Juda tot zijn broers: “Wat hebben we eraan, die broer van ons te vermoorden en zijn bloed te bedekken! Laten wij hem liever aan de Ismaëlieten verkopen en niet de hand aan hem slaan; hij is toch een broer van ons, ons eigen vlees.” Zijn broers stemden daarmee in. Toen Midjanitische kooplieden voorbijkwamen, trokken de broers Jozef uit de put en verkochten hem voor twintig sikkel zilver aan de Ismaëlieten. De kooplieden voerden Jozef naar Egypte.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (21, 33-43+45-46)
In die tijd sprak Jezus tot de hogepriesters en de oudsten van het volk: “Luistert naar een andere gelijkenis: Er was eens een landeigenaar die een wijngaard aanlegde; hij zette er een heining omheen, hakte een wijnpers erin uit en bouwde een wachttoren. Daarop verpachtte hij hem aan wijnbouwers en vertrok naar den vreemde. Toen de tijd van de oogst gekomen was, zond hij zijn dienaren naar de wijnbouwers om de opbrengst in ontvangst te nemen. Maar de wijnbouwers grepen zijn dienaren vast. Zij mishandelden de een, doodden de ander en stenigden een derde. Daarop zond hij andere dienaren, talrijker dan de eersten; maar zij behandelden hen op dezelfde manier. Tenslotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe, in de veronderstelling, dat zij zijn zoon wel zouden ontzien. Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze onder elkaar: Dat is de erfgenaam; vooruit, laten we hem vermoorden en ons zijn erfenis toe-eigenen. Ze grepen hem vast, wierpen hem de wijngaard uit en doodden hem. Wanneer nu de eigenaar van de wijngaard komt, wat zal hij dan wel met die wijnbouwers doen?” Ze antwoordden Hem: “Hij zal die ellendelingen een ellendige dood doen sterven en zijn wijngaard zal hij aan andere wijnbouwers verpachten, die hem de opbrengst op de vastgestelde tijd zullen afdragen.” Toen sprak Jezus tot hen: “Hebt gij nooit in de Schrift gelezen: De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, is juist de hoeksteen geworden. Op last van de Heer is dat gebeurd en het is wonderbaar in onze ogen. Daarom zeg Ik u, het Rijk Gods zal u ontnomen worden en gegeven aan een volk dat wel de vruchten daarvan opbrengt.” Toen de hogepriesters en Farizeeën zijn gelijkenissen gehoord hadden, begrepen ze dat Hij over hen sprak. Zij zonnen dus op een middel om zich van Hem meester te maken, maar ze waren bang voor het volk, omdat men Hem voor een profeet hield.

Overweging
In het Oude Testament komen we veel verhalen en personen tegen die voortekenen zijn van Jezus en het heil dat Hij komt brengen. Neem nu het verhaal van Jozef, de zoon van Jakob. Jozef was de lieveling van zijn vader; Jezus is Gods geliefde Zoon. Uit jaloezie wilden Jozefs broers hem doden, net zoals sommige volksgenoten van Jezus plannen maakten om Hem te doden. Beiden werden verraden door de mensen die het dichtst bij hen stonden: Jozefs broers verkochten hem voor twintig zilverstukken, terwijl een van Jezus’ naaste leerlingen dertig zilverstukken ontving om Hem aan de gezagsdragers te verraden.

Beide mannen waren een zegen voor hun omgeving. Jozef sloeg graan op om het volk te vrijwaren van hongersnood en Jezus voedde vijfduizend mensen met enkele broden en een paar vissen. Als Jozefs broers naar Egypte komen op zoek naar graan, maakt Jozef zich op het laatste moment aan hen bekend, en ze verzoenen zich. Op soortgelijke wijze liet Jezus na de verrijzenis aan de apostelen zien dat Hij de hemelse Heer was – waarbij Hij zelfs door muren heen ging en in een oogwenk verdween. Zowel Jozef als Jezus veranderden van lijdende dienaren in redders van hun volk. Jozef redde de kinderen Israëls van de honger, terwijl Jezus al zijn mensen redde van zonde en dood.

Maar ondanks alle overeenkomsten was Jozef niet gelijk aan Jezus, en zeker niet volmaakt zoals Hij. Jozef was “de dromer” – een beetje een verwaand mannetje die de neiging had zijn grote broers op hun zenuwen te werken. Maar ondanks het gebrek aan respect dat hij ten opzichte van zijn broers aan de dag legde probeerde hij op zijn eenzame tocht naar Egypte wel dicht bij de Heer te blijven. Dat was de basis waarop de Heer hem meer en meer kon zuiveren, tot hij twintig jaar later in staat was zijn broers te vergeven en met liefde, vrijgevigheid en respect te behandelen.

Jozefs verhaal is ook ons verhaal. Ondanks onze zwakke kanten kunnen ook wij meer gezuiverd worden door de Heer en steeds meer op Hem gaan lijken. We kunnen leren gemakkelijker te vergeven. We kunnen leren meer lief te hebben. En we kunnen leren gemakkelijker te dienen. Met Jezus zijn alle dingen mogelijk.

Gebed
Jezus, ik kijk met ontzag naar Uw macht om te veranderen. Ik sta open om door U te worden veranderd, om meer en meer op U te gaan lijken. Genees en reinig me, genadige God. Amen.

< 2e week: zaterdag

Eerste lezing uit het boek Micha (7, 14-15+18-20)
Neem uw herdersstaf en weid uw volk,Heer, de schapen die uw erfdeel zijn; tussen de bomen, midden in het woud, zijn zij zo vereenzaamd. Laat ze weiden in Basan en Gilead, zoals in vroegere dagen. Ik laat wonderen zien, zoals in de dagen dat gij uit Egypte wegtrok.
Welke God is als Gij, die de schuld vergeeft, die voorbijgaat aan de zonde, door de rest van zijn erfdeel bedreven, die zijn toorn niet altijd laat duren, maar zijn vreugde vindt in goedheid? Hij zal zich opnieuw over ons ontfermen, Hij zal onze schuld onder zijn voeten verpletteren. Al onze zonden zal Hij naar de bodem van de zee verwijzen. Aan Jakob zult Gij uw trouw, aan Abraham uw goedheid tonen, zoals Gij het onze vaderen hebt bezworen, in de dagen van weleer.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (15, 1-3+11-32)
In die tijd kwamen telkens weer tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Hem om naar Hem te luisteren. De Farizeeën en de schriftgeleerden morden daarover en zeiden: “Die man ontvangt zondaars en eet met hen.”
Hij hield hen deze gelijkenis voor: “Een man had twee zoons. Nu zei de jongste van hen tot zijn vader: Vader, geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb. En hij verdeelde zijn vermogen onder hen. Niet lang daarna pakte de jongste zoon alles bij elkaar en vertrok naar een ver land. Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven. Toen hij alles opgemaakt had, kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden. Nu ging hij in dienst bij een der inwoners van dat land, die hem het veld in stuurde om varkens te hoeden. En al had hij graag zijn buik willen vullen met de schillen die de varkens aten, niemand gaf ze hem. Toen kwam hij tot nadenken en zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik verga hier van de honger. Ik ga weer naar mijn vader en ik zal hem zeggen: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten, maar neem mij aan als een van uw dagloners. Hij ging dus op weg naar zijn vader. Zijn vader zag hem al in de verte aankomen, en hij werd door medelijden bewogen; hij snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk. Maar de zoon zei tot hem: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten. Doch de vader gelastte zijn knechten: Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan, steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan.Haalt het gemeste kalf en slacht het; laten we eten en feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden. Ze begonnen dus feest te vieren. Intussen was zijn oudste zoon op het land. Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde, hoorde hij muziek en dans. Hij riep een van de knechten en vroeg wat dat te betekenen had. Deze antwoordde: Uw broer is thuisgekomen en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten, omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen. Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen. Toen zijn vader naar buiten kwam en bij hem aandrong, gaf hij zijn vader ten antwoord: Al zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden, toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven om eens met mijn vrienden feest te vieren. En nu die zoon van u is gekomen die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen, hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten. Toen antwoordde de vader: Jongen, jij bent altijd bij me en alles wat van mij is, is ook van jou. Maar er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was en levend is geworden, verloren was en is teruggevonden.”

Overweging
Zijn vader zag hem al in de verte aankomen. . . (Lucas 15,20)

De verloren zoon nam het geld van zijn vader mee en verkwistte het. Niets was er meer van over, enkel de puinhopen van zijn genotzucht en geldsmijterij. Zie hem daar staan: gekleed in lompen, vuil en uitgehongerd. Met geen mogelijkheid kon hij nog iets doen om de schijn te redden, hij had helemaal niets meer om zijn vader een beetje gunstig te stemmen. En het ergste was: hij kon nergens anders heen. Dus ging hij op weg naar het huis van zijn vader, angstvallig en zich vreselijk bewust van zijn beledigingen aan het adres van zijn vader. Het is maar al te begrijpelijk dat hij zenuwachtig was en bang voor de ontmoeting met zijn vader.

De vader zag de jongen “al in de verte” aankomen. Kennelijk had de vader op de uitkijk gestaan om een levensteken van hem op te vangen. En zodra hij de jongen zag, rende hij op hem af om hem te begroeten. Probeer u de situatie voor te stellen: een welgestelde landeigenaar, waarschijnlijk goed gekleed, die met uitgestrekte armen afrent op een vuile jongeman in lompen, dodelijk vermoeid en hongerig. Stel u voor hoe deze aanzienlijke man de jongen omarmt, met kussen overlaadt en roept om ringen, kleding en een feestmaal. Zonder ook maar één woord van verwijt accepteerde hij het berouw van zijn zoon en vierde hij zijn terugkeer: Mijn zoon leeft! Hij is terug!

Wat een aangrijpend beeld van de manier waarop onze hemelse Vader ons behandelt! Hij staat altijd op de uitkijk naar ons. Onze toestand deert Hem niet. Hij stoort zich niet aan de lompen en het vuil die ons misschien bedekken. Hij wacht niet koel en afstandelijk af tot wij naar Hem toe komen en Hij precies de goede toon hoort van verdriet of berouw. Nee, Hij rent naar ons toe! Hij wil ons omarmen, ons met barmhartigheid behandelen en zich verheugen over onze terugkeer. Het doet er niet toe waar we zijn geweest of wat we hebben gedaan. Het enige wat ertoe doet is dat we thuisgekomen zijn.

Het is gemakkelijk deze beelden af te doen als een romantische fabel over berouw en vergeving. Maar Jezus is geen naïeve dromer of iemand die sprookjes verzint. Hij spreekt de goddelijke waarheid. Uw hemelse Vader houdt echt zo veel van u. Hij verwijt u nooit uw zonden. Hij wacht altijd vol verlangen dat u zich nog meer naar Hem toekeert. Zelfs nu rent Hij naar u toe, vol verlangen om zijn armen om u heen te slaan en u thuis te verwelkomen.

Gebed
Vader, ik vertrouw op Uw goedheid en genade. Dank U dat U Uw armen naar mij uitstrekt en me thuis verwelkomt! Amen.

< 3e week van de Veertigdagentijd

< 3e week: zondag

Eerste lezing uit het boek Exodus (3, 1-8+13-15)
In die dagen hoedde Mozes de kudde van zijn schoonvader Jitro, de priester van Midjan. Eens dreef hij de kudde tot ver in de woestijn en kwam hij bij de berg van God, de Horeb. Toen verscheen hem de engel van de Heer, in een vuur dat opvlamde uit een doornstruik. Mozes keek toe en zag dat de doornstruik in lichter laaie stond en toch niet verbrandde. Hij dacht: “Ik ga er op af om dat vreemde verschijnsel te onderzoeken. Hoe komt het dat die doornstruik niet verbrandt?” De Heer zag hem naderbij komen om te kijken. En vanuit de doornstruik riep God hem toe: “Mozes, Mozes.” “Hier ben ik,” antwoordde hij. Toen sprak de Heer: “Kom niet dichterbij en doe uw sandalen uit, want de plaats waar gij staat is heilige grond.” En Hij vervolgde: “Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.” Toen bedekte Mozes zijn gezicht want hij durfde niet naar God op te zien. De Heer sprak: “Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, de jammerklachten om zijn onderdrukkers gehoord; ja, Ik ken zijn lijden. Ik daal af om mijn volk te bevrijden uit de macht van Egypte.” Maar Mozes sprak opnieuw tot God: “Als ik nu bij de Israëlieten kom en hun zeg: de God van uw vaderen zendt mij tot u, en zij vragen: Hoe is zijn naam? wat moet ik dan antwoorden?” Toen sprak God tot Mozes: “Ik ben die is.” En ook: “Dit moet gij de Israëlieten zeggen: Hij die is zendt mij tot u.” Bovendien zei God tot Mozes: “Dit moet ge de Israëlieten zeggen: de Heer, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, zendt mij tot u. Dit is mijn naam voor altijd. Zo moet men Mij aanspreken, alle geslachten door.”

Tweede lezing uit de Eerste brief aan de Korintiërs (10, 1-6 + 10-12)
Broeders en zusters, gij moet goed weten dat onze vaderen wel allen onder de wolk zijn geweest, allen door de Zee zijn getrokken; allen zijn zij door wolk en zee in Mozes gedoopt, en allen aten zij hetzelfde geestelijk voedsel, allen dronken dezelfde geestelijke drank, – want zij dronken uit een geestelijke rots die met hen meeging, en die rots was de Christus – maar in de meesten van hen heeft God geen welbehagen gehad; immers, zij werden neergeveld in de woestijn. Deze gebeurtenissen zijn een les voor ons, opdat wij niet, zoals zij, slechte dingen zouden begeren. Mort ook niet tegen God, zoals sommigen van hen gemord hebben: zij zijn gedood door de verderver. Wat hun overkwam had een diepe zin en het werd te boek gesteld als een waarschuwing voor ons, tot wie het einde der tijden gekomen is. Daarom, wie meent te staan, moet oppassen dat hij niet valt.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (13, 1-9)
In die tijd waren er bij Jezus enkele mensen die Hem vertelden wat er gebeurd was met de Galileeërs, van wie Pilatus het bloed met dat van hun offerdieren vermengd had. Daarop zei Jezus: “Denkt ge, dat onder alle Galileeërs alleen deze mensen zondaars waren, omdat zij dat lot ondergaan hebben? Volstrekt niet, zeg Ik u. Maar als gij u niet bekeert, zult ge allen op een dergelijke manier omkomen. Of die achttien die gedood werden, doordat de toren bij de Siloam op hen viel: denkt ge dat die alleen schuldig waren onder alle mensen die in Jeruzalem woonden? Volstrekt niet, zeg Ik u. Maar als gij niet tot bekering komt, zult ge allen op eenzelfde wijze omkomen.”
Toen vertelde Hij de volgende gelijkenis: “Iemand had een vijgenboom die in zijn wijngaard geplant stond; hij kwam zoeken of er vrucht aan zat, maar vond niets. Toen zei hij tot de wijngaardenier: Al sinds drie jaar kom ik aan deze vijgenboom vruchten zoeken, maar ik vind er geen. Hak hem om: waartoe put hij nog de grond uit? Maar de man gaf hem ten antwoord: Heer, laat hem dit jaar nog staan; laat mij eerst de grond er omheen omspitten en er mest op brengen. Misschien draagt hij het volgend jaar vrucht; zo niet, dan kunt ge hem omhakken.”

Overweging
Toen God Mozes riep vanuit het brandende braambos, stuurde Hij hem weg op een van de langste en meest ingrijpende reizen van de geschiedenis – en Hij begon met de opdracht: “Doe uw sandalen uit” (Exodus 3,5). Waarom zou God dat gezegd hebben?

Het vervolg van het vers geeft een reden: “de plaats waar u staat is heilige grond”. Stel u voor hoe snel Mozes gehoorzaamde! In Egypte, waar hij was opgegroeid, moesten de mensen op blote voeten voor de farao of een andere aanzienlijke persoon verschijnen. Dat was zowel een uiting van respect als de erkenning dat je een lagere status bezat. Staande voor de hoogste Heer van allen, wiens heerlijkheid straalde als een onzichtbaar krachtenveld, moet Mozes zich wel onder de indruk en klein hebben gevoeld.

Wat zegt dit over onze houding tegenover het gebed? Zonder brandende struiken om ons te laten schrikken, gaan we gemakkelijk een beetje nonchalant met God om, en vaak zelfs alsof het een opgave is om maar snel af te handelen. Het beeld van Mozes die zijn sandalen uitdoet, herinnert ons eraan dat onze liefdevolle Vader een ontzagwekkende God is wiens heiligheid we in de verste verte niet kunnen bevatten. Het zegt ons dat we Hem met eerbied, nederigheid en in het besef van onze zonde en zwakheid moeten benaderen. Maar het tafereel zegt ons ook nog andere dingen.

Schoenen en sandalen worden vuil en ook vandaag de dag is het in veel culturen en huizen gewoonte om ze uit te trekken alvorens naar binnen te gaan. In zekere zin is dat hetzelfde wat we dienen te doen wanneer we tot God komen. Vuil schoeisel kan ook staan voor de afleiding die zich opdringt wanneer we bidden. Als dat gebeurt, kunnen we de raad opvolgen van de H. Alfonsus de Liguori en ons best doen alle gedachten die ons afleiden, achter te laten bij de deur van onze gebedstijd. We kunnen ook met de H. Bernardus zeggen: “Gedachten van mij, jullie moeten hier wachten. Na mijn gebed zullen we het over andere dingen hebben.”

Dus als u vandaag gaat bidden, trek dan uw sandalen uit! Hij die Mozes riep, roept u!

Gebed
Vader, wie ben ik dat U zoveel van me houdt – genoeg om Uw enige Zoon voor mij over te hebben? Help me alles opzij te zetten wat me van U scheidt en Uw liefde te beantwoorden zo goed als ik kan. Amen.

< 3e week: maandag

Eerste lezing uit het Tweede boek Koningen (5, 1-15a)
In die dagen was Naäman, de legeroverste van de koning van Aram, zeer gezien bij zijn heer en had grote invloed, want door hem had De Heer voor Aram uitkomst gebracht. Hij was een groot soldaat, maar de man leed aan een huidziekte. Nu hadden Aramese benden eens een strooptocht ondernomen in Israël en daarbij een jong meisje buitgemaakt; dat was nu in dienst bij de vrouw van Naäman. Ze zei tot haar meesteres: “Och, kon mijn heer maar eens naar de profeet gaan die in Samaria woont; die zou hem wel van zijn ziekte afhelpen.” Naäman ging aan zijn heer vertellen wat het meisje uit Israël gezegd had. Toen zei de koning van Aram: “Ga erheen; ik zal u een brief meegeven voor de koning van Israël.” Hij ging op weg, nam tien talenten zilver, zesduizend sikkel goud en tien feestgewaden mee, en meldde zich met de brief bij de koning van Israël. Daarin stond: Met deze brief zend ik mijn dienaar Naäman tot u; ik verzoek u hem van zijn huidziekte te genezen. Zodra de koning van Israël de brief gelezen had, scheurde hij zijn kleren en zei: “Ben ik soms God, met macht over leven en dood, dat hij iemand naar mij toestuurt die ik van zijn huidziekte moet genezen? Let maar eens op mijn woorden: hij zoekt ruzie met mij.” Toen Elisa, de man Gods, hoorde dat de koning van Israël zijn kleren gescheurd had, liet hij de koning vragen: “Waarom hebt u uw kleren gescheurd? Stuur hem naar mij toe. Dan zal hij weten dat er een profeet is in Israël.” Toen ging Naäman met zijn paarden en wagen op weg en hield stil voor het huis van Elisa. Deze zond iemand met de boodschap: Was u zevenmaal in de Jordaan; dan zal uw huid weer gezond worden en zult u gereinigd zijn. Toen werd Naäman boos en ging heen. Hij zei: “Ik had gedacht: hij zal naar buiten komen en voor me gaan staan. Dan zal hij de naam van de Heer zijn God aanroepen, met zijn hand over de plek strijken en de ziekte wegnemen. Zijn de Abana en de Parpar, de rivieren van Damascus, soms niet beter dan al de wateren van Israël? Kan ik mij daarin niet wassen om gereinigd te worden?” Hij keerde zich om en ging verontwaardigd heen. Maar zijn dienaren gingen naar hem toe en zeiden: “Vader, gesteld dat de profeet u iets moeilijks opgedragen had, dan had u het toch ook gedaan? Waarom dan niet, nu hij u zegt dat u zich maar hoeft te wassen om weer rein te worden?” Toen ging hij naar de Jordaan en dompelde zich zevenmaal onder, zoals de man Gods gezegd had. Zijn huid werd weer als die van een klein kind en hij was gereinigd. Hij keerde met heel zijn gevolg naar de man Gods terug, trad het huis binnen, ging voor hem staan en zei: “Nu weet ik dat er alleen in Israël een God is, en nergens anders op aarde.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (4, 24-30)
Toen Jezus in Nazaret kwam, zei Hij tot het volk in de synagoge: “Voorwaar, Ik zeg u: geen profeet is heilzaam voor zijn eigen vaderstad. En het is waar wat Ik u zeg: in de tijd van Elia immers, toen de hemel drie jaar en zes maanden gesloten bleef en een grote hongersnood uitbrak over het hele land, waren er veel weduwen in Israël; toch werd Elia tot niemand van hen gezonden, behalve tot een weduwe in Sarepta in het gebied van Sidon. En in de tijd van de profeet Elisa waren er vele melaatsen in Israël; toch werd niemand van hen gereinigd, behalve de Syriër Naäman.” Toen ze dit hoorden, werden allen die in de synagoge waren, woedend. Ze sprongen overeind, joegen Hem de stad uit en dreven Hem voort tot aan de steile rand van de berg waarop hun stad gebouwd was, om Hem daar in de afgrond te storten. Maar Hij ging midden tussen hen door en vertrok.

Overweging
… ze sprongen op, joegen Hem de stad uit (Lucas 4,29)

Wat had Jezus gezegd waardoor zijn stadgenoten zo boos werden? Misschien komt het door de mensen die Jezus hier als voorbeeld gebruikte, de weduwe uit Sarepta die Elia op bezoek kreeg, en de Syriër Naäman die door Elisa van melaatsheid werd genezen. Geen van beiden kwam uit Israël en dat moet de mensen ongetwijfeld geraakt hebben. Was Jezus erop uit hen te beledigden? Wat had deze zoon van een timmerman tegen zijn eigen volk? Het idee dat iemand uit hun midden hun de les aan het lezen was kan genoeg reden geweest zijn om hen kwaad te maken.

Laten we eens kijken naar het verhaal van Naäman om te zien wat Jezus bedoelde. Net als het volk had ook Naäman gehoord over een profeet en ook hij was niet ingenomen met de handelwijze van de profeet. Kon Elisa hem niet rechtstreeks genezen, in plaats van dat hij zich zeven maal in een rivier moest gaan baden? En waarom moest hij helemaal naar Israël gaan terwijl Syrië volop rivieren had? (2 Koningen 5,11-12). Naäman had zijn eigen ideeën over de manier waarop God moest werken, en pas toen hij zijn veilige plek verliet, vond hij waar hij naar zocht.

Het is waar dat we, om te ontvangen wat God voor ons wil, meestal een stap in geloof moeten zetten – soms letterlijk een stap. De Israëlieten moesten door de Rode Zee lopen. Jozua’s leger moest om de muren van Jericho heen. Vaak moeten we iets concreets doen om Gods beloften in ons leven in vervulling te zien gaan. We kunnen aan zijn opdrachten twijfelen, zoals Naäman deed. Maar we kunnen ook proberen onze twijfels te overwinnen en ten slotte die stap doen die ons brengt op een plaats waar zijn voorziening op ons wacht.

