skip to Main Content
Inhoud
zo ma di wo do vr za
dag 1 dag 2 dag 3 dag 4
dag 5 dag 6 dag 7 dag 8 dag 9 dag 10 dag 11
dag 12 dag 13 dag 14 dag 15 dag 16 dag 17 dag 18
dag 19 dag 20 dag 21 dag 22 dag 23 dag 24 dag 25
dag 26 dag 27 dag 28 dag 29 dag 30 dag 31 dag 32
dag 33 dag 34 dag 35 dag 36 dag 37 dag 38 dag 39

 

Het Paasfeest is het grootste feest van het liturgische jaar. Wij vieren met Pasen dat Jezus niet meer dood is maar leeft. Hij heeft de dood overwonnen. De Verrijzenis staat centraal in ons christelijke geloof.
Het Paasfeest wordt in 2021 op 4 april gevierd. De periode hieraan voorafgaande wordt de Veertigdagentijd genoemd; deze loopt in 2021 van 17 februari tot en met 3 april. Als u goed telt zijn dit 46 dagen. Waarom dan Veertigdagentijd? Dit komt, omdat de 6 zondagen die in deze periode vallen, niet als vastendag gerekend worden en derhalve niet meegeteld worden.

Een groot feest kan pas dan echt gevierd worden als er een intensieve voorbereiding aan vooraf is gegaan. De periode van de Veertigdagentijd is van oudsher een tijd van inkeer, bezinning en gebed ter voorbereiding op Pasen.

< Inleiding op de veertigdagentijd (Liturgische kleur: paars)

De periode van de Veertigdagentijd is van oudsher een tijd van inkeer, bezinning en gebed ter voorbereiding op Pasen. Het is een bekeringstijd. Zich bekeren is: zich weer (meer) wenden tot God en zich afwenden van alles wat ons van God afhoudt.
Jezus zelf heeft ook 40 dagen in vasten en gebed in de woestijn doorgebracht voordat Hij aan de verkondiging van de Blijde Boodschap begon.
Veertig jaar trok het volk van het Oude Verbond door de woestijn, alvorens zij het beloofde land bereikte.
Veertig dagen bracht Mozes op de berg door om Gods geboden in ontvangst te nemen. Veertig nachten bracht Elia in bidden en vasten door in de woestijn, totdat hij bij de berg Horeb God mocht ervaren.
Bij zijn gedaanteverandering op de berg zou Jezus omgeven worden door deze twee oudtestamentische personen, toen Hij zich aan zijn leerlingen als verheerlijkte Heer toonde, vooruitlopend op zijn verrijzenis.

Jaarlijks bereiden de gelovigen zich eveneens gedurende een periode van veertig dagen voor op het grote Paasfeest om met een gelouterd hart het sterven en verrijzen van Christus met Pasen te gedenken.

De liturgie van deze tijd is een handreiking voor een diepere bezinning op ons Christen-zijn in zijn geheel. Op twee elementen ligt bijzonder de nadruk:
Ten eerste op het doopsel en ten tweede op boetedoening en het doen van goede werken.

De voorbereiding op het doopsel in de Paasnacht van pas bekeerden vond vroeger plaats in de Veertigdagentijd. Dit gebeurt in sommige parochies ook nu nog. In de liturgie van de Paasnacht worden alle gedoopten uitgenodigd hun Doopbeloften te hernieuwen: door het paasmysterie zijn wij in het doopsel begraven met Jezus Christus, om met Hem een nieuw leven te kunnen beginnen.
Het Doopsel is een onuitwisbaar teken in ons hart, maar omdat wij zo vaak ‘afdwalen’, nodigt de Kerk ons ieder jaar uit in de Paasnacht ons opnieuw bewust te worden van de belofte en de genade van ons Doopsel. De herdenking van het paasmysterie en het sacrament van het doopsel, waardoor alle zonden werden afgewassen, nodigt de gelovigen uit om zich in deze veertigdagentijd te bekeren.

Daarom is de veertigdagentijd een tijd bij uitstek om het sacrament van de boete en verzoening (de biecht) te ontvangen. Het ontvangen van dit sacrament kan voorbereid worden door een boeteviering.
Het woordje boete betekent: “Herstelling, heling of aanvulling van iets dat gebroken of verscheurd is”. Als wij ten opzichte van God en onze naaste tekort schieten (een zonde doen) dan is het nodig om te herstellen wat fout is (laten zien dat je spijt hebt).

De oproep tot vasten is heel Bijbels. Op vele plaatsen in het Oude en Nieuwe Testament wordt verteld over mensen die vasten om hun gebeden kracht bij te zetten. Je ervaart dan ook dat je meer openstaat voor Gods liefde. Je maakt je letterlijk leeg om door Gods liefde ‘gevuld’ te worden. De Kerk nodigt ons daarom uit om gedurende de veertigdagentijd te vasten (matiging van voedsel etc.) en op Aswoensdag en op Goede Vrijdag(de zgn. onthoudingsdagen) geen vlees te eten en slechts één volle maaltijd te gebruiken.
Daarnaast is de veertigdagentijd een periode van meer toeleg op het gebed en van het doen van goede werken. De praktijk van het vasten, gepaard met gebed, is zeer heilzaam en wordt ook in onze tijd langzamerhand weer herontdekt.

De Veertigdagentijd begint op Aswoensdag. Tijdens de Eucharistieviering op deze dag wordt de as van verbrande palmtakken van het vorig jaar gezegend. Iedereen in de kerk wordt getekend met een kruisje van deze as. Deze as is een teken van boetvaardigheid. Het herinnert ons eraan dat wij slechts stof en as zijn en tot stof zullen terugkeren (‘Gedenk, mens, dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren’.) Deze woorden, afkomstig uit het boek Genesis, benadrukken de vergankelijkheid van het aardse leven, de vorm van het kruis daarentegen wijst op eeuwig leven.

Vanaf het begin van de veertigdagentijd tot de paaswake wordt het alleluja niet gezegd. De zondagen van deze periode worden 1e, 2e, 3e, 4e en 5e zondag van de veertigdagentijd genoemd. De 6e zondag, waarop de Goede Week begint, heet Palm- en Passiezondag.

Het doel van de Goede Week is de overweging van het lijden en sterven van Christus, te beginnen met zijn intocht als Messias in Jeruzalem op Palmzondag. In de morgen van Witte Donderdag zegent de bisschop de heilige oliën en wijdt hij het chrisma tijdens de eucharistieviering die hij met zijn priesters concelebreert.

Het Paastriduüm van het lijden, de dood en de verrijzenis van de Heer begint met de avondmis van Witte Donderdag; dan vieren wij de instelling van de Heilige Eucharistie.

Op Goede Vrijdag gedenken wij het sterven van Onze Heer Jezus Christus; de Kruisweg wordt dan gebeden en er is een Kruisverering.Op deze dag wordt ook gevast.

In de Paaswake (zaterdagnacht) ziet de Kerk wakend uit naar Christus’ verrijzenis.

Op het Hoogfeest van Pasen vieren wij de opstanding van Christus uit de doden, waardoor Hij ons mensen verlost heeft

< Waar hebben we een veertigdagentijd voor nodig?

Het woord lente komt van het Oud-Hoogduitse woord lenzin. Dit heeft te maken met het lengen van de dagen, de tijd na de winter, wanneer de boeren al gauw gingen zaaien in de hoop op een goede oogst in de zomer. Aan het einde van elke winter keek een boer uit over zijn land en zag iets wat op een kale woestijn leek. Maar hij stelde zich voor hoe prachtig dat land eruit zou zien nadat hij er hard zijn best voor had gedaan. Het is opmerkelijk dat ditzelfde woord ‘lent’ in het Engels gebruikt wordt om de veertigdagentijd aan te duiden.

We hebben een tijd van ontbering nodig
Als alles goed met ons gaat dan neemt ons verlangen naar God en naar nieuwe geestelijke groei vaak zienderogen af, soms zelfs zozeer dat dat verlangen helemaal verdwijnt. Maar als we ons in onze gedachten naar een woestijn verplaatsen — waar het heet is, waar geen voedsel is en geen water en waar we de normale gemakken van het leven moeten ontberen — dan zullen we spoedig op andere gedachten komen. Ontbering maakt dat we onszelf zien als behoeftige mensen die nieuw leven nodig hebben. Het maakt dat we ons tot God wenden en zijn stem gaan zoeken, iets waar we misschien heel goed zonder kunnen zolang we in beslag genomen worden door onze dagelijkse plichten en de verleidelijke aanbiedingen van deze wereld.

Daarom hebben we een vastentijd nodig. We hebben behoefte aan een retraite, een bezinningstijd van veertig dagen. We moeten een stap terug doen uit onze dagelijkse sleur om te kunnen nadenken over ons leven en ons gezin. Of we nu een daad stellen van zelfverloochening of dat we een poging doen om minder zelfzuchtig en meer liefdevol te zijn, we hebben allemaal een tijd nodig waarin we onszelf de normale geneugten des levens ontzeggen om ons geestelijk leven te verzorgen en nieuw zaad te zaaien.

Boeren moeten lang en hard werken om te ploegen, het land klaar te maken en nieuw zaad te zaaien. Dat is allemaal nodig om tot nieuwe groei te kunnen komen. Op dezelfde manier is de veertigdagentijd een tijd van nieuwe geestelijke groei, maar daar moeten noodzakelijkerwijs zweet en inspanning aan voorafgaan.

Tijd voor een nieuwe besef
Tegen de tijd dat we het paasfeest vieren kunnen we allemaal een grote oogst binnenhalen — meer persoonlijke liefde tot God en meer liefde voor anderen. De komende veertig dagen kunnen we ons besef verdiepen van de Liefde die zich tweeduizend jaar geleden aan het kruis van Golgota naar ons uitstrekte. We kunnen ons verwonderen over de manier waarop de Eucharistie al zoveel eeuwen lang de gelovigen gevoed en gesterkt heeft. We kunnen onze aandacht richten op Gods diepste bedoelingen — ieder naar zich toe te trekken — en bepalen hoe we met onze inzet voor Hem en voor zijn volk kunnen meewerken om deze bedoelingen in vervulling te laten gaan. We kunnen opnieuw tegen onszelf zeggen dat deze wereld niet ons huis is, maar slechts een tussenstation waar we wachten op de terugkeer van Jezus.

Nadat Jezus zelf veertig dagen in de woestijn had gebeden en tenslotte de Satan wegstuurde, kwamen engelen Hem dienen. Zo kunnen ook wij er zeker van zijn dat God aan het einde van onze eigen persoonlijke retraite in de veertigdagentijd ook naar ons zijn engelen zal sturen om ons te dienen en ons met meer genade en meer liefde te vullen. Op paaszondag zult u mogen zien dat Jezus naar u glimlacht. U zult zien hoe Hij het op prijs heeft gesteld wat u in de veertigdagentijd hebt gedaan.

God zegene u.


< Dagelijkse overwegingen voor de veertigdagentijd jaar B

< Aswoensdag en verder

< Aswoensdag

Eerste lezing uit het boek Joël (2,12-18)
Zo spreekt God de Heer: “Keert tot Mij terug, van ganser harte, met vasten, met geween en met rouwklacht. Scheurt uw hart en niet uw kleren, keert terug tot de Heer uw God, want genadig is Hij en barmhartig, lankmoedig en vol liefde, en Hij heeft spijt over het onheil.” Wie weet, keert Hij terug en krijgt Hij spijt en laat dan zegen achter zich, een meeloffer en een plengoffer voor de Heer uw God!
“Blaast de bazuin op de Sion, kondigt een heilige vastentijd af, roept een plechtige samenkomst bijeen! Verzamelt het volk, belegt een heilige bijeenkomst, brengt de oudsten samen en verzamelt ook de kinderen en de zuigelingen; laat de bruidegom zijn kamer verlaten en de bruid haar bruidsvertrek. Laat tussen de voorhal en het altaar de priesters, die de dienst van de Heer verrichten, wenen en zeggen: Spaar uw volk, Heer, laat niet met uw erfdeel spotten, laat niet de heidenen het overheersen. Moet men onder de volken zeggen: Waar blijft hun God?” Toen is de Heer voor zijn land opgekomen en heeft Hij zijn volk gespaard.

Tweede lezing uit de Tweede brief aan de Korintiërs (5, 20 ­ 6, 2)
Broeders en zusters, wij zijn gezanten van Christus, God roept u op door ons woord. Wij smeken u in Christus’ naam: laat u met God verzoenen! Hem die geen zonde heeft gekend, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij door Hem Gods eigen heiligheid zouden worden. Als Gods medewerkers sporen wij u aan: zorgt dat ge zijn genade niet tevergeefs ontvangt. Hij zegt immers: “Op de gunstige tijd heb Ik u verhoord, op de dag van het heil ben Ik u te hulp gekomen.” Nu is er die gunstige tijd, vandaag is het de dag van het heil.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (6, 1-6 + 16-18)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Denkt er om: beoefent uw gerechtigheid niet voor het oog van de mensen om de aandacht te trekken; anders hebt gij geen recht op loon bij uw Vader die in de hemel is. Wanneer gij dus een aalmoes geeft, bazuin het dan niet voor u uit, zoals de huichelaars doen in de synagoge en op straat, opdat zij door de mensen geprezen worden. Voorwaar Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen. Als gij een aalmoes geeft, laat uw linkerhand dan niet weten, wat uw rechter doet, opdat uw aalmoes in het verborgene blijve en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. Wanneer gij bidt, gedraagt u dan niet als de schijnheiligen, die graag in de synagogen en op de hoeken van de straten staan te bidden om op te vallen bij de mensen; voorwaar Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen! Maar als gij bidt, ga dan in uw binnenkamer, sluit de deur achter u en bidt tot uw Vader die in het verborgene is en uw Vader die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. Wanneer gij vast, zet dan geen somber gezicht zoals de schijnheiligen; zij verstrakken hun gezicht om de mensen te tonen dat zij aan het vasten zijn. Voorwaar, Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen. Maar als gij vast, zalft dan uw hoofd en wast uw gezicht, om niet aan de mensen te laten zien dat gij vast, maar vast voor uw Vader die in het verborgene is en uw Vader die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.”

Overweging
Maar als je bidt, ga dan je binnenkamer in, doe de deur dicht, bid tot je Vader, die in het verborgene is; en je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je lonen.
(Matteüs 6,6)

Kunt u zich een worm voorstellen die in een vogel verandert? Dat is zo ongeveer het proces dat binnen in de pop van een monarchvlinder plaatsvindt. Wetenschappers begrijpen nog altijd niet hoe een rups binnen twee weken in een heel ander schepsel kan veranderen. Binnen in die geheimzinnige pop worden de belangrijkste organen en structuren van de rups volledig opgelost en worden er nieuwe gevormd. Een nieuw hart! Nieuwe longen! En vleugels groeien uit het niets!

Geen wonder dat veel parochies het beeld van een rups in een cocon gebruiken om de Veertigdagentijd te illustreren. Konden wij maar in zo’n geheimzinnige pop plaatsnemen en er zes weken later uitkomen als een spiegelbeeld van Gods schoonheid en genade!

Natuurlijk weten we dat onze bekering niet bij toverslag gebeurt. Het is een combinatie van Gods genade en onze inspanning. En waar we niets te zeggen hebben over de genade, hebben we juist heel veel te zeggen over onze eigen inspanning. Daarom geven we hierbij een aantal aanbevelingen die we in deze tijd allemaal kunnen uitproberen om te zien of ze ons kunnen helpen in het proces dat er hopelijk toe zal leiden dat we met Pasen veranderd zijn in een nieuwe mens.

Op de eerste plaats: biddend nagaan wat u wilt worden. Welke “oude organen” moet u loslaten? Welk soort “vleugels” zoekt u?

Twee: zoek een plaats waar u zich kunt verpoppen. Dat betekent niet dat u zich veertig dagen moet afzonderen. Nee, reserveer elke dag tijd voor gebed. Denk na over de lezingen van de Eucharistieviering. Spreek tot de Heer. Gebruik een dagboek om uw gedachten op te schrijven. Vijftien minuten per dag kan al een geweldig verschil uitmaken.

Ten slotte: begin uw nieuwe leven te leiden. Rangschik uw prioriteiten opnieuw alsof u die vlinder nu al was. Stel uzelf in uw gebed open voor Gods genade, en u zult ontdekken dat u verandert!

Als u het uwe doet, mag u vertrouwen dat God het zijne zal doen. Ten slotte, als Hij een rups in een vlinder kan veranderen, stel je dan eens voor wat Hij voor jou in petto zal hebben!

Gebed
Hier ben ik, Heer, klaar voor U en uw genade. Kom en help me de persoon te worden die U wilt dat ik ben. Amen.

< Donderdag na Aswoensdag

Eerste lezing uit het boek Deuteronomium (30,15-20)
Mozes nam het woord en sprak tot het volk: “Ik houd u vandaag het leven en het geluk voor, maar ook de dood en het ongeluk. Als gij luistert naar de geboden van de Heer uw God, die ik u heden geef, als gij de Heer uw God bemint, zijn wegen gaat en zijn geboden, voorschriften en bepalingen nakomt, dan zult gij leven en talrijk worden en zal de Heer uw God u zegenen in het land dat ge in bezit gaat nemen. Maar als uw hart afdwaalt, als ge niet luistert en u laat verleiden, zodat gij u voor andere goden neerbuigt en die vereert, dan kondig ik u heden aan, dat gij zult omkomen en dat ge niet lang zult leven op de grond, die ge na de overtocht van de Jordaan in bezit gaat nemen. Ik neem heden de hemel en de aarde tot getuigen tegen u. Leven en dood houd ik u voor, zegen en vloek. Kies dan het leven, dan zult gij met uw nakomelingen het leven bezitten, door de Heer uw God te beminnen, naar Hem te luisteren en aan Hem gehecht te blijven. Want daarvan hangt het af, of gij zult leven en of gij lang zult wonen op de grond, die de Heer aan uw vaderen, aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft toegezegd.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (9,22-25)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “De Mensenzoon moet veel lijden en door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden verworpen worden, maar na ter dood te zijn gebracht, zal Hij op de derde dag verrijzen.” Maar tot allen sprak Hij: “Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, die zal het redden. Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen, als hij zichzelf hierdoor zijn ondergang en dood berokkent?”

Overweging
. . . en op de derde dag zal Hij worden opgewekt . . . (Lucas 9,22)

Hebt u wel eens een uitnodiging voor een feest ontvangen, waarop de plaats waar het te doen was niet duidelijk stond aangegeven? Je weet dan de datum en de tijd en ook de aanleiding voor het feest, maar je weet niet goed hoe je er moet komen. Zo hebben de apostelen zich waarschijnlijk gevoeld toen Jezus hen riep. Het enige wat Hij zei was: “Volg Mij.” Maar in de lezing van vandaag geeft Jezus ook de bestemming op: “wie zijn leven om Mij verliest, die zal het redden” (Lucas 9,24).

Als Jezus ons roept dan vraagt Hij ook van ons dat we het nodige, zo niet alles, achterlaten om Hem te volgen, net zoals bij de discipelen. Het risico is dan dat je alleen maar aandacht hebt voor de oproep om jezelf te verloochenen en dat je het doel waar het eigenlijk om draait uit het oog verliest. Als je dat doet dan is dat niet erg stimulerend, toch? Als we in de Veertigdagentijd iets opgeven dan is het de bedoeling dat we meer ruimte overhouden voor Jezus, niet om ons leven uitdagender te maken! Alleen als we onze ogen op het doel gericht houden dan krijgen we een meer hoopvol, inspirerend perspectief.

Wat is dan het doel? Voor de leerlingen was het de hoop op de verrijzenis. De belofte luidde dat zij die Jezus volgden zouden worden opgewekt tot een nieuw leven – niet maar in een verre hemel, maar hier en nu, op dit moment. Het was de belofte van vrijheid van de last van schuld en zonde. Het was de belofte van een steeds diepere ervaring van Gods liefde en kracht in hun leven. Het was de belofte van het horen bij een gemeenschap van gelovigen die elkaar behandelden met de liefde en barmhartigheid van God.

Deze beloften gelden evenzeer voor ons als dat ze golden voor Johannes, Marta en al Jezus’ oorspronkelijke volgelingen. Jezus nodigt ons deze Veertigdagentijd uit om Hem te volgen op de weg naar discipelschap. Hij vraagt ons onszelf te verloochenen en ons kruis op ons te nemen, niet omdat Hij ons het leven zwaar wil maken, maar omdat Hij ons wil bevrijden.