Waar u ook bent op uw geloofsreis, weet dat God u nog verder wil brengen. Zit vandaag in uw gebed rustig voor de Heer en luister naar de manieren waarop Hij u misschien roept om te groeien in het geloof. Accepteer het dat hoewel uw plannen aardig goed lijken, zijn plannen nog beter zijn, ook al lijken ze helemaal niet op wat u verwachtte. Als u er een gewoonte van maakt op Gods wijsheid te vertrouwen in plaats van op die van uzelf, zult u ontdekken dat u meer vrede, blijdschap en innerlijke kracht bezit. Laat u dus door Hem leiden. U zult er geen spijt van hebben!

Gebed
Vader, help me op U te vertrouwen. Geef me de genade mijn wil aan de Uwe over te geven, zelfs al betekent dit dat ik iets moet doen waar ik bang voor ben. Amen.

< 3e week: dinsdag

Eerste lezing uit het boek Daniël (3, 25+34-43)
In die dagen verrichtte Azarja staande dit gebed: “Terwille van uw naam: verstoot ons toch niet voorgoed en verbreek niet uw verbond, trek uw barmhartigheid niet van ons terug terwille van Abraham, uw vriend, terwille van Isaäk, uw dienaar, en van Israël, uw heilige. Aan hen hebt Gij beloofd hun nakomelingen even talrijk te maken als de sterren aan de hemel en de zandkorrels aan het strand der zee. Maar nu zijn wij, Heer, het kleinste volk geworden van alle volkeren op aarde en nergens ter wereld hebben wij nog iets te betekenen vanwege onze zonden. Wij hebben nu geen koning meer, geen profeet, geen leider, geen brand- en slachtoffers, geen spijsoffers en reukwerk, zelfs geen heilige plaats waar wij U kunnen offeren om zo uw barmhartigheid te kunnen ervaren. Maar laat ons bij U gehoor vinden vanwege ons vermorzeld hart en onze ootmoedige geest. Moge vandaag ons offer bestaan in volmaakte aanhankelijkheid aan U en moge het U evenzeer behagen als kwamen we met brandoffers van rammen en stieren en met tienduizenden vette lammeren, want geen smaad treft hen die op U vertrouwen. Thans volgen wij U van ganser harte; wij eerbiedigen U en zoeken U. Laat ons toch niet te schande worden, maar handel met ons naar uw goedheid en naar uw grote barmhartigheid. Red ons op uw wonderbare wijze en verheerlijk, Heer, uw naam.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (18, 21-35)
In die tijd kwam Petrus naar Jezus toe en sprak: “Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?” Jezus antwoordde hem: “Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal. Daarom gelijkt het Rijk der hemelen op een koning die rekening en verantwoording wilde vragen aan zijn dienaren. Toen hij hiermee begon, bracht men iemand bij hem die tienduizend talenten schuldig was. Daar hij niets had om te betalen gaf de heer het bevel hem te verkopen met vrouw en kinderen en al wat hij bezat om zo de schuld te vereffenen. De dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. De heer kreeg medelijden met die dienaar, liet hem gaan en schold hem de geleende som kwijt. Maar toen die dienaar buiten kwam, trof hij daar een andere dienaar die hem honderd denarien schuldig was; hij greep hem bij de keel en zei: Betaal wat je schuldig bent. De andere dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heb geduld met mij en ik zal u betalen. Maar hij weigerde en liet hem zelfs in de gevangenis zetten, totdat hij zijn schuld zou hebben betaald. Toen nu de overige dienaren zagen wat er gebeurd was, waren zij diep verontwaardigd en gingen hun heer alles vertellen. Daarop liet de heer hem roepen en sprak: Jij lelijke knecht, heel die schuld heb ik je kwijtgescholden, omdat je mij erom gesmeekt hebt. Had jij dan ook geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ik met jou medelijden heb gehad? En in toorn ontstoken leverde zijn heer hem over aan de beulen, totdat hij zijn hele schuld betaald zou hebben. Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen, die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt.”

Overweging
Het spreken in gelijkenissen was een van Jezus’ meest effectieve onderwijsmethoden. Als meester in het verhalen vertellen kon hij de aandacht van zijn luisteraars boeien en hen bij de spannende gebeurtenissen van het verhaal betrekken. Maar Jezus’ gelijkenissen waren niet gewoon spannende verhalen – ze onthullen ons de liefde van God en de waarden van zijn koninkrijk. Ze roepen ons op tot een diepere bekering.

Om de moraal nog extra te benadrukken, maakte Jezus vaak gebruik van overdrijving – een algemeen Semitisch gebruik – of van contrasten als wijsheid en dwaasheid, goedgeefsheid en gierigheid. Er is waarschijnlijk geen duidelijker voorbeeld van overdrijving dan de evangelielezing van vandaag over de dienaar die niet wist te vergeven. Een man die een enorme schuld werd kwijtgescholden – gelijk aan 150.000 jaarlonen – weigerde de schuld van een andere man kwijt te schelden – een schuld ter grootte van 1/20.000 van 1 procent van zijn eigen schuld. Hoewel de dienaar besefte dat hij volledig aangewezen was op de barmhartigheid van zijn schuldeiser, liet hij zijn hart daardoor niet verzachten. En het gevolg daarvan was vernietigend.

Het harde einde van dit verhaal is voor ons een rechtstreekse oproep om even vergevingsgezind te zijn voor anderen als God voor ons is geweest. Het onderstreept ook iets wat Jezus zijn leerlingen had verteld in de Bergrede: “Want als jullie de mensen hun overtredingen vergeven, zal je hemelse Vader ook jullie vergeven. Maar als jullie de mensen niet vergeven, zal je Vader jullie overtredingen ook niet vergeven” (Matteüs 6,14-15). Als wij niet ons best doen barmhartig, meelevend en vergevingsgezind te zijn, zullen we het moeilijk vinden om te bidden of om Gods eigen liefde en barmhartigheid in ons leven te onderkennen.

Deze Veertigdagentijd biedt ons een speciale gelegenheid om werk te maken van die gebieden in ons leven waar barmhartigheid nodig is. Het is nu de tijd om ons hart door Gods barmhartigheid zacht te laten maken zodat we onze manier van omgaan met de mensen in ons leven kunnen veranderen. God wil niet dat we een wrok tegen iemand koesteren of iemand onaardig behandelen die bij ons “in de schuld” staat. Hij wil niet dat onze harten verduisterd zijn door bitterheid of wrok. In plaats daarvan wil Hij dat zijn vrede ons beheerst – en via ons iedereen in onze omgeving aanraakt. Wilt u dat ook niet?

Gebed
Dank U, Jezus, voor de talloze malen dat U mijn zonden hebt vergeven. Bevrijd me van alle hardvochtigheid die ik voor anderen koester en leer me barmhartig te zijn vanuit Uw onuitputtelijke barmhartigheid. Amen.

< 3e week: woensdag

Eerste lezing uit het boek Deuteronomium (4, 5-9)
In die dagen sprak Mozes tot het volk: “Luister dan, Israël, naar de voorschriften en bepalingen die ik u leer, en handel daarnaar. Dan zult gij leven en bezit gaan nemen van het land dat de Heer, de God van uw vaderen, u schenkt. Ik heb u nu de voorschriften en bepalingen geleerd, zoals de Heer uw God mij heeft opgedragen. Handel ernaar in het land dat gij in bezit gaat nemen en breng ze stipt ten uitvoer, want daaruit zal voor de volken uw wijsheid en uw inzicht blijken. Als zij al deze voorschriften horen, zullen ze zeggen: Dat machtige volk is wijs en verstandig. Is er soms een andere grote natie, aan wie hun goden zo nabij zijn als de Heer onze God ons nabij is, zo vaak wij Hem aanroepen? Of is er een andere grote natie die zulke volmaakte voorschriften en bepalingen heeft als de wet die ik u heden geef? Wees dus op uw hoede en zorg er voor, dat gij niet vergeet wat gij met eigen ogen gezien hebt. Laat dat uw leven lang niet uit uw gedachten gaan en geef het door aan uw kinderen en kleinkinderen.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (5, 17-19)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Denkt niet dat Ik gekomen ben om Wet en Profeten op te heffen; Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om de vervulling te brengen. Want voorwaar, ik zeg u: Eerder nog zullen hemel en aarde vergaan, dan dat een jota of haaltje vergaat uit de Wet, voordat alles geschied is. Wie dus één van die voorschriften, zelfs het geringste, opheft en zo de mensen leert, zal de geringste geacht worden in het Rijk der hemelen, maar wie ze onderhoudt en leert zal groot geacht worden in het Rijk der hemelen.”

Overweging
Mozes gaf een opsomming van alles wat God voor zijn volk had gedaan: Hij leidde het uit Egypte en sloot een verbond met hen. Hij gaf hun zijn Tien Geboden en beloofde voor altijd met hen te zijn. Nu stonden ze op het punt de Jordaan over te steken en het land binnen te gaan dat Hij voor hen had gereserveerd. Daarom herinnerde Mozes hen eraan hoe belangrijk het was dat ze de grote daden van de Heer in het verleden niet zouden vergeten. Hij waarschuwde hen ervoor op te passen dat deze dingen niet “uit uw gedachten gaan en geef het door aan uw kinderen en kleinkinderen” (Deuteronomium 4,9).

Is het niet verbazingwekkend hoe gemakkelijk wij, bij onze dagelijkse inspanningen, kunnen vergeten wat God voor ons heeft gedaan? Daarom is het nuttig om van tijd tot tijd een stapje terug te doen en zowel onze eigen geschiedenis te overzien als de grote lijnen van de heilsgeschiedenis.

Waarom zouden we daar vandaag niet mee beginnen? Pak een pen en maak een lijstje van uw lievelingsverhalen in de Bijbel. Probeer bij elk verhaal aan te geven hoe God bezig was zijn volk te redden en voor te bereiden op Jezus. Zoek naar algemene patronen – dingen die u iets zeggen over Gods goedheid, zijn barmhartigheid en zijn macht om te redden.

Laat het daar niet bij. Nadat u eerst dit perspectief geschetst hebt, kijkt u vervolgens naar uw eigen leven. Maak nu een lijstje van de keren dat u zonder enige twijfel wist dat God aan het werk was. Dat kan zijn toen u niet wist welke weg u moest volgen, maar plotseling alles begreep. Het kan een keer zijn toen u zich geholpen voelde in het omgaan met een verstoorde relatie. Het kan een tijd zijn van gebed of een keer bij de Eucharistieviering toen u zich bijzonder dicht bij de Heer voelde.

Als u deze zegeningen een vaste plaats geeft in uw herinnering, kunt u er gebruik van maken in moeilijke tijden. Wanneer u vraagtekens zet bij Gods liefde, kunt u deze zegeningen terugroepen uit uw herinnering om de twijfel uit te drijven. Als u gebukt gaat onder een beproeving, kunt u nog altijd weten dat God met u is en u leidt met zijn ongeziene hand. Laat zijn zegeningen nooit “uit uw gedachten gaan”!

Gebed
Jezus, wat een geschenk om elke week bij U te zijn in de Eucharistieviering! Graveer met vuur in mijn geheugen de grote dingen die U in mijn leven doet en gedaan hebt. Geef dat ik ze nooit zal vergeten. Amen.

< 3e week: donderdag

Eerste lezing uit het boek Jeremia (7, 23-28)
Zo spreekt de Heer: “Dit alleen heb Ik hen bevolen: Luistert naar Mij, dan zal Ik uw God zijn en gij zult mijn volk zijn. Volgt de weg die Ik u wijs, dan zal het u goed gaan. Maar ze hebben niet geluisterd en Mij niet gehoorzaamd. Ze blijven hardnekkig in de boosheid. Hoe langer hoe meer keerden ze zich van Mij af. Sinds de uittocht van uw voorvaderen uit Egypte, tot heden toe, heb Ik u mijn dienaren de profeten gezonden, telkens weer. Maar ze hebben niet naar Mij geluisterd en Mij niet gehoorzaamd. Ze bleven hardnekkig, meer nog dan hun voorvaderen. Zeg hun dat alles, luisteren zullen ze niet; roep het hun toe, antwoorden zullen ze niet. Dan moet ge tegen hen zeggen: Hier is nu het volk dat niet wil luisteren naar de Heer, zijn God, dat zich niet laat beleren. Weg is de oprechtheid, ze komt niet meer over hun lippen.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (11, 14-23)
Eens dreef Jezus een duivel uit die stom was. Zodra de duivel was uitgevaren, kon de stomme weer spreken. De mensen stonden er verbaasd van. Maar enkelen van hen zeiden: “Door Beëlzebub, de vorst der duivels, drijft Hij de duivels uit.” Anderen – om Hem op de proef te stellen – verlangden van Hem een teken uit de hemel. Maar Hij kende hun gedachten en sprak tot hen: “Elk rijk dat innerlijk verdeeld is, vervalt tot een woestenij, het ene huis valt op het andere. Als nu ook de satan met zichzelf in strijd is, hoe kan zijn rijk dan standhouden? Ge zegt immers, dat ik door Beëlzebub de duivels uitdrijf. Als Ik door Beëlzebub de duivels uitdrijf, door wie drijven uw zonen ze dan uit? Daarom zullen zij uw rechters zijn. Maar als ik door de vinger Gods de duivels uitdrijf, dan is inderdaad het Rijk Gods tot u gekomen. Wanneer een sterke, welbewapend, zijn huis en hof bewaakt, is zijn bezit veilig. Komt er echter iemand die sterker is dan hij en die hem overwint, dan rooft deze zijn volle uitrusting, waarop hij zijn vertrouwen stelde, en verdeelt wat hij bezit als buit. Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij bijeenbrengt, die verstrooit.”

Overweging
Zijn naam, Satan, betekent Tegenstander, en toch lijkt het erop dat we zijn gevaar gemakkelijk onderschatten. We geloven wel in het bestaan van de duivel, maar tegelijkertijd vinden we het toch wel lastig om ons een beeld te vormen van zijn actieve kwaadwillendheid. We zien hem liever in een soort irritante bijrol dan als een hoofdrolspeler in het heilsmysterie. Maar Jezus wist dat Hij de duivel niet kon onderschatten.

Aangezien Satan zelf niets kan scheppen probeert hij in plaats daarvan de dingen die er al zijn te verdraaien en in de war te sturen. Zo heeft de wereldbevolking nog nooit zoveel vrijheid genoten, maar zien we tegelijkertijd enorm veel bolwerken van zonde. Nog nooit hadden mensen zoveel zelfvertrouwen als in deze tijd, maar tegelijkertijd ervaren ook enorm veel mensen angst en onzekerheid. Onze wereld lijkt kleiner dan ooit, maar toch voelen veel mensen zich eenzaam en verlaten.

Een van de meest voorkomende en effectieve tactieken van de Satan is het zaad van de twijfel te zaaien in ons hoofd. Hij wil dat we twijfelen aan Gods liefde en dus de liefde gaan zoeken in andere relaties. Hoeveel mensen vallen niet in de valkuil van steeds wisselende seksuele relaties? Satan wil dat we twijfelen aan Gods zorg voor ons, zodat we tegen elke prijs op zoek gaan naar meer zekerheden in ons leven. Denk maar aan degenen die de toppen van financieel succes bereikt hebben maar daarvoor de hoge prijs betaald hebben van ontwrichte relaties. Satan wil dat we twijfelen aan Gods barmhartigheid en vergeving, zodat we gevangen blijven in schuld en schuldgevoel.

Wat moeten we dus doen? Stel uw hoop op Gods beloften. Steeds wanneer u in de verleiding komt aan Gods liefde te twijfelen, denk er dan aan dat niets u kan scheiden van de liefde van God (Romeinen 8,35-39). Steeds wanneer u in de verleiding komt te twijfelen aan Gods zorg voor u, bedenk dan dat God zorgt voor de bloemen op het veld en de vogels in de lucht, en er natuurlijk nog meer plezier in heeft u te voorzien van alles wat u nodig hebt (Lucas 12,22-34). En steeds wanneer u twijfelt aan Gods vergeving, houd uzelf dan voor dat God rijk is aan barmhartigheid en niet gauw boos wordt (Efeziërs 2,4; Psalm 103,12). Dat zijn allemaal waarheden waarop u uw leven kunt bouwen! Bedenk dat Hij die in u is, groter is dan hij die in de wereld is.

Gebed
Heer Jezus, U hebt de macht van de duivel verslagen en door het doopsel hebt U mij deel gegeven aan Uw overwinning. Ik geloof dat niets me kan scheiden van Uw liefde. Heilige Geest, vul me met een diep geloof en vertrouwen op Gods beloften. Amen.

< 3e week: vrijdag

Eerste lezing uit het boek Hosea (14, 2-10)
Zo spreekt de Heer: “Bekeer u, Israël, tot de Heer uw God want over uw schuld zijt gij gestruikeld. Kom met uw woorden als gave, bekeer u tot de Heer en zeg Hem: Gij vergeeft toch alle schuld; aanvaard ook onze goede wil: wij zullen onze woorden als offerdieren geven. Assur kan ons niet redden; wij zullen niet meer op paarden rijden en tegen het maaksel van onze handen zeggen wij nooit meer: Gij zijt onze God. Gij, de Heer, zijt immers degene bij wie de wees ontferming vindt.
Ik wil hen van hun ontrouw genezen en hun van harte mijn liefde schenken. Mijn toorn heeft zich van hem afgewend. Ik wil voor Israël zijn als de dauw: als een lelie zal hij gaan bloeien en hij zal wortels schieten, als op de Libanon. Zijn scheuten lopen uit, zijn luister evenaart die van de olijfboom, zijn geur die van de Libanon. Zij zullen opnieuw in zijn schaduw zitten; zij zullen koren kunnen verbouwen, zij zullen bloeien als de wingerd en vermaard zijn als de wijn van de Libanon. Wat heb Ik dan nog met de afgoden te maken, Efraïm? Ik ben het die hem verhoort en die naar hem omziet. Ik ben als een altijd groene cipres: aan Mij zijn uw vruchten te danken. Wie is zo wijs dat hij dit beseft, wie is zo verstandig dat hij dit inziet? Inderdaad, recht zijn de wegen van de Heer; de rechtschapenen bewandelen die, maar rebellen komen er ten val.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus (12, 28-34)
In die tijd trad een schriftgeleerde op Jezus toe en legde Hem de vraag voor: “Wat is het allereerste gebod?” Jezus antwoordde: “Het eerste is: Hoor, Israël! De Heer onze God is de enige Heer. Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht. Het tweede is dit: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Er is geen ander gebod voornamer dan deze twee.” Toen zei de schriftgeleerde tot Hem: “Juist, Meester, terecht hebt Ge gezegd: Hij is de enige en er bestaat geen andere buiten Hem; en Hem beminnen met heel zijn hart, heel zijn verstand en heel zijn kracht en de naaste beminnen als zichzelf gaat boven alle brand – en slachtoffers.” Omdat Jezus zag dat hij wijs gesproken had, zei Hij hem: “Gij staat niet ver af van het Koninkrijk Gods.” En niemand durfde Hem nog een vraag te stellen.

Overweging
Gij staat niet ver af van het Koninkrijk Gods. (Marcus 12,34)

Na deze woorden van Jezus viel de menigte stil. Niemand durfde Hem nog een vraag te stellen. Jezus was eraan gewend dat schriftgeleerden en Farizeeën Hem benaderden met vragen over de wet. Hij gebruikte die vragen dikwijls als een gelegenheid om een gelijkenis of een lering te geven die inging tegen de bedoeling van de vraagstellers of die hun schijnheiligheid aan het licht bracht. Maar ditmaal zei Jezus iets volkomen onverwachts. Wat was er anders?

Jezus zag dat deze man al het een en ander begrepen had van wat Hij leerde. Hoewel we niet veel weten over deze schriftgeleerde blijkt uit zijn woorden dat hij persoonlijk tot het inzicht gekomen was dat het routinematig uitvoeren van allerlei offerrituelen een zinloze bezigheid was. Mogelijk had hij persoonlijk ervaren wat Hosea beschreef in de eerste lezing: genezing en liefde ontvangen van een God die zonden vergeeft. Op grond daarvan begreep hij dat God en je naaste liefhebben het hoogste doel was en de feitelijke vervulling van de wet van Mozes.

Jezus wil bij ons een vergelijkbaar begrip zien. Hij wil tot de kern van de zaak doordringen en ons oproepen lief te hebben op manieren waarmee de geest van de wet wordt vervuld. Maar dat betekent niet dat we godsdienstige gebruiken afwijzen! Deze schriftgeleerde kan ons voorbeeld zijn. Hij verwierp de wet van Mozes niet; in plaats daarvan ging hij die zien op de manier zoals God hem bedoeld heeft. Zijn religieuze praktijken vloeiden voort uit zijn liefde voor God, met als gevolg dat anderen via hem leven ontvingen en bewijzen van Gods liefde.

Wanneer we de uiterlijke gebruiken van ons geloof gaan zien zoals ze bedoeld zijn – uitingen van onze liefde tot God en van zijn genade die in ons werkt – dan verschijnt alles wat we doen in een ander licht. We gaan niet alleen naar de Eucharistie; we offeren onszelf in liefde tot God en in dienst aan anderen. We geven niet zomaar geld aan de armen of bidden voor mensen in nood; we hebben Christus lief. We vasten niet alleen maar; we verloochenen onszelf zodat onze liefde gezuiverd wordt. Het is de vervulling van de geest van de wet die ons in staat stelt om lief te hebben in de kracht van de Heilige Geest.

Gebed
Heer Jezus, geef mij begrip! Help me nederig te zijn en open mijn ogen om te zien waar het in Uw wet om gaat opdat ik echt kan liefhebben, van harte! Ik wil dat al mijn daden uit liefde voortkomen. Amen.

< 3e week: zaterdag

Eerste lezing uit het boek Hosea (6, 1-6)
Zo spreekt de Heer: “In zijn ellende zal mijn volk Mij zoeken van de vroege morgen af en zeggen: Kom, laten we terugkeren tot de Heer; Hij heeft ons verscheurd, Hij zal ons ook genezen; Hij heeft wonden geslagen, Hij zal ze ook verbinden. Na twee dagen maakt Hij ons weer levend, op de derde dag laat Hij ons weer opstaan om weer te leven voor zijn aanschijn. Wij willen de Heer liefhebben, ons inspannen om Hem te kennen. En zeker als de dageraad vertoont Hij zich, komt Hij over ons als de regen, als de lenteregen die de aarde drenkt. Wat moet Ik met u beginnen, Efraïm? Wat moet Ik met u beginnen, Juda? Uw vroomheid is als de morgennevel, als de dauw die vroeg in de morgen verdwijnt. Daarom heb Ik op u ingeslagen door de profeten, heb Ik de dood gebracht door de woorden van mijn mond: mijn oordeel brak door als het licht. Want vroomheid wens Ik, geen offergaven, en erkenning van God, méér dan brandoffers.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (18, 9-14)
In die tijd vertelde Jezus, met het oog op sommigen die, – overtuigd van eigen gerechtigheid – de anderen minachtten, de volgende gelijkenis. “Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de één was een Farizeeër en de andere een tollenaar. De Farizeeër stond met opgeheven hoofd en bad bij zichzelf als volgt: God, ik dank u dat ik niet zo ben als de rest van de mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als die tollenaar daar. Ik vast tweemaal per week en geef tienden van al mijn inkomsten. Maar de tollenaar bleef op een afstand en wilde zelfs niet zijn ogen opheffen naar de hemel; maar hij klopte zich op de borst, en zei: God wees mij, zondaar, genadig. Ik zeg u: deze ging gerechtvaardigd naar huis en niet die andere, want alwie zich verheft zal vernederd, maar wie zich vernedert zal verheven worden.”

Overweging
Klinkt deze schriftlezing niet verwarrend? De Israëlieten dringen er bij elkaar op aan naar de Heer terug te keren, maar God wijst hun offer af, en hard ook. Wat heeft God ertoe gebracht zo boos, zo bitter te reageren?

“Want barmhartigheid wil Ik, en geen offer” (Hosea 6,6). Dat was het hele probleem. God doorzag de woorden van de Israëlieten en ontdekte dat hun harten niet veranderd waren. Hun woorden waren goed gekozen, maar er zat niets achter. Hij wist dat mooie uitspraken als deze leken op “de dauw die vroeg in de ochtend verdwijnt” (Hosea 6,4). God wenste geen lege vroomheid. Hij wilde een volk dat elkaar behandelde met recht en barmhartigheid. Hij wilde een volk dat zorgde voor de armen en hen niet uitbuitte. Hij wilde een volk dat zich zeven dagen per week aan zijn verbond hield en niet alleen op de sabbat.

God is niet veranderd sinds de dagen van Hosea. Hij wil nog altijd dat zijn Kerk een volk is dat voor Hem apart gezet is. Hij wil nog altijd zien dat we leven in heiligheid, zuiverheid, recht en gehoorzaamheid. En Hij gruwelt er nog steeds van als we denken dat we op zondag even wat religieuze plichtplegingen kunnen doen om vervolgens de rest van de week alle dingen te doen zoals we dat zelf willen.

Wat moeten we dus doen, met name als de lezing van vandaag een gevoelige snaar bij ons raakt? Eén ding is dat we berouw kunnen tonen. God ziet het graag als we naar Hem terugkeren en onze nalatigheden toegeven – niet omdat Hij ons graag vernedert maar omdat Hij weet hoeveel krachtiger Hij kan werken wanneer wij berouw hebben in plaats van zelfgenoegzaam te zijn. Het enige waar het in het Sacrament van Verzoening om gaat is genezing en herstel, het is geen zaak van misdaad en straf.

Maar belangrijker dan berouw is dat we ook een plan maken om te veranderen. Dat kan een specifieke toewijding inhouden aan dagelijks gebed. Het kan een regelmatig onderzoek van ons geweten impliceren en het nemen van praktische maatregelen om zonde te vermijden. Het kan ook een besluit inhouden om meer deel te nemen aan het werk van de Kerk, in evangelisatie of sociale activiteiten.

God wil ons leven veranderen, maar om dit te doen heeft Hij onze medewerking nodig. Doe daarom boete en maak een plan dat niet alleen offers inhoudt maar ook liefde.

Gebed
Jezus, ik geef mijn hart aan U over zodat U mij een nieuw hart kunt geven. Maak mij meer zoals U, Heer! Amen.

< 4e week van de Veertigdagentijd

< 4e week: zondag

Eerste lezing uit het boek Jozua (5, 9-12)
In die dagen sprak de Heer tot Jozua: “Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld.” Terwijl de Israëlieten in Gilgal gelegerd waren, vierden zij het paasfeest op de veertiende dag van de maand, in de avond, in de vlakte van Jericho. En daags na Pasen, juist op die dag, aten zij ongezuurd brood en geroosterd graan dat van het land zelf afkomstig was. De volgende dag hield het manna op; ze konden nu eten wat het land voortbracht. Voortaan kregen de Israëlieten geen manna meer: zij aten gedurende heel het jaar datgene wat Kanaän voortbracht.

Tweede lezing uit de tweede brief aan de Korintiërs (5, 17-21)
Broeders en Zusters,
Wie in Christus is, is een nieuwe schepping: het oude is voorbij, het nieuwe is al gekomen. En dit alles komt van God. Hij heeft ons door Christus met zich verzoend en ons, apostelen, de dienst van die verzoening toevertrouwd. Ja, God was het die in Christus de wereld met zich verzoende: Hij telde de fouten van de mensen niet en ons gaf Hij de boodschap van de verzoening mee. Wij zijn dus gezanten van Christus, God roept u op door ons woord. Wij smeken u in Christus ‘ naam: laat u met God verzoenen! Hem die geen zonde heeft gekend, heeft God voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij door Hem Gods eigen heiligheid zouden worden.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (15, 1-3+11-32)
In die tijd kwamen tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Hem om naar Hem te luisteren. De Farizeeën en de schriftgeleerden morden daarover en zeiden: “Die man ontvangt zondaars en eet met hen.” Hij hield hen deze gelijkenis voor:
“Een man had twee zonen. Nu zei de jongste van hen tot zijn vader: Vader, geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb. En hij verdeelde zijn vermogen onder hen. Niet lang daarna pakte de jongste zoon alles bij elkaar en vertrok naar een ver land. Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven. Toen hij alles opgemaakt had, kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden. Nu ging hij in dienst bij een der inwoners van dat land, die hem het veld in stuurde om varkens te hoeden. En al had hij graag zijn buik willen vullen met de schillen die de varkens aten, niemand gaf ze hem. Toen kwam hij tot nadenken en zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik verga hier van de honger. Ik ga weer naar mijn vader en ik zal hem zeggen: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten, maar neem mij aan als een van uw dagloners. Hij ging dus op weg naar zijn vader. Zijn vader zag hem al in de verte aankomen, en hij werd door medelijden bewogen; hij snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk. Maar de zoon zei tot hem: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten. Doch de vader gelastte zijn knechten: Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan, steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan. Haalt het gemeste kalf en slacht het; laten we eten en feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden. Ze begonnen dus feest te vieren. Intussen was zijn oudste zoon op het land. Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde, hoorde hij muziek en dans. Hij riep een van de knechts en vroeg wat dat te betekenen had. Deze antwoordde: Uw broer is thuisgekomen en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten, omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen. Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen. Toen zijn vader naar buiten kwam en bij hem aandrong,gaf hij zijn vader ten antwoord: Al zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden, toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven om eens met mijn vrienden feest te vieren. En nu die zoon van u is gekomen die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen, hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten. Toen antwoordde de vader: Jongen, jij bent altijd bij me en alles wat van mij is, is ook van jou. Maar er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was en levend is geworden, verloren was en is teruggevonden. ”

Overweging
Nadat ze op miraculeuze wijze de Jordaan waren overgestoken, vernieuwden de Israëlieten hun verbond met de Heer en vierden ze het eerste Paasfeest in het Beloofde Land. En toen gebeurde het: het manna stopte. Opeens eindigde deze wonderlijke voorziening die hen veertig jaar in de woestijn in leven gehouden had, en de mensen moesten in plaats daarvan leren leven van de overvloed van Kanaän. Het moet een raar gevoel geweest zijn om die morgen wakker te worden en geen kant en klare manna te zien. Nu moesten ze werken voor hun voedsel.

Soms worden we boos over veranderingen die zich in ons leven voordoen. We voelen Gods aanwezigheid in het gebed niet op dezelfde manier als toen we Hem pas leerden kennen. Als we verhuisd zijn gaan we naar een nieuwe parochie – kleine verschillen kunnen maken dat de liturgie er vreemd aanvoelt. We gaan van school af of gaan met pensioen, of we komen uit de gevangenis en missen de structuur van een vaste dagelijkse routine. We voelen ons losgeslagen en weten niet waar we God kunnen vinden.

Als u nu een tijd van verandering doormaakt, bedenk dan dat God dezelfde is, gisteren, vandaag en altijd. Hij zorgt nog altijd voor u. Natuurlijk moet u het koesteren hoe Hij in het verleden voor u gezorgd heeft. Maar u moet ook openstaan voor wat Hij nu met u wil doen. Als het manna opgedroogd lijkt te zijn, kijk dan eens om u heen naar de melk en honing. Misschien hoort u een tijdlang zijn stem bij de Eucharistieviering duidelijker dan in uw eigen stille tijd. Denk niet vol weemoed terug aan uw oude pastoor, maar let in plaats daarvan eens goed op de verfrissende manieren waarop uw nieuwe pastor leiding geeft en dient.

Verandering is niet altijd gemakkelijk. Maar God gaat altijd voor u uit in elke nieuwe situatie. U hoeft alleen Zijn aanwezigheid te zoeken en u zult nieuwe en verrassende manieren vinden om Hem te ontmoeten.

Gebed
Vader, U voorziet royaal in al mijn behoeften. U kent me door en door. Help me de nieuwe manieren te accepteren waarop U vandaag voor me wilt zorgen. Amen.

< 4e week: maandag

Eerste lezing uit de profeet Jesaja (65,17-21)
Zo spreekt de Heer: “In die dagen ga Ik scheppen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; aan wat vroeger is geweest wordt niet meer gedacht, het komt niet meer in de gedachten op: maar vreugde ga Ik voor u scheppen en jubel voor altijd; waarachtig, Jeruzalem wordt door Mij herschapen in een stad vol jubel met een bevolking vol blijdschap. Dan zal Ik jubelen om Jeruzalem en Mij verblijden om mijn volk; en snikken noch kermen worden er nog gehoord. Er is geen zuigeling meer aan wie slechts een kort leven beschoren is, en geen grijsaard die zijn leven niet voltooit, want de jongste sterft als man van honderd jaar, en wie de honderd jaar niet bereikt wordt als vervloekt beschouwd. Zelf wonen zij in de huizen die zij hebben gebouwd, en eten de vruchten van de wijngaard die zij zelf hebben geplant.” Zo spreekt de almachtige Heer.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (4,43-54)
In die tijd verliet Jezus Samaria en ging naar Galilea. Hijzelf had verklaard, dat een profeet in zijn eigen vaderstad niet in aanzien is. Toen Hij nu in Galilea kwam, ontvingen de Galileeërs Hem welwillend, omdat zij alles hadden gezien, wat Hij te Jeruzalem op het feest had gedaan. Zij waren immers zelf ook op het feest geweest. Zo kwam Hij dan wederom te Kana in Galilea, waar Hij van het water wijn had gemaakt. Daar bevond zich een koninklijke beambte, wiens zoon te Kafarnaum ziek lag. Toen hij hoorde dat Jezus uit Judea naar Galilea was gekomen, ging hij naar Hem toe en verzocht Hem, dat Hij mee zou komen om zijn zoon te genezen, want deze lag op sterven. “Als gij geen wondertekenen ziet,” zei Jezus tot hem, “dan gelooft gij niet.” Daarop zei die hofbeambte: “Heer, kom toch eer mijn kind sterft!” Jezus antwoordde: “Ga maar, uw zoon leeft.” De man geloofde wat Jezus hem zei en ging heen. Zijn dienaars kwamen hem onderweg reeds tegemoet met de boodschap dat zijn kind leefde. Hij vroeg hun naar het uur waarop de beterschap was ingetreden, en zij zeiden hem: “Gisteren op het zevende uur is de koorts van hem geweken.” Toen besefte de vader, dat het gebeurd was juist op het uur waarop Jezus gezegd had: “Uw zoon leeft.” Hij zelf en heel zijn gezin geloofden. Dit tweede teken deed Jezus ook weer toen Hij uit Judea naar Galilea gekomen was.

Overweging
Dit tweede teken deed Jezus ook weer toen Hij uit Judea naar Galilea gekomen was. (Johannes 4,54)

Een hoofdknik. Een zere keel. Een rode avondhemel. Op het eerste gezicht hebben ze niets met elkaar te maken, maar toch … Al deze dingen hebben gemeen dat het tekens zijn die ons iets zeggen over iets anders.

Johannes gebruikt in zijn evangelie de term “teken” als hij het heeft over de wonderdaden van Jezus. Tekenen verwijzen naar werkelijkheden die veel belangrijker zijn dan het weer van morgen of het begin van een verkoudheid. Johannes had van “wonderen” kunnen spreken maar hij wenste de nadruk te leggen op hun hogere doel. Ze waren niet alleen bedoeld om Jezus’ zending en identiteit te onthullen, maar ook om geloof op te roepen bij de aanwezigen.

Deze oproep tot geloof blijkt uit de opbouw van Johannes’ evangelie, dat in twee grote stukken uiteenvalt: het “Boek der tekenen” (Johannes 1,19 – 12,50) en het “Boek der verheerlijking” (13,1 – 20,31), waarin de tekens in vervulling gaan. In het deel over de “tekenen” wordt speciale aandacht besteed aan zeven van Jezus’ wonderen. In de evangelielezing van vandaag (het tweede teken) geneest Hij een jongen door eenvoudigweg een woord uit te spreken zonder dat Hij hem hoeft te zien. Twee andere tekenen zijn ook genezingen: een man die niet kon lopen (5,1-15) en een blindgeboren man (9,1-41). Daarnaast zijn er wonderen van wijn en brood (2,1-11; 6,1-15) en een demonstratie van Jezus’ macht over de krachten der natuur (6,16-21). Dit gedeelte heeft als hoogtepunt de opwekking van Lazarus uit de dood (11,1-57). Kan de boodschap nog duidelijker zijn? Jezus is het levende Woord, levend water, levensbrood, licht der wereld, Heer van de schepping, Heer van het leven!

In het Boek van de verheerlijking wordt dit allemaal expliciet gemaakt. Daar, in het grootste teken van allemaal – waar we aan herinnerd worden bij elk kruisteken – geeft Jezus zijn leven voor ons. Opgeheven voor ieders ogen wordt Hij onthuld als Heer en God.

In Johannes’ evangelie zien we Jezus aan het werk om de Vader te openbaren aan gewone mensen met gewone verwachtingen en behoeften. Deze Jezus is vandaag onder ons nog altijd bezig tekenen te doen, grote en kleine, om onze aandacht te krijgen en ons naar Zichzelf toe te trekken. Welke tekenen heeft Hij u gegeven? Hoe nodigt Hij u uit in Hem te geloven? En hoe gaat u reageren?

Gebed
Jezus, U openbaart Uzelf op zoveel manieren aan mij. Help me de tekenen van Uw liefde en aanwezigheid in mijn leven te herkennen. Ik geloof! Help me U lief te hebben en te volgen, en leid me naar Uw heerlijkheid. Amen.

< 4e week: dinsdag

Eerste lezing uit het boek Ezechiël (47, 1-9+12)
De engel van de Heer bracht mij terug naar de ingang van de tempel. Daar zag ik hoe er van onder de drempel water stroomde in oostelijke richting; de voorzijde van de tempel lag namelijk op het oosten. Het water vloeide onder de rechtervleugel van de tempel door, aan de zijde van het altaar. Daarop leidde hij mij door de noorderpoort naar buiten. Hij voerde mij buitenom naar de oostzijde: het water stroomde van onder de rechtervleugel.
Toen ging hij met een duimstok in de hand verder in oostelijke richting.Hij mat een afstand af van duizend el en liet mij vervolgens door het water stappen: het reikte tot aan mijn enkels. Opnieuw mat hij duizend el af en liet mij door het water waden: het kwam tot mijn knieën; en hij mat nog eens duizend el af en liet mij door het water waden: nu kwam het tot mijn middel. Toen hij nog eens duizend el afgemeten had was het een rivier geworden waar ik niet meer door heen kon waden; het water was zo diep dat men er niet stappend, maar alleen zwemmend door kon komen. Toen vroeg hij: “Ziet ge dat, mensenkind?” Daarna leidde hij mij terug langs de oever van de rivier. Terwijl hij mij terugvoerde zag ik hoe er op beide oevers van de rivier heel veel bomen stonden. De engel van de Heer zei mij: “de rivier stroomt naar de vlakte in het oosten, en verder stroomt hij naar de Araba, om vervolgens uit te monden in de Zoutzee waarvan het water drinkbaar wordt. Overal waar de rivier stroomt zullen de waterdieren in leven kunnen blijven, zal het water drinkbaar worden, en zal alles in leven blijven. Op beide oevers van de rivier zullen allerlei vruchtbomen opschieten waarvan de bladeren niet verwelken,en de vruchten nooit opraken; want de bomen zulle elke maand vrucht dragen. Zij worden immers gevoed met water uit de tempel. De vruchten zullen dienen als voedsel en de bladeren als geneesmiddel.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (5, 1-3a+5-16)
Omdat er een feest van de Joden was, ging Jezus op naar Jeruzalem. Nu is er in Jeruzalem bij de Schaapspoort een badinrichting, in het Hebreeuws Betesda geheten, met vijf zuilengangen. In die gangen lag altijd een groot aantal gebrekkigen. Nu was daar een man die al achtendertig jaar lang gebrekkig was. Jezus zag hem liggen en omdat Hij wist dat hij reeds lang zo lag, zei Hij tot hem: “Wil je gezond worden?” De zieke gaf Hem ten antwoord: “Heer, ik heb niemand om mij, wanneer het water bewogen wordt, in het bad te brengen en terwijl ik ga, daalt een ander voor mij er in af.” Daarop zei Jezus hem: “Sta op, neem je bed op en loop.” Op slag werd de man gezond. Hij nam zijn bed op en liep. Die dag was het echter sabbat en daarom zeiden de Joden tot de genezene: “Het is sabbat, je mag je bed niet dragen.” Hierop antwoordde hij hun: “Die mij gezond heeft gemaakt, Die heeft gezegd: Neem je bed op en loop!” Daarom vroegen zij hem: “Wie is die man die je zei: Neem je bed op en loop?” De genezene wist niet wie het was, want Jezus had zich ongemerkt teruggetrokken, omdat er veel volk ter plaatse was.
Later trof Jezus hem in de tempel en sprak tot hem: “Zie, je bent nu genezen! Zondig niet meer, opdat je niets ergers overkomt.” De man ging heen en vertelde aan de Joden, dat het Jezus was die hem genezen had. Omdat Jezus dergelijke dingen op sabbat deed, begonnen de Joden Hem te vervolgen.

Overweging
De profeet Ezechiël tekent een beeld van een prachtige rivier die ontspringt in de tempel en dieper en wijder wordt naarmate hij verder stroomt. Eerst is het een beekje waarin het water tot aan je enkels komt, maar gaandeweg wordt het een rivier die je alleen zwemmend kunt oversteken. Hij stroomt uit over het hele land, en overal waar hij komt brengt hij leven en houdt hij het leven in stand. Hij maakt zelfs van het brakke, giftige water van de Dode Zee een verfrissende bron!

En weet u, wij die gedoopt zijn zijn in diezelfde rivier ondergedompeld. Nu stroomt Gods leven in ons, klaar om ons mee te voeren.

Waar staat u in die stroom? Tot uw enkels? Kopje-onder? Ergens daartussenin? Het doet er niet toe! Waar u ook bent, God nodigt u uit er dieper in te gaan. Wees niet bang erin te stappen of te springen, te spetteren en nat te worden. In tegenstelling tot zoveel andere rivieren die wij mensen allemaal vervuild hebben, wast deze rivier iedereen schoon die erin stapt. Hij raakt nooit vervuild, hoe groot de zonden ook zijn die we meedragen. Want het is de rivier van Gods barmhartigheid.

Waar raakt het water van Gods leven u vandaag? Wellen er tranen van verdriet, berouw of vreugde in u op? Misschien nodigt God u uit om te worden afgeboend, gereinigd en vernieuwd door de sacramenten, in het bijzonder door het Sacrament van Verzoening. Misschien baadt u in het rustgevende water van Gods aanwezigheid en dringt het vocht door in uw dorstige ziel. Misschien bent u er halsoverkop ingesprongen en hebt u het gevoel dat u er wanhopig in rond spartelt. Als dat het geval is, ontspan u dan en laat de Geest u dragen.

Vergeet de volgende keer dat u naar de kerk gaat niet om even stil te staan bij het wijwaterbakje. Als het in uw kerk droog staat in de Veertigdagentijd, neem dan de tijd om na te denken over uw dorst naar een frisse uitstorting van de Geest op Pasen. Als er wijwater in zit, maak dan extra aandachtig het kruisteken. Denk er bij het uitgaan van de kerk ook aan dat de rivier van Ezechiël dieper en sterker wordt en meer leven geeft daar waar hij de plaats van de aanbidding verlaat en uitstroomt in de wereld die God geschapen heeft en die Hij liefheeft. Door die stroom wordt u nu gedragen; hij geeft u kracht om een doorgeefluik te zijn van genezing en nieuw leven voor allen in uw omgeving.

Gebed
Heilige Geest, ik dorst naar U. Laat het water van Uw nieuwe leven in mij binnenstromen. Laat Uw liefde via mij uitstromen om de wereld te vernieuwen. Amen.

< 4e week: woensdag

Eerste lezing uit het boek Jesaja (49, 8-15)
Zo spreekt de Heer: “Op de tijd van mijn welbehagen verhoor Ik u, op de dag van het heil kom Ik u helpen. Ik zal u vormen en u maken tot de man van het verbond, om het land weer te herstellen, om het verkommerde erf opnieuw te verdelen, om tot de geboeiden te zeggen: ‘Komt naar buiten!’ en tot hen die in duisternis zitten: ‘Vertoont u!’ Langs de wegen zullen zij weiden, op de kale gronden zullen zij grazen. Zij lijden geen honger of dorst, geen gloeiende wind, geen brandende zon die hen deert, want Degene die zich ontfermt over hen, Hij geleidt hen, Hij brengt hen naar de waterbronnen. Van al mijn bergen maak Ik banen en mijn wegen worden geëffend. Er zijn er die komen van verre; anderen komen uit het noorden en van de zeekant, en weer anderen uit Sinim. Hemelen, juicht, en gij Aarde, verblijd u! Bergen, breekt uit in gejubel, want de Heer is zijn volk komen toroosten, zich komen ontfermen over zijn arme getrouwen. Sion denkt: ‘De Heer heeft mij verlaten, mijn God heeft mij vergeten.’ Kan een vrouw haar zuigeling vergeten? Heeft een moeder niet meer te doen met het kind van haar schoot? En al zou een moeder haar kind vergeten, Ik vergeet u nooit!”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (5, 17-30)
In die tijd verdedigde Jezus zich tegen de Joden met de woorden: “Tot op de dag van vandaag is Mijn Vader voortdurend aan het werk, en ook Ik houd niet op met werken.” Om die reden waren de Joden er nog meer op uit om Hem te doden. Hij tastte immers niet slechts de sabbat aan, maar Hij noemde zelfs God zijn eigen Vader en maakte daardoor zichzelf aan God gelijk. Hierop nam Jezus opnieuw het woord en sprak: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: de Zoon kan niets uit zichzelf, maar alleen datgene wat Hij de Vader ziet doen. En alles wat Deze doet, doet de Zoon insgelijks. De Vader toch heeft de Zoon lief en laat Hem alles zien wat Hij doet. Nog grotere werken dan deze zal Hij Hem tonen, zodat gij verbaasd zult staan. Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil. De Vader oordeelt niemand, maar heeft het oordeel geheel en al in handen van de Zoon gelegd, opdat allen de Zoon zouden eren zoals zij de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert evenmin de Vader die Hem zond. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie luistert naar mijn woord en gelooft in Hem die Mij zond, heeft eeuwig leven en is aan geen oordeel onderworpen, hij is immers reeds uit die dood naar het leven overgegaan. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: er zal een uur komen, ja het is er al, waarop de doden de stem van Gods Zoon zullen horen en die haar horen, zullen leven. Zoals de Vader leven heeft in zichzelf, zo gaf Hij ook aan de Zoon leven in zichzelf te hebben. Hij heeft Hem macht gegeven om oordeel te vellen; Hij is immers de Mensenzoon. Verwondert u niet hierover: er zal een uur komen, waarop allen die in de graven zijn, zijn stem zullen horen. Dan zullen zij die het goede deden, er uit te voorschijn komen tot de opstanding ten leven, maar die het kwade deden tot de opstanding ten oordeel. Ik kan niets uit Mijzelf: Ik oordeel naar wat Ik hoor en mijn oordeel is rechtvaardig, omdat Ik niet mijn eigen wil zoek, maar de wil van Hem die Mij zond.”