Waarop richt u zich dus in deze Veertigdagentijd? Zijn het de offers die u besloten hebt te gaan brengen? Of richt u zich op het doel dat u op Paaszondag hoopt te bereiken? Neem vandaag uw besluiten voor de Veertigdagentijd onder de loep en vraag u af waar ze u gaan brengen. Als het doel niet al te duidelijk is, denk er dan eens over na om ze aan te passen. Laat u door Jezus vrijmaken deze Veertigdagentijd, zodat u op Pasen met Hem kunt delen in de paasvreugde!

Gebed
Dank U, Heer, voor de belofte van de verrijzenis. Amen.

< Vrijdag na Aswoensdag

Eerste lezing uit het boek Jesaja (58,1-9)
Zo spreekt God de Heer: “Roep het luide uit, houd u niet in, laat uw stem schallen als een trompet; en openbaar mijn volk zijn overtredingen, het huis van Jakob zijn zonden. Zeker, zij raadplegen Mij van dag tot dag, beijveren zich om mijn wil te kennen, als waren zij een volk dat gerechtigheid oefent, en de wet van zijn God niet veracht. Zij vragen Mij om gerechte vonnissen, hunkeren naar de tegenwoordigheid van hun God. Wij vasten, waarom ziet Gij het niet? Wij vernederen ons, waarom slaat Gij er geen acht op? Zie, terwijl gij vast, zijt gij uit op eigen gewin en buit gij uw arbeiders uit. Het is met twist en ruzie dat gij vast, en driftig slaat gij met de vuist. Als gij zo moet vasten vindt uw gebed in de hemel geen gehoor. Is dit soms een vasten wat Mij behaagt, is zo de dag dat de mens zich vernederen moet: het hoofd laten hangen als een riet, op zak en as zich neerleggen? Noemt gij dàt vasten, noemt gij dàt soms de dag aan de Heer aangenaam? Het vasten dat Ik wens is dit: zondige boeien slaken, de bomen van het juk verbreken, de verdrukten in vrijheid laten gaan, elk juk in stukken slaan, uw brood verdelen met de hongerigen, de dakloze zwervers opnemen in uw huis, de naakten die gij ziet kleden, en u niet afkeren van uw eigen vlees. Dan zal uw licht stralen als de dageraad, uw genezing zal voorspoedig zijn; uw gerechtigheid zal voor u uitgaan, de glorie van de Heer u op de voet volgen. Wanneer gij dan tot de Heer bidt zal Hij u verhoren, wanneer gij dan tot Hem roept zal Hij antwoorden: Hier ben Ik!”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (9,14-15)
Op zekere dag kwamen de leerlingen van Johannes tot Jezus met de vraag: “Waarom vasten wij en de Farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?” Jezus sprak tot hen: “De vrienden van de bruidegom kunnen toch niet bedroefd zijn, zolang de bruidegom bij hen is? Er zullen dagen komen, dat de bruidegom van hen is weggenomen; dan zullen zij vasten.”

Overweging
Dan breekt uw licht als de dageraad door (Jesaja 58,8)

Een broze, bejaarde vrouw kreeg bezoek van haar zoon, die lange tijd op reis was geweest. Zodra hij het huis binnenkwam schrok hij van de enorme chaos in huis. In de loop der jaren had zijn moeder van alles opgehoopt: meubels, kleding, boeken, en zelfs het speelgoed waar haar kinderen nog mee gespeeld hadden. Omdat ze haar huis niet op orde kon houden had ze het meeste maar in dozen gestopt en alles zo veel mogelijk opgestapeld.

Maar nog erger dan de rommel was het feit dat het er zo donker was. De ramen zaten onder een dikke laag stof. Dus ging de zoon aan het werk. Hij ruimde de rommel op en bracht veel ervan naar de zolder. Toen waste hij de ramen en luchtte het huis tot het weer helemaal licht was. En zijn moeder? Die fleurde helemaal op.

Net als bij die weduwe huizen er ook in ons twee soorten belemmeringen voor het licht van Christus: rommel en stof. Rommel ontstaat wanneer menselijke schatten – materiële bezittingen, gewoonten, verwachtingen en dromen, oude herinneringen – de overhand krijgen over het zonlicht. Ze zijn op zich niet slecht, maar je moet ze opruimen en de juiste plaats geven. Het stof is de zonde die zich kan ophopen op de vensters van ons hart waardoor we in de schaduw en in het donker zitten.

We kunnen vasten opvatten als een methode om met de rommel af te rekenen en berouw als een manier om het stof af te wissen. Door te vasten reorganiseren we ons leven zodat Jezus de hoogste prioriteit krijgt, en door berouw te hebben laten we Jezus helderder in ons – en door ons heen – schijnen. Vasten lijkt op de voorjaarsschoonmaak: we knappen ons geestelijk leven op en doen wat onnodige bagage weg. Wanneer we op de oproep tot vasten ingaan, krijgen we vaak beter zicht op de zonden die als eerste het licht geblokkeerd hebben.

Probeer dus wat dingen opzij te zetten – computertijd, een lievelingseten, een plezierige activiteit die te veel tijd opslokt – zodat je meer aandacht kunt geven aan ramen wassen. Stel u ten doel om zoveel mogelijk zonlicht binnen te laten. Wanneer u dit doet, zult u ontdekken hoe prettig het is om te kiezen voor een eenvoudig leven zonder rommel.

Gebed
Heer, U bent mijn licht! Laat uw licht doorbreken in mijn hart, zoals het licht van de dageraad! Amen.

< Zaterdag na Aswoensdag

Eerste lezing uit het boek Jesaja (58,9-14)
Zo spreekt God de Heer: “Wanneer gij uit uw midden de onderdrukking verwijdert en de dreigende vingers en de kwaadsprekerij, wanneer gij uw hart voor de hongerige opent en de mistroostige verzadigt, dan straalt uw licht in de duisternis, dan wordt uw nacht als de middag. Dan zal de Heer u blijven geleiden; Hij zal u in dorre streken verzadigen en aan uw gebeente zal Hij kracht geven. Als een gesproeide tuin zult ge dan worden, als een bron, waarvan het water nooit wegblijft. Dan bouwt gij de oude ruines weer op en herstelt gij de fundamenten van vroeger. ‘De bressendichter’ zal men u noemen, ‘degene die weer leven brengt in de straten.’ Wanneer gij op de sabbat geen reis meer onderneemt en op mijn heilige berg niet langer uw voordeel najaagt, wanneer gij de sabbat uw vreugde noemt en de heilige dag van de Heer eerbiedigt, wanneer gij die dag in ere houdt door niet uw zaken na te gaan en niet uw voordeel te zoeken en geen handel te drijven, dan zult gij vreugde vinden in de Heer; dan voer Ik u alle bergen van de aarde over en laat Ik u genieten van het erfdeel van Jakob, uw vader.” Waarlijk, door de mond van de Heer is dit woord gesproken!

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (5,27-32)
In die tijd, bij het tolhuis gekomen, richtte Jezus zijn blik op een tollenaar die daar zat, een zekere Levi. Hij zei tot hem: “Volg Mij.” De man stond op, liet alles achter en volgde Hem. Levi nu bood Hem in zijn huis een groot feestmaal aan, waarbij onder anderen talrijke tollenaars met hen aanlagen. De Farizeeën, met name de schriftgeleerden onder hen, morden daarover tegen zijn leerlingen: “Waarom – zeiden ze – eet en drinkt gij met tollenaars en zondaars?” Maar Jezus nam het woord en sprak: “Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen maar om zondaars te roepen, opdat ze zich bekeren.”

Overweging
Levi richtte een groot feest voor Hem aan. (Lucas 5,29)

Levi had als tollenaar geen leven om trots op te zijn. Hij was in dienst van de Romeinse bezettingsmacht en het volk verachtte hem. Zijn enige “vrienden” waren alleen maar geïnteresseerd in zijn rijkdom. En hij wist diep van binnen dat zijn leven niet overeenkwam met de dromen die God voor hem koesterde. Maar toen Jezus hem riep, kwam zijn leven op orde. Hij ontdekte een uitweg uit zijn rusteloosheid en zonde, en hij nam het dankbaar aan. Hij organiseerde zelfs een enorm feest om dat te vieren!
Levi’s verhaal biedt een treffende illustratie van de woorden van de profeet in de eerste lezing: “Als u het juk uit uw midden verwijdert … zal uw licht in de duisternis opgaan” (Jesaja 58,9+10). Zijn leven kwam eindelijk op één lijn met Gods verlangens voor hem en hij was dolblij. Kortom, Levi beleefde de sensatie van een bekering.

Maar de eerste lezing bevat nog een aspect. De profeet spreekt tot degenen onder ons die al halverwege de geloofsreis zijn. Wanneer we eenmaal het juk (van onvrijheid) uit ons leven verwijderd hebben – door berouw, biecht en bekering – staan we nog voor de uitdaging om Gods weg te volgen in ons alledaagse leven. Dat houdt ook in dat we zorg dragen voor hongerige en gekwelde mensen, de sabbat houden en iedereen in onze omgeving behandelen met de liefde en het medelijden van Christus. Hoe lastig dit bij tijden ook kan zijn, God belooft ons nog altijd de blijdschap van het weten dat we in overeenstemming raken met zijn plannen. En bovendien: Hij belooft ons kracht te geven bij elke stap op deze reis.

Misschien verkeert u op dit moment in een “Levi”-fase en beleeft u het wonder van uw pas ontdekte geloof in de Heer. Dat is geweldig! God brengt licht in uw duisternis en geeft u de vrede waar u naar verlangd hebt.

Of u verkeert meer in een “Jesaja”-fase, waarin de eerste opwinding van uw geloof wat afgesleten is, en God vraagt u om uw geloof meer om te zetten in actie. Ook dat is geweldig! U ondervindt een ander soort zegen. U ontwikkelt een basis van vrede en blijdschap die elke storm kan doorstaan.

Waar u zich op uw reis ook bevindt, God ziet uw hart. Hij kent uw vreugden en uw gevechten. En Hij staat klaar om diepe zegeningen over u uit te storten.

Gebed
Heer, houd me dicht bij U! Geef me de blijdschap van het weten dat mijn leven afgestemd raakt op het uwe. Amen.

< 1e week van de Veertigdagentijd

< 1e week: zondag

Eerste lezing uit het boek Genesis (9,8-15)
Dit zei God tot Noach en zijn zonen: “Nu ga Ik mijn verbond aan met u en met uw nageslacht en met alle levende wezens die bij u zijn, met de vogels en de viervoetige dieren, met alle dieren van de aarde die bij u zijn, met al wat uit de ark is gekomen, al het gedierte van de aarde. Ik ga met u een verbond aan dat nooit meer enig levend wezen door het water van de vloed zal worden uitgeroeid en dat er zich nooit meer een vloed zal voordoen om de aarde te verwoesten.” En God zei: “Dit is het teken van het Verbond dat Ik instel tussen Mij en u en alle levende wezens die bij u zijn, voor alle geslachten. Ik zet mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen Mij en de aarde. Wanneer Ik op de aarde de wolken samenpak en de boog in de wolken zichtbaar wordt, dan zal Ik denken aan het verbond tussen Mij en u en alle levende wezens; alles wat leven heeft. De wateren zullen nooit meer zwellen tot een vloed om al wat leeft te verdelgen.”

Tweede lezing uit de Eerste brief van de heilige apostel Petrus (3,18-22)
Broeders en zusters,
Christus is eens voor al gestorven voor de zonden – de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen – om ons tot God te brengen. Gedood naar het vlees werd Hij ten leven gewekt naar de geest. Zo ging Hij heen en predikte voor de geesten in de kerker, die eertijds, in de dagen dat Noach de ark bouwde, weerspannig waren geweest, terwijl God in zijn lankmoedigheid geduld oefende. In de ark bleven slechts enkelen, niet meer dan acht personen, behouden te midden van het water. Dit was een voorafbeelding van het doopwater waardoor gij nu gered wordt. De doop beoogt niet de verwijdering van lichamelijke onreinheid maar de verbintenis met God van een goed geweten, krachtens de opstanding van Jezus Christus die ten hemel gevaren zetelt aan Gods rechterhand, nadat engelen en machten en krachten aan Hem onderworpen zijn.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus (1,12-15)
In die tijd dreef de Geest Jezus naar de woestijn. Veertig dagen bracht Hij in de woestijn door, terwijl Hij door de satan op de proef werd gesteld. Hij verbleef bij de wilde dieren en de engelen bewezen Hem hun diensten. Nadat Johannes was gevangen genomen, ging Jezus naar Galilea en verkondigde Gods Blijde Boodschap. Hij zei: “De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap.”

Overweging
Ik sluit met u een verbond. (Genesis 9, 11)

Het verhaal over Noach en de zondvloed geeft ons de zekerheid dat verwoesting nooit Gods laatste woord is. Welke dood we ook ondergaan – welke “dood” Hij ook in ons leven brengt – hij wordt altijd gevolgd door de belofte van nieuw leven. Of, zoals veel inspirerende sprekers ons zouden vertellen: na regen volgt zonneschijn.

Dat is goed om in gedachten te houden wanneer we de eerste zondag van de Veertigdagentijd vieren. Het kan ons helpen om te bedenken dat het hoogtepunt van deze veertig dagen niet Goede Vrijdag is maar Pasen. Ja, God vraagt ons te sterven aan onszelf en verleiding te weerstaan. Maar Hij vraagt dit opdat we meer ruimte in ons hart kunnen vrijmaken voor Hem en voor zijn genade en kracht. De discipline en opoffering die we in de Veertigdagentijd op ons nemen zijn geen doel in zichzelf. En ze zijn er niet om te bewijzen hoe sterk we zijn of om onze vaardigheden te doen toenemen. Nee, we nemen ze op ons om meer volledig in Christus te kunnen leven, en om beter in staat te zijn om Jezus’ liefde duidelijk te maken aan de mensen om ons heen.

Vraagt u zich nog af wat u in de Veertigdagentijd wilt opgeven? Probeer dan eens die vraag te beantwoorden door deze tijd op te vatten als een liefdesreis. Wat staat u in de weg om meer lief te hebben? Misschien roddel, werkdruk, het vasthouden aan wrok, of zelfisolement? Zoek een manier om ze op te geven, of althans hun invloed te verkleinen. Probeer in plaats daarvan levengevende alternatieven te vinden. Maak een wandeling met een vriend. Onderbreek uw boodschappen met een bezoek aan het Heilig Sacrament. Maak er een punt van om in elk gesprek iets opbouwends te zeggen. Wat u ook kiest, vraag de heilige Geest om creatief met u te werken.

Houd uw ogen deze Veertigdagentijd gericht op de prijs: nieuw leven in Christus. Dat is een leven dat nu al begint, elke keer wanneer u liefde ontvangt of geeft. Het is een leven dat ontspringt aan elke vorm van dood aan uzelf die u omarmt. Het is een leven dat u zal brengen bij de definitieve prijs, eeuwig leven met Jezus.

Gebed
Hier ben ik, Heer. Ik ben bereid met u op weg te gaan naar Pasen. Amen.

< 1e week: maandag

Eerste lezing uit het boek Leviticus (19,1-2+11-18)
De Heer sprak tot Mozes: “Zeg tot heel de gemeenschap van de Israëlieten: Wees heilig, want Ik, de Heer uw God, ben heilig. Gij moogt elkaar niet bestelen, niet beliegen en niet bedriegen. Ge moogt mijn naam niet gebruiken voor meineed, want dan ontwijdt ge de naam van uw God. Ik ben de Heer. Gij moogt uw naaste niet uitbuiten en hem in niets te kort doen. Wat een dagloner verdient moogt ge niet vasthouden tot de volgende morgen. Gij moogt een dove niet vervloeken en een blinde niets in de weg leggen, waarover hij struikelen kan. Ge moet ontzag hebben voor uw God. Ik ben de Heer. Wees niet partijdig bij het rechtspreken: begunstig de arme niet en zie de rijke niet naar de ogen. Spreek rechtvaardig recht over uw volksgenoten. Strooi geen lasterpraat rond over elkaar en sta uw naaste niet naar het leven. Ik ben de Heer. Wees niet haatdragend tegen uw broeder. Wijs elkaar terecht: dan maakt ge u niet schuldig aan de zonde van een ander. Neem geen wraak op een volksgenoot en koester geen wrok tegen hem. Bemin uw naaste als uzelf. Ik ben de Heer.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (25,31-46)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Wanneer de Mensenzoon komt in zijn heerlijkheid en vergezeld van alle engelen, dan zal Hij plaats nemen op zijn troon van glorie. Alle volken zullen voor Hem bijeengebracht worden en Hij zal ze in twee groepen scheiden, zoals de herder een scheiding maakt tussen schapen en bokken. De schapen zal Hij plaatsen aan zijn rechterhand, maar de bokken aan zijn linker. Dan zal de Koning tot die aan zijn rechterhand zeggen: Komt, gezegenden van mijn Vader, en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is vanaf de grondvesting der wereld. Want Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven. Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen, Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed, Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht, Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed? En wanneer zagen we U ziek of in de gevangenis en zijn U komen bezoeken? De Koning zal hun ten antwoord geven: Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan. En tot die aan zijn linkerhand zal Hij dan zeggen: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur dat bereid is voor de duivel en zijn trawanten. Want Ik had honger en gij hebt Mij niet te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij niet te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij niet opgenomen, naakt en gij hebt Mij niet gekleed; Ik was ziek en in de gevangenis en gij zijt Mij niet komen bezoeken. Dan zullen ook zij antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien of dorstig als vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis, en hebben wij niet voor U gezorgd? Daarop zal Hij hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij niet voor een van deze geringsten hebt gedaan, hebt gij ook voor Mij niet gedaan. En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven.”

Overweging
Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien (Matteüs 25,37)

Stelt u zich de volgende situatie eens voor: een jonge man doet er alles aan het meisje van zijn dromen het hof te maken. Hij vertelt haar voortdurend dat hij haar zo graag ziet. Hij neemt haar mee uit eten en geeft haar bloemen, maar hij doet niet echt zijn best om haar te leren kennen. Hij probeert haar nooit te troosten als ze het moeilijk heeft of haar te helpen als ze ziek is. Op een dag vraagt hij haar ten huwelijk. Moet hij dan verbaasd zijn dat ze hem afwijst?

We kunnen deze jongeman vergelijken met de “bokken” in de lezing van vandaag. Zij begrijpen niet waarom Jezus ze niet toelaat in de hemel. Misschien hadden ze wel hun liefde voor Jezus beleden toen ze op aarde waren, maar ze toonden die liefde niet. Ze hadden Hem niet herkend in de mensen die honger leden, in de ontheemde en in de uitgerangeerde mensen. Jezus wil ons niet afwijzen.

Maar Hij vraagt wel dat we van Hem houden – en niet met woorden maar met daden. De katholieke activiste Dorothy Day zei eens “Ware liefde is tactvol en vriendelijk, vol zacht begrip en aanvoelen, vol schoonheid en gratie. . . . in al onze liefde voor anderen moet een vleugje daarvan aanwezig zijn. We zijn allen één. We zijn één lichaam, in het Mystieke Lichaam, zoals man en vrouw één vlees genoemd worden in het huwelijk. Als we zo in de liefde leven dan gaan we alles met nieuwe ogen zien, dan gaan we de mensen zien zoals ze werkelijk zijn, zoals God ze ziet.”

“Alle dingen zien als nieuw.” Dat is de belofte van het leven in Christus. Dat is wat er gebeurt als we Jezus proberen na te volgen in onze omgang met andere mensen. Wanneer we stappen zetten om te zorgen voor mensen die anders zijn dan wij dan gaan we alles in een nieuw licht bezien. De oude indeling in “wij” en “zij” verdwijnt. Mensen die we lang hebben afgedaan als vijanden of minder waard of vreemd, verliezen hun etiketten. We zien hen nog slechts als broers en zussen, allemaal even bemind door God en allemaal met evenveel recht op waardigheid en ondersteuning. Dan gaan we van ze houden – en houden we van de Heer.

Gebed
Jezus, ik wil U niet missen! Laat me in de mensen die ik vandaag ontmoet, U zien, of ze me nu bekend zijn of vreemd, aardig of onaardig. Mag ik ze allemaal herkennen als mijn broers en zussen. Amen.