Overweging
Kan een vrouw haar zuigeling vergeten? Heeft een moeder niet meer te doen met het kind van haar schoot? En al zou een moeder haar kind vergeten, Ik vergeet u nooit! (Jesaja 49,15)

Wat een aangrijpend beeld van God en van zijn liefde voor ons! Onze God zal ons nooit en te nimmer in de steek laten. Dat is op zich al verbazingwekkend genoeg, maar laten we niet vergeten wie we zijn: zondaars die het verdienen veroordeeld te worden, zonder enig recht op genade. Is dat niet wonderbaarlijk? Zijn liefde voor ons verandert niet op basis van ons gedrag. Nee, Hij houdt van ons eenvoudigweg omdat Hij ons heeft gemaakt en zich voor eeuwig aan ons verbonden heeft.

Bedenk ook hoe anders onze liefde is in vergelijking met Gods liefde. Wij kunnen het ene moment gelukkig zijn en het volgende moment boos. Wij houden meer van mensen als ze aardig tegen ons zijn, en mensen die ons veronachtzamen laten ons koud. En zelfs met de mensen van wie wij houden is het niet altijd hetzelfde: op sommige dagen is het gemakkelijker om van ze te houden dan op andere dagen.

Gods liefde is nooit onderhevig aan dit soort schommelingen. Hij houdt van ons als we vallen. Hij houdt van ons wanneer we niet trouw zijn aan zijn geboden. Kortom: Hij houdt ook van ons als wij niet erg aardig zijn!

Dat wil niet zeggen dat God niet geeft om gerechtigheid. De Israëlieten hadden slechte tijden, maar God liet hen nooit in de steek. Zelfs als Hij hen moest straffen en de gevolgen van hun zonden onder ogen liet zien, liet Hij hen nooit los. Hij was altijd bereid hen terug te nemen en helemaal opnieuw te beginnen. In sommige gevallen gebruikte God zelfs hun ongeluk om hen te onderrichten en zuiverder te maken.

Waarom is Gods liefde zo constant? Omdat Hij God is, natuurlijk. Maar ook omdat Hij een veel breder beeld heeft dan wij. God blijft zijn ogen altijd gericht houden op zijn doel voor ons, om ons te maken tot kostbaar vaatwerk, geschikt om te worden gevuld met zijn eigen goddelijk leven. Hij kan geduld met ons hebben omdat Hij beschikt over de eeuwigheid om met ons te werken. Hij zal zijn volk nooit opgeven!

Gebed
Vader, toon me vandaag alstublieft dieper Uw liefde. Mijn idee van liefde is soms zo beperkt, doorbreek daarom alstublieft de grenzen die ik eraan heb gesteld. Ik wil niets anders, Vader, dan gevuld worden met Uw leven. Amen.

< 4e week: donderdag

Eerste lezing uit het boek Exodus (32, 7-14)
In die tijd sprak de Heer tot Mozes: “Ga naar beneden, want het volk dat gij uit Egypte hebt geleid is tot zonde vervallen. Ze zijn nu al afgeweken van de weg die Ik hun had voorgeschreven: ze hebben een stierenbeeld gemaakt, ze buigen zich daarvoor neer, ze dragen er offers voor op en schreeuwen: Israël, dit is de god die u uit Egypte heeft geleid.” Ook sprak de Heer tot Mozes: “Ik zie nu hoe halsstarrig dit volk is. Laat Mij begaan, dan kan ik hen in mijn brandende toorn vernietigen. Maar van u zal Ik een groot volk maken.” Mozes trachtte de Heer, zijn God, gunstig te stemmen en vroeg: “Waarom Heer, uw toorn laten woeden tegen het volk dat Gij met grote kracht en sterke hand uit Egypte hebt geleid? Waarom de Egyptenaren laten honen: Hij heeft ze laten gaan met de boze opzet ze in de bergen te laten omkomen en ze van de aarde weg te vagen? Laat toch uw toorn niet langer tegen woeden. Zie af van het onheil waarmee Gij uw volk bedreigt. Denk aan uw dienaren Abraham, Isaäk en Israël, aan wie Gij onder ede beloofd hebt: Ik zal uw nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, en heel het land waarover Ik heb gesproken zal Ik uw nakomelingen voor altijd in bezit geven. Het zal voor eeuwig hun erfdeel zijn.” Toen zag de Heer af van het onheil waarmee hij zijn volk had bedreigd.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (5, 31-47)
In die tijd sprak Jezus tot de Joden: “Als Ik over Mijzelf getuig, dan heeft mijn getuigenis geen waarde. Er is een ander de over mij getuigt, en Ik weet dat de getuigenis die Hij over Mij aflegt, geloofwaardig is. Gij hebt een gezantschap naar Johannes gestuurd en deze heeft getuigd voor de waarheid. Weliswaar behoef Ik de getuigenis van een mens niet, maar Ik zeg dit opdat gij gered zult worden. Hij was de lamp, ontstoken om te verlichten, en een korte tijd hebt gij u in zijn licht willen verheugen. De getuigenis echter die Ik bezit, is waardevoller dan die van Johannes, want het zijn juist de werken die de Vader Mij gegeven heeft om te volbrengen en die Ik ook volbreng, die van Mij getuigen, dat Ik door de Vader gezonden ben. Ook de Vader zelf die Mij zond, heeft getuigenis over Mij afgelegd. Zijn stem hebt gij nimmer gehoord noch zijn gestalte gezien, en zijn woord hebt gij niet blijvend in u, omdat gij Degene die Hij zond niet gelooft. Gij onderzoekt de Schriften in de mening daarin eeuwig leven te vinden, maar juist dezen getuigen over Mij. En toch wilt gij niet tot Mij komen om het leven te vinden. Ik zoek niet door de mensen geëerd te worden, maar Ik weet dat gij in uw hart geen liefde tot God hebt. Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader en toch aanvaardt Gij Mij niet. Komt een ander in zijn eigen naam, dan zult gij hem wel aanvaarden. Maar hoe zoudt gij ook kunnen geloven als gij van elkaar eer tracht te verwerven, terwijl gij de eer die van de enige God komt, niet zoekt? Meent niet, dat Ik u bij de Vader zal aanklagen. Er is al iemand die u aanklaagt: Mozes, op wie gij uw hoop hebt gesteld. Want als ge Mozes zoudt geloven, zoudt ge ook Mij geloven, want juist over Mij heeft hij geschreven. Als ge niet gelooft wat hij schreef, hoe zoudt ge dan geloven wat Ik spreek?”

Overweging
Iedereen die in een rechtszaak verwikkeld is weet zich graag gesteund door harde bewijzen. Volkomen logisch! Jezus, die hier uitgedaagd wordt door de Joodse autoriteiten, roept de beste getuigen op om aan te tonen dat Hij uit naam van God handelt. Dat zijn het getuigenis van Johannes de Doper, het getuigenis van zijn eigen onderwijs en wonderen, en de Schrift, waarvan elk woord voor Hem getuigt (Johannes 5,39). Maar ondanks dat alles willen de religieuze leiders Hem niet accepteren. Wat kan Jezus nog meer doen om hen te overtuigen?

Het meest overtuigende bewijs dat Jezus kan geven is zijn eigen leven, gebracht als offer. Het is het getuigenis van de goddelijke liefde, die alle wetten vervult die de Joden eeuwenlang geëerbiedigd hadden en getracht te vervullen.

In de Eucharistie ontvangen we het absolute bewijs van Jezus’ toewijding aan ons. In tijden van beproeving kost het best wel moeite om dat te zien, want door de beproevingen brokkelen ons geloof en vertrouwen langzaam af. We moeten onszelf eraan herinneren dat we bij elke communie het hoogste ontvangen van alles wat Jezus heeft gedaan en geleerd. De lezingen kunnen ons Jezus’ woorden geven en zijn leven aan ons openbaren. De preek kan zijn woorden verklaren en ons verstand openen voor zijn waarheid. Tijdens de gebeden van de liturgie kunnen we Hem vragen voor ons te bidden. En bij de communie ontvangen we Hemzelf.

Wat zou u tegen Jezus zeggen als u wist dat Hij dichter bij u was dan uw eigen schaduw? Nu, zo dicht is Hij bij u tijdens de communie. Hij kent al uw verwachtingen en dromen, en ook al uw moeilijkheden. In alle facetten van uw leven wil Hij betrokken worden. Maar bovenal wil Hij u ervan overtuigen dat zijn liefde echter is dan alle andere dingen op aarde. Neem dus na de communie de tijd om bij Hem te zijn. Probeer zijn aanwezigheid in u te voelen, zoals u de liefde van uw beste vriend of vriendin kunt voelen. Vertel Hem wat u op uw hart hebt maar zorg dat u ook luistert naar wat Hij op zijn hart heeft. Stel u ervoor open dat zijn aanwezigheid uw zorgen verdrijft en u een nieuw perspectief voor uw leven geeft. Laat Hem getuigen van zichzelf, daar ter plekke in uw hart!

Gebed
Heer, dank U voor het ontzagwekkend mysterie van Uw aanwezigheid in de Eucharistie. Geef dat ik nooit vergeten zal welke prijs U voor mij betaald hebt en mij altijd bewust zal zijn van de liefde die U telkens opnieuw bereid bent met mij te delen! Amen.

< 4e week: vrijdag

Eerste lezing uit het boek Wijsheid (2, 1+12-22)
In valse waan zeggen de goddelozen tot elkaar: “Laten wij de rechtvaardigen belagen, want hij is van geen nut, hij gaat in tegen onze werken, hij verwijt ons zonden tegen de wet, hij beschuldigt ons van overtredingen tegen onze opvoeding. Hij wendt voor kennis van God te bezitten en hij noemt zich een kind van de Heer; hij is ons tot een verwijt tegen onze opvattingen geworden; alleen al hem te zien is ons een last, want zijn levensstijl is anders dan van anderen en zijn gedrag is ongewoon; als valse munt beschouwt hij ons, hij mijdt onze wegen alsof ze onrein waren; hij noemt het einde der rechtvaardigen zalig, hij beroemt er zich op dat God zijn vader is. Laten wij zien of zijn woorden waar zijn, en nemen wij als proef wat bij zijn heengaan gebeurt. Want als de rechtvaardige Gods zoon is, zal Hij hem te hulp komen en hem redden uit de hand van zijn tegenstanders. Laten we met brutaliteit en kwelling hem aanpakken, om te zien of hij werkelijk zachtmoedig is en om zijn geduld te toetsen. Laten wij hem tot een schandelijke dood veroordelen, hij zal immers, naar zijn zeggen, toch beschermd worden.” Zo redeneerden zij, maar daarmee waren ze op een dwaalspoor, want hun slechtheid verblindde hen. Zij verstonden Gods geheimen niet, zij hoopten niet op loon voor een heilig leven, noch geloofden zij in een ereprijs voor smetteloze zielen.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (7, 1-2+10+25-30)
In die tijd trok Jezus rond in Galilea, want Hij wilde dat niet in Judea doen, omdat de Joden er op uit waren Hem te doden. Het liep tegen één van de Joodse feesten, het Loofhuttenfeest. Toen zijn broeders naar het feest waren gegaan, vertrok Hij ook, niet openlijk maar onopvallend. Enkele Jeruzalemmers zeiden: “Is dit niet de man die ze zoeken te doden? En zie nu eens. Hij staat in het openbaar te spreken en men zegt Hem niets! Zou de overheid nu werkelijk erkend hebben, dat Hij de Messias is? Maar van deze man weten wij waar Hij vandaan is, wanneer echter de Messias komt, weet geen mens waar Hij vandaan komt.” Terwijl Jezus in de tempel leerde, riep Hij met luider stem: “Gij kent mij en gij weet waar Ik vandaan ben; toch ben Ik niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij die waarachtig is, heeft Mij gezonden, Hem kent gij niet. Ik ken Hem, omdat Ik uit Hem ben en Hij Mij heeft gezonden.” Ze wilden zich van Hem meester maken, maar niemand sloeg de hand aan Hem, want Zijn uur was nog niet gekomen.

Overweging
De meesten van ons hebben wel een paar “vijanden”, mensen die niet veel met ons op hebben en die proberen ons het leven zuur te maken. Maar weinigen van ons hebben echter te maken met iemand die serieus probeert ons te vermoorden. Jezus had zulke vijanden en daarom ging Hij voorzichtig te werk (Johannes 7,1). Hun dreigementen waren serieus, dus stuurde Hij zijn verwanten vooruit naar Jeruzalem en bleef zelf achter (Johannes 7,3-9). Het lijkt erop dat Hij niemand de kans wilde geven Hem te doden.

Maar toen veranderde Hij van gedachten (Johannes 7,10). Misschien sprak de heilige Geest tot Hem. Ondanks het gevaar was Jezus gehoorzaam en ging Hij zelfs naar de tempel om te onderwijzen (Johannes 7,14). Hoe kon Hij dat? Omdat Hij wist dat Hij zijn Vader duidelijk kon verstaan en Hij Hem absoluut vertrouwde. Jezus durfde zijn leven op het spel te zetten omdat Hij wist dat de Vader Hem lang genoeg zou beschermen en Hem uit de handen van zijn vijanden zou houden totdat Hij volbracht zou hebben waartoe Hij gezonden was (Johannes 7,30).

In de Veertigdagentijd hebben ook wij een prachtige kans om ons vermogen te ontwikkelen en versterken om God te kunnen horen, gehoorzamen en vertrouwen! Misschien kunnen we vandaag ons leven onder de loep nemen en schuld belijden voor de keren waarop we niet beantwoord hebben aan wat we wisten dat God van ons vroeg. Misschien kunnen we vandaag een paar keer de stap zetten om te gehoorzamen aan wat we denken dat God tegen ons zegt. Onze ervaring zal een bevestiging zijn van de waarheden die we al kennen en ons nog meer leren over hoe de heilige Geest tot ons spreekt.

Een praktische manier om God te leren verstaan, vertrouwen en gehoorzamen is door een paar dingen op te schrijven: wat denk ik dat de heilige Geest tegen me zegt? Wat heb ik ermee gedaan? En wat was het gevolg? Misschien kunt u een notitieboekje of een stuk papier naast uw bed of op een andere handige plek leggen. Aan het eind van uw gebed noteert u dan wat de Geest heeft gezegd. En aan het eind van de dag noteert u in het kort elk gebed dat beantwoord is, elke stap die u hebt gedaan in antwoord op de leiding van de Geest en elk resultaat dat u zag. Op sommige dagen is er misschien niets te noteren, of alleen maar misstappen, maar zelfs daarvan kunnen we iets leren. Het zal niet lang duren of u hebt een boek vol mirakels!

Gebed
Heilige Geest, ik wil iets van U horen. Onderwijs me, leid me, begeleid me door mijn dagen. Help me U te vertrouwen en te gehoorzamen, zodat ik kan uitvoeren waarvoor U me hebt geschapen.

< 4e week: zaterdag

Eerste lezing uit het boek Jeremia (11, 18-20)
Toen God de Heer mij waarschuwde, kreeg ik het pas door; Gij hebt mij inderdaad hun plannen laten zien. Ik was argeloos als een lam dat ter slachting geleid wordt; ik vermoedde niet wat ze tegen mij beraamden: ‘We vellen de boom in zijn volle kracht. We bannen hem uit het land van de levenden, zodat zijn naam niet meer worden genoemd.’ Heer, God van de hemelse machten, uw oordeel is rechtvaardig, Gij doorgrondt hart en nieren. Laat mij dan zien, hoe Ge U op hen wreekt; ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (7, 40-53)
Bij het horen van Jezus’ woorden zeiden sommigen van het volk: “Dit is inderdaad de profeet.” Anderen zeiden: “Het is de Messias.” Weer anderen wierpen op: “Komt de Messias soms uit Galilea? Heeft de Schrift niet gezegd, dat de Messias komen zal uit het geslacht van David en uit Betlehem, het dorp waar David woonde?” Zo ontstond er dus om Hem verdeeldheid onder het volk. Sommigen hunner wilden Hem gevangennemen, maar niemand sloeg de hand aan Hem. Toen dan ook de dienaars bij de hogepriesters en Farizeeën terugkwamen, vroegen dezen hun: “Waarom hebt gij Hem niet meegebracht?” De dienaars antwoordden: “Nooit heeft iemand zo gesproken als die man.” Waarop de Farizeeën zeiden: “Hebt gij u soms ook laten bedriegen? Heeft dan één van de overheden of van de Farizeeën in Hem geloofd? Dat volk, ja, dat de Wet niet kent; vervloekt zijn ze!” Maar een uit hun kring, Nikodemus, die vroeger bij Jezus gekomen was, merkte op: “Veroordeelt onze Wet iemand zonder hem eerst te horen en te vernemen wat hij doet?” Zij gaven hem ten antwoord: “Zijt gij soms ook uit Galilea? Zoek maar na en gij zult zien dat de profeet niet uit Galilea opstaat.” Toen ging ieder naar huis.

Overweging
Stel u eens voor hoe het was: een grote menige die krioelt in de straten van Jeruzalem voor het Loofhuttenfeest. Iedereen heeft horen spreken over Jezus, de man die met gezag onderwijst en die de zieken geneest. Maar dan zijn ze er zelf bij als Hij spreekt en raken ze helemaal in de ban van Hem. Deze man moet wel een profeet zijn – of misschien is Hij wel de Messias.

Hij komt uit Galilea. Maar de Messias moet uit Bethlehem komen, de stad van David. Plotseling zijn ze aan het discussiëren en gaan ze in twee groepen uiteen: zij die geloven dat Jezus de Messias is – degene uit wie stromen van levend water voortkomen (Johannes 7,38) – en zij die denken dat Hij onmogelijk de Messias kan zijn omdat zijn achtergrond niet klopt met wat de Schriften zeggen.

We zouden verwachten dat Jezus’ komst een tijd van vrede in zou luiden, maar nu heerst er verdeeldheid onder de menigte. De scheiding die er na zijn dood en verrijzenis zal heersen tussen degenen die in Hem geloven en zij die dat niet doen (Johannes 7,43) wordt hier al zichtbaar. Maar we hoeven niet verrast te zijn. Jezus zelf heeft gezegd: “Ik ben geen vrede komen brengen, maar een zwaard”, Hij is gekomen om een wig te drijven tussen zoon en vader, tussen dochter en moeder (Matteüs 10,34-35).

Het is een feit dat we met betrekking tot Jezus niet onverschillig kunnen blijven. We kunnen zijn woorden en daden niet negeren. Hij doet verbazingwekkende uitspraken over wie Hij is en waartoe zijn Vader Hem gezonden heeft. Zoals de gerechtsdienaren aan de Farizeeën vertellen: “Nog nooit heeft een mens zo gesproken!” (Johannes 7,46). Geloven we Hem of niet? We moeten kiezen.

En als we ervoor kiezen in Jezus te geloven dan moeten we niet verbaasd zijn als sommigen tegen ons zijn. Dat kunnen familieleden zijn die zich niet op hun gemak voelen bij onze geloofsopvattingen; of collega’s die zich afvragen waarom we leven en handelen zoals we doen. Sommigen kunnen zelfs een hekel aan ons hebben of ons belachelijk maken omdat we christen zijn.

Toch houdt Jezus van iedereen, zelfs van degenen die Hem verwerpen. En als Hij van hen houdt dan moeten wij dat ook doen. Wie weet, misschien helpt onze liefde hen om ook Jezus te willen volgen. In het verleden zijn er al vele vreemde en mooie dingen gebeurd. We mogen er zeker van zijn dat God wil dat zulke dingen ook nu weer gebeuren!

Gebed
Jezus, ik wil U volgen. Help me zelfs te houden van hen die U afwijzen. Mag ik voor hen een weerspiegeling zijn van Uw licht. Amen.

< 5e week van de Veertigdagentijd

< 5e week: zondag

Eerste lezing uit het boek Jesaja (43, 16-21)
Zo spreekt de Heer, die door de zee en weg legt, een baan door de onstuimige golven; en die wagen en paard daarover laten gaan, leger en strijdmacht, gesloten aaneen, maar dan gaan ze rusten, staan niet meer op, uitgeblust zijn ze, uitgedoofd als een vlaspit. Denk niet meer aan het verleden en sla geen acht op wat reeds lang voorbij is: Ik onderneem iets nieuws, het begin is er al: ziet ge het niet? Een weg leg Ik door de steppe, rivieren laat Ik stromen door de woestijn. De wilde dieren zullen ontzag voor Mij hebben, de jakhalzen en de struisvogels; want door de steppe laat Ik beken stromen, rivieren door de woestijn, zodat mijn uitverkoren volk zich kan laven: en dit volk dat Ik mij gevormd heb zal mijn lof verkondigen!

Tweede lezing uit de brief aan de Christenen van Filippi (3, 8-14)
Broeders en zusters, Ik beschouw alles als verlies, want mijn Heer Jezus Christus kennen gaat alles te boven. Om Christus heb ik alles prijsgegeven en houd ik alles voor afval als het er om gaat Hem te winnen en één te zijn met Hem. Ik heb geen eigen gerechtigheid op grond van de wet; mijn gerechtigheid komt door het geloof in Christus, ze is een gave van God en steunt op het geloof. Ik wil Christus kennen, ik wil de kracht van zijn opstanding gewaarworden en de gemeenschap met zijn lijden, ik wil steeds meer op Hem lijken in zijn sterven om eens te mogen komen tot de wederopstanding uit de doden. Niet dat ik het al bereikt heb. Ik ben nog steeds niet volmaakt. Maar ik streef er vurig naar het te grijpen, gegrepen als ik ben door Jezus Christus. Nee, vrienden, ik beeld mij niet in er al te zijn. Alleen dit: ik vergeet wat achter mij ligt ik reik naar wat voor mij ligt ik storm af op het doel: de prijs van Gods heerlijke roeping.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (8, 1-11)
In die tijd begaf Jezus zich naar de Olijfberg. ’s Morgens vroeg verscheen Hij weer in de tempel en al het volk kwam naar Hem toe. Hij ging zitten en onderrichtte hen. Toen brachten de schriftgeleerden en Farizeeën Hem een vrouw die op overspel was betrapt. Zij plaatsten haar in het midden en zeiden tot Hem: “Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt terwijl ze overspel bedreef. Nu heeft Mozes ons in de Wet bevolen zulke vrouwen te stenigen. Maar Gij, wat zegt Gij ervan?” Dit bedoelden ze als een strikvraag in de hoop Hem ergens van te kunnen beschuldigen. Jezus echter boog zich voorover en schreef met zijn vinger op de grond. Toen zij bij Hem aanhielden met vragen richtte Hij zich op en zei tot hen: “Laat degene onder u die zonder zonden is, het eerste een steen op haar werpen.” Weer boog Hij zich voorover en schreef op de grond. Toen zij dit hoorden dropen zij een voor een af, de oudsten het eerst, tot dat Jezus alleen achterbleef met de vrouw die daar was blijven staan. Nu richtte Jezus zich op en sprak tot haar: “Vrouw, waar zijn ze gebleven? Heeft niemand u veroordeeld?” Zij antwoordde: “Niemand, Heer.” Toen zei Jezus tot haar: “Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig niet meer.”