< 1e week: dinsdag

Eerste lezing uit het boek Jesaja (55,10-11)
Zo spreekt God de Heer: “Zoals de regen en de sneeuw uit de hemel vallen en daar pas terugkeren, wanneer zij de aarde hebben gedrenkt, haar hebben bevrucht zodat zij groen wordt, wanneer zij het zaad aan de zaaier hebben gegeven en het brood aan de eter, zo zal het ook gaan met het woord dat komt uit mijn mond; het keert niet vruchteloos naar Mij terug; het keert pas terug wanneer het mijn wil volbracht heeft en zijn zending heeft vervuld.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (6,7-15)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Als gij bidt, gebruik dan geen omhaal van woorden, zoals de heidenen, want deze menen dat zij door hun veelheid van woorden verhoring zullen vinden. Volgt hun voorbeeld dus niet na, want voordat gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt. Gij moet daarom zo bidden: Onze Vader die in de hemel zijt, Uw Naam worde geheiligd; Uw Rijk kome, Uw wil geschiede Op aarde zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood. En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven hebben aan onze schuldenaren. En leid ons niet in bekoring, maar behoed ons voor het kwaad. Want als gij aan de mensen hun fouten vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar als gij niet vergeeft aan de mensen, zal ook uw hemelse Vader uw fouten niet vergeven.”

Overweging
. . . mijn woord . . . het keert niet vruchteloos naar Mij terug (Jesaja 55, 11)

Al duizenden jaren hebben politici en handelaren beweringen gedaan over wat hun producten allemaal kunnen. En soms komen we er op een pijnlijke wijze achter dat die beweringen sterk overdreven waren. Zo is het bij God niet! Hij zegt dat zijn woord uitgaat en nooit verzaakt in het doen van zijn wil – en Hij heeft volkomen gelijk! Denk eens na over het woord dat uit Gods mond uitgaat:

Dat woord is creatief. Lees maar het eerste hoofdstuk van Genesis. Toen God zei: “Er moet licht zijn!” was er licht. En zo ook met dag en nacht, land en zee, planten en dieren, en nog veel meer. Alle dingen, zegt Johannes, zijn door dat Woord ontstaan. Als er een woord van Gods mond uitgaat dan brengt het iets tot leven wat er nog nooit geweest is, een nieuw bestaan. En als wij Gods woord ontvangen dan brengt het in ons iets teweeg wat er nog niet was – zijn leven kan dan in ons opbloeien, zodat ons geloof en onze relaties zich kunnen verdiepen.

Dat woord heeft gezag. Dat woord gezag doet denken aan: regering, bevelen en gehoorzaamheid. Maar gezag betekent ook: vertrouwd, waarachtig, geloofwaardig en betrouwbaar. Zo is God! En Hij is er voor u. Als Hij iets gebiedt dan schenkt Hij ook de genade om te gehoorzamen. Uw gehoorzaamheid aan Hem brengt u leven, omdat Hij in alle dingen het goede voor ons bewerkt. Zijn gezaghebbende woord verandert of varieert nooit. Het bedriegt of manipuleert nooit. Het is alleen maar: vast, waarachtig, betrouwbaar en geloofwaardig.

Dat woord is dicht bij u. Dit creatieve woord, waarop u zich kunt verlaten, dat u kunt vertrouwen en dat alles overtreft is zo dichtbij als de tong in uw mond, zo vertrouwd als het hart in uw borst. U verlangt naar vrede, blijdschap of geduld – en het woord, dat dicht bij u is, kan dat in u tot stand brengen. Vraag God om wat u ontbreekt: genezing, vergeving, een nieuwe start of een blijvende breuk met verkeerde gewoontes. Hij zal het woord spreken dat u nodig hebt en, wanneer u het aanneemt, zal het zijn wensen voor u in vervulling laten gaan.

Dat woord is levend! Jezus – het Woord van God – werd mens, woonde onder ons en overwon zelfs de dood. Niets kan Hem overwinnen.

Verheug u daarom vandaag in Gods woord! Lees erin. Zoek zijn leiding. Nodig het uit in uw leven en kijk hoe het vrucht draagt.

Gebed
Vader, spreek vandaag uw woord tot mij.
Ik verlang naar het nieuwe leven met U. Amen.

< 1e week: woensdag

Eerste lezing uit het boek Jona (3,1-10)
Het woord van de Heer werd tot Jona gericht: “Sta op, ga naar Nineve, de grote stad Nineve, en zeg haar aan wat Ik u te zeggen heb gegeven.” En Jona stond op en ging naar Nineve, zoals de Heer bevolen had. Nineve was een geweldig grote stad; drie dagen had men nodig om er doorheen te trekken. Jona begon de stad in te gaan, één dagreis ver. Toen riep hij: “Veertig dagen nog, en Nineve wordt met de grond gelijk gemaakt!” Maar de Ninevieten zochten hun steun bij God; zij riepen een vasten uit en allen, van groot tot klein, trokken zij boetekleren aan. Het woord van Jona kwam ook de koning van Nineve ter ore; hij stond op van zijn troon, legde zijn staatsiegewaad af, trok een boetekleed aan en zette zich neer in het stof. Hij liet in Nineve omroepen: “Op last van de koning en van zijn rijksgroten! Mensen en dieren, grootvee en kleinvee, zij mogen niets eten, zij mogen niet grazen en geen water drinken. Mensen en dieren moeten zich in boetekleren hullen en uit alle macht tot God roepen; ieder moet terugkomen van zijn heilloze wegen en van de ongerechtigheid, die aan zijn handen kleeft. Wie weet of God dan niet terugkomt op zijn besluit en daar spijt van krijgt; wie weet of Hij niet terugkomt op zijn vlammende toorn, zodat wij niet te gronde gaan!” En God zag wat zij deden; Hij zag hoe zij terugkwamen van hun heilloze wegen. En God kreeg spijt, dat Hij hen met dat onheil bedreigd had. Hij bracht het niet ten uitvoer.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (11,29-32)
In die tijd, toen het volk samenstroomde, begon Jezus te spreken: “Dit geslacht is een verdorven geslacht; het verlangt een teken, maar geen ander teken zal het gegeven worden dan het teken van Jona. Zoals namelijk Jona een teken werd voor de Ninevieten, zo zal ook de Mensenzoon het zijn voor dit geslacht. De koningin van het Zuiden zal bij het oordeel opstaan samen met de mensen van dit geslacht en hen veroordelen, want zij kwam van het uiteinde der aarde om te luisteren naar de wijsheid van Salomo; welnu hier is meer dan Salomo. De mensen van Nineve zullen bij het oordeel opstaan samen met dit geslacht en het veroordelen, want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona: welnu, hier is meer dan Jona.”

Overweging
Een rouwmoedig, vermorzeld hart, zult U, o God, niet verwerpen. (Psalm 51, 19)

Stel u voor: een groepje nonnen is bezig om met de hand een kapel te bouwen. Ze hebben één kar om zand in te vervoeren. Op een morgen gaat het fout en kiept de kar onderweg wel zes keer om. De leidster veronderstelt dat er misschien een heel ander probleem is, dat er wellicht een punt is waarop ze bekering nodig hebben. Dus stoppen de zusters met werken en gaan ze samen in gebed. Ze komen tot het inzicht dat ze in hun hart bezig waren elkaar te bekritiseren. Nadat ze dit beleden hebben en elkaar vergeving gevraagd en geschonken hebben is de onderlinge verstandhouding stukken beter. En de kar kiept niet meer om!

Dit is een verhaal van Mutter Basilea Schlink, de leidster van de protestantse Marienschwestern uit Darmstadt. In haar boek over boete en berouw – ‘Een blijde boodschap’ – laat ze zien hoe belangrijk berouw is als we willen groeien in onze relatie met de Heer.

M. Basilea schrijft dat net zoals een aardse vader “wacht op een reactie van zijn kinderen … zo wacht ook onze hemelse Vader, die ons geschapen heeft en die ons onvoorstelbaar liefheeft.” Hij wacht erop dat we ons berouwvol tot Hem keren. Hij wacht, o zo geduldig, tot we naar Hem terugkeren. Denk maar aan de “goede misdadiger” die naast Jezus aan het kruis hing. Met slechts enkele woorden belijdt hij dat hij gezondigd heeft en hij wendt zich tot Jezus om redding. En direct belooft Jezus hem ter plekke de hemel! Daar, in zijn laatste uur, werd Gods geduld beloond en vond deze man de redding waarnaar hij verlangde.

Jezus zei: “Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot bekering op te roepen, maar zondaars” (Lucas 5,32). Dat zijn we allemaal! Zijn uitnodiging is breed en royaal. Of we nu vreselijke zonden hebben begaan of alleen maar zo af en toe een leugentje om bestwil vertellen, Jezus vraagt ons ervoor uit te komen – en tot Hem te komen. Hij wil ons overspoelen met zijn barmhartigheid, maar Hij vindt dat wij in berouw de eerste stap moeten zetten.

Wanneer we tot Jezus komen en met een nederige oprechtheid erkennen dat we tekortgeschoten zijn dan zal Hij voor de rest zorgen. De simpele, eerlijke belijdenis: “Ik heb gezondigd” is alles wat Hij vraagt. Dat korte moment, waarin we ons bloot geven voor de Heer, is een moment van grote blijdschap voor Hem. We zijn naar Hem teruggekeerd en nu kan Hij ons omarmen, vergeven en genezen!

Gebed
Vader, dank U voor uw barmhartigheid! Help me om altijd open en eerlijk tegenover U te zijn. Amen.

< 1e week: donderdag

Eerste lezing uit het boek Ester (14,1+3-5+12-14)
In die tijd nam koningin Ester in doodsnood haar toevlucht tot de Heer: Zij bad aldus tot de God van Israël: “Mijn Heer, onze koning, Gij zijt de enige! Kom mij te hulp, mij die alleen sta en geen andere helper heb dan U, want ik ga een groot gevaar tegemoet. Van mijn geboorte af heb ik in de stam waaruit ik voortkom gehoord, dat Gij, Heer, uit alle volken Israël en uit al hun voorouders onze vaderen hebt aangenomen als een blijvend erfdeel en dat Gij voor hen alles hebt gedaan wat Gij beloofd hadt. Gedenk ons, Heer, openbaar U in het uur van onze nood en geef mij moed, Gij koning van de goden en heerser over alle heerschappij. Leg mij een gelukkig woord in de mond, als ik sta tegenover de leeuw; verander zijn gezindheid en breng hem tot haat tegen de man die ons bestrijdt, zodat hij en zijn medestanders te gronde gaan. Red ons door uw hand en kom mij te hulp, want ik sta alleen en heb niemand anders dan U, Heer.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (7,7-12)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en ge zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan. Want al wie vraagt, verkrijgt; wie zoekt, vindt en voor wie klopt, doet men open. Of is er wel iemand onder u die zijn zoon een steen zal geven als hij om brood vraagt? Of een slang wanneer hij vraagt om een vis? Als gij dus, ofschoon gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal dan uw Vader die in de hemel is, het goede geven aan wie Hem daarom vragen. Alles, wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doet dat ook voor hen. Dat is Wet en Profeten.”

Overweging
. . . hoeveel te meer dan zal jullie Vader in de hemel het goede geven aan wie het Hem vragen (Matteüs 7,11)

Voor sommige mensen is bidden als een tochtje naar het casino. Stop er een gebed in, trek aan de hendel en kijk wat er gebeurt. Misschien winnen ze een keer – een nieuwe baan, een genezing, een onverwachte zegen – maar meestal geven ze maar een ruk aan de hendel en wachten om te zien wat er gebeurt. God lijkt op een machtige casinobaas die nu en dan iets uitbetaalt om te zorgen dat zijn klanten terug blijven komen.

Maar God kijkt niet naar ons met de berekenende ogen van een zakenman – verre van dat! Hij laat zijn blik op ons rusten met de liefde van een Vader voor zijn kinderen. Net als elke vader wil Hij het beste voor ons en is Hij erop uit om ons te helpen om het beste in ons naar boven te halen. Dus mogen we erop vertrouwen dat als we iets niet krijgen waar we om vragen, dat het dan niet is omdat Hij het wreed aan ons weigert. Het is omdat zijn plan voor ons leven niet gericht is op aardse rijkdommen, maar op een veel diepgaander en meer blijvend gevoel van vervulling. Zijn plan en zijn bedoelingen zijn ons niet altijd duidelijk, maar we mogen erop vertrouwen dat ze oneindig veel beter zijn dan welke ideeën we ook maar uit onszelf kunnen bedenken.

Natuurlijk kunnen we God vragen om alles wat we denken nodig te hebben – zelfs om die dingen die we gewoonweg graag willen hebben. Hij aanvaardt elk gebed, al is het maar omdat het weer een kans voor ons is om in zijn nabijheid te komen, en voor Hem om ons aan te raken en te vormen. Elke keer wanneer we in gebed tot Hem komen, neemt Hij de kans waar om ons zachtjes en geleidelijk aan te laten zien wat we echt nodig hebben, waar ons hart echt om schreeuwt. We brengen onze verlangens, onze verwachtingen en onze dromen bij Hem en Hij verandert ze! Hij schuift met onze prioriteiten en zorgen en leert ons te verlangen naar de dingen die echt goed voor ons zijn.

God zal u niet veroordelen als u zelfzuchtig of begerig bent. Bedenk dat Hij Jezus niet heeft gezonden om te veroordelen maar om te redden. U bent kostbaar voor Hem, en Hij wil niets anders dan u gelukkig maken. Echt en waarlijk gelukkig!

Gebed
Heer, U hebt me zoveel goede dingen gegeven. Ik vertrouw op U, en ik ben zo dankbaar voor de manier waarop U voor me zorgt en over me waakt! Amen.

< 1e week: vrijdag

Eerste lezing uit het boek Ezechiël (18,21-28)
Zo spreekt God de Heer: “Wanneer de boosdoener zich afkeert van al de zonden die hij heeft bedreven, wanneer hij al mijn geboden onderhoudt en handelt naar recht en wet, dan zal hij leven, zeker leven en hij zal niet sterven. Van al de wandaden die hij bedreven heeft wordt hem er geen meer toegerekend en vanwege de gerechtigheid die hij betracht heeft zal hij leven. Zou Ik soms behagen vinden in de dood van een boosdoener – luidt de godsspraak van de Heer – en niet veeleer daarin, dat hij zich afkeert van zijn wegen en in leven blijft? Maar wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en verkeerde dingen gaat doen, wanneer hij al de afschuwelijkheden bedrijft die de boosdoener begaat, moet hij dan in leven blijven? Neen, van al de rechtvaardige daden, die hij verricht heeft, wordt hem er geen meer toegerekend, en vanwege de ontrouw die hij getoond heeft, vanwege de zonde die heeft bedreven, zal hij moeten sterven. Gij beweert: ‘De weg van de Heer is niet recht!’ Huis van Israël, luister toch! Zou het werkelijk mijn weg zijn die niet recht is? Zijn niet veeleer uw eigen wegen niet recht? Als een rechtvaardige zich van zijn eigen rechtvaardigheid afkeert en kwaad gaat doen, dan zal hij daaraan sterven, sterven om het kwaad dat hij gedaan heeft. En als de boosdoener zich van zijn boze daden afkeert en gaat handelen naar rechtschapenheid en deugd, dan zal hij in leven blijven. Als hij tot inzicht komt en zich afkeert van zijn slechte daden, dan blijft hij zeker in leven, dan zal hij niet sterven.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (5,20-26)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Als uw gerechtigheid die van de schriftgeleerden en Farizeeën niet ver overtreft, zult gij zeker niet binnengaan in het Rijk der hemelen. Gij hebt gehoord, dat tot onze voorouders is gezegd: Gij zult niet doden. Wie doodt zal strafbaar zijn voor het gerecht. Maar Ik zeg u: Al wie vertoornd is op zijn broeder, zal strafbaar zijn voor het gerecht. En wie tot zijn broeder zegt: raka, zal strafbaar zijn voor het Sanhedrin, en wie zegt dwaas, zal strafbaar zijn met het vuur van de hel. Als gij uw gave komt brengen naar het altaar en daar schiet u te binnen dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave voor het altaar achter, ga u eerst met uw broeder verzoenen en kom dan terug om uw gave aan te bieden. Haast u het eens te worden met uw tegenpartij, zolang ge nog met hem onderweg zijt; anders zou uw tegenpartij u wel eens aan de rechter kunnen overleveren, en de rechter u aan de gerechtsdienaar, en zoudt gij in de gevangenis worden geworpen. Voorwaar, Ik zeg u: Ge zult daar niet uitkomen, voordat ge tot de laatste penning hebt betaald.”

Overweging
. . . als jullie gerechtigheid niet méér betekent dan die van de schriftgeleerden en farizeeën, zul je het koninkrijk der hemelen zeker niet binnengaan. (Matteüs 5,20)

In 1912 sprong de Amerikaanse atleet George Horine bij de Olympische kwalificatiewedstrijd hoogspringen als eerste over een hoogte van twee meter, en werd daarmee wereldrecordhouder. In de loop der jaren zou dat wereldrecord vele malen in andere handen overgaan – tot in 1993, toen de lat naar zijn huidige hoogte werd getild: niet minder dan 2,45 meter. Als George nog geleefd had dan zou hij ongetwijfeld gezegd hebben: “Maar dat is toch onmogelijk!”

In de evangelielezing van vandaag zien we dat Jezus de lat voor zijn leerlingen ook een heel stuk hoger legt. Hij verklaart dat ze de hemel niet binnen zullen komen als ze niet rechtvaardiger zijn dan hun religieuze leiders. Vervolgens scherpt hij het verbod om te doden aan: het uitschelden van, of het hebben van gewelddadige gedachten over anderen vallen ook onder dat verbod. Je hoort de verontwaardigde reactie van de leerlingen: “Maar dat is onmogelijk!”

Waarom moet de lat zo hoog liggen? Omdat dit meer overeenkomt met het hart van de Vader. Als we zien hoe Gods wet in eerst instantie aan Mozes gegeven werd, vervolgens door profeten verder ontwikkeld werd en uiteindelijk in Jezus zijn voltooiing bereikte, dan zien we hoe God zijn volk stap voor stap verheft tot een steeds verdergaande gelijkvormigheid aan zijn eigen karakter. En bovendien, naarmate de lat hoger gelegd wordt, worden we ons ook meer en meer bewust van onze behoefte aan zijn genade om aan de norm te kunnen voldoen, want uit onszelf zouden we dat onmogelijk kunnen!

Denk eens even rustig na over de volgende vraag: denkt u dat Jezus u uitnodigt om deze Veertigdagentijd uw doelen hoger te stellen dan vorig jaar? Vraagt Hij van u dat u verder of dieper gaat in uw vriendschap met Hem? Deze uitnodiging is heel persoonlijk en uniek voor ieder van ons. Zie het als een kans om op te klimmen en dichter bij uw Heiland te komen dan u ooit bent geweest. Wat Hij van u vraagt kan wellicht onmogelijk lijken. En in uw eentje is het dat ook. Maar u bent niet in uw eentje! De heilige Geest is bij u. Hij kan u optillen tot hoogten die u nooit eerder hebt bereikt. En om daar te komen moet u meer op Hem gaan vertrouwen dan u ooit hebt gedaan. Wie weet, misschien ziet u op uw reis door de Veertigdagentijd het onmogelijke in uw leven werkelijkheid worden!

Gebed
Jezus, ik hoor dat U me roept. Help me alstublieft om te antwoorden! Amen.

< 1e week: zaterdag

Eerste lezing uit het boek Deuteronomium (26,16-19)
Mozes sprak tot het volk: “Heden gebiedt de Heer uw God u deze voorschriften en bepalingen te volbrengen. Gij moet ze stipt ten uitvoer brengen, met heel uw hart en heel uw ziel.Gij hebt heden van de Heer de verzekering gekregen, dat Hij uw God zal zijn, als gij tenminste zijn wegen gaat, zijn voorschriften, geboden en bepalingen onderhoudt en naar Hem luistert. En de Heer heeft heden van u de verzekering gekregen, dat gij, zoals Hij beloofd heeft, zijn eigen volk zult zijn en al zijn geboden zult onderhouden. Daarom zal Hij aan u groter eer, faam en luister schenken dan aan de andere volken, die Hij geschapen heeft, en zult gij een volk zijn dat de Heer uw God is toegewijd, zoals Hij beloofd heeft.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (5,43-48)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult uw naaste beminnen en uw vijand haten. Maar ik zeg u: Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel, die immers de zon laat opgaan over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Want als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon hebt gij dan? Doen de tollenaars niet hetzelfde? En als gij alleen uw broeders groet, wat voor buitengewoons doet gij dan? Doen de heidenen dat ook niet? Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is.”

Overweging
Jullie zullen dus onverdeeld goed zijn, zoals jullie hemelse Vader onverdeeld goed is. (Matteüs 5,48)

Misschien is dit niet het vers dat de meesten van ons uitgekozen zouden hebben om vandaag over na te denken. Want “onverdeeld goed” betekent zoiets als “volmaakt, voldoen aan alle eisen en aan de hoogste normen van voortreffelijkheid.” Waar velen van ons op zouden reageren met: Werkelijk, Heer? Ik worstel ermee om me te houden aan één klein voornemen voor de Veertigdagentijd! Ik zal nooit onverdeeld goed zijn, hoe goed ik ook m’n best doe.

Een van de redenen waarom volmaaktheid zo onbereikbaar schijnt is dat het een kwestie is van of-of: je bent of volmaakt of onvolmaakt. Maar bijbelgeleerden wijzen erop dat het Griekse woord dat in Matteüs 5,48 met “onverdeeld goed” wordt vertaald, een minder statische boodschap heeft. Het geeft iets aan waarin je kunt groeien – een proces van heel en volledig worden. In dit perspectief kunnen we ons voorstellen dat Jezus zegt: “Blijf in beweging! Blijf eraan werken dat je de mens wordt waartoe Ik je geschapen heb. Ga voor niets minder dan de heiligheid van de heelheid!” Het kan ironisch klinken, maar het is waar, hoe meer je de unieke persoon wordt zoals God je gemaakt heeft, hoe meer je gaat lijken op Jezus, de Volmaakte.

Hoe kun je dan groeien naar deze volmaaktheid? Met een programma voor zelfverbetering kom je er niet en al evenmin door het ophopen van vastenoefeningen en geestelijke gymnastiek. Nee, je komt er dichterbij wanneer je je best doet je gaven en talenten te gebruiken op een manier waardoor de Heer verheerlijkt wordt en waardoor je de mensen in je omgeving tot steun bent. Je komt er ook dichterbij wanneer je je richt op een of twee wegversperringen in je leven: een halsstarrige wrok, een ongezonde gewoonte of een verwrongen kijk op het leven. Zoek naar de dingen die je ervan weerhouden de persoon te worden die je weet dat je kunt worden.

Vraag de Heer vandaag hoe Hij wil dat je groeit en verandert. Laat zijn liefdevolle licht in je hart schijnen. Vraag Hem dat Hij je de persoon laat zien zoals Hij je bedoeld heeft, alsmede de persoon die je op dit moment bent. En bedenk dan een of een paar dingen die je kunt doen om de kloof tussen beide te overbruggen.

De zalige John Henry Newman heeft eens gezegd: “Leven is veranderen en volmaakt zijn is dat je vaak veranderd bent.” Bid God in deze Veertigdagentijd dat je – terwijl je probeert Jezus te horen en te volgen – vaak en veel mag veranderen!

Gebed
Heer Jezus, al lijkt het ongelooflijk, ik geloof dat U me leidt naar heelheid en heiligheid! Amen.

< 2e week van de Veertigdagentijd

< 2e week: zondag

Eerste lezing uit het boek Genesis (22,1-2+9-13+15-18)
In die dagen gebeurde het dat God Abraham op de proef stelde. Hij zei tot hem: ‘Abraham.’ En hij antwoordde: ‘Hier ben ik.’ Hij zei: ‘Ga met Isaak, uw enige zoon, die gij liefhebt naar het land van de Moria en draag hem daar op de berg die Ik u zal aanwijzen als brandoffer op.’ Toen zij de plaats bereikt hadden die God hen had aangewezen bouwde Abraham daar een altaar, stapelde er het hout op, bond zijn zoon lsaak vast en legde hem op het altaar, boven op het hout. Toen Abraham echter zijn hand uitstak naar het mes om daarmee zijn zoon te offeren, riep de engel van de Heer hem vanuit de hemel toe: ‘Abraham, Abraham.’ En hij antwoordde: ‘Hier ben ik.’ Hij zei: ‘Raak de jongen met geen vinger aan en doe hem niets! Ik weet nu dat gij God vreest, want gij hebt mij uw enige zoon niet willen onthouden.’ Abraham keek om zich heen en bemerkte een ram, die met zijn horens in het struikgewas vastzat. Hij greep de ram en droeg die als brandoffer op, in plaats van zijn zoon. Toen riep de engel van de Heer voor de tweede maal uit de hemel tot Abraham en zei: ‘Bij Mijzelf heb Ik gezworen – spreekt de Heer – omdat gij dit gedaan hebt en Mij uw enige zoon niet hebt onthouden, daarom zal Ik u overvloedig zegenen en uw nakomelingen talrijker maken dan de sterren aan de hemel en de zandkorrels op het strand van de zee. Uw nakomelingen zullen de poort van hun vijand bezitten. Door uw nakomelingen komt zegen over alle volken van de aarde omdat gij naar Mij hebt geluisterd.’

Tweede lezing uit de brief aan de Romeinen (8,31-34)
Broeders en zusters,
Indien God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn? Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard: voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En zou Hij ons na zulk een gave ook niet al het andere schenken? Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen? God, die rechtvaardigt? Wie zal hen veroordelen? Christus Jezus misschien, Die gestorven is, meer nog, Die is opgewekt en Die, gezeten aan Gods rechterhand, onze zaak bepleit?

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus (9,2-10)
In die tijd nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en bracht hen boven op een hoge berg waar zij geheel alleen waren. Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd: zijn kleed werd glanzend en zo wit als geen bleker ter wereld maken kan. Elia verscheen hun samen met Mozes en zij onderhielden zich met Jezus. Petrus nam het woord en zei tot Jezus: ‘Rabbi, het is goed dat we hier zijn. Laten we drie tenten bouwen, één voor U, één voor Mozes en één voor Elia.’ Hij wist niet goed wat hij zei, want ze waren geheel verbluft. Een wolk kwam hen overschaduwen en uit die wolk klonk een stem: ‘Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, luistert naar Hem.’ Toen ze rondkeken, zagen ze plotseling niemand anders bij hen dan alleen Jezus. Onder het afdalen van de berg verbood Jezus hun aan iemand te vertellen wat ze gezien hadden, voordat de Mensenzoon uit de doden zou zijn opgestaan. Zij hielden het inderdaad voor zich, al vroegen zij zich onder elkaar af wat dat opstaan uit de doden mocht betekenen.

Overweging
Voor hun ogen veranderde Hij van gedaante. (Marcus 9, 2)

Hebt u zich wel eens afgevraagd waarom Jezus van gedaante veranderd werd? Hij had er van tevoren nooit over gesproken en zijn apostelen hadden er ook geen idee van wat er te gebeuren stond. Het was bovendien een unieke gebeurtenis die zich nooit meer herhaald heeft. Waarom deed Hij het dan? Het is goed om er eens in een breder perspectief naar te kijken.

Sinds de dag waarop Hij hen riep toonde Jezus zijn leerlingen dat Hij van God gekomen was. In hun bijzijn deed Hij veel wonderen. Hij onderwees met gezag. Hij openbaarde Gods barmhartigheid en vergeving. En toen Hij hen vroeg: “wie zeggen jullie dat Ik ben?” antwoordde Petrus: “U bent de Messias” (Marcus 8,29).

Dat was een belangrijke doorbraak. De leerlingen begonnen in Jezus te geloven, maar hun geloof moest nog groeien. Ze begrepen nog niet wat voor een soort Messias Jezus was. Ze begrepen niet dat Hij moest sterven – en dat ook zij het kruis op zich moesten nemen (Marcus 8,31-35).

De gedaanteverandering bewees dus dat Jezus niet zomaar een profeet was die door God was aangesteld: Hij was Gods eigen Zoon! De drie leerlingen mochten er ook in zien dat Jezus, ook al moest Hij sterven, zou verrijzen tot een heerlijkheid die hun voorstellingsvermogen ver te boven ging!

God liet Jezus van gedaante veranderen met als doel de leerlingen te sterken – en ons allemaal. Het was een bemoedigend ogenblik voordat ze begonnen aan hun reis naar Jeruzalem, de plaats van het kruis. Maar bovendien geeft de Transfiguratie ons een inkijkje in de heerlijkheid die Jezus bezat voordat Hij op aarde kwam. En dat is dezelfde heerlijkheid die Hij nu geniet terwijl Hij op zijn troon in de hemel zit. Bovendien: de Transfiguratie is een belofte voor ons. Ze onthult de heerlijkheid die ieder van ons te wachten staat aan het eind van ons leven – als we trouw blijven aan de Heer.

We zijn allemaal werk in uitvoering. We hebben allemaal onze inzinkingen. Maar we zijn opnieuw geboren toen we gedoopt werden, en we worden allemaal van dag tot dag “getransfigureerd”. Neem dus Jezus’ uitnodiging aan. Doe uw best om Hem te volgen, en u zult merken dat u “steeds heerlijker” verandert terwijl uw geloof blijft groeien (2 Korintiërs 3,18).

Gebed
Hier ben ik, Heer, klaar om uw wil te doen. Vervul me van uw genade.
Laat me uw transformerende kracht mogen kennen. Amen.

< 2e week: maandag

Eerste lezing uit het boek (Daniël 9,4-10)
Ach Heer, grote en geduchte God, die het verbond gestand doet en vol erbarmen zijt voor hen die U liefhebben en uw geboden volbrengen; Wij hebben gezondigd en kwaad gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld en zijn weerspannig geweest, wij zijn afgeweken van uw geboden en wetten; wij hebben niet geluisterd naar uw dienaren, de profeten, die in uw naam gesproken hebben tot onze koningen, hoogwaardigheidsbekleders, familiehoofden en tot heel de gezeten bevolking van het land. Heer, Gij staat in uw recht, maar wij hebben reden om ons te schamen en we staan nu ook beschaamd, wij, de mannen van Juda, de inwoners van Jeruzalem en heel Israël, zowel degenen die dichtbij als die veraf wonen in de landen waarheen Gij hen verstoten hebt, omdat zij U ontrouw geworden zijn. Heer, wij moeten ons schamen, wij, onze koningen, onze hoogwaardigheidsbekleders en onze familiehoofden, omdat wij tegen U gezondigd hebben. Moge de Heer onze God barmhartig zijn en vergevingsgezind, want wij zijn weerspannig geweest tegen Hem en we hebben niet geluisterd naar de Heer onze God en niet geleefd naar de geboden die Hij ons door zijn dienaren, de profeten, gegeven heeft.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (6,36-38)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Weest barmhartig, zoals uw Vader barmhartig is. Oordeelt niet, dan zult ge niet geoordeeld worden; veroordeeld niet, dat zult ge niet veroordeeld worden; spreekt vrij en ge zult vrijgesproken worden. Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, gestampte, geschudde en overlopende maat zal men u in de schoot storten. De maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken.”

Overweging
Want met de maat waarmee jullie meten, zul je gemeten worden. (Lucas 6,38)

De Bengaalse dichter Rabindranath Tagore vertelde eens een verhaal over een bedelaar die op straat graankorrels aan het verzamelen was, juist op het moment dat de koning eraan kwam in een gouden rijtuig. De man wist niet wat hij zag en hoopte dat hij een royaal bedrag van de koning zou krijgen. Maar de koning hield zijn hand op en vroeg aan de bedelaar wat deze hém kon geven! In verwarring en onzeker over zichzelf pakt de bedelaar het kleinste graankorreltje dat hij heeft en geeft het aan de koning. Aan het einde van de dag leegt hij zijn zak en is verbaasd toen hij in de berg graankorrels een klein korreltje goud aantreft.

De bedelaar huilt bittere tranen en pruilt: “ik zou willen dat ik royaler was geweest en alles gegeven had wat ik had.” Hij heeft spijt van zijn krenterigheid want daardoor kreeg hij maar weinig in ruil terug.

Misschien kunnen wij dit naar onszelf toe vertalen: we hebben niet veel tijd, zitten krap bij kas en we zijn voorzichtig. Maar toch vraagt God van ons dat we ons hart wijd open zetten voor onze naasten. Hij wil dat we de zegeningen, die we van Hem ontvangen hebben, doorgeven met dezelfde gulheid waarmee Hij ze aan ons gegeven heeft. Hij zegt dat we, als we maar weinig geven, ook maar weinig terug zullen ontvangen. Maar als we evenveel geven als we ontvangen hebben dan zal Hij ons steeds meer geven. Onze God wordt nooit overtroffen waar het gaat om gulheid!

Op wat voor manieren houdt God geduldig zijn hand bij u op? Misschien wacht Hij op het moment dat u uw bord deelt met de hongerigen of dat u iemands eenzaamheid verlicht of vergeving aanbiedt. In al deze dingen kunnen we Jezus navolgen – Jezus, die niets van zijn Vader achterhield – en die ook ons niets onthoudt.

Stel u daarom voor hoe u reageert aan het einde van uw reist als u ziet hoe royaal God met uw offers omgegaan is: “Zoveel schatten voor het kleine beetje dat ik zelf gaf?” En stel u voor hoeveel meer Hij zou kunnen doen als u maar een klein beetje meer geeft!

Gebed
Vader, mag door het wonder van uw barmhartigheid mijn hart opengaan om alles te ontvangen wat U me wilt geven! Amen.

< 2e week: dinsdag

Eerste lezing uit het boek (Jesaja 1,10+16-20)
Luister! Het woord van de Heer! “Ga u wassen, ga u reinigen; uit mijn ogen met uw boze daden! Houd op met kwaad doen, leer het goede te doen,onderhoud het recht, help de verdrukte,verdedig de wees, pleit voor de weduwe. Kom dan – zegt de Heer – laten we het uitpraten: Al zijn uw zonden rood als scharlaken,zij zullen wit worden als sneeuw; al zijn ze als purper zo rood, ze zullen blank worden als wol. Als ge gewillig wilt zijn en luistert, zult ge het goede der aarde genieten, maar als gij blijft weigeren en u verzetten, zal het zwaard u verdelgen.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (23,1-12)
In die tijd sprak Jezus tot het volk en tot zijn leerlingen: “Op de leerstoel van Mozes hebben de schriftgeleerden en de Farizeeën plaats genomen. Doet en onderhoudt daarom alles wat zij u zeggen, maar handelt niet naar hun werken; want zelf handelen ze niet naar hun woorden. Zij maakten bundels van zware, haast ondraaglijke lasten en leggen die de mensen op de schouders, maar zelf zullen ze er geen vinger naar uitsteken. Alles wat zij doen, doen zij om bij de mensen op te vallen; zij maken immers hun gebedsriemen breed en hun kwasten groot, ze zijn belust op de ereplaats bij de maaltijden en de voornaamste zetels in de synagogen, ze laten zich graag groeten op de markt en willen door de mensen rabbi genoemd worden. Maar gij moet u geen rabbi laten noemen. Gij hebt maar één Meester en gij zijt allen broeders. En noemt niemand van u op aarde vader; gij hebt maar één Vader, de hemelse. En laat u ook geen leraar noemen; gij hebt maar één leraar, de Christus. Wie de grootste onder u is, moet uw dienaar zijn. Alwie zichzelf verheft, zal vernederd en wie zichzelf vernedert zal verheven worden.

Psalm 50,8-9+16-17+21+23
Refr: Wie rechte wegen gaat, die vindt het heil van God

Ik maak u over offers geen verwijt:
uw offerdieren zie Ik aldoor branden.
Ik wil geen stier meer hebben uit uw huizen
en rammen uit uw schaapskooi vraag Ik niet.

Refr: Wie rechte wegen gaat, die vindt het heil van God

Wat spreekt ge aldoor over mijn geboden
en hebt ge mijn verbond steeds op de tong?
Gij die van tucht een afkeer hebt
en nimmer acht slaat op mijn woorden.

Refr: Wie rechte wegen gaat, die vindt het heil van God

Zou ik dan zwijgen als gij zoiets doet?
Of meent ge soms dat Ik aan u gelijk ben?
Ik klaag u aan. Ik leg u alles voor.
Wie offers brengt van lof, die eert Mij waarlijk,
wie rechte wegen gaat, die vindt het heil van God.

Refr: Wie rechte wegen gaat, die vindt het heil van God

Overweging
. . . terwijl u gebondenheid haat en onverschillig mijn woorden verwerpt? (Psalm 50, 17)

Wat doet u als u iets heel belangrijks moet onthouden? Misschien plakt u een briefje op de spiegel in de badkamer. Misschien activeert u een alarmfunctie op uw computer of smartphone. Misschien vraagt u uw man, vrouw of collega om u eraan te herinneren. Wat u waarschijnlijk niet doet, is het van u afzetten, uit het zicht en uit uw gedachten.

Vandaag heeft God een speciaal woord voor u. Natuurlijk zijn er grote waarheden die elke dag van toepassing zijn op al zijn kinderen, en het is goed die in gedachten te houden: God houdt van ons. Jezus stierf voor onze zonden. Jezus zal terugkomen om zijn koninkrijk te stichten.

Maar als u de tijd neemt om stil te worden, zult u merken dat de heilige Geest een speciaal “nu”- woord voor u heeft. Het kan komen in de vorm van een beeld, zoals een tuin of een woestijn. Het kan een zin zijn die er voor u uitspringt uit de Bijbel of een regel uit een lied dat alsmaar blijft terugkomen in uw hoofd. Het kan een opdracht zijn: “Bid voor hem. Bel haar op. Neem een andere weg naar de winkel. Ga biechten.” Of het kan een bemoedigend woord zijn: “Ik ben er trots op dat je je ingehouden hebt tijdens dat gesprek bij de lunch.” Het woord kan zich aandienen in uw gebedstijd, maar het kan ook op een onverwacht moment komen. Of het kan een uitdagend woord zijn: een ruk aan de teugel op het moment dat u wilt toegeven aan een verleiding – of een woord dat uw geweten onrustig maakt nadat u aan een verleiding ten prooi gevallen bent.

Hoe kunt u weten of het God is die tot u spreekt? Als het besef dat u krijgt u vult met hoop, vrede of overtuiging, is de kans groot dat Hij erachter zit. En zelfs als Hij het niet is, hebt u op zijn minst iets goeds gedaan als u erop reageert.

Wat God ook tegen u zegt, verwerp zijn woorden niet (Psalm 50,17). Sta er een tijdje bij stil als u ze voor het eerst hoort. En roep ze u in de loop van de dag een paar keer te binnen. En geef er, als het een soort van opdracht is, gehoor aan – negeer de aanwijzing niet. Wees niet bang een vergissing te maken. Dit is een onderdeel van wat Jesaja bedoelde toen hij tegen de Israëlieten zei: “Leer liever het goede te doen” (Jesaja 1,17).

Gebed
Spreek, Heer, uw dienaar luistert. Amen.

< 2e week: woensdag

Eerste lezing uit het boek Jeremia (18,18-20)
Die het gemunt hadden op het leven van de profeet zeiden: “We beramen een aanslag op Jeremia. Nooit ontbreekt het de priesters aan onderricht, de wijzen aan raad of de profeten aan woorden. Wij letten niet meer op wat hij zegt.” Geef mij gehoor, Heer God, luister naar mijn klacht: Mag men goed met kwaad vergelden? Toch graven zij een kuil voor mij. Vergeet niet, dat ik voor u stond om voor hen ten beste te spreken en uw toorn van hen af te wenden.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (20,17-28)
Toen Jezus van plan was naar Jeruzalem te gaan nam Hij de twaalf apart en onderweg sprak hij tot hen: “Wij gaan nu naar Jeruzalem, waar de Mensenzoon aan de hogepriesters en schriftgeleerden zal worden overgeleverd. Zij zullen Hem ter dood veroordelen en aan de heidenen overleveren om Hem te bespotten, geselen en kruisigen, maar op de derde dag zal Hij verrijzen.”
Toentertijd trad de moeder van de zonen van Zebedeüs samen met hen op Jezus toe en wierp zich voor zijn voeten om Hem iets te vragen. Hij sprak tot haar: “Wat verlangt ge?” Zij antwoord de Hem: “Laat deze twee jongens van mij in uw Koninkrijk zitten, een aan uw rechter- en een aan uw linkerhand.” Maar Jezus antwoordde: “Gij weet niet wat ge vraagt. Zijt gij in staat de beker te drinken die Ik ga drinken?” Zij zeiden hem: “Ja, dat kunnen wij.” Hij sprak: “Inderdaad, mijn beker zult gij drinken, maar het is niet aan Mij u te doen zitten aan mijn rechter- of linkerhand, omdat alleen zij dit verkrijgen voor wie mijn Vader dit heeft bereid.” Toen de tien anderen dit hoorden, werden zij kwaad op de beide broers. Jezus echter riep hen bij zich en sprak: “Gij weet, dat de heersers der volkeren hen met ijzeren vuist regeren en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen. Dit mag bij u niet het geval zijn; wie onder u groot wil worden, moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn, moet slaaf van u wezen, zoals ook de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.”