Overweging
Het verkeerslicht staat al even op oranje, maar omdat je al laat bent trap je het gaspedaal nog iets dieper in … helaas, je haalt het niet en rijdt door rood. Plotseling zie je in je spiegel lichtsignalen opflitsen: een politieauto haalt je in. Je probeert je gedachten op een rijtje te zetten en bidt dat de agent je genadig mag zijn. En als door een wonder kom je er met een waarschuwing vanaf en mag je doorrijden.

De schriftgeleerden en Farizeeën in het evangelie van vandaag doen ons denken aan politieagenten die zonder pardon toezien op de naleving van de wet. Wat een verschil met de politieagent uit de eerste alinea, die vriendelijk en mild was. Als we die godsdienstige leiders vergelijken met meedogenloze politieagenten dan kan het niet anders of ze dropen zwaar teleurgesteld af. Maar er is nog een andere mogelijkheid, en die zullen we hierna bekijken.

Wie van u zonder zonde is, moet dan maar als eerste een steen op haar werpen. (Johannes 8,7) Jezus had net aangegeven dat Hij al hun zonden kende, maar Hij sprak er niet over. In plaats daarvan behandelde Hij hen met dezelfde barmhartigheid die Hij ook aan de overspelige vrouw betoond had. Een voor een liepen ze weg. Misschien waren sommigen getroffen door Jezus’ eerlijkheid en kalmte. Misschien gingen sommigen Hem wel volgen. Misschien vonden er die dag echte bekeringen plaats, allemaal vanwege de betoonde barmhartigheid.

Ook wij zijn allemaal zondaars en we hebben allemaal het oordeel verdiend. Echter, vanwege Gods oneindige liefde zijn we daar allemaal voor bewaard. Volgens de wet van Mozes had die vrouw moeten sterven. Maar Jezus bevrijdde haar. Vandaag staat Hij klaar om ook u te bevrijden. Kijk dus naar het kruis en verwonder u over Gods barmhartigheid. Belijd vol dankbaarheid dat u bewaard bent voor het oordeel en dat u de belofte van eeuwig leven hebt mogen ontvangen! En als u een steen naar iemand anders wilt gooien, zelfs als ze het verdienen, probeer het dan na te laten omdat u weet dat Jezus er nooit een naar u zal gooien.

Gebed
Dank U, Jezus, voor de barmhartigheid en genade die U me hebt gegeven. Vader, laat deze waarheden vandaag mijn hart bepalen zodat ik die barmhartigheid en dat medelijden kan delen met ieder die ik tegenkom. Amen.

< 5e week: maandag

Eerste lezing uit het boek Daniël (13,1-9+15-17+19-30+33-62)
Lang geleden woonde er in Babel een man die Joakim heette. Zijn vrouw was Susanna, de dochter van Chelkia; zij was buitengewoon mooi en vroom. Omdat haar ouders rechtschapen mensen waren hadden ze hun dochter volgens de wet van Mozes opgevoed. Joakim was zeer rijk en bezat een park, dat bij zijn huis lag; bij hem kwamen de joden samen, omdat hij de aanzienlijkste man onder hen was. Nu waren er dat jaar twee oudsten uit het volk tot rechters aangesteld; van hen gold wat de Heer gezegd heeft: ‘De goddeloosheid is in Babel begonnen, bij de oudsten, die rechters waren en voorgaven het volk te besturen.’ Ze waren voortdurend in het huis van Joakim, waar ieder die rechtszaken had zich tot hen wendde.
Als het volk tegen de middag vertrokken was, ging Susanna wandelen in het park van haar man. De twee oudsten sloegen haar dagelijks gade, als zij zich ging verpozen, en een hartstochtelijke begeerte naar haar kwam in hen op. Zij smoorden de stem van hun geweten, wendden hun ogen af van de hemel en dachten niet aan de dreiging van de rechtvaardige straffen. Terwijl zij naar een geschikte dag uitzagen, ging Susanna, vergezeld van twee dienstmeisjes, volgens haar gewoonte weer eens het park in. En omdat het warm was, wilde zij er een bad nemen. Er was niemand behalve de twee oudsten, die zich hadden verscholen en haar begluurden. Susanna zei dus tot de dienstmeisjes: “Ga olie en balsem halen en sluit de poort van het park, dan ga ik een bad nemen.” Zodra de dienstmeisjes vertrokken waren, kwamen de twee oudsten te voorschijn en liepen op haar toe en zeiden: “Susanna, de poort van het park is gesloten en er is niemand die ons ziet; we branden van begeerte naar je! Wees ons daarom terwille en heb gemeenschap met ons, anders zullen we tegen jou getuigen, dat er een jongeman bij je was en dat je daarom de dienstmeisjes had weggestuurd.”
Susanna zuchtte diep en sprak: “Van alle kanten word ik bedreigd: want doe ik het, dan wacht mij de dood; doe ik het niet, dan zal ik uw hand niet ontkomen. Maar liever val ik onschuldig in uw handen dan te zondigen tegen de Heer.” Daarop begon Susanna luid te roepen, maar de twee oudsten schreeuwden tegen haar in en één van hen liep naar de poort van het park en opende die. Toen degenen die in huis waren het geschreeuw in het park hoorden, kwamen ze door de zij-ingang toegesneld om te zien wat Susanna overkomen was. Toen de oudsten hun verhaal deden, geraakten de bedienden in grote verlegenheid, want nog nooit was zoiets van Susanna verteld.
Toen het volk de volgende dag weer bij haar man Joakim samenkwam, gingen de oudsten ertoe over om hun goddeloos plan uit te voeren en Susanna ter dood te brengen. Voor het verzamelde volk bevalen ze: “Laat Susanna halen, de dochter van Chelkia, de vrouw van Joakim.” Men liet haar halen. Zij verscheen, vergezeld van haar ouders, haar kinderen en al haar verwanten. Haar verwanten en allen die haar zagen weenden. Terwijl de twee oudsten voor het volk gingen staan en hun handen op haar hoofd legden, blikte Susanna schreiend op naar de hemel, want in haar hart bleef zij vertrouwen op de Heer.
Toen verklaarden de oudsten: “Terwijl we alleen in het park wandelden, kwam zij met twee dienstmeisjes naar binnen, sloot de poort en stuurde de meisjes weg. Daarop kwam er een jongeman naar haar toe, die zich schuil had gehouden, en ging bij haar liggen. Toen we vanuit een hoek van het park het misdrijf bemerkten, snelden we naar haar toe en zagen dat ze met elkaar gemeenschap hadden. Hem konden we niet te pakken krijgen, omdat hij sterker was dan wij, de poort opende en zich uit de voeten maakte; maar haar grepen we en we vroegen haar, wie die jongeman was, maar ze wilde het ons niet zeggen. Dat getuigen wij.”
De vergadering geloofde hen, gezien zij oudsten van het volk waren en rechters, en veroordeelde Susanna ter dood. Toen riep Susanna met luide stem: “Eeuwige God, die het verborgene kent en alles reeds weet, voordat het gebeurt, Gij weet dat ze een vals getuigenis tegen mij hebben afgelegd; en ofschoon ik niet gedaan heb hetgeen ze mij boosaardig ten laste leggen, moet ik toch sterven.” De Heer verhoorde haar gebed.
Terwijl zij werd weggeleid om gedood te worden, gaf God een jongeman, Daniël geheten, een heilig besluit in. Deze jongeman riep met luider stem: “Ik ben onschuldig aan haar bloed!” Waarop het volk zich naar hem toekeerde en vroeg: “Wat bedoel je daarmee?” Hij ging in hun midden staan en zei: “Zijn jullie niet goed wijs, zonen van Israël? Veroordelen jullie een dochter van Israël zonder nader onderzoek en kennis van zaken? Ga terug naar de rechtszaal, want dezen hier hebben een vals getuigenis tegen haar afgelegd.” Daarop ging al het volk haastig naar de rechtszaal terug. Daar zeiden de oudsten tot Daniël: “Neem plaats in ons midden en deel ons je bedoelingen mee, want God heeft je het gezag van de ouderdom verleend.”
Toen zei Daniël tot hen: “Zonder ze van elkaar af, dan zal ik ze aan een verhoor onderwerpen.” Ze werden dus van elkaar gescheiden. Daniël riep vervolgens één van de twee oudsten bij zich en zei: “Je bent in boosheid vergrijsd, maar nu krijg je de straf voor de zonden die je bedreven hebt, door onrechtvaardige vonnissen te vellen: onschuldigen heb je veroordeeld en schuldigen vrijgesproken in strijd met het gebod van de Heer: Breng iemand die onschuldig is en in zijn recht staat niet ter dood. Welnu, als je haar op heterdaad betrapt hebt, zeg dan onder wat voor een boom heb je ze samen gezien?” Hij antwoordde: “Onder een mastiekboom.” Daniël hernam: “Die prachtige leugen kost je je kop! Want Gods engel heeft van God al bevel gekregen je in tweeën te splijten.”
Nadat Daniël deze had laten wegleiden, liet hij de ander voorkomen en zei tot hem: “Je bent een afstammeling van Kanaän en niet van Juda! De schoonheid heeft je verleid en de hartstocht heeft je hoofd op hol gebracht. Zo handelen jullie met de dochters van Israël en uit vrees waren die jullie ter wille, maar een dochter van Juda heeft zich niet willen schikken naar jullie boosheid. Welnu: onder wat voor een boom heb je ze samen gezien?” Hij antwoordde: “Onder een steeneik.” Daniël hernam: “Ook jij hebt door die prachtige leugen je kop verspeeld! Want Gods engel staat reeds klaar om je met het zwaard doormidden te houwen en jullie beiden te verdelgen.”
Hierop barstte heel de vergadering los in luid gejuich en men loofde God, die redt wie op Hem vertrouwt. En nu Daniël met hun eigen woorden bewezen had dat de twee oudsten een vals getuigenis hadden afgelegd, keerde het volk zich tegen hen en overeenkomstig de wet van Mozes voltrokken ze aan de oudsten de straf die zij in hun boosheid hun naaste hadden toegedacht: ze werden ter dood gebracht. Zo werd die dag een onschuldige van de dood gered.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (8, 12-20)
In die tijd richtte Jezus het woord tot de Farizeeën en sprak: Ik ben het licht der wereld. Wie Mij volgt dwaalt niet rond in de duisternis, maar zal het licht des levens bezitten. De Farizeeën wierpen Hem tegen: Gij getuigt over Uzelf; Uw getuigenis heeft geen waarde. Jezus antwoordde hun: Ook al getuig Ik over Mijzelf toch heeft Mijn getuigenis waarde, omdat Ik weet vanwaar Ik gekomen ben en waarheen Ik ga. Gij echter weet niet vanwaar Ik kom of waarheen Ik ga. Gij oordeelt naar het aardse, Ik oordeel niemand. En zelfs als Ik zou oordelen dan is mijn oordeel toch rechtsgeldig, omdat Ik niet alleen ben maar de Vader die Mij gezonden heeft met Mij is. Ook in Uw wet staat geschreven dat het getuigenis van twee mensen geldig is. Ik ben het die getuig over Mijzelf, en ook de Vader die Mij gezonden heeft getuigt over Mij. Zij vroegen Hem dan: Waar is Uw Vader? Jezus antwoordde: Gij kent Mij evenmin als Gij Mijn Vader kent; zoudt Gij Mij kennen dan zoudt gij ook Mijn Vader kennen. Deze woorden sprak Hij bij de schatkamer, toen Hij onderricht gaf in de tempel. En niemand greep Hem, want Zijn uur was nog niet gekomen.

Overweging
Ik ben het licht der wereld. (Johannes 8,12)

Heer Jezus, U bent het licht en in U is er geen duisternis! Het licht van uw aanwezigheid is zo helder als de zon op een wolkenloze dag. Niets kan uw zuiverheid verduisteren of uw stralen overschaduwen.

Jezus, het licht van Gods waarheid schijnt in U en maakt een einde aan alle verwarring. Uw ware licht brengt licht naar alle mensen, waar we ook zijn. Het is constant en onveranderlijk te midden van de veranderlijke filosofieën van deze wereld. We kunnen ervan op aan dat U nooit zult verflauwen.

Heer, uw glans heeft de duisternis van de zonde verdreven, zowel in ons hart als in de wereld. Net als de stralen van de zon schijnt uw licht tot in elke donkere hoek. Voor U is geen enkele donkere plek onbereikbaar. In de dageraad van de verrijzenis bent U de zon die altijd opgaat over de donkere nacht van zonde en dood. U hebt ze overwonnen en verdrijft ze met het licht van uw verlossing! Zelfs als de duisternis U bestrijdt, kan uw licht niet worden gedoofd! De duisternis kan u nooit de baas worden!

Alle lof aan U, Jezus, dat U ons leven verlicht wanneer wij ons naar U toe keren! Als U ons hart beschijnt worden we ons bewust van onze duisternis. We worden in het licht gebracht als pasgeboren baby’s die stralen in de kracht van uw helderheid. Maar hoe meer wij in uw licht leven, hoe beter we de duisternis zien en ons ervan af kunnen wenden.

Heer, elke dag schijnt U met uw licht op ons pad door uw woord in de Schrift. Uw licht richt onze voeten en leert ons welke weg we moeten volgen. Wanneer wij achter U aan gaan, is onze hele weg verlicht en worden we vrijgemaakt om de roeping te aanvaarden die U ons hebt gegeven.

Heer, U hebt ons geroepen om het licht van de wereld te zijn! Wanneer de vlam van uw leven in ons ontstoken is dan wordt uw glans door ons heen zichtbaar voor anderen. We worden een afspiegeling van uw leven, als een lamp op de top van een heuvel, en we trekken mensen naar U toe. We worden bakens van U, die uw heiligheid, uw vreugde en uw plan laten zien aan de wereld. Wat een ontzagwekkend voorrecht!

Gebed
Jezus, licht van de wereld, schijn in mijn leven! Verdrijf de duisternis van de zonde, overtuig me van Uw waarheid, wijs mij de weg en maak dat ik Uw licht kan laten schijnen voor anderen! Amen.

< 5e week: dinsdag

19 maart 2013

Eerste lezing uit het boek Numeri (21, 4-9)
In die tijd trokken de Hebreeën van de berg Hor in de richting van de Rietzee, want zij wilden om Edom heentrekken. Maar onderweg werd het volk ongeduldig. Het keerde zich tegen God en tegen Mozes: “Hebt u ons uit Egypte gevoerd om te sterven in de woestijn? Er is geen brood, er is geen water en dat minderwaardige eten staat ons tegen.” Toen zond de Heer giftige slangen op het volk af. Deze beten de Israëlieten en velen van hen vonden de dood. Nu kwam het volk naar Mozes en zei: “Wij hebben gezondigd, want wij hebben ons tegen de Heer en tegen u gekeerd. Bid de Heer, dat Hij die slangen van ons wegneemt.” Toen bad Mozes voor het volk en de Heer zei tot hem: “Maak zo’n giftige slang en zet die op een paal. Iedereen die gebeten is en er naar opziet, zal in leven blijven.” Mozes maakte een bronzen slang en zette die op een paal. Ieder die door een slang was gebeten en zijn ogen op de bronzen slang richtte, bleef in leven.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (8, 21-30)
In die tijd sprak Jezus tot de Farizeeën: “Ik ga heen en gij zult Mij zoeken, maar in uw zonden zult ge sterven. Waar Ik heenga kunt gij niet komen.” De Joden zeiden daarop: “Hij zal toch geen zelfmoord plegen, dat Hij zegt: Waar Ik heenga kunt gij niet komen?” Maar Hij hernam: “Gij zijt van beneden. Ik ben van boven. Gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld. Daarom zei Ik u, dat gij in uw zonden zult sterven, want als gij niet gelooft dat Ik ben, zult gij in uw zonden sterven.” Zij vroegen Hem toen: “Wie zijt Gij dan?” Jezus antwoordde: “Waarom zou Ik daar eigenlijk nog met u over spreken? Veel zou Ik over u kunnen zeggen tot uw veroordeling. Maar Hij die Mij gezonden heeft, is waarachtig, en wat ik van Hem heb gehoord, dat zeg Ik tot de wereld.” Zij begrepen niet dat Hij hun van de Vader sprak. Daarop zei Jezus: “Wanneer gij de Mensenzoon omhoog zult hebben geheven, dan zult gij inzien dat Ik ben en Ik uit Mijzelf niets doe, maar dit alles zeg zoals de Vader het Mij heeft geleerd. En Hij die Mij gezonden heeft, is met Mij; Hij heeft Mij niet alleen gelaten, omdat ik altijd doe wat Hem behaagt.” Toen Hij aldus sprak, gingen er velen in Hem geloven.

Overweging
…..want als gij niet gelooft dat Ik ben, zult gij in uw zonden sterven (Johannes 8,24)

Toen de Farizeeën Jezus dit hoorden zeggen, waren zij ontzet dat deze man, die geen plaats in het Sanhedrin had, zoiets over zichzelf zei. U kunt zich het gefluister en de boze opmerkingen voorstellen toen Jezus zei: “U bent van beneden, Ik ben van boven” (Johannes 8,23).

Deze woorden zijn heel kort en kernachtig, maar er zit wel een hele mooie belofte in: Jezus wil dat wij “boven” leven met Hem, niet maar in de eeuwigheid in de hemel, maar ook al hier, op aarde.

Dit is een indrukwekkend en zelfs troostrijk idee. Maar wat betekent het in ons gewone leven? Hoe kunnen we onszelf in een positie brengen dat we met Jezus kunnen worden opgeheven?
Eén mogelijkheid is dat we aandacht schenken aan de manier waarop we reageren als iemand of iets ons boos dreigt te maken. Staan we even stil en doen we een schietgebed om geduld en begrip voordat we iets gaan zeggen? Of verliezen we ons geduld en slaan we terug? Hoe meer we geduld oefenen en de Heer om hulp vragen, hoe meer we ontdekken dat de heilige Geest ons opheft en ons zijn eigen genade en kracht geeft.

Laten we in deze speciale tijd van inkeer en zelfverloochening de Heer vragen dat we alle patronen van onze gevallen natuur mogen gaan herkennen, niet alleen boosheid maar ook zelfzucht, hebzucht, wrok en trots. Laten we onze hoop vestigen op de belofte dat we, samen met de Heilige Geest, deze ondeugden kunnen overwinnen en meer op Jezus kunnen gaan lijken, Degene die altijd “boven” leefde.

Ja, het kost tijd en veel van onze eigen wil om dat te doen. Ja, we zullen bij tijd en wijle ook struikelen en tekortschieten. Maar als we de Heer om hulp blijven vragen, als we onze best blijven doen om ons van de zonde af te keren, zullen we merken dat we groeien in nederigheid, liefde en medelijden, en dat we stabieler en doelgerichter worden in onze daden en bedoelingen. Met andere woorden, we zullen merken dat we een hemels leven met Jezus ervaren, ook al leiden we ons alledaagse leven hier op aarde.

Gebed
Jezus, vervul me met de Heilige Geest zodat ik sterf aan mijn zonden. Ik wil niet sterven in mijn zonden. Nee, ik wil leven met U in de hemel. Amen.

< 5e week: woensdag

Eerste lezing uit het boek Daniël (3, 14-20+91-92+95)
In die dagen vroeg koning Nebukadnessar aan de mannen Sadrak, Mesak en Abednego: “Is het waar dat jullie mijn god niet vereren en het gouden beeld dat ik heb opgericht niet aanbidden? Welnu, zijn jullie misschien nu bereid om bij het horen van de muziek van hoorn en fluit, van citer, luit en harp, van doedelzak en allerlei andere muziekinstrumenten je neer te werpen en het beeld te aanbidden dat ik gemaakt heb? Weigeren jullie dat, dan worden jullie op staande voet in het laaiende vuur van een oven geworpen en welke god zal jullie dan uit mijn macht kunnen bevrijden?” Sadrak, Mesak en Abednego gaven de koning ten antwoord: “Nebukadnessar, wij vinden het niet nodig op uw vraag een antwoord te geven. Als er een god is die dat kan, dan is het onze God die wij vereren: Hij is in staat ons te bevrijden uit het laaiende vuur van een oven en Hij zal ons ontrukken aan uw greep, koning. Maar de koning zij ervan overtuigd, dat, ook als God ons niet redt, wij uw god niet zullen vereren en het gouden beeld dat u hebt opgericht niet zullen aanbidden.” Toen werd Nebukadnessar woedend op Sadrak, Mesak en Abednego en zijn gelaat vertrok; hij gaf bevel de oven zevenmaal heter te stoken dan gewoonlijk en de sterkste kerels uit zijn leger droeg hij op, Sadrak, Mesak en Abednego te binden, en in de laaiende vuuroven te werpen. Toen Nebukadnessar hun lofzang hoorde, was hij een en al verbazing; hij stond ijlings op en zei tot zijn raadsheren: “We hebben toch drie mannen geboeid in het vuur geworpen?” Zij gaven de koning ten antwoord: “Zeker, koning!” Hij hernam: “Maar ik zie vier mannen ongeboeid en zonder letsel zich in het vuur bewegen; de vierde gelijkt op een godenzoon.” Toen nam Nebukadnessar het woord en zei: “Geloofd zij de God van Sadrak, Mesak en Abednego: Hij heeft zijn engel gezonden om zijn dienaren te redden, die vol vertrouwen op Hem het bevel van de koning hebben overtreden en hun lichamen hebben prijsgegeven, omdat ze geen god wilden vereren of aanbidden dan hun eigen God.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (8, 31-42)
In die tijd zei Jezus tot de Joden die in Hem geloofden: “Indien gij trouw blijft aan mijn woord, zijt gij waarlijk mijn leerlingen. Dan zult ge de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken.” Men wierp op: “Wij zijn van Abrahams geslacht en nooit iemands slaaf geweest. Hoe kunt Gij dan zeggen: gij zult vrij worden?” Jezus antwoordde hun: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: alwie zonde doet, is slaaf van de zonde, en de slaaf blijft niet voor eeuwig in het huis. De Zoon blijft voor eeuwig. Als de Zoon u vrijmaakt, zult gij werkelijk vrij zijn. Ik weet dat gij van Abrahams geslacht zijt; niettemin zoekt gij Mij te doden, omdat mijn woord bij u geen ingang vindt. Ik verkondig wat Ik bij de Vader heb gezien, maar gij doet wat gij van uw vader gehoord hebt.” Zij antwoordden Hem: “Onze vader is Abraham!” Daarop zei Jezus hun: “Als gij kinderen van Abraham zijt, doet dan ook de werken van Abraham. Thans echter zoekt gij Mij, een mens te doden, terwijl Ik u de waarheid heb gezegd, die Ik van God heb gehoord. Zoiets deed Abraham niet. Gij doet de werken van uw vader.” Zij zeiden Hem: “Wij zijn niet uit ontucht geboren; een vader hebben wij en dat is God.” Jezus zeide hun: “Als God uw vader was, zoudt gij Mij beminnen, want van God ben Ik uitgegaan en van Godswege ben Ik hier. Neen, Ik ben niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.”

Overweging
Vaderschap en zoonschap. Deze begrippen lijken centraal te staan in deze discussie tussen Jezus en enkele Joodse leiders. Waren zij geen zonen van Abraham? Had God hen niet uitgekozen uit alle volken op aarde en geroepen om zijn eigen volk te zijn?

Ja en nee.

Iemands kind zijn kun je op twee manieren opvatten. Je kunt een kind verwekken en dan is dat kind genetisch gezien jouw kind. Maar als dat kind niet onder jouw dak woont en jouw manier van denken, jouw opvattingen en levensinstelling niet overneemt dan ontbreekt er een wezenlijk deel van het kindschap.

Voor veel Joodse leiders leek een zoon-van-Abraham-zijn sterk op het eerste soort zoonschap. God had hen aangenomen als zijn eigen kinderen en dat was het dan. Omdat zij niet probeerden hun vader na te volgen, misten ze het dieper gaande – en meer bevredigende – aspect van het kindschap van God. Natuurlijk benaderden niet alle Joden hun geloof op die manier. Maar sommigen waren er tevreden mee nakomelingen van Abraham te zijn, ook al ervoeren ze niet de blijdschap en de vrijheid die God met hen voor had.

Broeders en zusters, we kunnen kinderen van God worden op de meest diepgaande en sterke manier die mogelijk is. We kunnen beginnen de gewoonten van onze Vader over te nemen, zijn opvattingen, zijn manier van doen. Daarom is Jezus ook gekomen. Hij is niet alleen gekomen om de zonde weg te doen. Hij is gekomen om ons te veranderen in zijn broeders en zusters, dragers van de familiegelijkenis (Johannes 1,12-13). “Een leerling van Jezus worden betekent de uitnodiging aannemen om tot Gods familie te behoren, om te leven in overeenstemming met zijn manier van leven” (Catechismus van de Katholieke Kerk, 2233).

Elke dag biedt volop gelegenheden om die familiegelijkenis aan te nemen. Dat is niet altijd gemakkelijk maar het is ook niet al te moeilijk. We kunnen weigeren mee te doen aan roddel. We kunnen iemand vergeven die ons diep heeft gekwetst. We kunnen een handje helpen of anonieme diensten verlenen. Steeds wanneer we deze dingen doen, laten we de wereld zien dat we het voorrecht hebben aanvaard om leden van Gods familie te mogen zijn.

Gebed
Vader, dank U dat U Jezus naar ons toe hebt gestuurd. Dank U dat U ons vervult van Uw Geest en ons tot Uw kinderen maakt. Help me trouw te zijn aan Uw wet van de liefde zodat ik meer en meer mag gaan lijken op U. Amen.

< 5e week: donderdag

Eerste lezing uit het boek (Genesis 17, 3-9)
In die dagen wierp Abram zich ter aarde, en God sprak tot hem: “Dit is mijn verbond met u: Gij zult de vader worden van een menigte volken. Gij zult niet langer Abram heten; uw naam zal Abraham zijn, want Ik maak u tot vader van een menigte volken. Ik zal u zeer vruchtbaar maken, volken zal Ik van u maken, zelfs koningen zullen uit u voortkomen. Ik sluit een verbond met u en uw nakomelingen, geslacht na geslacht, een altijddurend verbond: Ik zal uw God zijn en de God van uw nakomelingen. Geheel Kanaän, het land waar gij nu als vreemdeling verblijft, zal Ik aan u en uw nakomelingen geven om het voor altijd te bezitten, en Ik zal hun God zijn.” Verder zei God nog tot Abraham: “Gij van uw kant moet mijn verbond onderhouden, gij en uw nakomelingen, geslacht na geslacht.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (8, 51-59)
In die tijd zei Jezus tot de Joden: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als iemand mijn woord onderhoudt, zal hij in eeuwigheid de dood niet zien.” Toen zeiden de Joden Hem: “Nu weten wij zeker dat Gij van de duivel bezeten zijt. Want Abraham en de profeten zijn gestorven, terwijl Gij beweert: Als iemand mijn woord onderhoudt, zal hij in eeuwigheid de dood niet smaken. Zijt Gij soms groter dan onze vader Abraham, die wel gestorven is. Zelfs de profeten zijn gestorven. Voor wie houdt Gij uzelf wel?” Jezus antwoordde: “Als Ik Mijzelf verheerlijk dan is mijn glorie niets; maar mijn Vader is het die Mij verheerlijkt, van wie gij zegt: Hij is onze God. Toch kent gij Hem niet. Ik daarentegen ken Hem en als Ik zou zeggen dat Ik Hem niet ken, zou Ik aan u gelijk zijn: een leugenaar. Maar Ik ken Hem en onderhoud zijn woord. Abraham, uw vader, juichte van vreugde bij de gedachte dat hij mijn dag zou zien; hij heeft hem gezien en zich verheugd.” Toen zeiden de Joden tot Hem: “Gij zijt nog geen vijftig jaar en Gij hebt Abraham gezien?” Jezus antwoordde hun: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: voor Abraham werd, ben Ik.” Toen raapten zij stenen op om Hem te stenigen, maar Jezus trok zich terug en verliet de tempel.

Overweging
Wie zich houdt aan mijn woord, zal de dood niet zien (Johannes 8,51)

Omdat Jezus eens voor al de dood heeft overwonnen, is zijn woord voor altijd levengevend. Het maakt ons nu levend, en dat leven blijft in ons en richt ons naar het eeuwige leven, net zoals een kompas altijd naar het noorden wijst. We kunnen zijn woord gebruiken om levengevende woorden te ontvangen en door te geven, maar ook om woorden die ten dode zijn te negeren en af te wijzen.

Zo veel woorden die we elke dag horen, die we onszelf influisteren of tegen anderen zeggen zijn woorden ten dode: “Ik wil het hebben. Als ik dat koop dan zal ik me echt gelukkig voelen.” “Idioot! Je maakt er weer een troep van.” “Hoe kon ik het ook verwachten? Niemand geeft immers om me.”

Jezus heeft beloofd dat zij die zijn woord vasthouden nooit de dood zullen zien. Welke woorden houdt u in uw hart en op uw lippen? Gelooft u dat in deze woorden echt de kracht schuilt om geestelijk leven of geestelijke dood te brengen? Misschien is het vandaag wel het geschikte moment om eens na te gaan wat voor woorden u bezigt – bewust maar ook onbewust – en hoe deze woorden overkomen bij de mensen om u heen.

Ook onze herinneringen kunnen instrumenten ten dode of ten leven zijn. Als we onze aandacht richten op fouten uit het verleden – hetzij van onszelf, hetzij van iemand anders – dan wordt het verleden een blokkade die verhindert dat we ons kunnen openstellen voor Gods plan voor vandaag. Als we ons aan de andere kant Gods vele barmhartigheden en grote daden voor ons herinneren, bouwen we een blijvende relatie op van dankbaarheid en vertrouwen. We kunnen zelfs aan onze zonden terugdenken in het licht van Gods onvoorwaardelijke vergeving en het goede dat Hij laat voortkomen uit rampzalig schijnende omstandigheden.

De Israëlieten kenden dit geheim. Elk jaar wanneer ze het Pascha vierden, vertelden ze het opnieuw als hun eigen persoonlijke ervaring, ook al lagen de eigenlijke gebeurtenissen ver in het verleden. In de tussenpsalm van vandaag (Psalm 105,4-9) herinnert de zanger het volk eraan: “Denk aan de wonderen die Hij verrichtte, aan zijn machtig woord, van tekens vergezeld” (vers 5).

Gebed
Jezus, U bent het levengevende Woord van God! U hebt me gered van de dood. Help me uw woord te ontvangen in mijn diepste wezen en dat leven te delen met iedereen die ik tegenkom.

< 5e week: vrijdag

Eerste lezing uit het boek Jeremia (20, 10-13)
Ik hoor velen fluisteren: “Daar heb je ontzetting – overal.” Breng hem aan, ja, we brengen hem aan. Al mijn vrienden willen niets liever dan mij ten val brengen. Ze zeggen: ‘Misschien laat hij zich misleiden, dan overmeesteren we hem en kunnen we ons op hem wreken.’ God de Heer is bij mij als een machtig strijder. Mijn achtervolgers vallen neer, ze zullen niet overwinnen. Ze worden diep beschaamd, nooit bereiken ze iets. Hun schande duurt eeuwig, ze wordt nooit vergeten! God van de hemelse machten, die alles rechtvaardig onderzoekt, die hart en nieren doorgrondt, laat mij zien hoe Gij u op hen wreekt. Ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd. Zing een lied, een loflied voor de Heer uw God, want Hij heeft het leven van de arme uit de macht van de boosdoeners gered.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (10, 31-42)
In die tijd raapten de Joden stenen op om Jezus te stenigen. Maar Jezus zei hun: “Ik heb voor uw ogen veel goede werken verricht, die uit de Vader voortkomen; om welk van die werken wilt gij Mij stenigen?” De Joden gaven Hem ten antwoord: “Niet om een goed werk stenigen wij U, maar om een godslastering: dat Gij, een mens, Uzelf tot God maakt.” Jezus antwoordde hun: “Staat er niet in uw Wet geschreven: Ik heb gezegd: gij zijt goden? Zij heeft hen tot wie het woord Gods gericht werd, goden genoemd, en de Schrift heeft bindende kracht. Maar waarom dan beschuldigt ge Mij, die door de Vader geheiligd en in de wereld gezonden werd, van godslastering als Ik Mijzelf Gods Zoon noem? Als Ik de werken van mijn Vader niet doe, behoeft gij Mij niet te geloven, maar zo Ik ze wel doe, gelooft dan die werken, als ge Mij niet wilt geloven. Dan zult gij inzien en erkennen, dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader ben.”
Toen probeerden zij opnieuw Hem te grijpen, maar Hij stelde zich buiten hun bereik. Hij ging terug naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes aanvankelijk gedoopt had, en bleef daar. Velen kwamen tot Hem, want ze zeiden: “Johannes heeft weliswaar geen enkel teken gedaan, maar alles wat hij over deze man zei, was waar.” En velen begonnen daar in Hem te geloven.

Overweging
Hebt u wel eens het gevoel gehad dat men erop uit was u een hak te zetten? Of dat het was alsof iemand zijn best deed u onzeker of belachelijk te maken? Wel, dan bent u niet de enige. Feitelijk bent u in goed gezelschap. De beide lezingen van vandaag gaan over geloofshelden – Jeremia en Jezus – die reageren op publieke verdachtmaking, bedreiging en verraad.

Hoe reageert u dus als u zich in een dergelijke situatie bevindt? Zegt u het Jeremia na: “HEER van de hemelse machten . . . laat mij zien hoe U wraak neemt” (Jeremia 20,12)? Of volgt u Jezus’ woorden: “heb je vijanden lief en bid voor wie je vervolgen, dan zullen jullie kinderen worden van je Vader in de hemel” (Matteüs 5,44-45)?

Denk je eens in dat je in Jeremia’s schoenen staat. Hij had de zware opdracht gekregen om oordeelsprofetieën te verkondigen over zijn eigenzinnige familie, vrienden en landgenoten (Jeremia 4,1+4). Hij bad de Heer om barmhartigheid, maar de mensen keerden zich tegen hem met plannen om hem te doden. Jeremia’s gebed in de eerste lezing van vandaag spreekt hij uit nadat hij ontdekt had dat er een tweede plan was om hem te vermoorden!

Ondanks het feit dat Jeremia aan zijn gebed een ietwat wraakzuchtig verzoekje toevoegt, laat hij wel degelijk een bewonderenswaardige reactie zien op onrecht en boosaardigheid. Hij gaat met zijn gebroken hart naar God. En dit teken van vertrouwen heeft de Heer bijzonder behaagd. Hij troostte Jeremia, gaf hem kracht voor zijn opdracht en redde hem zelfs van “de macht van de boosdoeners” die erop uit waren hem te pakken (Jeremia 20,13).

Denkt u dat u op dezelfde manier naar uw Vader toe kunt gaan? Dat kan inderdaad. Het zal Hem niet storen als u Hem over uw frustraties vertelt. En het is veel beter om het te uiten dan het op te kroppen. God kent uw hart en Hij is altijd bereid zijn hart voor u open te stellen wanneer u het uwe voor Hem uitstort.

Wanneer u zich waagt aan deze openhartige, wederzijdse benadering, zult u zien hoe uw boze en gefrustreerde gebeden veranderen in gebeden van compassie en barmhartigheid. Geef God de tijd en Hij zal u veranderen!

Gebed
Vader, ik vertrouw erop dat U geduld met me zult hebben als ik mijn hart met U deel. Hoor alstublieft mijn gebed en leer me de weg van liefde en vergeving. Amen

< 5e week: zaterdag

Eerste lezing uit het boek Ezechiël (37, 21-28)
Zo zegt God de Heer: “Ik zal de kinderen van Israël, die overal verspreid onder de heidenvolken leven, bijeenbrengen en hun terugvoeren naar hun eigen grond. Ik zal hen tot één enkel volk maken, in het land, op de bergen van Israël, en één koning zal over hen allen regeren. Zij zullen niet langer twee volken zijn, niet langer verdeeld over twee rijken. Zij zullen zich niet meer bezoedelen met hun afgoden, hun gruwelbeelden en al hun misdaden.Uit de trouweloosheden waaraan zij zich bezondigd hebben zal Ik hen verlossen en Ik zal hen reinigen, zodat zij mijn volk zijn en Ik hun God. Dan zal mijn dienaar David koning over hen zijn: zij zullen allen één herder hebben.Zij zullen leven volgens mijn geboden en mijn wetten werkelijk onderhouden. Zij zullen wonen in het land dat Ik mijn dienaar Jakob gegeven heb, het land waar hun vaderen gewoond hebben; zij en hun kinderen en hun kleinkinderen zullen daar voor altijd wonen, en mijn dienaar David zal voor altijd hun vorst zijn. Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten: een altijddurend verbond zal het zijn. Ik zal hun een woonplaats geven, Ik zal hen talrijk maken en mijn heiligdom voor altijd onder hen vestigen. Mijn woning zal bij hen zijn. Zo zullen de heidenvolken weten, dat Ik, de Heer, Israël heilig maak, doordat mijn heiligdom voor altijd onder hen is.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (11, 45-56)
Vele Joden die in die dagen naar Maria waren gekomen en zagen wat Jezus gedaan had, geloofden in Hem. Enigen van hen gingen echter naar de Farizeeën om hun te vertellen wat Jezus gedaan had. De hogepriesters en Farizeeën belegden daarop een zitting van het Sanhedrin en zeiden: “Wat doen we? Want die man verricht veel wonderen. Als wij Hem zijn gang laten gaan, zullen ze allemaal in Hem geloven. Dan zullen de Romeinen komen en met de heilige plaats ook ons volk wegvagen.” Maar een van hen, Kajafas, die in dat jaar hogepriester was, zei hun: “Gij begrijpt er niets van; ge denkt er niet aan, dat het beter voor u is, dat er één mens voor het volk sterft dan dat het hele volk ten onder gaat.” Dat zei hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester in dat jaar profeteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het volk, en niet voor het volk alleen, maar ook om de verstrooide kinderen van God samen te brengen. Van die dag af waren ze besloten Hem te doden.
Jezus bewoog zich daarom niet meer openlijk onder de Joden, maar vertrok vandaar naar de streek bij de woestijn, en wel naar de stad Efraim, waar Hij met zijn leerlingen verbleef. Toen echter het paasfeest van de Joden op handen was, gingen velen uit die streek voor Pasen naar Jeruzalem om zich te reinigen. Ze zochten naar Jezus en zeiden tot elkaar, terwijl ze in de tempel stonden: “Wat dunkt u? Zou Hij niet naar het feest komen?”

Overweging
Over het algemeen ziet men een “profeet” als een zonderling die een wat vreemd leven leidt en die de toekomst kan voorspellen. Een profeet is echter eenvoudigweg iemand die iets verneemt van de Heer en die anderen kan vertellen wat God tegen hem of haar heeft gezegd. Ezechiël kreeg één duidelijke boodschap die hij steeds weer verkondigde: Jahweh is de Heer. Niet de vorsten in de landen waarheen de Israëlieten waren verbannen. Niet de goden van deze vorsten. Alleen Jahweh. Hij alleen is het, die het gezag en de macht en het verlangen heeft om zijn volk te herstellen.

Deze boodschap van Ezechiël had een bijzonder dringend karakter, gelet op de toestand waarin het volk verkeerde waar God hem naar toe gestuurd had. Israël was in ballingschap, ze waren beroofd van hun vertrouwde omgeving, de geluiden en geuren van het land dat God hun beloofd had. Dat is ballingschap: wonen in een omgeving waar je niet vertrouwd mee bent en die aan iemand anders toebehoort. Maar ondanks hun ballingschap beloofde Jahweh – de ene, ware God – dat Hij hen thuis zou brengen. Hij zou hen weer samenbrengen en dan zou hun schande gewist zijn. Niet langer zouden ze verdeeld zijn en zich in de steek gelaten voelen. Nee, God ging hen bevrijden en zou hen weer maken tot zijn volk. Hij wilde hen weiden, vrede met hen stichten en voor altijd bij hen wonen.

Maar weinigen van ons zijn letterlijk uit hun land verbannen, maar je zou kunnen zeggen dat we allemaal soms leven als ballingen van het koninkrijk van God. We verkeren in “landen” waar verschillende afgoden aanbeden worden. En om eerlijk te zijn, we bevinden ons daar in het gezelschap van vele medeburgers van Gods koninkrijk. Het kan zijn dat we verkeren in het domein van drugs- en alcoholmisbruik, of in het rijk van de bitterheid, boosheid en wrok. Misschien bevinden we ons in een land van leugen, bedrog, oplichting of diefstal, of zijn we ingelijfd bij het volk van wedijver, bezit en hoogmoed.

Het kan donker lijken in ons verbanningsoord, maar Ezechiël heeft een boodschap voor ons: God wil ons thuis brengen! Hij is de ene, ware God, de enige die machtig genoeg is om ons te bevrijden en ons stevig in zijn koninkrijk te planten. Hoe diep we ook gewond zijn, hoe fel gekwetst we zijn of hoe star ons hart is, onze God is groter. Zijn oog is op ons. Zijn hand is naar ons uitgestrekt. Laten wij ons dus naar Hem uitstrekken!

Gebed
Vader, U bent mijn Heer en mijn God. Kom vandaag in mijn hart en vestig Uw koninkrijk binnen in mij! Amen.

< Vastenboodschap Paus 2021

< “Wij gaan nu naar Jeruzalem ..” (MT. 20, 18). De Veertigdagentijd: een tijd om geloof, hoop en naastenliefde te hernieuwen.

Dierbare broeders en zusters,

Jezus openbaart aan zijn leerlingen de diepe betekenis van zijn zending als hij hen spreekt over zijn lijden, dood en verrijzenis als vervulling van de wil van de Vader. Hij roept zijn leerlingen op zich daarbij aan te sluiten voor de redding van de wereld.

Laten wij op onze tocht van veertig dagen op weg naar Pasen, Hem in herinnering houden die “zich heeft vernederd, gehoorzaam werd tot de dood, tot de dood aan een kruis” (Fil. 2, 8). In deze tijd van bekering hernieuwen wij ons geloof, putten wij het “levende water” van de hoop en ontvangen wij met een open hart de liefde van God, die ons verandert in broeders en zusters in Christus. In de Paasnacht zullen wij onze doopbeloften hernieuwen om dankzij de werking van de Heilige Geest als nieuwe mannen en vrouwen herboren te worden. Maar de tocht van de Veertigdagentijd staat, zoals de gehele pelgrimstocht van het christelijk leven, geheel in het licht van de verrijzenis, die de gevoelens, de houdingen en de keuzes van wie Christus wil volgen, bezielt.

Vasten, gebed en aalmoes zijn, zoals ze door Jezus in zijn prediking worden gepresenteerd, een voorwaarde voor en de uitdrukking van onze bekering. De weg van de armoede en onthouding (het vasten), de aandacht en zorgende liefde voor de gewonde mens (de aalmoes) en een dialoog in kinderlijk vertrouwen met de Vader (het gebed) maken het ons mogelijk een oprecht geloof, een levende hoop en een daadwerkelijke liefde voor te leven.

1. Het geloof roept ons op de Waarheid te ontvangen en er voor God en al onze broeders en zusters getuigen van te worden.
In deze Veertigdagentijd betekent het ontvangen en beleven van de waarheid die zich in Christus geopenbaard heeft, vóór alles het openen van onze harten voor Gods Woord, dat aan ons door de Kerk van generatie op generatie wordt doorgegeven. Deze waarheid is geen constructie van het verstand, voorbehouden aan kleine groep intellectuele uitverkorenen, maar het is een boodschap die wij ontvangen en kunnen begrijpen dankzij de wijsheid van een hart dat openstaat voor de grootheid van God, die ons liefheeft, nog voordat wij ons daar zelf bewust van worden. Deze waarheid is Christus zelf, die door ons mens-zijn ten volle aan te nemen een – veeleisende, maar voor allen openstaande – weg is geworden die leidt naar de volheid van leven.

Het vasten, beleefd als een vorm van onthouding, brengt hen die dit beleven in eenvoud van hart, er toe opnieuw de gave van God te ontdekken en te erkennen dat wij, geschapen naar zijn beeld en gelijkenis, in Hem onze vervulling vinden. Door de ervaring van armoede te omarmen, wordt wie vast arm met de armen en vermeerdert de rijkdom van ontvangen en gedeelde liefde. Op deze wijze helpt het vasten om God en de naaste lief te hebben, in zoverre de liefde, zoals de heilige Thomas van Aquino leert, een beweging is die de aandacht richt op de ander en daarbij deze als één met zichzelf, beschouwt”.

De Veertigdagentijd is een tijd om te geloven, om God in ons leven te verwelkomen en Hem toe te staan bij ons “verblijf te nemen”. Vasten wil ons bestaan bevrijden van alles wat ons belemmert , zoals consumentisme en een overvloed aan informatie – zowel waar als vals, om de deuren van onze harten te openen voor Hem die tot ons komt, arm in alles, maar “vol genade en waarheid” (Joh. 1, 14): de Zoon van God onze Redder.

2. De hoop als “levend water”, dat het mogelijk maakt onze levenstocht voort te zetten
De Samaritaanse vrouw aan wie Jezus bij de put te drinken vraagt, begrijpt het niet, wanneer Jezus tegen haar zegt dat Hij haar “levend water” (Joh. 4, 10) zou kunnen geven. Aanvankelijk denkt zij natuurlijk aan concreet water, Jezus bedoelt echter de Heilige Geest, degene die Hij in overvloed door het Paasmysterie zal geven en die in ons een hoop wekt die niet teleurstelt. Reeds bij het aankondigen van zijn lijden en dood spreekt Jezus over deze hoop, wanneer Hij zegt: “maar op de derde dag zal Hij verrijzen” (Mt. 20, 19). Jezus spreekt ons over de toekomst die door de barmhartigheid van de Vader is geopend. Hopen, met Hem en dankzij Hem, betekent geloven dat de geschiedenis niet eindigt met onze fouten, ons geweld, onze onrechtvaardigheid en de zonde die de Liefde kruisigt. Het betekent vergeving van de Vader ontvangen uit zijn open Hart.

In deze tijden vol moeilijkheden waarin wij leven en waarin alles broos en onzeker lijkt, zou spreken over hoop een provocatie kunnen lijken. De Veertigdagentijd is juist tijd van hoop, als wij naar God terugkeren die geduldig blijft zorgen voor zijn schepping, terwijl wij deze vaak slecht behandeld hebben. Het is hoop op verzoening, waartoe de heilige Paulus ons hartstochtelijk aanspoort: “laat u met God verzoenen! (2 Kor. 5, 20). Door vergeving te ontvangen in het sacrament dat in het middelpunt staat van ons proces van bekering, kunnen wij op onze beurt vergeving geven aan anderen. Omdat wij zelf vergeving hebben ontvangen, kunnen wij deze doorgeven in een aandachtige dialoog met anderen en troost bieden aan hen die verdriet en pijn ervaren. De vergeving van God, ook door middel van onze woorden en daden, maakt het mogelijk een Pasen van broederschap te beleven.