Overweging
Heer, ik stel mijn vertrouwen in U. (Psalm 31,15)

Waarover maakt u zich zorgen? Over uw gezondheid? Uw veiligheid? Of misschien over uw baan, uw financiën of uw kinderen? We hebben allemaal wel zo’n lijstje. En de wereld zegt te weten hoe we met die zorgen moeten omgaan. Op de eerste plaats: verbeter je positie door harder te werken en extra cursussen te volgen, zorg dat je goed verzekerd bent en wees er alert op of je misschien gebruik kunt maken van je relaties. Deze reacties zijn in principe allemaal egocentrisch ofwel ik-gericht, en daarmee geven we onze angsten en de bijbehorende inspanningen een zeer prominente plaats in onze gedachten.

In de evangelielezing van vandaag komen we eenzelfde soort reactie tegen. Jakobus en Johannes maken zich zorgen over hun toekomst. Jezus heeft erover gesproken hoe Hij bespot, gegeseld en gekruisigd zal worden. Wat zal dat voor de leerlingen betekenen? Daarom ontwikkelen ze samen met hun moeder een plan voor hun loopbaan op de langere termijn. En nu vragen ze Jezus om zijn goedkeuring voor hun voorstel om Jakobus en Johannes tot de belangrijkste mannen in zijn koninkrijk te maken. Hoewel het lijkt of ze hun toewijding aan Jezus verdubbelen, zijn hun ware motieven egocentrisch.

Jezus maakt van de gelegenheid gebruik om alle leerlingen eraan te herinneren dat dit niet zijn weg is. Jezus’ weg is er een van nederigheid, overgave en vertrouwen. Het is een weg van zichzelf geven, niet van zelfbescherming. God wil niet dat we al onze energie steken in het alleen maar behartigen van onze eigen belangen. Hij wil dat we zijn weg gaan van opofferende liefde en dat we erop vertrouwen dat Hij in al onze behoeften zal voorzien.

Het probleem met de egocentrische benadering is dat onze zorgen de hoogste prioriteit worden en ons leven met God wordt gedegradeerd tot een relatie waar we alleen iets aan doen als we tijd over hebben. Maar Jezus is de belangrijkste! Als we ons leven zo inrichten dat de waarden van zijn koninkrijk erin weerspiegeld worden dan zullen we merken dat onze angsten en zorgen hun dwingende karakter verliezen. We gaan er meer op vertrouwen dat God voor ons zal zorgen.

Dus wat baart u vandaag zorgen? Probeert u er zelf uit te komen? Of stemt u in met het gebed van Psalm 31? Leg uw levenslot, uw veiligheid, uw gezin in handen van de Heer. Als u het moeilijk vindt om los te laten, probeer u dan te richten op Jezus’ liefde voor u in plaats van op wat u bezorgd maakt. Vraag Hem hoe u het beste in zijn liefde kunt blijven en laat Hem zorgen voor de rest.

Gebed
Heer, ik vertrouw op U. Leer me te leven in uw liefde. Amen.

< 2e week: donderdag

Eerste lezing uit het boek Jeremia (17,5-10)
Dit zegt God de Heer: “Vervloekt is hij die op mensen vertrouwt, die steunt op een schepsel en zich afkeert van de Heer. Hij is een kale struik in de steppe; nooit krijg hij regen. Hij staat op dorre woestijngrond in een onvruchtbaar, verlaten gebied. Gezegend is hij die op de Heer vertrouwt, en zich veilig weet bij Hem. Hij is een boom aan een rivier met wortels tot in het water Hij heeft geen last van de hitte, zijn bladeren blijven groen. Een tijd van droogte deert hem niet, hij blijft vrucht dragen. Niets is zo onbetrouwbaar als het hart, onverbeterlijk is het, wie kan het peilen? Ik, God de Heer, doorgrond hart en nieren, Ik vergeld ieder naar zijn gedrag, naar de vrucht van zijn werk.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (16,19-31)
In die tijd zei Jezus tot de Farizeeën: “Er was eens een rijk man die in purper en fijn linnen gekleed ging en iedere dag uitbundig feest vierde, terwijl een arme, die Lazarus heette, met zweren overdekt voor de poort lag. Hij verlangde er naar zijn honger te stillen met wat bij de rijkaard van de tafel viel. Maar er kwamen alleen honden die zijn zweren likken. Nu gebeurde het dat de arme stierf en door de engelen in de schoot van Abraham werd gedragen. De rijke stierf ook en kreeg een eervolle begrafenis. In de onderwereld, ten prooi aan vele pijnen, sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham, en Lazarus in diens schoot. Toen riep hij uit: Vader Abraham, ontferm u over mij en geef Lazarus opdracht de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong daarmee te komen verfrissen, want ik word door de vlammen hier gefolterd. Maar Abraham antwoordde: Mijn zoon, herinner u hoe gij tijdens uw leven uw deel van het goede hebt gekregen en op gelijke manier Lazarus het kwade; daarom ondervindt hij nu hier de vertroosting, maar wordt gij gefolterd. Daarenboven gaapt er tussen ons en u voorgoed een wijde kloof, zodat er geen mogelijkheid bestaat – zelfs als men het zou willen – van hier naar u te gaan noch van daar naar ons te komen. De rijke zei: Dan vraag ik u, vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader wilt sturen, want ik heb nog vijf broers; laat hij hen waarschuwen, opdat zij niet eveneens in deze plaats van pijniging terecht komen. Maar Abraham sprak: Zij hebben Mozes en de profeten; laat ze naar hen luisteren. Maar hij zei: Och neen, vader Abraham! Maar als er een uit de doden naar hen toegaat, zullen ze zich bekeren. Hij echter sprak tot hem: Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen ze zich ook niet laten overreden, als er iemand uit de doden opstaat.”

Psalm 1, 1-2+3+4-6
Gelukkig de man die weigert te doen
wat goddelozen hem raden;
die niet de wegen der zondaars gaat,
niet zit te midden der spotters.

Hij is als een boom, aan het water geplant,
die vruchten draagt op zijn tijd;
des zomers verdorren zijn bladeren niet,
maar al wat hij doet brengt hem voorspoed.

De goddelozen vergaat het zo niet;
de wind blaast hen weg als kaf.
De Heer immers let op de weg der gerechten,
de weg van de zondaars loopt dood.

Overweging
. . . Ik, de HEER, doorgrond hart en nieren. (Jeremia 17, 10)

Van de hoge duikplank springen of zien hoe je kind voor het eerst met de auto wegrijdt – beide dingen kunnen tegelijk een kik geven maar ook flink wat spanning veroorzaken. Bovenstaand vers uit Jeremia heeft een beetje dezelfde tweeledigheid. Enerzijds is het heerlijk om te horen dat God weet wat je bedoelt, hoe je denkt en wat je echt van plan bent – speciaal als er geen mens te vinden is die je begrijpt. Hij kent je moeilijkheden en steunt je in je pogingen om Hem lief te hebben en te dienen. Maar er zit ook iets in waar je je niet zo gemakkelijk bij voelt: dat God alles in je hart ziet – zelfs de dingen die je voor altijd wilt wegstoppen. Het heeft geen zin om te proberen Hem die alwetend is om de tuin te leiden!

Het is goed om te weten dat God, als Hij ons onderzoekt, meer lijkt op een chirurg met een ontleedmes dan op een houthakker die met een botte bijl zwaait. Het licht dat Hij in ons leven laat vallen is net zo warm als het zonlicht, het heeft niet de kille gloed van een zoeklicht. Zorgvuldig en zacht legt Hij de gedachten en bedoelingen van je hart bloot. Met vaardige hand scheidt Hij twijfels en afweer, verwachtingen en begeerten, bedoelingen en onzekerheid. Zelfs als Hij iets onthult wat moet veranderen is Hij er altijd vlug bij om u te verzekeren van zijn liefde en u te herinneren aan alles wat er goed aan u is. Hij onderzoekt ons niet om zwakke plekken aan te wijzen; Hij doet het om u tot een diepere relatie met Hem te brengen.

Deze veertig dagen zijn een goede tijd om uw hoofd door de Heer te laten onderzoeken en uw hart te testen. Als de gedachte daaraan u doet aarzelen of u helemaal van uw stuk brengt, neem dan een minuut om te bedenken Wie het is die u onderzoekt: Degene die is gestorven om u het eeuwige leven te geven. U bent kostbaar in zijn ogen, en u wordt bijzonder gerespecteerd!

God heeft eindeloos veel geduld met ons. Hij schenkt zijn vergeving en genade in buitengewone overvloed. Hij is rijk aan waarheid, maar ook aan liefde. Open daarom vandaag uw hart voor Hem. Bid stil tot Hem en denk na over een korte passage uit de Bijbel, misschien iets uit de Eucharistieviering dat uw hart raakt. Hij doet de rest.

Gebed
Vader, kijk vandaag in mijn hart, onderzoek mijn gedachten en maak me sterker in uw liefde. Amen.

< 2e week: vrijdag

Eerste lezing uit het boek Genesis (37, 3-4+12-13+17-28)
Israël hield meer van Jozef dan van al zijn andere zonen, omdat hij hem nog op zijn oude dag had gekregen. Hij had voor hem een prachtig kleed laten maken. De broers bemerkten dat hun vader meer van Jozef hield dan van hen, en zij gingen hem zo haten dat ze geen goed woord meer voor hem over hadden. Eens waren zijn broers bij Sichem de kudden van hun vader gaan weiden, toen Israël tot Jozef zei: “Je weet dat je broers de kudde weiden bij Sichem. Zou je niet naar hen toe willen gaan?” Jozef ging daarop zijn broers achterna en vond hen inderdaad in Dotan. Zij hadden hem al in de verte zien aankomen, en voor hij bij hen was, smeedden zij het plan om hem te doden. Ze zeiden tot elkaar: “Daar komt hij aan, de grote dromer! Nu hebben we de kans. We vermoorden hem en gooien hem in een put. We kunnen zeggen dat een wild beest hem verslonden heeft. Dan zullen we eens kijken wat er van zijn dromen terecht komt!” Toen Juda dit hoorde, probeerde hij hem uit hun handen te redden en zei: “We mogen hem niet doden.” Ruben zei tot hen: “Vergiet toch geen bloed! Ginds in de steppe is een put; gooi hem daarin, maar sla niet de hand aan hem.” Hij wilde hem uit hun handen redden en bij zijn vader terugbrengen. Zodra Jozef bij zijn broers kwam, trokken zij hem het kleed uit, het prachtige kleed dat hij droeg, grepen hem en wierpen hem in de put. De put was leeg en er stond geen water in. Terwijl ze zaten te eten, zagen zij ineens een karavaan van Ismaëlieten, die van Gilead kwam. De kamelen waren beladen met gom, balsem en hars; zij waren op weg naar Egypte om de koopwaar daar af te leveren. Nu zei Juda tot zijn broers: “Wat hebben we eraan, die broer van ons te vermoorden en zijn bloed te bedekken! Laten wij hem liever aan de Ismaëlieten verkopen en niet de hand aan hem slaan; hij is toch een broer van ons, ons eigen vlees.” Zijn broers stemden daarmee in. Toen Midjanitische kooplieden voorbijkwamen, trokken de broers Jozef uit de put en verkochten hem voor twintig sikkel zilver aan de Ismaëlieten. De kooplieden voerden Jozef naar Egypte.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (21,33-43+45-46)
In die tijd sprak Jezus tot de hogepriesters en de oudsten van het volk: “Luistert naar een andere gelijkenis: Er was eens een landeigenaar die een wijngaard aanlegde; hij zette er een heining omheen, hakte een wijnpers erin uit en bouwde een wachttoren. Daarop verpachtte hij hem aan wijnbouwers en vertrok naar den vreemde. Toen de tijd van de oogst gekomen was, zond hij zijn dienaren naar de wijnbouwers om de opbrengst in ontvangst te nemen. Maar de wijnbouwers grepen zijn dienaren vast. Zij mishandelden de een, doodden de ander en stenigden een derde. Daarop zond hij andere dienaren, talrijker dan de eersten; maar zij behandelden hen op dezelfde manier. Tenslotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe, in de veronderstelling, dat zij zijn zoon wel zouden ontzien. Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze onder elkaar: Dat is de erfgenaam; vooruit, laten we hem vermoorden en ons zijn erfenis toe-eigenen. Ze grepen hem vast, wierpen hem de wijngaard uit en doodden hem. Wanneer nu de eigenaar van de wijngaard komt, wat zal hij dan wel met die wijnbouwers doen?” Ze antwoordden Hem: “Hij zal die ellendelingen een ellendige dood doen sterven en zijn wijngaard zal hij aan andere wijnbouwers verpachten, die hem de opbrengst op de vastgestelde tijd zullen afdragen.” Toen sprak Jezus tot hen: “Hebt gij nooit in de Schrift gelezen: De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, is juist de hoeksteen geworden. Op last van de Heer is dat gebeurd en het is wonderbaar in onze ogen. Daarom zeg Ik u, het Rijk Gods zal u ontnomen worden en gegeven aan een volk dat wel de vruchten daarvan opbrengt.” Toen de hogepriesters en Farizeeën zijn gelijkenissen gehoord hadden, begrepen ze dat Hij over hen sprak. Zij zonnen dus op een middel om zich van Hem meester te maken, maar ze waren bang voor het volk, omdat men Hem voor een profeet hield.

Overweging
Israël hield meer van Jozef dan van al zijn andere zonen. (Genesis 37, 3)

Zo krijg je gegarandeerd moeilijkheden! Een vader heeft twaalf zonen, en zonder blikken of blozen houdt hij van één van hen het meest. Mede daardoor wordt de geliefde zoon, Jozef, op zijn zachtst gezegd niet gehinderd door enig gevoel van minderwaardigheid. En om het nog erger te maken: zijn dromen versterken zijn speciale status alleen maar – en zonder schroom vertelt hij ze enthousiast aan zijn broers. Geen wonder dat hun jaloezie hen er bijna toe brengt om hem te vermoorden!

Goed dat dit verhaal in onze Bijbel staat. Het laat ons zien dat God gebruik kan maken van jaloezie, trots en familieruzies en er iets goeds uit voort kan laten komen. Wrok, leugens, moordgedachten, bitterheid? Het is geen probleem – Hij kan het allemaal goedmaken en het gebruiken in het grotere verband om zijn plan ten uitvoer te brengen. Kijk eens wat Hij voor Jozef en zijn familie deed. Gedurende zijn slavernij in Egypte – die het gevolg was van wat zijn broers bekokstoofd hadden – kon Jozef zijn familie redden van de hongersnood en zich verzoenen met zijn broers.

Laat de moed daarom niet zakken als u problemen ziet in uw eigen gezin. Niemand is volmaakt. We hoeven niet te ontkennen dat zonde ondermijnend werkt en relaties stuk kan maken en mensen diep kan verwonden. Maar vergeet nooit dat zonde niet het laatste woord heeft, dat heeft God! Jezus’ overwinning geeft ons alle redenen tot hoop. Zelfs als u niet ziet hoe alles afloopt, zelfs als de pijn reëel is, mag u nog vertrouwen dat God er bovenuit kan gaan. Denk aan Jozef, al die jaren in slavernij, in de gevangenis, hoe hij leerde wachten tot Gods plan tot volle bloei kwam.

Pas ook op dat u het grotere perspectief niet verliest. De heilige Geest wil ons hetzelfde leren als wat Jozef moest leren, namelijk dat God alles ten goede zal keren als wij Hem trouw blijven. God kan zien waar alles uiteindelijk naar toe kan leiden en hoe alles zich kan ontwikkelen, zelfs de dingen die nu volkomen zinloos lijken. Je mag erop vertrouwen dat Hij je bij elke stap die je zet laat delen in zijn liefde, op weg naar de volheid van leven die Hij voor jou bereid heeft.

Houd deze waarheden steeds in gedachten. Proclameer ze dikwijls in je binnenste. Laat je door Jezus vullen met hoop en vertrouwen op Hem. Hij houdt jouw familie in de palm van zijn hand!

Gebed
Heer, ik vertrouw U mijn familie toe. Ik geloof dat U grote dingen met ons kunt doen. Graag willen we U alle eer geven! Amen.

< 2e week: zaterdag

Eerste lezing uit het boek Micha (7,14-15+18-20)
Neem uw herdersstaf en weid uw volk, Heer, de schapen die uw erfdeel zijn; tussen de bomen, midden in het woud, zijn zij zo vereenzaamd. Laat ze weiden in Basan en Gilead, zoals in vroegere dagen. Ik laat wonderen zien, zoals in de dagen dat gij uit Egypte wegtrok.
Welke God is als Gij, die de schuld vergeeft, die voorbijgaat aan de zonde, door de rest van zijn erfdeel bedreven, die zijn toorn niet altijd laat duren, maar zijn vreugde vindt in goedheid? Hij zal zich opnieuw over ons ontfermen, Hij zal onze schuld onder zijn voeten verpletteren. Al onze zonden zal Hij naar de bodem van de zee verwijzen. Aan Jakob zult Gij uw trouw, aan Abraham uw goedheid tonen, zoals Gij het onze vaderen hebt bezworen, in de dagen van weleer.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (15,1-3+11-32)
In die tijd kwamen telkens weer tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Hem om naar Hem te luisteren. De Farizeeën en de schriftgeleerden morden daarover en zeiden: “Die man ontvangt zondaars en eet met hen.”
Hij hield hen deze gelijkenis voor: “Een man had twee zoons. Nu zei de jongste van hen tot zijn vader: Vader, geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb. En hij verdeelde zijn vermogen onder hen. Niet lang daarna pakte de jongste zoon alles bij elkaar en vertrok naar een ver land. Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven. Toen hij alles opgemaakt had, kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden. Nu ging hij in dienst bij een der inwoners van dat land, die hem het veld in stuurde om varkens te hoeden. En al had hij graag zijn buik willen vullen met de schillen die de varkens aten, niemand gaf ze hem. Toen kwam hij tot nadenken en zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik verga hier van de honger. Ik ga weer naar mijn vader en ik zal hem zeggen: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten, maar neem mij aan als een van uw dagloners. Hij ging dus op weg naar zijn vader. Zijn vader zag hem al in de verte aankomen, en hij werd door medelijden bewogen; hij snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk. Maar de zoon zei tot hem: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten. Doch de vader gelastte zijn knechten: Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan, steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan.Haalt het gemeste kalf en slacht het; laten we eten en feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden. Ze begonnen dus feest te vieren. Intussen was zijn oudste zoon op het land. Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde, hoorde hij muziek en dans. Hij riep een van de knechten en vroeg wat dat te betekenen had. Deze antwoordde: Uw broer is thuisgekomen en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten, omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen. Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen. Toen zijn vader naar buiten kwam en bij hem aandrong, gaf hij zijn vader ten antwoord: Al zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden, toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven om eens met mijn vrienden feest te vieren. En nu die zoon van u is gekomen die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen, hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten. Toen antwoordde de vader: Jongen, jij bent altijd bij me en alles wat van mij is, is ook van jou. Maar er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was en levend is geworden, verloren was en is teruggevonden.”

Overweging
. . . snel liep hij op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem. (Lucas 15,20)

Deze gelijkenis heeft in de loop van de tijd allerlei titels gekregen. Natuurlijk is er die van “De verloren zoon”, maar ook “Twee zonen” en soms zelfs “De rennende Vader”. Maar Jezus’ toehoorders hadden hem misschien eerder “De dwaze vader” genoemd. De manier waarop de vader zijn eigenwijze zoon behandelde ging helemaal in tegen het gezond verstand of de traditie van het Jodendom van de eerste eeuw.

Op de eerste plaats suggereerde de jongste zoon door al tijdens het leven van zijn vader om zijn erfdeel te vragen, dat hij wenste dat zijn vader dood was. De vader had woedend moeten zijn om dit verzoek, maar in plaats daarvan verdeelde hij de erfenis.

Op de tweede plaats: toen de vader zijn zoon diens deel van de erfenis gaf – vee, oogst en de andere goederen waaruit die bestond – verkocht de zoon alles, nam het geld mee en ging ervandoor. Dat was niet alleen een belediging maar ook een financiële slag in het gezicht van de vader. Zelfs al kon de vader zijn bezit voor zijn dood verdelen, zijn zonen mochten er voor zijn dood niets van verkopen. De vader moest er tenslotte nog van leven!

Ook het feit dat de vader naar zijn zoon toe rende om hem te begroeten zal voor de luisteraars heel schokkend zijn geweest. Men beschouwde het als onwaardig voor een volwassen man om zo achter zijn zoon aan te zitten. In een patriarchale samenleving als de Joodse kwamen kinderen altijd naar hun vader toe, en niet omgekeerd! Het was dus een schande dat de vader zich zo vernederde voor die ondankbare zoon.

En ten slotte: toen de vader het gemeste kalf slachtte en een groot feest aanrichtte, gebruikte hij indirect de erfenis van de oudste zoon – er was niets anders over. Geen wonder dat de oudste boos was!

Jezus gebruikte het vreemde gedrag van de vader om te onderstrepen hoe ver Gods barmhartigheid voor ons gaat. De manier waarop onze hemelse vader ons keer op keer vergeeft, is bijna ongerijmd te noemen. De manier waarop Hij met onverdiende schatten strooit, is een schandaal! Maar zo is onze God, en zijn liefde voor ons is werkelijkheid.

Probeer u vandaag voor te stellen hoe God naar u toe rent, met opgehesen gewaad en met een gezicht vol verwachting. Maakt dit niet dat u ook naar Hem toe wilt rennen?

Gebed
Dank U, Heer, voor uw eindeloze barmhartigheid voor mij.
Laat me zien hoe ik naar uw huis kan rennen en uw erfenis kan ontvangen! Amen.

< 3e week van de Veertigdagentijd

< 3e week: zondag

Eerste lezing uit het boek Exodus (20,1-17)
In die dagen sprak God al de woorden die hier volgen. “Ik ben de Heer uw God die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis. Gij zult geen andere goden hebben ten koste van Mij.
Gij zult geen godenbeelden maken, geen afbeeldingen van enig wezen boven in de hemel, beneden op aarde of in de wateren onder de aarde. Gij zult u voor hen niet ter aarde buigen en hun geen goddelijke eer bewijzen; want Ik, de Heer uw God, Ik ben voor hen die Mij haten een jaloerse God die de schuld van de vaders wreekt op hun kinderen tot het derde en vierde geslacht, maar voor hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden een God die goedheid bewijst tot aan het duizendste geslacht.
Gij zult de Naam van de Heer uw God niet lichtvaardig gebruiken; want de Heer laat hen die zijn naam lichtvaardig gebruiken niet ongestraft. Denk aan de sabbat: die moet heilig voor u zijn.
Zes dagen zult gij werken en arbeid verrichten. Maar de zevende dag is de sabbat voor de Heer uw God. Dan moogt gij geen enkele arbeid verrichten: gij zelf niet, uw zoon niet, uw dochter niet, uw slaaf niet, uw slavin niet, uw dieren niet, zelfs niet de vreemdeling die bij u woont. In zes dagen immers heeft de Heer de hemel, de aarde, de zee met al wat er in is gemaakt. Maar de zevende dag heeft Hij gerust en zo de sabbat gezegend en tot een heilige dag gemaakt.
Eer uw vader en uw moeder. Dan zult gij lang leven op de grond die de Heer uw God u schenkt. Gij zult niet doden. Gij zult geen echtbreuk plegen. Gij zult niet stelen. Gij zult tegen uw naaste niet leugenachtig getuigen. Gij zult uw zinnen niet zetten op het huis van uw naaste; gij zult uw zinnen niet zetten op de vrouw van uw naaste, niet op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, op niets wat hem toebehoort.”

Tweede lezing uit de Eerste brief aan de Korintiërs (1,22-25)
Broeders en zusters,
Joden eisen wonderen, Grieken wijsheid. Maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid; maar voor hen die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, is die Christus Gods kracht en Gods wijsheid. Want de dwaasheid van God is wijzer dan de mensen en de zwakheid van God is sterker dan de mensen.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (2,13-25)
Toen het paasfeest der Joden nabij was ging Jezus op naar Jeruzalem. In de tempel trof Hij de verkopers aan van runderen, schapen en duiven en ook de geldwisselaars die daar zaten. Hij maakte van touwen een gesel, dreef ze allemaal uit de tempel, ook de schapen en de runderen; het kleingeld van de wisselaars veegde Hij van de tafels en Hij wierp die omver. En tot de duivenhandelaars zei Hij: “Weg met dit alles! Maakt van het huis van mijn Vader geen markthal!” Zijn leerlingen herinnerden zich dat er geschreven staat: De ijver voor Uw huis zal mij verteren. De Joden richtten zich tot Hem met de woorden: “Wat voor teken kunt Gij ons laten zien dat Gij dit doen moogt?” Waarop Jezus hun antwoordde: “Breekt deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.” Maar de joden merkten op: “Zesenveertig jaar is aan deze tempel gebouwd; zult hem dan in drie dagen doen herrijzen?” Jezus echter sprak over de tempel van zijn lichaam. Toen Hij dan ook verrezen was uit de doden herinnerden zijn leerlingen zich dat Hij dit gezegd had, en zij geloofden in de Schrift en in het woord dat Jezus gesproken had. Terwijl Hij bij gelegenheid van het paasfeest in Jeruzalem was, begonnen er velen in zijn Naam te geloven bij het zien van de tekenen die Hij deed. Maar Jezus van zijn kant had geen vertrouwen in hen omdat Hij allen kende. Hij wist wat er in de mens stak en daarom was het niet nodig dat iemand Hem over de mens inlichtte.

Overweging
De ijver voor uw huis zal Mij verteren. (Johannes 2,17)

Als u van de evangelielezing van vandaag maar één ding onthoudt, laat het dan dit zijn: u bent Gods tempel. Net zoals Jezus de tempel ontdeed van alle verontreinigende invloeden, zo wil Hij ook ons reinigen. En net zoals Hij zich beijverde voor het huis van zijn Vader, zo ijvert Hij ook voor ons – want we zijn allemaal tempels van zijn heilige Geest.

Maar laten we dit verhaal wel in het juiste perspectief plaatsen. Bedenk ook hoe bemoedigend en behulpzaam Jezus overal in het evangelie is. Bedenk hoe veel Hij van u houdt. Bedenk dat Hij dag in dag uit voor u bidt. Jezus ijvert voor ons met een hartstochtelijke liefde – maar de eerlijkheid gebiedt: er zijn ook tijden waarin zijn hartstocht zich richt tegen de zonde in ons. Daar gaan we iets begrijpen van de uitdrukking “de toorn van God”.

We ontsieren deze prachtige tempel van ons leven als we ons door de zonde laten inpalmen. Steeds wanneer de zonde macht heeft over ons, wordt onze tempel een beetje meer verduisterd, en dat ergert de Heer. Natuurlijk is zijn boosheid gericht tegen ons gedrag en niet tegen ons hart. Maar het is toch een hartstochtelijke boosheid.

Laten we dus de keuze maken ervoor te zorgen dat de Heer nooit boos op ons hoeft te worden. Laten we ervoor zorgen dat Jezus de eerste plaats in ons leven heeft. Laten we ervoor zorgen dat we geen enkele zonde in ons leven binnenlaten die de tempel van ons hart en ons lichaam bezoedelt. En als we toch vallen, laten we dan de moed en de nederigheid hebben om tot berouw te komen en ons met de Heer te verzoenen. Kortom, laten we alles doen wat we kunnen om de tempel van ons hart zo zuiver en heilig mogelijk te maken.

Laten we ook bidden om de moed om te evangeliseren. Er zijn zo veel mensen op aarde die hun tempel verontreinigen. Het is aan ons om contact met hen te zoeken, te beginnen met onze familieleden en vrienden. We kunnen hen helpen met God in het reine te komen zodat zij zijn hartstochtelijke liefde mogen ervaren en niet zijn toorn.

Gebed
Heer, laat de ijver voor uw huis mij verteren. Stuur me de wereld in met de boodschap van uw hartstochtelijke, alomvattende liefde. Amen.

< 3e week: maandag

Eerste lezing uit het Tweede boek Koningen (5, 1-15a)
In die dagen was Naäman, de legeroverste van de koning van Aram, zeer gezien bij zijn heer en had grote invloed, want door hem had De Heer voor Aram uitkomst gebracht. Hij was een groot soldaat, maar de man leed aan een huidziekte. Nu hadden Aramese benden eens een strooptocht ondernomen in Israël en daarbij een jong meisje buitgemaakt; dat was nu in dienst bij de vrouw van Naäman. Ze zei tot haar meesteres: “Och, kon mijn heer maar eens naar de profeet gaan die in Samaria woont; die zou hem wel van zijn ziekte afhelpen.” Naäman ging aan zijn heer vertellen wat het meisje uit Israël gezegd had. Toen zei de koning van Aram: “Ga erheen; ik zal u een brief meegeven voor de koning van Israël.” Hij ging op weg, nam tien talenten zilver, zesduizend sikkel goud en tien feestgewaden mee, en meldde zich met de brief bij de koning van Israël. Daarin stond: Met deze brief zend ik mijn dienaar Naäman tot u; ik verzoek u hem van zijn huidziekte te genezen. Zodra de koning van Israël de brief gelezen had, scheurde hij zijn kleren en zei: “Ben ik soms God, met macht over leven en dood, dat hij iemand naar mij toestuurt die ik van zijn huidziekte moet genezen? Let maar eens op mijn woorden: hij zoekt ruzie met mij.” Toen Elisa, de man Gods, hoorde dat de koning van Israël zijn kleren gescheurd had, liet hij de koning vragen: “Waarom hebt u uw kleren gescheurd? Stuur hem naar mij toe. Dan zal hij weten dat er een profeet is in Israël.” Toen ging Naäman met zijn paarden en wagen op weg en hield stil voor het huis van Elisa. Deze zond iemand met de boodschap: Was u zevenmaal in de Jordaan; dan zal uw huid weer gezond worden en zult u gereinigd zijn. Toen werd Naäman boos en ging heen. Hij zei: “Ik had gedacht: hij zal naar buiten komen en voor me gaan staan. Dan zal hij de naam van de Heer zijn God aanroepen, met zijn hand over de plek strijken en de ziekte wegnemen. Zijn de Abana en de Parpar, de rivieren van Damascus, soms niet beter dan al de wateren van Israël? Kan ik mij daarin niet wassen om gereinigd te worden?” Hij keerde zich om en ging verontwaardigd heen. Maar zijn dienaren gingen naar hem toe en zeiden: “Vader, gesteld dat de profeet u iets moeilijks opgedragen had, dan had u het toch ook gedaan? Waarom dan niet, nu hij u zegt dat u zich maar hoeft te wassen om weer rein te worden?” Toen ging hij naar de Jordaan en dompelde zich zevenmaal onder, zoals de man Gods gezegd had. Zijn huid werd weer als die van een klein kind en hij was gereinigd. Hij keerde met heel zijn gevolg naar de man Gods terug, trad het huis binnen, ging voor hem staan en zei: “Nu weet ik dat er alleen in Israël een God is, en nergens anders op aarde.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (4, 24-30)
Toen Jezus in Nazaret kwam, zei Hij tot het volk in de synagoge: “Voorwaar, Ik zeg u: geen profeet is heilzaam voor zijn eigen vaderstad. En het is waar wat Ik u zeg: in de tijd van Elia immers, toen de hemel drie jaar en zes maanden gesloten bleef en een grote hongersnood uitbrak over het hele land, waren er veel weduwen in Israël; toch werd Elia tot niemand van hen gezonden, behalve tot een weduwe in Sarepta in het gebied van Sidon. En in de tijd van de profeet Elisa waren er vele melaatsen in Israël; toch werd niemand van hen gereinigd, behalve de Syriër Naäman.” Toen ze dit hoorden, werden allen die in de synagoge waren, woedend. Ze sprongen overeind, joegen Hem de stad uit en dreven Hem voort tot aan de steile rand van de berg waarop hun stad gebouwd was, om Hem daar in de afgrond te storten. Maar Hij ging midden tussen hen door en vertrok.

Overweging
Was u zevenmaal in de Jordaan (2 Koningen 5,10)

Probeer u eens voor te stellen hoe dit tafereel er in de huidige tijd uit zou zien. Naäman is wanhopig op zoek naar genezing van zijn melaatsheid. Hij krijgt een aanbevelingsbrief voor de koning van Israël mee van zijn baas, de koning van Syrië. Ook brengt hij een stel diplomatenkoffers met geld mee – omgerekend zo’n vijf miljoen dollar. Verder zitten er in zijn bagage een aantal dure kostuums, puur bedoeld om indruk te maken op de koning. En nog een rijtje auto’s – van de merken Bentley of Mercedes Benz. Maar Elisa is niet onder de indruk. De profeet zegt tegen Naäman dat hij alleen maar een bad hoeft te nemen. Dat wil zeggen, zeven baden!

Bedenk eens hoe moeilijk dit voor Naäman geweest moet zijn. Van hem, een beroemd legercommandant, werd gevraagd dat hij zich over zou geven. Hij moest zijn status als invloedrijk en machtig man opgeven en zich overgeven aan een ordinaire onderdompeling. Maar God had geen oog voor zijn status en Elisa al evenmin. En tot ieders verrassing – misschien nog het meest van Naäman zelf – volgde hij de aanwijzingen van de profeet op en werd zo genezen! Naäman, de heiden – Naäman, commandant in het leger van een vijand – die Naäman werd een toonbeeld van geloofsvertrouwen.

Dat is vaak de manier waarop God met ons omgaat als we Hem iets vragen. Hij zou onmiddellijk kunnen handelen. Soms doet Hij dat, maar soms geeft Hij ons ook niet direct datgene waar wij om vroegen. Hij brengt ons eerst op een onverwacht, vaak ongemakkelijk spoor dat ons verrassende maar inspirerende resultaten oplevert. Zijn doel is altijd dat we groeien in geloof en dichter bij Hem komen. En bezien vanuit de invalshoek van de eeuwigheid kan die geloofsstap net zo belangrijk zijn als de verhoring van ons gebed!

Misschien bidt u al lang voor iets. De reden dat u het nog niet gekregen hebt is misschien wel dat God op u wacht! Misschien wil Hij dat u op een bepaald punt een stap zet, een beweging van ongeloof naar vertrouwen. Of van angst en passiviteit naar actie en vrijheid. Of van wrok naar vergeving. Pas als u die stap in het onbekende durft te zetten zult u ontdekken wat er aan de andere kant ligt. Ga ervoor – u hebt niets te verliezen, en zoveel te winnen!

Gebed
Heer, als er iets is dat me afsluit voor uw zegeningen, laat het me dan alstublieft zien. Ik ben bereid te doen wat moeilijk of beangstigend lijkt – of belachelijk – zodat U het onmogelijke kunt doen! Amen.

< 3e week: dinsdag

Eerste lezing uit het boek Daniël (3, 25+34-43)
In die dagen verrichtte Azarja staande dit gebed: “Terwille van uw naam: verstoot ons toch niet voorgoed en verbreek niet uw verbond, trek uw barmhartigheid niet van ons terug terwille van Abraham, uw vriend, terwille van Isaäk, uw dienaar, en van Israël, uw heilige. Aan hen hebt Gij beloofd hun nakomelingen even talrijk te maken als de sterren aan de hemel en de zandkorrels aan het strand der zee. Maar nu zijn wij, Heer, het kleinste volk geworden van alle volkeren op aarde en nergens ter wereld hebben wij nog iets te betekenen vanwege onze zonden. Wij hebben nu geen koning meer, geen profeet, geen leider, geen brand- en slachtoffers, geen spijsoffers en reukwerk, zelfs geen heilige plaats waar wij U kunnen offeren om zo uw barmhartigheid te kunnen ervaren. Maar laat ons bij U gehoor vinden vanwege ons vermorzeld hart en onze ootmoedige geest. Moge vandaag ons offer bestaan in volmaakte aanhankelijkheid aan U en moge het U evenzeer behagen als kwamen we met brandoffers van rammen en stieren en met tienduizenden vette lammeren, want geen smaad treft hen die op U vertrouwen. Thans volgen wij U van ganser harte; wij eerbiedigen U en zoeken U. Laat ons toch niet te schande worden, maar handel met ons naar uw goedheid en naar uw grote barmhartigheid. Red ons op uw wonderbare wijze en verheerlijk, Heer, uw naam.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (18,21-35)
In die tijd kwam Petrus naar Jezus toe en sprak: “Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?” Jezus antwoordde hem: “Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal. Daarom gelijkt het Rijk der hemelen op een koning die rekening en verantwoording wilde vragen aan zijn dienaren. Toen hij hiermee begon, bracht men iemand bij hem die tienduizend talenten schuldig was. Daar hij niets had om te betalen gaf de heer het bevel hem te verkopen met vrouw en kinderen en al wat hij bezat om zo de schuld te vereffenen. De dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. De heer kreeg medelijden met die dienaar, liet hem gaan en schold hem de geleende som kwijt. Maar toen die dienaar buiten kwam, trof hij daar een andere dienaar die hem honderd denarien schuldig was; hij greep hem bij de keel en zei: Betaal wat je schuldig bent. De andere dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heb geduld met mij en ik zal u betalen. Maar hij weigerde en liet hem zelfs in de gevangenis zetten, totdat hij zijn schuld zou hebben betaald. Toen nu de overige dienaren zagen wat er gebeurd was, waren zij diep verontwaardigd en gingen hun heer alles vertellen. Daarop liet de heer hem roepen en sprak: Jij lelijke knecht, heel die schuld heb ik je kwijtgescholden, omdat je mij erom gesmeekt hebt. Had jij dan ook geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ik met jou medelijden heb gehad? En in toorn ontstoken leverde zijn heer hem over aan de beulen, totdat hij zijn hele schuld betaald zou hebben. Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen, die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt.”

Overweging
Niet tot zeven keer toe, zeg Ik je, maar tot zeventig maal zeven keer toe. (Matteüs 18,22)

Spreken in gelijkenissen was een van de meest effectieve lesmethodes van Jezus. Als rasechte verhalenverteller verstond Hij de kunst om de belangstelling van zijn toehoorders te trekken en hen in het verhaal te laten opgaan. Maar Jezus’ gelijkenissen waren niet alleen maar boeiende verhaaltjes – ze onthullen ons de liefde van God en de waarden van zijn koninkrijk. Ze roepen ons op tot verdere bekering.

Om een les heel duidelijk te maken, maakte Jezus vaak gebruik van de stijlfiguur overdrijving – een algemeen gebruik in de Semitische wereld – of ging Hij uit van tegenstellingen zoals wijsheid en dwaasheid, goedgeefsheid en gierigheid. Geen duidelijker voorbeeld van overdrijving dan in de evangelielezing van vandaag over de dienaar die niet wilde vergeven. Een man aan wie een enorme schuld werd kwijtgescholden – overeenkomend met 100 miljoen daglonen – weigerde de schuld van een andere man weg te strepen die overeenkwam met 100 daglonen – een schuld die maar het 1 miljoenste deel bedroeg van zijn eigen schuld. Hoewel de dienaar erkende dat hij enorm geluk gehad had dat zijn heer voor hem barmhartig geweest was, stond hij niet toe dat zijn eigen hart door die barmhartigheid verzacht zou worden. Met vreselijke gevolgen voor hemzelf.

Het keiharde slot van dit verhaal is een rechtstreekse oproep aan ons om net zo vergevend te zijn voor andere mensen als God geweest is voor ons. Hiermee wordt ook onderstreept wat Jezus zijn leerlingen vertelde in de Bergrede: “Want als jullie de mensen hun overtredingen vergeven, zal je hemelse Vader ook jullie vergeven. Maar als jullie de mensen niet vergeven, zal je Vader jullie overtredingen ook niet vergeven.” (Matteüs 6,14-15) Als wij niet ons best doen om barmhartig, medelijdend en vergevend te zijn, zullen we het heel moeilijk vinden om te bidden of weet te hebben van Gods eigen liefde en barmhartigheid in ons leven.

Als dit al angstaanjagend klinkt, denk dan aan de gelijkenis van vandaag! Het is de ervaring dat je vergeving ontvangen hebt die ons ertoe brengt om zelf de mensen in onze omgeving vergeving te schenken. De mate waarin wij Gods liefde en barmhartigheid in ons leven ervaren hebben is dezelfde mate waarin wij in staat zullen zijn om elkaar met barmhartigheid te behandelen. Wilt u dus in staat zijn om meer te vergeven? Loop dan hard naar Jezus toe en vraag Hem om een grotere uitstorting van zijn liefde. Zeg het de psalmist na die bad: “Leer mij uw wegen kennen, Heer” (Psalm 25,4). Open u voor zijn liefde, zodat u die liefde vervolgens kunt delen met ieder ander!