Laten wij in de Veertigdagentijd er meer op letten “woorden van troost, sterkte en bemoediging te spreken in plaats van woorden die vernederen, bedroefd maken, irriteren of verachten”. Om hoop te geven is het soms voldoende vriendelijk te zijn, “om alles opzij te zetten en aandacht te geven, om een glimlach te schenken, om een woord te zeggen dat bemoedigt, om te midden van zoveel onverschilligheid te luisteren.

In de inkeer en het stille gebed wordt ons de hoop gegeven ter bezieling en als innerlijk licht, om uitdagingen en keuzes van onze zending te verlichten. Vandaar de noodzaak van gebed en, in het verborgene, de Vader van tedere liefde te ontmoeten.

Een Veertigdagentijd vol hoop beleven wil zeggen, groeien in het besef dat men in Jezus Christus getuige is van de nieuwe tijd waarin God “alles nieuw maakt”. Het betekent de hoop van Christus ontvangen die zijn leven heeft gegeven op het kruis en die God heeft opgewekt op de derde dag, en “altijd bereid tot verantwoording aan al wie [ons] rekenschap vraagt van de hoop die in [ons] leeft” (1 Pt. 3, 15).

3. De liefde, beleefd in het voetspoor van Christus, in de aandacht voor en het medelijden met ieder, is de hoogste uitdrukking van ons geloof en onze hoop
De liefde verheugt zich, wanneer zij de ander ziet groeien. Daarom lijdt zij, wanneer de ander in nood is: alleen, ziek, dakloos, veracht, behoeftig. De liefde is het elan van het hart dat ons uit ons zelf doet treden en banden van samen delen en gemeenschap schept.

“Sociale liefde” maakt het mogelijk te komen tot een beschaving van liefde waartoe wij ons allen geroepen kunnen voelen. De liefde kan met haar universele dynamiek een nieuwe wereld opbouwen. Niet louter een gevoel, maar de beste manier om begaanbare wegen van ontwikkeling voor allen te ontdekken”.

De liefde is een gave die zin geeft aan ons leven en waardoor wij hen die in nood zijn, beschouwen als lid van onze eigen familie, als vrienden, broers en zusters. Als het weinige dat er is met liefde wordt gedeeld, eindigt het nooit, maar verandert het in een reserve aan leven en geluk. Dat gebeurt met het meel en de olie van de weduwe van Sarefat, die de profeet Elia een broodje aanbiedt; en met de broden die Jezus zegent, breekt en aan de leerlingen geeft om te verdelen onder de menigte. Dat gebeurt met onze aalmoes, hoe groot of klein ook, aangeboden met vreugde en eenvoud.

Een Veertigdagentijd van liefde beleven betekent zorg hebben voor hen die lijden, die zich in de steek gelaten voelen of angstig zijn ten gevolge van de Covid-19 pandemie. In deze dagen van grote onzekerheid over de toekomst moeten wij Gods woord tot zijn dienaar in gedachte houden: “vreest niet, want Ik heb u verlost” (Jes. 43, 1). In liefde kunnen wij woorden van vertrouwen spreken en anderen helpen zich te realiseren dat God hen lief heeft als zonen en dochters.

“Alleen met een liefdevolle blik kan de waardigheid van anderen worden erkend, met als gevolg dat ook de armen in hun waardigheid worden erkend en gewaardeerd en gerespecteerd in hun eigen identiteit en cultuur en daardoor werkelijk geïntegreerd in de maatschappij”.

Dierbare broeders en zusters, ieder moment van ons leven is een tijd om te geloven, te hopen en lief te hebben. Moge de oproep om de Veertigdagentijd te beleven als een tocht van bekering, gebed en samen delen, ons helpen, zowel als gemeenschappen als individuen, het geloof te doen herleven dat komt van de levende Christus, de hoop die door de adem van de Geest wordt bezield, en de liefde waarvan de onuitputtelijke bron het barmhartige hart van de Vader is.

Moge Maria, Moeder van de Redder, trouw aan de voet van het kruis en in het hart van de Kerk, ons met haar zorgzame aanwezigheid ondersteunen, en moge de zegen van de verrezen Heer ons allen begeleiden op de weg naar het licht van Pasen.

Rome, Sint Jan van Lateranen, 11 november 2020, de gedachtenis van de heilige Martinus van Tours.

Franciscus

Lees meer Vastenboodschappen uit het verleden via RKDocumenten.nl

< Ter overdenking: hoe vasten wij goed?

< Uw Vader zal u belonen

De deur naar de genade openen door vasten, bidden en geven

De H. Augustinus heeft eens gezegd dat vasten en liefdadigheid de twee vleugels zijn die we nodig hebben om ons gebed te laten opstijgen naar God. Zo’n beeld maakt duidelijk dat het ene feit – dat we ons dingen ontzeggen – en het andere feit – dat we liefdadigheid willen betrachten – absoluut bij elkaar horen en dat zij samen ons geestelijk leven een flinke duw kunnen geven. Doordat ze ons helpen de zelfzucht opzij te zetten maken ze het ons gemakkelijker ons op Jezus te richten en op de belangeloze liefde die Hij in ons gestalte wil geven.

De Veertigdagentijd wordt vaak gereduceerd tot een tijd waarin we “iets opgeven”, een tijd waarin we gebruiken volgen die we niet fijn vinden maar waarvan we het idee hebben dat ze goed voor ons zijn. Dat lijkt op een kind dat leert om zijn groente op te eten omdat het weet dat het goed voor hem is, maar hij vindt de smaak ervan niet lekker. Hoewel deze aanpak bij kinderen kan werken, is het niet de manier waarop God wil dat wij – als volwassenen – kijken naar het leven waartoe Hij ons roept. Hij wil dat we de Veertigdagentijd bezien als een tijd van vernieuwing, niet als een stel klusjes bij elkaar die we met tegenzin uitvoeren.

In de Engelstalige wereld onderstreept de term die voor de Veertigdagentijd gebruikt wordt – ´Lent´– in zichzelf al dit besef van vernieuwing en geestelijke groei. Het woord is afgeleid van het Oud-Engelse woord lencten, dat verwijst naar het lengen van de dagen in de lentetijd. De lentetijd is een cruciaal seizoen voor boeren waarin ze goed letten op hun gewassen en ze zorgvuldig nalopen, allemaal in de hoop op een overvloedige oogst. Op soortgelijke wijze is de Veertigdagentijd voor ons een tijd om extra aandacht te geven aan de zaden van geloof en gehoorzaamheid die God in ons gezaaid heeft, in de hoop dat we tegen Pasen de vrucht van zijn heilige Geest zullen oogsten.

Laten we er daarom een punt van maken om ons in deze Veertigdagentijd los te maken van onze alledaagse routine zodat we de heilige Geest kunnen vragen ons te leren hoe we verder en sneller kunnen vliegen.

Wanneer je vast …

Aswoensdag is de eerste dag van een nieuw en hoopvol seizoen. Het is de tijd om onze geestelijke tuin goed te verzorgen, zodat we de rijkdom van Gods vernieuwende genade kunnen oogsten. Het is geen zware tijd. Het is een tijd van hoop en blijdschap omdat we uitzien naar wat God zal gaan doen in ons hart.

Toen Jezus ons leerde over vasten, bidden en liefdadigheid, gaf Hij ons drie specifieke aanwijzingen die we in acht moeten nemen. We lezen erover in Matteüs 6,1-18.

Het eerste wat opvalt in deze verzen is dat Jezus niet zegt: “Als je vast” of “Als je aalmoezen geeft” of “Als je bidt”. Nee, Hij zegt: wanneer je deze dingen doet. Het zijn geen vrijblijvende opties waar we al dan niet voor kunnen kiezen in ons geestelijk leven. Het zijn geboden van de Zoon van God. Het zijn essentiële gebruiken die ons helpen los te komen van onze egoïstische en genotzuchtige manier van denken.

Jezus leert ons om te vasten, te geven en te bidden. Dat doet Hij omdat Hij weet dat deze dingen ons helpen om onze bezittingen, onze genoegens en onze innerlijke waarde in het juiste perspectief te zetten. Hij weet dat zelfverloochening in combinatie met gebed en goedgeefsheid ons de ogen opent voor Gods liefde. Hij weet, uit eigen ervaring, hoe deze gebruiken ons zullen helpen om andere mensen lief te hebben en voor ze te zorgen.

Daarnaast leert Jezus ons om ons geven, ons bidden en ons vasten in het geheim te doen. Hij wil niet dat we er een show van maken waardoor mensen voor ons gaan applaudisseren of ons de hemel in prijzen. Hij houdt niet van de manier waarop sommige religieuze leiders in zijn dagen eer en bijval zochten van precies die mensen die zij dichter naar God toe zouden moeten brengen. Het is alsof ze de mensen dichter naar zichzelf toe trokken in plaats van naar de Heer! Het is veel beter, zegt Jezus, om te zwijgen over onze geestelijke gebruiken zodat we ons meer op God kunnen richten dan op het respect van andere mensen.

Hemelse en aardse beloningen

Het derde wat Jezus ons leert is het belangrijkste. Hij zegt namelijk dat als we in het geheim geven en bidden en vasten, onze hemelse Vader ons zal belonen (Matteüs 6,3-4+6+17-18).

Jezus doelt niet op materiële beloningen. We beoefenen deze vastenpraktijken niet in de hoop dat God ons met voorspoed zal overladen. Nee, Jezus spreekt zowel over de beloningen aan heerlijkheid die ons in de hemel te wachten staan als over de meer directe beloningen die we hier op aarde zullen oogsten.

De H. Paus Leo de Grote rekent tot deze directe beloningen onder meer een diepere relatie met God, grotere vrijheid van zonde en een nieuwe aandacht voor de behoeften van de armen in ons midden.

Paus Leo vertelt ook hoe onze vastengebruiken de harmonie in ons huis kunnen verhogen. Door ons vasten, bidden en geven kunnen we betere echtgenoten, betere ouders en betere kinderen worden. Deze gebruiken zorgen voor een grotere openheid voor Gods genade, waardoor we minder zelfzuchtig, goedgeefser en vriendelijker worden. Ze helpen ons van elkaar te houden op manieren die we gewoonweg niet voor mogelijk hielden. Ze leren ons oprecht berouw te hebben en ze helpen ons als we proberen gewonde relaties te verzoenen. Met andere woorden: als we de Heer tegemoet treden met vasten, met royale liefdadigheid en met gebed dan beloont God ons door ons stapje voor stapje te veranderen naar zijn beeld.

Als u Paus Leo’s woorden ter harte neemt door deze drie vastengebruiken te volgen dan mag u er zeker van zijn dat uw hemelse Vader uw pogingen zal belonen met een rijke oogst aan overvloedige genade. Dat is een belofte van Jezus.

Motivatie

De kwaliteit van ons vasten is van meer belang dan de hoeveelheid ervan. Zo is ook de intentie van onze liefdadigheid belangrijker dan de hoeveelheid geld die we weggeven. En de focus van ons gebed betekent meer dan de hoeveelheid tijd die we eraan besteden.

Om Paulus te parafraseren: we kunnen een miljoen euro weggeven, de komende veertig dagen niet eten en elke dag urenlang bidden, maar als onze liefde niet groeit of onze solidariteit met Gods volk niet dieper wordt, dan zitten we er toch naast (1 Korintiërs 13,3). Tegelijkertijd kan het weggeven van een klein bedrag – op een manier dat het wel echt als een offer voelt – een enorm effect hebben op onszelf en op de mensen aan wie we het geven. Het enige waar het in vasten, geven en bidden om draait, is dat we dichter naar God toe getrokken worden, zodat ons leven door zijn Geest omgevormd wordt tot een “steeds heerlijker” bestaan (2 Korintiërs 3,18).

In de kern van de zaak draait het niet om geld en bezittingen. Op zich worden we daardoor niet opgetild naar de hemel of in de diepte van de hel gestort. Waar het om draait is hoe ze ons leven kunnen beheersen. Het valt niet mee om rijk te zijn en ons er niet door te laten beïnvloeden in onze manier van denken of handelen. Het valt niet mee om onze waarde of zekerheid niet te zoeken in hoeveel we bezitten of hoeveel we verdienen. Dat is de reden waarom vasten, bidden en geven zo belangrijk zijn. Die laten ons zien hoe we datgene wat we bezitten – het maakt niet uit of dat veel of weinig is – in een breder, hemels perspectief kunnen plaatsen. Ze laten ons zien dat onze relaties met God en zijn volk veel belangrijker zijn dan onze status en onze bezittingen.

Methode

Als u dus elke dag van de Veertigdagentijd kunt vasten dan zult u gezegend worden. Als u alleen maar het vlees op vrijdag kunt laten staan dan zult u ook gezegend worden. Als u zakken met kleding en een aanzienlijk bedrag aan geld aan de armen kunt geven, ook dan zult u gezegend worden. En als u maar een beetje kunt geven, ook dan zult u ook gezegend worden. Wat er echt toe doet is dat u deze dingen doet uit nederigheid en liefde, dat u een offer brengt om Gods genade te ontvangen en te delen met de mensen om u heen.

Bedenk ook dat, hoewel je bij vasten het eerst aan voedsel denkt, het niet uitsluitend over eten en drinken hoeft te gaan. We kunnen ook vasten van televisie of het internet. We kunnen sarcasme, cynisme of negatieve en discriminerende taal uitbannen en proberen alleen maar opbeurende en bemoedigende woorden te spreken en proberen met iedereen in eensgezindheid te leven. We kunnen vasten van bezorgdheid om van alles en nog wat, en ons in vertrouwen richten op de Heer. Het gaat erom dat we vasten, niet hoe we vasten.

Roep een vasten uit

Roep dus deze Veertigdagentijd bij u thuis een vasten uit. Geef royaal aan mensen in nood. Maak tijd vrij om te bidden. Als u al een vaste gebedstijd hebt, probeer dan dagelijks een beetje meer tijd met de Heer door te brengen.

Wat u ook gaat doen, laat het u mogen helpen om dichter bij de Heer te komen. En houd dit in uw achterhoofd: uw hemelse Vader gaat u belonen met een golf van zegeningen – meer dan u zich in de verste verte kunt voorstellen. Moge God ons allen deze Veertigdagentijd zegenen met zijn genade!

< Gewetensonderzoek ter voorbereiding op Pasen

Dit gewetensonderzoek kan gebruikt worden om het het sacrament van Boete en Verzoening te ontvangen.

< Genade in de woestijn

Een gewetensonderzoek voor de Veertigdagentijd

Na veertig jaar zwerven in de woestijn, net toen de Israëlieten op het punt stonden het Beloofde Land binnen te trekken, beval God hun om sterk en moedig te zijn (Jozua 1,6). Hij wilde dat de Israëlieten zouden beseffen dat ze, hoewel Hij hun een eigen thuisland beloofde, met Hem mee moesten werken om die erfenis daadwerkelijk in ontvangst te kunnen nemen.

Op een vergelijkbare manier roept God ieder van ons op om sterk en moedig te zijn zodat wij op onze “woestijn”-reis in de Veertigdagentijd zijn vrijheid en genade kunnen ervaren. Jezus heeft de zonde al verslagen en nu roept Hij ons op om sterk te staan in het geloof. Hij roept ons op om te vertrouwen dat, wanneer wij dicht bij Hem blijven, al de genade van onze verlossing ons hart zal binnenstromen gelijk een kolkende rivier.

Dat is de reden waarom het Sacrament van Verzoening zo belangrijk is. Steeds wanneer wij ons tot God keren en onze zonden belijden, wast Hij ons schoon van ongerechtigheid zodat we verder kunnen trekken in de richting van het “Beloofde Land” dat Hij ons gegeven heeft. Het volgende gewetensonderzoek is, ook al is het niet uitputtend, bedoeld om u te helpen die terreinen in uw leven aan te wijzen waar u mogelijk de oproep om sterk te zijn in de Heer opzij geschoven hebt. Overweeg in gebed de onderstaande vragen en vraag de heilige Geest om aan te duiden waar u berouw nodig hebt. Weet dat God u graag wil vergeven en u de kracht wil geven om alle beloften na te jagen die Hij ons gegeven heeft.

Liefde voor God (Marcus 12,28-30; Johannes 14,23-24). Op welke manieren zet ik God op de eerste plaats, boven al het andere? Maak ik tijd vrij om in gebed bij Hem te zijn? Beschouw ik Gods Kerk en haar wetten met respect en dankbaarheid?

Liefde voor anderen (Lucas 10,25-37; Johannes 13,12-15). Herinner ik me situaties waarin ik niet goed heb gezorgd voor de mensen die de Heer in mijn leven geplaatst heeft? Heb ik bij tijden geweigerd hun noden boven die van mezelf te plaatsen? Herinner ik me ook bepaalde situaties waarin ik iemand niet behandeld heb met het respect en de waardigheid van een kind van God?
Genade (Matteüs 18,21-35; Johannes 8,1-11). Zijn er situaties waarin ik het moeilijk vind om iemand te vergeven die me gekwetst heeft? Zijn er groepen mensen die ik te snel beoordeeld heb op grond van hun positie op de maatschappelijke ladder, hun ras of hun uiterlijk? Zijn er situaties waarin ik Gods genade maar moeilijk kan aanvaarden en waardoor ik het dan moeilijk vind om jegens anderen genadig te zijn?

Nederigheid (Marcus 10,13-16; Filippenzen 2,6-11). Hoe vaak bedenk ik dat mijn talenten en gaven van God komen? Heb ik de mensen die ik geregeld ontmoet, behandeld als kinderen van God, ongeacht hun status of positie? In hoeverre verlaat ik me in de loop van de dag op de Heer en zijn genade en kracht?

Gulheid (Marcus 6,30-34; Lucas 6,38). Hoe makkelijk vind ik het om mijn tijd en gaven met anderen te delen? Ben ik royaal als het erom gaat liefdadige instellingen te steunen die zorg dragen voor arme en behoeftige mensen? Hoe sterk verlaat ik mij op de Heer als het gaat om mijn persoonlijk geluk, of vind ik mijn welbevinden meer in mijn materiële bezittingen?

Moed (Jozua 1,7-9; Matteüs 23,37-39). Herinner ik me situaties waarin ik in liefde de waarheid had moeten spreken, maar het niet gedaan heb? Doe ik alles wat ik kan om op te komen tegen onrecht en om het ongeboren leven en arme en machteloze mensen te beschermen? Zijn er recente gebeurtenissen waarbij ik me niet tot het uiterste ingespannen heb omdat zich een of andere moeilijkheid voordeed?

< Hymnen van de veertigdagentijd

< Morgengebed

Laten wij tot de Rechter gaan
en smekend voor zijn zetel staan,
Hem bidden met het hart terstond
en het betuigen met de mond:

Wij zondigden, ja wij, o Heer,
tegen uw goedheid telkens weer,
zie op ons in barmhartigheid,
o God, die vol ontferming zijt.

Gedenk dat wij de uwen zijn,
uw schepselen, hoezeer onrein,
geef, bidden wij, uw naam, uw eer
niet aan een ander prijs, o Heer.

Was af ons kwaad en onze schuld,
maak ons van ’t goede meer vervuld,
opdat het hart dat naar U vraagt,
U nu en altijd meer behaagt.

Getrouwe Vader, zie ons aan,
wees, Zoon van God, met ons begaan,
vertroost ons, Geest, in deze tijd,
Gij die regeert in eeuwigheid.

< Avondgebed

O goedertieren Schepper,
hoor naar ons gebed en hulpgeroep,
dat opstijgt veertig dagen lang
in deze heilige Vastentijd.

Gij, die de harten mild doorschouwt
en kent de zwakheid onzer kracht,
vergeef genadig onze schuld,
nu wij tot U zijn weergekeerd.

Verhoor ons, nooit volprezen God,
drievoudig, één en onverdeeld:
geef, dat ons rijk aan vruchten wordt
de vasten, die Gij ons verleent.

< Attende Domine (lied voor de veertigdagentijd)

Ad te Rex summe, omnium Redemptor,
oculos nostros sublevamus flentes:
exaudi, Christe, supplicantum preces.

Attende Domine, et miserére,
quia peccávimus tibi.

Dextera Patris, lapis angularis,
via salutis, ianua caelestis,
ablue nostri maculas delicti.

Attende Domine…

Rogamus, Deus, tuam maiestatem:
auribus sacris gemitus exaudi:
crimina nostra placidus indulge.

Attende Domine…

Tibi fatemur crimina admissa:
contrito corde pandimus occulta:
tua Redemptor, pietas ignoscat.

Attende Domine…

Innocens captus, nec repugnans ductus,
testibus falsis pro impiis damnatus:
quos redemisti, tu conserva, Christe.

Attende Domine…

Tot U, hoogverheven Koning, Verlosser van ons allen, heffen wij wenend onze ogen op: verhoor Christus, de gebeden van de smekenden.

Luister Heer, en wees genadig,
want wij hebben tegen U gezondigd.

Rechterhand van de Vader, hoeksteen,
weg van het heil, poort van de hemel,
was de smetten van onze zonden af.

Luister Heer…

God, wij smeken uw majesteit:
verleen ons zuchten genadig gehoor:
vergeef ons goedertieren onze misslagen.

Luister Heer…

U bekennen wij de bedreven fouten,
met berouwvol hart, belijden wij onze geheime zonden: Uw liefde, Verlosser, moge ze vergeven.

Luister Heer…

Onschuldig zijt Gij gevangen genomen,
zonder tegenstreven weggevoerd,
op valse getuigen voor de zondaars veroordeeld;
Christus, bewaar hen die Gij hebt verlost.

Luister Heer…

< Wat zegt de Catechismus over de veertigdagentijd?

Elk jaar worden we aangemoedigd onze harten voor te bereiden op Pasen, waar we de opstanding van Christus uit de doden vieren. Het is een tijd om na te denken over hoe God ons verlost heeft van de eeuwige dood. De Catechismus van de Katholieke Kerk legt het als volgt uit:

538
De evangelies spreken over een tijd van eenzaamheid van Jezus in de woestijn onmiddellijk na zijn doop door Johannes: “Gedreven door de Geest” naar de woestijn, verblijft Jezus daar veertig dagen zonder te eten; Hij leeft er met de wilde dieren en de engelen dienen Hem (Vgl. Mc. 1,12-13). Aan het einde van deze tijd stelt Satan hem driemaal op de proef, waarbij hij probeert de houding van Jezus als Zoon tegenover God ter discussie te stellen. Jezus slaat deze aanvallen af, die de bekoringen van Adam in het paradijs en die van Israël in de woestijn samenvatten, en de duivel verwijdert zich van Hem “tot de vastgestelde tijd” (Lc. 4,13).

539
De evangelisten wijzen op de heilzame betekenis van dit mysterieus gebeuren. Jezus is de nieuwe Adam, die waar de eerste Adam bezweken is voor de bekoring, trouw gebleven is. Jezus vervult op volmaakte wijze de roeping van Israël: in tegenstelling tot hen die eertijds gedurende veertig jaar God tartten in de woestijn (Vgl. Ps. 95,10), openbaart Christus zich als de dienaar Gods, die geheel gehoorzaam is aan de goddelijke wil. Daarin overwint Jezus de duivel: Hij heeft “de sterke gebonden” om hem zijn buit weer af te nemen (Mc. 3,27). De overwinning van Jezus op de verleider in de woestijn loopt vooruit op de overwinning van het lijden, de hoogste vorm van gehoorzaamheid van zijn kinderlijke liefde voor de Vader.