Gebed
Dank U, Jezus, voor de talloze malen dat U mijn zonden vergeven hebt. Maak mijn hart mild door uw genade.
Geef dat ik van uw onmetelijke barmhartigheid mag leren om ook barmhartig te zijn. Amen.

< 3e week: woensdag

Eerste lezing uit het boek Deuteronomium (4,1+5-9)
In die dagen sprak Mozes tot het volk: “Luister dan, Israël, naar de voorschriften en bepalingen die ik u leer, en handel daarnaar. Dan zult gij leven en bezit gaan nemen van het land dat de Heer, de God van uw vaderen, u schenkt. Ik heb u nu de voorschriften en bepalingen geleerd, zoals de Heer uw God mij heeft opgedragen. Handel ernaar in het land dat gij in bezit gaat nemen en breng ze stipt ten uitvoer, want daaruit zal voor de volken uw wijsheid en uw inzicht blijken. Als zij al deze voorschriften horen, zullen ze zeggen: Dat machtige volk is wijs en verstandig. Is er soms een andere grote natie, aan wie hun goden zo nabij zijn als de Heer onze God ons nabij is, zo vaak wij Hem aanroepen? Of is er een andere grote natie die zulke volmaakte voorschriften en bepalingen heeft als de wet die ik u heden geef? Wees dus op uw hoede en zorg er voor, dat gij niet vergeet wat gij met eigen ogen gezien hebt. Laat dat uw leven lang niet uit uw gedachten gaan en geef het door aan uw kinderen en kleinkinderen.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (5,17-19)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Denkt niet dat Ik gekomen ben om Wet en Profeten op te heffen; Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om de vervulling te brengen. Want voorwaar, ik zeg u: Eerder nog zullen hemel en aarde vergaan, dan dat een jota of haaltje vergaat uit de Wet, voordat alles geschied is. Wie dus één van die voorschriften, zelfs het geringste, opheft en zo de mensen leert, zal de geringste geacht worden in het Rijk der hemelen, maar wie ze onderhoudt en leert zal groot geacht worden in het Rijk der hemelen.”

Overweging
Is er soms een andere grote natie bij wie hun goden zo nabij zijn als de HEER onze God ons nabij is? (Deuteronomium 4,7)

Als er een bekende zanger in de stad komt dan gebeurt het vaak dat het plaatselijke radiostation een wedstrijd uitschrijft: de winnaar komt in aanmerking voor een privéontmoeting met de zanger. Voor een enthousiaste fan kan dat heel spannend zijn. Maar het kan ook tamelijk onpersoonlijk toegaan. Er is geen echt contact tussen de fan en de zanger, niet meer dan een handdruk, een paar woorden en een foto.

Stel u voor dat u een toegangsbewijs krijgt voor een privéontmoeting met God. Zou dat er niet heel anders aan toegaan? Hij zou het niet bij een handdruk laten en een glimlach voor de camera. Hij zou u hartelijk omhelzen, u diep in de ogen kijken en ervoor zorgen dat u wist dat Hij heel blij was om u te zien!

Deze vergelijking komt goed van pas als we bekijken hoe Mozes de speciale positie van de Israëlieten beschreef. Ze stonden op het punt binnen te gaan in het Beloofde Land, een land dat omringd was door volken die in allerlei goden geloofden. Maar geen van deze goden was te vergelijken met de ene, ware God. Zou een van deze valse goden werkelijk van hen houden? Zou een van hen in staat zijn om hemel en aarde te bewegen om hen uit slavernij te verlossen? Zou een van hen dichter bij hun hart zijn dan een broer? Nee, alleen de God van Abraham, Isaac, en Jakob!

Zo zijn ook wij omringd door mensen en dingen die allerhande bevrediging beloven. Maar geen daarvan kan ons geven wat God biedt. Wie kan zich vergelijken met Degene die u heeft gevormd en u bij uw naam blijft roepen? Wie kan zich vergelijken met een God die bereid is zijn leven voor u af te leggen?

God heeft veel rivalen, veel krachten die strijden om onze aandacht en gevoelens. Maar Hij weet dat deze rivalen lijken op beroemdheden die we achter de coulissen zouden kunnen ontmoeten. Zij houden niet echt van ons en eigenlijk zijn ze niet echt in ons geïnteresseerd.

Probeer vandaag in het gebed een lijstje te maken van alle uiteenlopende manieren waarop God bij uw leven betrokken geweest is. Denk eerst aan de waarheden van het geloof: Hij heeft u geschapen en Hij heeft u verlost. Maar denk ook aan de manieren waarop Hij zich aan u persoonlijk heeft getoond. Schrijf ze op en geef ze een opvallende plaats. Laat deze verhalen u bewijzen dat uw Vader veel en volledig van u houdt.

Gebed
Heer God, dank U dat U zo dicht bij mij bent, dat mijn leven U zo ter harte gaat. Heer, geef dat ik vandaag U en uw liefde mag kennen. Amen.

< 3e week: donderdag

Eerste lezing uit het boek Jeremia (7,23-28)
Zo spreekt de Heer: “Dit alleen heb Ik hen bevolen: Luistert naar Mij, dan zal Ik uw God zijn en gij zult mijn volk zijn. Volgt de weg die Ik u wijs, dan zal het u goed gaan. Maar ze hebben niet geluisterd en Mij niet gehoorzaamd. Ze blijven hardnekkig in de boosheid. Hoe langer hoe meer keerden ze zich van Mij af. Sinds de uittocht van uw voorvaderen uit Egypte, tot heden toe, heb Ik u mijn dienaren de profeten gezonden, telkens weer. Maar ze hebben niet naar Mij geluisterd en Mij niet gehoorzaamd. Ze bleven hardnekkig, meer nog dan hun voorvaderen. Zeg hun dat alles, luisteren zullen ze niet; roep het hun toe, antwoorden zullen ze niet. Dan moet ge tegen hen zeggen: Hier is nu het volk dat niet wil luisteren naar de Heer, zijn God, dat zich niet laat beleren. Weg is de oprechtheid, ze komt niet meer over hun lippen.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (11,13-23)
Eens dreef Jezus een duivel uit die stom was. Zodra de duivel was uitgevaren, kon de stomme weer spreken. De mensen stonden er verbaasd van. Maar enkelen van hen zeiden: “Door Beëlzebub, de vorst der duivels, drijft Hij de duivels uit.” Anderen – om Hem op de proef te stellen – verlangden van Hem een teken uit de hemel. Maar Hij kende hun gedachten en sprak tot hen: “Elk rijk dat innerlijk verdeeld is, vervalt tot een woestenij, het ene huis valt op het andere. Als nu ook de satan met zichzelf in strijd is, hoe kan zijn rijk dan standhouden? Ge zegt immers, dat ik door Beëlzebub de duivels uitdrijf. Als Ik door Beëlzebub de duivels uitdrijf, door wie drijven uw zonen ze dan uit? Daarom zullen zij uw rechters zijn. Maar als ik door de vinger Gods de duivels uitdrijf, dan is inderdaad het Rijk Gods tot u gekomen. Wanneer een sterke, welbewapend, zijn huis en hof bewaakt, is zijn bezit veilig. Komt er echter iemand die sterker is dan hij en die hem overwint, dan rooft deze zijn volle uitrusting, waarop hij zijn vertrouwen stelde, en verdeelt wat hij bezit als buit. Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij bijeenbrengt, die verstrooit.”

Overweging
. . . met de vinger van God . . . (Lucas 11, 20)

Als u ten strijde zou trekken tegen een geducht leger, hoe zou u zich dan verdedigen? Uw belangrijkste wapen zou ongetwijfeld niet uw vinger zijn, wel? U zou waarschijnlijk uw eigen wapens hebben, kogelvrije kleding en volop reserveonderdelen. Maar in de evangelielezing van vandaag horen we dat het enige wat Jezus nodig heeft om de duivel te overwinnen, zijn vinger is!

Jezus is sterker dan de duivel, veel sterker! Als de satan, een “sterke man”, ons lastigvalt dan overwint Jezus, de “sterkere man”, hem gemakkelijk! Daarover gaat het verhaal van de twee sterke mannen in de evangelielezing van vandaag. Eén man is “sterk”, “goed bewapend” en hij denkt dat zijn bezittingen goed afgeschermd zijn. Maar dan komt er een “sterkere man” langs, hij neemt de wapenrusting van de sterke man af en “verdeelt de buit”. De sterke man is satan, wiens leugens en verleidingen ons het gevoel kunnen geven dat we gijzelaars zijn.

In wel opzicht voelt u zich verstrikt of gegijzeld? Misschien hebt u het gevoel dat een zondig patroon of een moeizame relatie nooit opgelost zullen worden. De neerwaartse spiraal is te sterk om eraan te ontkomen. Geef niet op! Denk aan Jezus, de sterkere man. Denk aan de vinger van God! In het ene na het andere verhaal in de evangeliën zien we dat de Heer ontzagwekkende dingen doet alsof het niets is. Herinner u dat Jezus te maken kreeg met een hevige storm op het meer. Hij hoefde alleen maar te zeggen: “Zwijg, wees stil!” en het werd kalm (Marcus 4,39). Of denk eraan hoe Hij het dochtertje van Jaïrus uit de dood opwekte met maar twee woorden: “Talita koem” (5,41).

Satan mag wel sterk zijn, maar Jezus is sterker. En wat meer is, Hij vindt u waardevol – dus zal Hij absoluut antwoorden als u Hem roept. Hij heeft u verlost en u tot zijn eigendom verklaard. Hij zal u altijd te hulp komen.

Nodig Jezus daarom binnen in uw bolwerken. Misschien ziet u niet direct resultaat, maar dat betekent niet dat Hij niet doorbreekt en uw gebeden beantwoordt. Dat doet Hij! Blijf alleen dicht bij Hem. Schaar u bij Hem in plaats van u te “verstrooien” naar andere vormen van troost en veiligheid (Lucas 11,23). Houd uw hart op Hem gevestigd en u zult merken hoe Hij u zijn vrede en bevrijding geeft.

Gebed
Heer, U bent mijn sterke bevrijder.
In uw bescherming kan ik veilig rusten. Amen.

< 3e week: vrijdag

Eerste lezing uit het boek Hosea (14,2-10)
Zo spreekt de Heer: “Bekeer u, Israël, tot de Heer uw God want over uw schuld zijt gij gestruikeld. Kom met uw woorden als gave, bekeer u tot de Heer en zeg Hem: Gij vergeeft toch alle schuld; aanvaard ook onze goede wil: wij zullen onze woorden als offerdieren geven. Assur kan ons niet redden; wij zullen niet meer op paarden rijden en tegen het maaksel van onze handen zeggen wij nooit meer: Gij zijt onze God. Gij, de Heer, zijt immers degene bij wie de wees ontferming vindt.
Ik wil hen van hun ontrouw genezen en hun van harte mijn liefde schenken. Mijn toorn heeft zich van hem afgewend. Ik wil voor Israël zijn als de dauw: als een lelie zal hij gaan bloeien en hij zal wortels schieten, als op de Libanon. Zijn scheuten lopen uit, zijn luister evenaart die van de olijfboom, zijn geur die van de Libanon. Zij zullen opnieuw in zijn schaduw zitten; zij zullen koren kunnen verbouwen, zij zullen bloeien als de wingerd en vermaard zijn als de wijn van de Libanon. Wat heb Ik dan nog met de afgoden te maken, Efraïm? Ik ben het die hem verhoort en die naar hem omziet. Ik ben als een altijd groene cipres: aan Mij zijn uw vruchten te danken. Wie is zo wijs dat hij dit beseft, wie is zo verstandig dat hij dit inziet? Inderdaad, recht zijn de wegen van de Heer; de rechtschapenen bewandelen die, maar rebellen komen er ten val.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus (12,28-34)
In die tijd trad een schriftgeleerde op Jezus toe en legde Hem de vraag voor: “Wat is het allereerste gebod?” Jezus antwoordde: “Het eerste is: Hoor, Israël! De Heer onze God is de enige Heer. Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht. Het tweede is dit: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Er is geen ander gebod voornamer dan deze twee.” Toen zei de schriftgeleerde tot Hem: “Juist, Meester, terecht hebt Ge gezegd: Hij is de enige en er bestaat geen andere buiten Hem; en Hem beminnen met heel zijn hart, heel zijn verstand en heel zijn kracht en de naaste beminnen als zichzelf gaat boven alle brand – en slachtoffers.” Omdat Jezus zag dat hij wijs gesproken had, zei Hij hem: “Gij staat niet ver af van het Koninkrijk Gods.” En niemand durfde Hem nog een vraag te stellen.

Overweging
U zult uw naaste liefhebben als uzelf. (Marcus 12, 31)

Puttend uit zijn ervaringen in het samenleven met mensen met een verstandelijke beperking in een Arkgemeenschap beschreef Henri Nouwen (in: ‘In de Naam van Jezus’ – 1989) zijn groeiend besef van twee soorten liefde. De tweede liefde, de menselijke liefde – zei hij – is maar een afspiegeling van de eerste liefde, die van God komt. Gods liefde heeft geen schaduwen. Ze kent geen voorwaarden en we hoeven niet bang te zijn dat Hij ons zal afwijzen. Door van ons te houden heeft onze Vader de lat voor zichzelf heel hoog gelegd – zo hoog als de hemel!

Toch herinnert de evangelielezing van vandaag ons eraan dat de lat voor onze menselijke liefde ook behoorlijk hoog ligt. U zult uw naaste liefhebben. Punt. Geen beperkingen. Alleen liefde. Zal onze liefde volmaakt zijn? Waarschijnlijk niet. Voldoen aan de roeping tot liefde is een voortdurende uitdaging, en dat zal het ook altijd blijven. Verwacht daarom niet dat je het van het begin af volmaakt doet, probeer het meer geleidelijk.

Hier heb je een suggestie. Neem een stuk een papier en teken drie kolommen. Schrijf in één kolom alle woorden die je associeert met Gods liefde voor jou: vriendelijk, trouw, barmhartig, meelevend enzovoorts. In de tweede kolom schrijf je alle dingen die de liefde doet: ze beschermt, troost, disciplineert, hoopt, verheugt zich. En in de derde kolom schrijf je de namen van heiligen of mensen in de Bijbel die deze eigenschappen bezaten.

Neem nu een heilige uit de lijst en probeer uit te vinden hoe hij of zij een bepaald aspect van Gods liefde is gaan vertonen. Neem een aspect waaraan je het liefst wilt werken, iets waarvan je weet dat je er een beetje hulp bij kunt gebruiken. Zoek een boek over deze persoon op of zoek op het Internet naar verhalen of artikelen. Waarschijnlijk zul je ontdekken dat deze persoon niet volmaakt geboren is. Het kostte vermoedelijk heel wat jaren voordat hij of zij zo royaal was, of zo nederig of meelevend of welke deugd je ook maar zoekt.

Vervolgens, als je het pad van deze heilige min of meer ontdekt hebt, probeer je uit te vinden waar de raakpunten liggen tussen jouw leven en dat van deze persoon. Hoe kun je hem of haar navolgen wanneer je meer liefhebbend wilt worden? Bedenk één kleine verandering die je de volgende een of twee weken kunt maken en schrijf die uit. Maak er je doel van om te groeien in deze “tweede liefde”, zodat je de “eerste liefde” die van de Almachtige God komt, beter kunt weerspiegelen.

Gebed
Heer, help me mijn naaste lief te hebben zoals U mij liefhebt. Amen.

< 3e week: zaterdag

Eerste lezing uit het boek Hosea (6, 1-6)
Zo spreekt de Heer: “In zijn ellende zal mijn volk Mij zoeken van de vroege morgen af en zeggen: Kom, laten we terugkeren tot de Heer; Hij heeft ons verscheurd, Hij zal ons ook genezen; Hij heeft wonden geslagen, Hij zal ze ook verbinden. Na twee dagen maakt Hij ons weer levend, op de derde dag laat Hij ons weer opstaan om weer te leven voor zijn aanschijn. Wij willen de Heer liefhebben, ons inspannen om Hem te kennen. En zeker als de dageraad vertoont Hij zich, komt Hij over ons als de regen, als de lenteregen die de aarde drenkt. Wat moet Ik met u beginnen, Efraïm? Wat moet Ik met u beginnen, Juda? Uw vroomheid is als de morgennevel, als de dauw die vroeg in de morgen verdwijnt. Daarom heb Ik op u ingeslagen door de profeten, heb Ik de dood gebracht door de woorden van mijn mond: mijn oordeel brak door als het licht. Want vroomheid wens Ik, geen offergaven, en erkenning van God, méér dan brandoffers.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (18, 9-14)
In die tijd vertelde Jezus, met het oog op sommigen die, – overtuigd van eigen gerechtigheid – de anderen minachtten, de volgende gelijkenis. “Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de één was een Farizeeër en de andere een tollenaar. De Farizeeër stond met opgeheven hoofd en bad bij zichzelf als volgt: God, ik dank u dat ik niet zo ben als de rest van de mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als die tollenaar daar. Ik vast tweemaal per week en geef tienden van al mijn inkomsten. Maar de tollenaar bleef op een afstand en wilde zelfs niet zijn ogen opheffen naar de hemel; maar hij klopte zich op de borst, en zei: God wees mij, zondaar, genadig. Ik zeg u: deze ging gerechtvaardigd naar huis en niet die andere, want alwie zich verheft zal vernederd, maar wie zich vernedert zal verheven worden.”

Overweging
. . . dat ik niet ben zoals de andere mensen . . . (Lucas 18,11)

Als je er over nadenkt dan zijn er maar twee soorten mensen die zo zouden bidden. De eerste zegt, net als de farizeeër: “Kijk eens naar mij, Heer! Ik ben niet zo als die andere mensen. Ik doe echt heel veel voor U, vindt u niet?” De tweede zegt: “Ik hoor niet op deze wereld thuis. Ik kan nooit iets goed doen.”

De meesten van ons hebben op enig moment wel eens zoiets gedacht en gebeden. De vraag is alleen, hoe kom je van zo’n verkeerde manier van denken af?

Als u last hebt van hoogmoed, zoals in het eerste voorbeeld, probeer uzelf dan niet te kleineren! Laat u daarentegen leiden door de heilige Geest. Hij zal u in de stilte van uw hart laten zien waar u veroordelend of trots bent. Hij zal u herinneren aan Gods grootheid en majesteit, en u zachtjes uw plaats wijzen. Maar eerst moet u bereid zijn naar Hem te luisteren: “allen moeten zich in de omgang met elkaar laten leiden door nederigheid, want God weerstaat de hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade” (1 Petrus 5,5).

Maar als u eerder geneigd bent uzelf te kleineren – zoals de tweede persoon – ook dan hebt u het nodig om even flink wakker geschud te worden. Het is de heilige Geest die ons van zonde overtuigt, maar Hij kan ook een valse bescheidenheid aan het licht brengen die het gevolg is van pijnlijke herinneringen of een zwak zelfbeeld. Hij zal u overtuigen dat uw (eigen)waarde afkomstig is van Gods onveranderlijke liefde, niet van wat anderen over u zeggen. Dit te beseffen geeft vrijheid en stelt ons in staat om de unieke gaven en talenten te gebruiken die Hij ons gegeven heeft. Het lijdt geen twijfel dat we alles kunnen doen waar God ons toe roept omdat onze kracht van Christus komt! (Filippenzen 4,13).

Ons doel als christenen moet zijn om de gulden middenweg te vinden tussen overdreven trots en zelfveroordeling. Het is van belang dat we ons – net zoals de tollenaar – bewust zijn van onze behoefte aan Gods barmhartigheid. Maar tegelijk moeten we ook in staat zijn ons te verheugen in de vrijheid die God aan ons gegeven heeft omdat we zijn kinderen zijn. Wanneer we dichter naar Christus toegroeien zal zijn aanwezigheid in ons sterker worden; wanneer we sterven aan onszelf worden we levend in Hem. We zien dat het Christus in ons is, niet wijzelf, die onze “hoop op de heerlijkheid” is! (Kolossenzen 1,27)

Gebed
Heer, ik dank U dat U me zo wit maakt als sneeuw!
Heerlijk om te weten dat U het resultaat al ziet terwijl ik nog onderweg ben.
Help me om kleiner te worden terwijl U groter wordt, zodat ik eer kan brengen aan uw Naam! Amen.