540
De bekoring van Jezus laat zien hoe Gods Zoon – in tegenstelling tot wat de Satan Hem voorstelt en de mensen (Vgl. Mt. 16,21-23) Hem willen toeschrijven – Messias is. Daarom heeft Christus de verleider voor ons overwonnen: “Want wij hebben een hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakheden. Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde” (Heb. 4,15). De kerk verenigt zich ieder jaar gedurende de veertig dagen van de grote vasten met het mysterie van Jezus in de woestijn.

1434
De innerlijke boetvaardigheid van de christen kan zich op uiteenlopende wijzen uiten. De Schrift en de Kerkvaders leggen vooral op drie vormen de nadruk: het vasten, het gebed en de aalmoes (Vgl. Tob. 12,8; Mt. 6,1-18); het zijn uitdrukkingen van onze bekering in onze relatie tot onszelf, tot God en tot de anderen. Naast de grondige zuivering die het doopsel of het martelaarschap bewerken, noemen zij als middel om vergiffenis van de zonden te verkrijgen: de inspanning om zich met zijn naaste te verzoenen, de tranen van boete, de zorg voor het heil van de naaste (Vgl. Jak. 5,20), de voorspraak van de heiligen en de naastenliefde “die tal van zonden bedekt” (1 Petr. 4,8).

1438
Boetetijden en boetedagen tijdens het liturgisch jaar (de vastentijd, elke vrijdag ter gedachtenis van de dood van de Heer) zijn voor de kerk gelegenheden bij uitstek om boete te doen (Vgl. SC 109-110; CIC, can. 1249-1253; CCEO, can. 880-883). Deze tijden zijn uitermate geschikt voor retraites, boetevieringen, bedevaarten als teken van boete, dingen die men zich vrijwillig ontzegt, zoals vasten en aalmoezen geven en broederlijk delen (liefde- en missiewerken).

2042
Het eerste gebod (“Op zondagen en verplichte feestdagen deelnemen aan de eucharistie”) vraagt van de gelovigen deel te nemen aan de eucharistieviering waartoe de christelijke gemeenschap zich verzamelt op de dag die de verrijzenis van de Heer herdenkt (Vgl. CIC, can. 1246‑1248; CCEO, can. 881, 1.2.4).

Het tweede gebod (“Ten minste eenmaal per jaar biechten”) verzekert de voorbereiding op de eucharistie door het ontvangen van het sacrament van boete en verzoening, dat de bekering en vergeving van het doopsel voortzet (CIC, can. 989: CCEO, can. 719).

Het derde gebod (“In de Paastijd de heilige communie ontvangen”) geeft de minimumeis aan wat betreft het ontvangen van het lichaam en bloed van de Heer in verband met de Paasvierin­gen, die oorsprong en kern zijn van de christelijke liturgie (Vgl. CIC, can. 920; CCEO, can. 708; 881,3).

2043
Het vierde gebod (“De verplichte feestdagen vieren als zondag”) vervolledigt de zondagsplicht door de deelname aan de voornaamste liturgische feesten, die de mysteries eren van de Heer, de maagd Maria en de heiligen (Vgl. CIC, can 1246: CCEO, can. 881,1.4: 880,3).

Het vijfde gebod (“Op onthoudingsdagen geen vlees gebruiken en op vastendagen vasten”) beschermt de tijd van ascese en boete die ons op de liturgische feesten voorbereiden; zij helpen ons onze instincten te beheersen en de vrijheid van het hart te verwerven (Vgl CIC, can 1249-1251; CCEO, can 882).

De gelovigen hebben ook de verplichting om – ieder volgens zijn mogelijkheden – tegemoet te komen aan de materiële noden van de Kerk (Vgl. CIC, can. 222).

< Een aantal preken van de H. Augustinus over de veertigdagentijd

H. Augustinus, bisschop en kerkleraar

Augustinus werd in 354 te Tagaste in Noord-Afrika geboren. Na een woelige jeugd en een bewogen studentenleven werd hij in Milaan tot het geloof bekeerd en in 387 door bisschop Ambrosius gedoopt. Na zijn terugkeer in zijn vaderland leidde hij een ascetisch leven en werd hij gekozen tot bisschop van Hippo. Vierendertig jaar lang was hij een voorbeeld voor zijn gelovigen die hij onderrichtte door zijn talrijke preken en geschriften, waarin hij ook tegen de dwalingen van zijn tijd krachtig optrad en de geloofsleer op een knappe wijze verduidelijkte. Hij stierf in het jaar 430. Een groot aantal van zijn preken en geschriften zijn bewaard gebleven; een drietal preken van hem over de Veertigdagentijd treft u hier aan.

< Preek 206: Het doen van goede werken

1. De jaarlijks wederkerende vastentijd is weer aangebroken; bij gelegenheid daarvan moeten wij een vermaning tot u richten, daar ook gij de Heer werken, die in overeenstemming zijn met deze tijd, verschuldigd zijt. Niet alsof deze de Heer van nut kunnen zijn. Neen, slechts uzelf kunnen zij baten. In gebed, vasten en aalmoezen moet een christen ook anders vurig zijn; deze tijd moet echter ook hen, die op andere dagen traag in deze dingen zijn, aansporen, terwijl zij, die anders vurig zijn, er zich met nog groter felheid op moeten toeleggen.
Een tijd van vernedering is het leven op deze aarde. Het symbool daarvan zijn deze dagen, waarin onze Heer Jezus Christus, die eenmaal voor ons gestorven is en geleden heeft, als het ware jaarlijks zijn lijden hernieuwt. Wat immers eenmaal in de gehele tijd gebeurd is, opdat ons leven hernieuwd zou worden, dat wordt jaarlijks gevierd, om de herinnering daaraan levend te houden. Indien wij echter gedurende heel de tijd, dat wij op aarde toeven en te midden van beproevingen leven, in waarachtige vroomheid nederig van harte moeten zijn, hoeveel meer dan in deze dagen, die niet alleen behoren tot de tijd van onze vernedering, maar er ook het symbool van zijn? Nederig te zijn, leerde ons de nederigheid van Christus, omdat Hij door te sterven voor de ongelovigen is geweken; verheven maakt ons de verheffing van Christus, omdat Hij door te verrijzen de gelovigen is voorgegaan. Indien wij immers met Hein gestorven zijn, zegt de apostel, zullen wij ook met Hem leven, indien wij lijden, zullen wij ook met Hem heersen. Het ene gedenken wij thans met passende vroomheid, nu zijn lijden als het ware nadert, het andere vieren wij echter na Pasen, wanneer zijn verrijzenis als het ware heeft plaats gehad. Dan immers, na de dagen van onze vernedering, smaken wij het genot, ook de tijd van onze verheffing, die wij nog wel niet met eigen ogen mogen zien, van te voren te overwegen en ons voor ogen te stellen. Laten wij nu echter aanhoudend onder zuchten bidden, dan zullen wij ons dan des te uitbundiger verblijden in lofprijzingen.

2. Laten wij aan onze gebeden door aalmoezen en vasten de vleugels der vroomheid geven, opdat zij des te gemakkelijker hun vlucht nemen naar God. Een christen begrijpt, hoezeer hij zich verre moet houden van het zich toe-eigenen van andermans goed, wanneer hij bedenkt, dat het gelijk staat met diefstal, wanneer hij zijn overtollig bezit niet aan een behoeftige geeft. De Heer zegt: ‘Geeft en u zal gegeven worden; vergeeft en u zal vergeven worden’. Laten wij ons met liefde en vuur toeleggen op deze twee soorten aalmoezen: geven en vergeven. Wij bidden toch ook zelf God, dat het goede ons gegeven worde en dat het kwade niet vergolden worde. Geeft, zegt Hij, en u zal gegeven worden. Wat is juister, wat is billijker, dan dat hij, die zich aan het geven onttrekt, zichzelf te kort doet doordat hij niets krijgt? Als het schaamteloos is, dat een boer wil oogsten, waar hij weet, niet gezaaid te hebben, hoeveel schaamtelozer is het dan, dat iemand, die zelf de bede van de arme niet heeft willen verhoren, verlangt, dat God hem rijkelijk geeft? God, die geen honger kent, wilde immers in de arme gevoed worden. Laten wij onze God, die gebrek lijdt in de persoon van de arme, niet verachten, opdat wij, als wij gebrek lijden, door zijn rijkdommen verzadigd worden. Wij hebben behoeftigen en wij zijn zelf behoeftig: laten wij dus geven, om ook te ontvangen. Wat is het tenslotte, wat wij geven? En voor die kleine, zichtbare, tijdelijke en aardse gift… wat willen wij daarvoor terugontvangen? Wat geen oog heeft gezien, wat geen oor heeft gehoord en wat niet in het hart van een mens is opgekomen. Als Hij zelf het niet beloofd had, zou het onbeschaamd zijn, dit te geven en -dat te willen terugontvangen: en dit zelfs niet eens te willen geven! Trouwens we zouden zelfs dit niet hebben, als Hij, die ons aanspoort, te geven, het ons niet gegeven had. Met welk een gezindheid denken wij, dat God ons beide giften zal geven, als wij bij de minste van de twee zijn gebod in de wind slaan? Vergeeft en u zal vergeven worden, dit wil zeggen: schenkt vergiffenis en u zal vergiffenis geworden. Laat de dienaar zich verzoenen met zijn mededienaar, om te verhoeden, dat de dienaar met recht door de Heer gestraft wordt. Voor dit soort aalmoes is niemand te arm. Deze aalmoes kan hij geven, om in eeuwigheid te leven, die niet genoeg heeft, om er een korte tijd van te leven. Dit geeft men om niet, door zo te geven stapelt men schatten op, waaraan geen einde komt, tenzij wanneer men niets uitgeeft. Als er dus vijandschappen zijn, die tot de dag van vandaag bestaan hebben, dan moet men er paal en perk aan stellen en ze beëindigen. Dan moet gij ze vernietigen, opdat ze niet u vernietigen. Dan moeten ze geen stand houden, opdat ze u niet in hun greep houden; laten zij uitgeroeid worden door de Verlosser, opdat zij niet de halsstarrige uitroeien.

3. Uw vasten moet niet zó zijn, als de profeet het veroordeelt met de woorden: ‘Dit is niet het vasten gelijk ik het verkies, zegt de Heer’. Hij hekelt hier het vasten van twistzieke mensen: Hij schept slechts behagen in het vasten van hen, die de liefde kennen. Hij hekelt de onderdrukkers, maar Hij schept behagen in mensen, die anderen van druk bevrijden. Hij hekelt hen, die zich vijanden maken, maar schept behagen in hen, die vergevensgezind zijn. Gij moet in deze dagen het verlangen naar geoorloofde dingen onderdrukken, opdat gij niets ongeoorloofds doet. Iemand, die zich in deze dagen onthoudt van de huwelijksdaad, zal zich op geen dag te buiten gaan aan wijn of aan echtbreuk. Aldus steunend op nederigheid en liefde, op vasten en aalmoezen, op matigheid en vergevensgezindheid, op het streven, het goede te doen en het kwaad niet met kwaad te vergelden, het kwaad te vermijden en het goede te doen, vraagt ons gebed de vrede en verkrijgt hem ook. Het gebed immers, dat gedragen wordt door de vleugelen van dergelijke deugden, vliegt omhoog en verheft zich gemakkelijker ten hemel, waarheen Christus, onze vrede, ons is voorgegaan.

< Preek 207 Barmhartigheid en offerzin

1. Met de hulp van de barmhartigheid van de Heer onze God moeten wij trachten de bekoringen van de wereld, de lagen van de duivels, de zorgen van het leven hier op aarde, de verlokkingen van het vlees, de stormen van de woelige tijden en alle lichamelijke en geestelijke tegenslag met aalmoezen, vasten en gebed te boven te komen. Terwijl een christen zich hierop gedurende heel zijn leven met vuur moet toeleggen, moet hij dit toch vooral doen bij de nadering van het Paasfeest, dat bij zijn jaarlijkse terugkeer voor ons een aansporing is: het roept immers de heilzame herinnering wakker aan de barmhartigheid, die onze Heer, de enige Zoon van God, ons betoond heeft, toen Hij gevast en voor ons gebeden heeft.
Het woord aalmoes komt van het Griekse ‘eleemosyna’, dat ‘barmhartigheid’ betekent. Kan men zich echter een groter barmhartigheid jegens ongelukkigen denken dan die, welke de Schepper van de hemel uit de hemel deed neerdalen en de Maker van de aarde bekleedde met een aards lichaam, welke Hem in de sterfelijkheid aan ons gelijk maakte, die in de eeuwigheid de gelijke van de Vader blijft, welke de gestalte van een slaaf oplegde aan de Heer der wereld: opdat het brood zelf hongerig zou zijn, de verzadiging dorstig zou zijn, de kracht zwak zou zijn, de gezondheid zou gewond worden, het leven zou sterven? En dit alles opdat onze honger zou gestild worden, onze dorst zou gelest worden, onze zwakheid zou getroost worden, ons onrecht zou gedelgd worden, onze liefde zou ontvlammen. Kan men zich een groter barmhartigheid denken dan dat de Schepper geschapen werd, de Meester dienstknecht werd, de Verlosser verkocht werd, dat Hij, die ons verheft, vernederd werd en Hij, die ons opwekt, gedood werd?
Ons wordt bevolen om als aalmoes brood aan de hongerige te geven, maar Hij heeft zich eerst voor ons aan zijn beulen gegeven, opdat Hij zichzelf aan ons zou kunnen geven, om onze honger te stillen. Ons wordt bevolen, de vreemdeling op te nemen, maar Hij kwam voor ons in zijn eigen bezit, maar de zijnen namen Hem niet op. Laat onze ziel dan Hem loven, die genadig is tegenover al haar ongerechtigheden, die al haar zwakheid geneest, die haar leven redt van het bederf, die haar kroont met ontferming en barmhartigheid, die al haar verlangens bevredigt.
Laten wij dus onze aalmoezen des te rijkelijker en des te vaker uitdelen, naarmate de dag naderbij komt, waarop wij de aalmoes gedenken, die God ons eerst gegeven heeft. Vasten zonder barmhartigheid helpt immers hem, die vast, niets.

2. Laten wij ook vasten door ons te vernederen nu de dag nadert, waarop de Meester van de nederigheid zichzelf vernederd heeft, nederig geworden tot aan de dood van het kruis. Laten wij zijn kruis navolgen door onze lusten te beteugelen en ze met de nagelen der onthouding aan het kruis te slaan. Laten wij ons lichaam kastijden en tot onderwerping brengen; opdat wij echter niet door ons onbedwongen vlees tot ongeoorloofde dingen vervallen, moeten wij bij het bedwingen daarvan ons ook dingen, die op zichzelf geoorloofd zijn, ontzeggen. Onmatigheid en dronkenschap moet men ook op andere dagen vermijden. Gedurende deze dagen echter moet men zelfs geoorloofde gastmalen achterwege laten. Overspel en ontucht moet men steeds verfoeien en ontvluchten, maar in deze dagen moeten zelfs de echtgenoten zich onthouden. Wanneer het vlees er aan gewend is, zich beperkingen op te leggen bij het zijne, zal het u gemakkelijk gehoorzamen, wanneer gij het verbiedt, omgang te hebben met het vreemde.
Gij moet er vooral voor oppassen, dat gij uw genietingen niet verandert in plaats van ze te verminderen. Er zijn mensen, die de gewone wijn door ongewone dranken trachten te vervangen, die zich het genot van de druif weliswaar ontzeggen, maar dit gemis vergoeden door nog veel smakelijker dranken, bereid uit het sap van andere vruchten; er zijn mensen, die allerlei smakelijke spijzen weten te vinden, om het vlees te vervangen, die juist deze tijd als het ware geschikt achten voor het gebruik van genotmiddelen, waarvoor zij zich anders zouden schamen. Zo dient de veertigdaagse vasten niet om de oude begeerten te onderdrukken, maar zij wordt een gelegenheid voor nieuwe genietingen. Met de grootste waakzaamheid moet gij er voor zorgen, broeders, dat gij u niet tot zo iets laat verleiden. Laat spaarzaamheid met uw vasten gepaard gaan. Gij moet alle overdaad tegengaan en u eveneens hoeden voor elke prikkel tot gulzigheid. Gij behoeft niet bepaalde voedingsmiddelen, die de mens tot spijs strekken, te verfoeien, maar gij moet het zingenot beteugelen. Esau heeft zijn rechten niet verloren door een vet kalf of gemest gevogelte, maar door het onmatig verlangen naar een linzenschotel. En koning David had berouw, omdat hij meer dan goed was naar water verlangd had. Niet door bewerkelijke of kostbare gerechten, maar door spijzen, die men gemakkelijk bij de hand heeft en die zo goedkoop mogelijk zijn, moet men het lichaam, dat uitgeput is door het vasten, zijn krachten teruggeven of liever trachten, het in stand te houden.

3. In deze dagen stijgt ons gebed ten hemel, als het ware geschraagd door in vroomheid gegeven aalmoezen en door vasten in matigheid. Men kan immers zonder onbeschaamd te zijn Gods barmhartigheid inroepen, wanneer men als mens aan andere mensen de barmhartigheid niet weigert en als de zuivere bedoelingen van het biddend hart niet tegengewerkt worden door de donkere spookgestalten van de vleselijke lusten. Laat ons gebed kuis zijn, laten wij vragen wat de liefde, niet wat de begeerte ons ingeeft; laten wij geen kwaad afbidden over onze vijanden, laten wij in ons gebed niet woeden tegen hen, die wij op een andere wijze niet kunnen schaden of straffen. Evenals wij door het geven van aalmoezen en door vasten geschikt worden om te bidden, zo wordt ons gebed zelf als een aalmoes, wanneer het wordt opgezonden en wordt gestort niet slechts voor onze vrienden, maar ook voor onze vijanden en wanneer het vrij blijft van elk gevoel van toorn en haat en van andere verderfelijke fouten. Als wij immers ons van spijzen onthouden, hoeveel meer moet dan ons gebed zich onthouden van dat gif? Wij herstellen onze krachten door op gezette tijden voedsel tot ons te nemen, maar het gebed mogen wij nooit het genot van zulke spijzen gunnen. Dit moet zich daarvan altijd onthouden, dit heeft zijn eigen voedsel, dat het zonder onderbreking tot zich moet nemen. Het gebed moet zich altijd onthouden van de haat, maar het moet steeds gevoed worden door de liefde.

< Preek 209 De ware geest van de vastentijd

1. Weer is de jaarlijks terugkerende tijd gekomen, waarin ik u, mijn geliefden, moet aansporen, om ernstiger dan anders aan uw zielenheil te denken en uw lichaam te kastijden. Dit zijn immers de veertig dagen, die over de gehele aarde geheiligd zijn, die de gehele wereld, welke God door Christus met zich verzoent, bij het naderen van het Paasfeest viert door betogingen van vroomheid.
Indien vijandschappen, die óf niet hadden moeten ontstaan, óf snel tot een einde hadden moeten komen, door onachtzaamheid of koppigheid of door een, niet door bescheidenheid maar door trots ingegeven, schaamtegevoel tot op heden onder de broeders hebben voortbestaan, dan moet daaraan nu terstond een einde gemaakt worden. Die vijandschappen, waarover de zon niet had mogen ondergaan, moeten nu althans, nadat de zon vele malen is op- en ondergegaan, zelf eindelijk ten ondergaan, om niet weer opnieuw op te komen. De onachtzame vergeet, een einde te maken aan de vijandschap, de koppige wil geen vergiffenis schenken, als die hem gevraagd wordt, het trotse schaamtegevoel acht het beneden zich, vergiffenis te vragen. Ten gevolge van deze drie fouten blijven de vijandschappen bestaan, maar de zielen, waarin zij niet sterven, doden zij. Laat het geheugen waakzaam zijn tegen de onachtzaamheid, de barmhartigheid tegen de koppigheid en een nederig inzicht tegen het trotse schaamtegevoel.
Laat hij, die zich herinnert, dat hij de plicht van de verzoening verwaarloosd heeft, ontwaken en zijn loomheid van zich afschudden; laat hij, die het zijne wil terugeisen van zijn schuldenaren, bedenken, dat hij zelf een schuldenaar van God is; laat hij, die zich schaamt, te vragen dat zijn broeder hem vergeeft, door een heilzame vrees deze valse schaamte overwinnen, opdat, door het beëindigen van schadelijke vijandschappen, gij leeft, nadat zij gestorven zijn. Dit alles doet de liefde, die niet verkeerd handelt. De liefde, mijn broeders, moet, voor zover zij aanwezig is, ontwikkeld worden door een goed leven, in zoverre zij echter ontbreekt, moet zij verkregen worden door het gebed.

2. Als wij nu onze gebeden op passende wijze willen ondersteunen – wij moeten immers in deze dagen vuriger bidden – moeten wij ook vuriger zijn in het geven van aalmoezen. Laten wij aan die aalmoezen toevoegen wat wij onszelf, door te vasten en door ons iets van de gebruikelijke spijzen te ontzeggen, onthouden. Maar hij, die wegens een bijzondere lichamelijke behoefte en omdat hij aan bepaalde spijzen gewend is, zich niet kan onthouden en dus niet aan de armen kan geven wat hij zichzelf ontzegt, die moet nog rijkelijker aalmoezen geven. Hij moet daarom des te meer aan de arme geven, omdat hij zichzelf niets ontzegt; daar hij zijn gebeden niet kan ondersteunen door de kastijding van zijn lichaam, moet hij rijkelijker aalmoezen sluiten in het hart van de arme, opdat deze voor hem kan bidden. Deze heilzame raad, die wij zeker moeten opvolgen, is ontleend aan de heilige Schrift: Sluit – zo staat er – uw aalmoezen op in het hart van de arme en deze zal voor u bidden.

3. Wij vermanen ook hen, die zich van het gebruik van vlees onthouden, om niet het vaatwerk, waarin dit bereid wordt, als onrein ongebruikt te laten. De apostel zegt immers: Voor de rijnen is alles rein. De bedoeling van dit soort voorschriften is trouwens niet het vermijden van onreinheid, maar het beteugelen van de begeerte. Zij, die zich onthouden van vlees, maar andere spijzen, die moeilijker toe te bereiden zijn en kostbaarder zijn, daarvoor in de plaats stellen, handelen dan ook absoluut verkeerd. Dit is immers niet zich onthouding opleggen, maar veranderen van overdaad. Hoe kunnen wij hun zeggen, dat zij aan de armen moeten geven wat zij zichzelf ontzeggen, als zij wel het gewone voedsel laten staan, maar meer geld uitgeven voor het kopen van andere spijzen? Gij moet dus in deze dagen vaker vasten, minder geld voor uzelf uitgeven en meer aan de armen geven.
Deze dagen eisen ook, dat gij u beperkt in de echtelijke omgang. Voor een bepaalde tijd, zegt de apostel, om u aan het gebed te wijden en gaat er dan weer toe over, opdat uw gebrek aan zelfbeheersing aan de satan geen gelegenheid geeft, u te bekoren. Voor gelovige echtelieden kan dat gedurende weinige dagen niet bezwaarlijk en moeilijk zijn, wat de weduwen van een bepaald ogenblik in haar leven af tot aan haar dood op zich genomen hebben en wat de gewijde maagden heel haar leven doen.
Bij dit alles moet een heilig vuur in ons gloeien, maar elke hoogmoed moet onderdrukt worden. Niemand moet zich zo zeer verheugen over de deugd der mildheid, dat hij de deugd der nederigheid verliest. Men bedenke echter, dat alle overige gaven Gods geen voordeel brengen, als de band der liefde niet aanwezig is.

< Voor kinderen

Bekijk de volgende websites:

Ons Dagelijks Brood

Samuel Advies

Back To Top