< 4e week van de Veertigdagentijd

< 4e week: zondag

Eerste lezing uit het tweede boek Kronieken (36,14-16 + 19-23)
In die dagen maakten ook al de voornaamste priesters en het volk zich herhaaldelijk schuldig aan de gruweldaden der heidenen en ontheiligden de tempel van Jeruzalem die aan de Heer gewijd was. En de Heer, de God van hun voorvaderen, stuurde al maar gezanten naar hen toe, want Hij had medelijden met zijn volk en met zijn woning. Maar zij verachtten Gods gezanten, spotten met hun boodschap en maakten zich vrolijk over de profeten zodat tenslotte de toorn des Heren wel genadeloos moest losbarsten over het volk. De koning der Chaldeeën liet de tempel in brand steken en de muur van Jeruzalem afbreken en alle paleizen liet hij plat branden zodat alle kostbaarheden verloren gingen. Allen die aan het zwaard ontkomen waren liet hij in ballingschap wegvoeren naar Babel waar zij hem en zijn zonen als slaven moesten dienen tot het Perzische rijk aan de macht kwam. Zo ging de voorspelling in vervulling die de Heer bij monde van Jeremia gedaan had: “Zolang het land zijn sabbatjaren niet vergoed gekregen heeft zal het braak blijven liggen: zeventig jaar lang.” In het eerste regeringsjaar van Cyrus, de koning van Perzië, ging de voorspelling in vervulling die de Heer bij monde van Jeremia gedaan had: de Heer wekte de geest op van Cyrus, de koning van Perzië. Deze liet in heel zijn koninkrijk de volgende boodschap afkondigen en ook schriftelijk verspreiden: “Zo spreekt Cyrus, de koning van Perzië: de Heer, de God des Hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde geschonken. Hij heeft mij opgedragen voor Hem te Jeruzalem in Juda een tempel te bouwen: laten allen onder u die tot het volk des Heren behoren, onder de hoede van de Heer, hun God, terugkeren naar Jeruzalem.”

Tweede lezing uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de Christenen van Efeze (2,4-10)
Broeders en zusters,
God, die rijk is aan erbarming, heeft wegens de grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad ons met Christus ten leven gewekt, hoewel wij dood waren door onze zonden; aan zijn genade dankt gij uw redding. En Hij heeft ons samen met Hem doen opstaan en zetelen in de hemelen, in Christus Jezus, om de naderbij komende Eeuwen de overgrote rijkdom van zijn genade te tonen door zijn goedheid jegens ons in Christus Jezus. Ja, aan die genade dankt gij uw heil, door het geloof, niet aan uzelf: Gods gave is het; niet aan uw werken, niemand mag zich verhovaardigen. Gods werk zijn wij, geschapen in Christus Jezus om in ons leven de goede daden te verrichten die God voor ons al bereid heeft.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (3,14-21)
In die tijd sprak Jezus tot Nikodemus: “De Mensenzoon moet omhoog worden geheven zoals Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn, opdat eenieder die gelooft in Hem eeuwig leven hebben. Zozeer immers heeft God de wereld lief gehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan maar eeuwig leven zal hebben. God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered. Wie in Hem gelooft wordt niet geoordeeld, maar wie niet gelooft is al veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon Gods. Hierin bestaat het oordeel: het licht is in de wereld gekomen, maar de mensen beminden de duisternis meer dan het licht, omdat hun daden slecht waren. leder die slecht handelt heeft afschuw van het licht en gaat niet naar het licht toe uit vrees dat zijn werken openbaar gemaakt worden. Maar wie de waarheid doet gaat naar het licht, opdat van zijn daden moge blijken dat zij in God zijn gedaan.”

Overweging
Gods werk zijn wij, geschapen in Christus Jezus, om in ons leven de goede werken te doen die God voor ons heeft bereid, opdat wij daarin zouden leven. (Efeziërs 2,10)

Zou het niet heerlijk zijn als je een eigen kleermaker zou hebben die een hele garderobe voor je zou maken, met een perfecte look en pasvorm? En bovendien voor al je activiteiten precies wat je nodig hebt. En omdat ieder kledingstuk precies bij jou past geeft dat natuurlijk een geweldig gevoel als je het draagt. Blakend van zelfvertrouwen en rust loop je over straat, want je weet gewoon dat je er perfect uitziet!

In zijn brief aan de Efeziërs beweert Paulus – in wat andere bewoordingen – dat God ons innerlijk leven in overeenstemming met de laatste mode heeft gebracht, niet onze uiterlijke verschijning. En de ‘kleding’ die Hij levert voor dat maatkostuum is een uniek stel “goede werken” die volmaakt passen bij de gaven en talenten, het verstand en de persoonlijkheid die Hij ons gegeven heeft.

Maak dus je geestelijke klerenkast open en pas eens wat daar aanwezig is. Je zult je waarschijnlijk heel prettig voelen als je in sommige van die goede werken stapt die wel lijken te passen bij je opleiding en je talenten. Andere zitten misschien een beetje strak. Je zou kunnen denken dat iemand anders daar beter in zou passen. Maar wanneer je erin stapt zul je bij jezelf bekwaamheden ontdekken waarvan je niet eens wist dat je ze bezat – net zoals een vrouw die ontdekt dat een A-lijn jurk haar echt goed staat!

Misschien heb je altijd gedacht en gehoopt dat de “kleding van het ouderschap” op je hing te wachten. Maar als de tijd rijp is ontdek je dat het goede werk dat God voor jou bestemd heeft bestaat uit het pleegouderschap – kinderen die om welke reden dan ook geen goed thuis (meer) hebben voor een poosje welkom heten in de warmte van jouw huis tot er voor hen een blijvende en stabiele plek gevonden is – of misschien mag jij hen ook wel die stabiele, liefdevolle plek bieden. Of misschien zag je jezelf als catecheet in je parochie maar geeft God je een andere bediening, meer aan huis gebonden. Misschien vraagt Hij van je dat je je tijd besteedt aan de zorg voor een ziekelijke ouder op leeftijd.

Houd moed! Je Schepper en ontwerper zal geduldig met je verder werken tot het dienstkleed dat Hij op je schouders legt, je helemaal goed past.

Gebed
Schepper Heer, dank U dat U mij zo prachtig gemaakt hebt en dat ik mijn leven mag leven in ontzag voor U.
Geef me de moed om te groeien in uw goede plan. Amen.

< 4e week: maandag

Eerste lezing uit de profeet Jesaja (65,17-21)
Zo spreekt de Heer: “In die dagen ga Ik scheppen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; aan wat vroeger is geweest wordt niet meer gedacht, het komt niet meer in de gedachten op: maar vreugde ga Ik voor u scheppen en jubel voor altijd; waarachtig, Jeruzalem wordt door Mij herschapen in een stad vol jubel met een bevolking vol blijdschap. Dan zal Ik jubelen om Jeruzalem en Mij verblijden om mijn volk; en snikken noch kermen worden er nog gehoord. Er is geen zuigeling meer aan wie slechts een kort leven beschoren is, en geen grijsaard die zijn leven niet voltooit, want de jongste sterft als man van honderd jaar, en wie de honderd jaar niet bereikt wordt als vervloekt beschouwd. Zelf wonen zij in de huizen die zij hebben gebouwd, en eten de vruchten van de wijngaard die zij zelf hebben geplant.” Zo spreekt de almachtige Heer.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (4,43-54)
In die tijd verliet Jezus Samaria en ging naar Galilea. Hijzelf had verklaard, dat een profeet in zijn eigen vaderstad niet in aanzien is. Toen Hij nu in Galilea kwam, ontvingen de Galileeërs Hem welwillend, omdat zij alles hadden gezien, wat Hij te Jeruzalem op het feest had gedaan. Zij waren immers zelf ook op het feest geweest. Zo kwam Hij dan wederom te Kana in Galilea, waar Hij van het water wijn had gemaakt. Daar bevond zich een koninklijke beambte, wiens zoon te Kafarnaum ziek lag. Toen hij hoorde dat Jezus uit Judea naar Galilea was gekomen, ging hij naar Hem toe en verzocht Hem, dat Hij mee zou komen om zijn zoon te genezen, want deze lag op sterven. “Als gij geen wondertekenen ziet,” zei Jezus tot hem, “dan gelooft gij niet.” Daarop zei die hofbeambte: “Heer, kom toch eer mijn kind sterft!” Jezus antwoordde: “Ga maar, uw zoon leeft.” De man geloofde wat Jezus hem zei en ging heen. Zijn dienaars kwamen hem onderweg reeds tegemoet met de boodschap dat zijn kind leefde. Hij vroeg hun naar het uur waarop de beterschap was ingetreden, en zij zeiden hem: “Gisteren op het zevende uur is de koorts van hem geweken.” Toen besefte de vader, dat het gebeurd was juist op het uur waarop Jezus gezegd had: “Uw zoon leeft.” Hij zelf en heel zijn gezin geloofden. Dit tweede teken deed Jezus ook weer toen Hij uit Judea naar Galilea gekomen was.

Overweging
Hiermee had Jezus wederom een teken verricht. (Johannes 4, 54)

In de eerste hoofdstukken van Johannes doet Jezus twee wonderbaarlijke “tekenen” in het dorp Kana. Het eerste is natuurlijk de verandering van water in wijn bij de overbekende bruiloft. Het tweede vinden we in het evangelie van vandaag, waarin Jezus de zoon van een dienaar van de koning geneest, die op het randje van de dood lag. Beide verhalen lopen uit op een soortgelijke opmerking: degenen die getuige zijn van het teken vestigen hun geloof op Jezus (Johannes 2,11; 4,53). Wanneer Jezus een wonder doet dan is het een uitnodiging tot geloof of een opening tot een dieper geloof.

Laten we ook even stilstaan bij de verschillen tussen deze twee verhalen. De bruiloft van Kana is als een lichtend mysterie van liefde, vreugde en nieuw begin. Een jong koppel start zijn leven samen. Wat een contrast met de droevige scène van vandaag, waar we zien dat een jong leven bijna wordt afgesneden! Als we deze twee verhalen naast elkaar zetten dan zien we hoe het alledaagse leven heen en weer schommelt tussen dingen die oplichten en droevige gebeurtenissen. En bovendien kunnen we zien hoezeer Jezus dicht bij ons wil zijn, wat onze situatie ook is.

Als je momenteel in een gelukkige fase verkeert, vergeet dan Degene niet die zo goed voor je geweest is. Dank Hem voor al je zegeningen. En als je in een droevige fase verkeert, probeer dan je geloof te vestigen op de Heer. Tegen de dienaar van de koning zei Jezus: “Ga maar, uw zoon leeft” (Johannes 4,50). Zo zegt Jezus ook tegen ons – op deze trieste ogenblikken van ons leven – om te “gaan”, om te geloven nog voordat je het ziet.

Het evangelie van Johannes staat vol met “tekenen”, veel meer dan deze twee. Keer op keer zegt Johannes dat we moeten bidden om wonderen zodat ons geloof zich kan verdiepen. Hij zegt ons te letten op de tekenen van Gods aanwezigheid die al om ons heen zijn zodat we nog meer kunnen geloven.

Op de bruiloft in Kana was Maria een en al geloof. Ze wist dat Jezus iets zou doen om het feestmaal te redden. De dienaar van de koning in de lezing van vandaag had niet zoveel geloof als Maria, maar het was genoeg. We hoeven geen volmaakt geloof te hebben om God wonderen te zien doen. We moeten alleen naar Jezus toe gaan en erom vragen. En dan, als we de tekenen zien, zal ons hart zich verheugen!

Gebed
Jezus, help me mijn geloof in U te verdiepen – in goede en slechte tijden. Amen.

< 4e week: dinsdag

Eerste lezing uit het boek Ezechiël (47,1-9+12)
De engel van de Heer bracht mij terug naar de ingang van de tempel. Daar zag ik hoe er van onder de drempel water stroomde in oostelijke richting; de voorzijde van de tempel lag namelijk op het oosten. Het water vloeide onder de rechtervleugel van de tempel door, aan de zijde van het altaar. Daarop leidde hij mij door de noorderpoort naar buiten. Hij voerde mij buitenom naar de oostzijde: het water stroomde van onder de rechtervleugel.
Toen ging hij met een duimstok in de hand verder in oostelijke richting.Hij mat een afstand af van duizend el en liet mij vervolgens door het water stappen: het reikte tot aan mijn enkels. Opnieuw mat hij duizend el af en liet mij door het water waden: het kwam tot mijn knieën; en hij mat nog eens duizend el af en liet mij door het water waden: nu kwam het tot mijn middel. Toen hij nog eens duizend el afgemeten had was het een rivier geworden waar ik niet meer door heen kon waden; het water was zo diep dat men er niet stappend, maar alleen zwemmend door kon komen. Toen vroeg hij: “Ziet ge dat, mensenkind?” Daarna leidde hij mij terug langs de oever van de rivier. Terwijl hij mij terugvoerde zag ik hoe er op beide oevers van de rivier heel veel bomen stonden. De engel van de Heer zei mij: “de rivier stroomt naar de vlakte in het oosten, en verder stroomt hij naar de Araba, om vervolgens uit te monden in de Zoutzee waarvan het water drinkbaar wordt. Overal waar de rivier stroomt zullen de waterdieren in leven kunnen blijven, zal het water drinkbaar worden, en zal alles in leven blijven. Op beide oevers van de rivier zullen allerlei vruchtbomen opschieten waarvan de bladeren niet verwelken,en de vruchten nooit opraken; want de bomen zulle elke maand vrucht dragen. Zij worden immers gevoed met water uit de tempel. De vruchten zullen dienen als voedsel en de bladeren als geneesmiddel.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (5,1-16)
Omdat er een feest van de Joden was, ging Jezus op naar Jeruzalem. Nu is er in Jeruzalem bij de Schaapspoort een badinrichting, in het Hebreeuws Betesda geheten, met vijf zuilengangen. In die gangen lag altijd een groot aantal gebrekkigen. Nu was daar een man die al achtendertig jaar lang gebrekkig was. Jezus zag hem liggen en omdat Hij wist dat hij reeds lang zo lag, zei Hij tot hem: “Wil je gezond worden?” De zieke gaf Hem ten antwoord: “Heer, ik heb niemand om mij, wanneer het water bewogen wordt, in het bad te brengen en terwijl ik ga, daalt een ander voor mij er in af.” Daarop zei Jezus hem: “Sta op, neem je bed op en loop.” Op slag werd de man gezond. Hij nam zijn bed op en liep. Die dag was het echter sabbat en daarom zeiden de Joden tot de genezene: “Het is sabbat, je mag je bed niet dragen.” Hierop antwoordde hij hun: “Die mij gezond heeft gemaakt, Die heeft gezegd: Neem je bed op en loop!” Daarom vroegen zij hem: “Wie is die man die je zei: Neem je bed op en loop?” De genezene wist niet wie het was, want Jezus had zich ongemerkt teruggetrokken, omdat er veel volk ter plaatse was.
Later trof Jezus hem in de tempel en sprak tot hem: “Zie, je bent nu genezen! Zondig niet meer, opdat je niets ergers overkomt.” De man ging heen en vertelde aan de Joden, dat het Jezus was die hem genezen had. Omdat Jezus dergelijke dingen op sabbat deed, begonnen de Joden Hem te vervolgen.

Overweging
Wilt u graag gezond worden? (Johannes 5, 6)

Dat is een simpele vraag, die alleen maar vraagt om een ‘ja’ of ‘nee’. En natuurlijk zouden we allemaal ‘ja’ zeggen als we in de schoenen van deze man stonden. Je zou verwachten dat dit ook zijn antwoord was. Waarom zou hij anders al zijn tijd doorbrengen bij een bad dat erom bekend stond dat het bij tijd en wijle een geneeskrachtige werking had? Maar in plaats van een enthousiast ‘ja’ tegen Jezus, klaagt de man: “ik heb geen mens om mij in het bad te helpen” (Johannes 5,7).

Hadden zijn familie en vrienden, ontmoedigd door zijn handicap, hem in de steek gelaten? Of is hijzelf degene die de hoop opgegeven heeft en die de steun van zijn huis en gemeenschap afgekapt heeft? Hoe dan ook, het schijnt dat hij zich neergelegd heeft bij een leven in eenzaamheid en gebrek. Maar Jezus weet beter, Hij is zelf Degene die deze man wil onderdompelen in Gods genezende kracht. Zolang Hij op de wereld is zal Hij liefhebben en genezen – lichamelijk, geestelijk en emotioneel!

Dit is de aard van ware liefde. Ze zoekt altijd het beste voor de geliefde – niet alleen maar iets goeds, maar het beste! De harde realiteit van het leven had zijn tol geëist van deze man, en Jezus koos ervoor om iets meer te doen dan hem alleen maar wat op te vrolijken. Hij bevrijdde hem!

Het is wel gemakkelijk, in zekere zin, om maar te berusten in je eigen lijden. Je kunt genoegen nemen met een “klein straaltje” genade in de vorm van stille aanvaarding of maar een beetje verlichting. Maar Jezus staat voor ons, klaar om heel veel genade te laten stromen. Hij heeft altijd lief. Hij wil altijd het beste voor ons.

Stel u de vreugde eens voor die de hemel zal vervullen als iedereen die deze woorden leest in geloof een stap durft te zetten op een nieuw terrein van zijn of haar leven, of als mensen durven uitstappen in geloof en een nieuwe stap zetten op een terrein waar ze zich al langer bewegen! Laten we daarom allemaal, als in een golfbeweging van geloof in zijn overvloedige kracht, aan Jezus vertellen dat we geloven dat Hij de Ene is die gestuurd is om ons te helpen!

Gebed
Heer Jezus, ik weet dat U mij en mijn geliefden vandaag wilt helpen.
Geef me het geloof om te vragen om genezing en om vervolgens op U te vertrouwen. Amen.

< 4e week: woensdag

Eerste lezing uit het boek Jesaja (49,8-15)
Zo spreekt de Heer: “Op de tijd van mijn welbehagen verhoor Ik u, op de dag van het heil kom Ik u helpen. Ik zal u vormen en u maken tot de man van het verbond, om het land weer te herstellen, om het verkommerde erf opnieuw te verdelen, om tot de geboeiden te zeggen: ‘Komt naar buiten!’ en tot hen die in duisternis zitten: ‘Vertoont u!’ Langs de wegen zullen zij weiden, op de kale gronden zullen zij grazen. Zij lijden geen honger of dorst, geen gloeiende wind, geen brandende zon die hen deert, want Degene die zich ontfermt over hen, Hij geleidt hen, Hij brengt hen naar de waterbronnen. Van al mijn bergen maak Ik banen en mijn wegen worden geëffend. Er zijn er die komen van verre; anderen komen uit het noorden en van de zeekant, en weer anderen uit Sinim. Hemelen, juicht, en gij Aarde, verblijd u! Bergen, breekt uit in gejubel, want de Heer is zijn volk komen toroosten, zich komen ontfermen over zijn arme getrouwen. Sion denkt: ‘De Heer heeft mij verlaten, mijn God heeft mij vergeten.’ Kan een vrouw haar zuigeling vergeten? Heeft een moeder niet meer te doen met het kind van haar schoot? En al zou een moeder haar kind vergeten, Ik vergeet u nooit!”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (5,17-30)
In die tijd verdedigde Jezus zich tegen de Joden met de woorden: “Tot op de dag van vandaag is Mijn Vader voortdurend aan het werk, en ook Ik houd niet op met werken.” Om die reden waren de Joden er nog meer op uit om Hem te doden. Hij tastte immers niet slechts de sabbat aan, maar Hij noemde zelfs God zijn eigen Vader en maakte daardoor zichzelf aan God gelijk. Hierop nam Jezus opnieuw het woord en sprak: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: de Zoon kan niets uit zichzelf, maar alleen datgene wat Hij de Vader ziet doen. En alles wat Deze doet, doet de Zoon insgelijks. De Vader toch heeft de Zoon lief en laat Hem alles zien wat Hij doet. Nog grotere werken dan deze zal Hij Hem tonen, zodat gij verbaasd zult staan. Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil. De Vader oordeelt niemand, maar heeft het oordeel geheel en al in handen van de Zoon gelegd, opdat allen de Zoon zouden eren zoals zij de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert evenmin de Vader die Hem zond. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie luistert naar mijn woord en gelooft in Hem die Mij zond, heeft eeuwig leven en is aan geen oordeel onderworpen, hij is immers reeds uit die dood naar het leven overgegaan. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: er zal een uur komen, ja het is er al, waarop de doden de stem van Gods Zoon zullen horen en die haar horen, zullen leven. Zoals de Vader leven heeft in zichzelf, zo gaf Hij ook aan de Zoon leven in zichzelf te hebben. Hij heeft Hem macht gegeven om oordeel te vellen; Hij is immers de Mensenzoon. Verwondert u niet hierover: er zal een uur komen, waarop allen die in de graven zijn, zijn stem zullen horen. Dan zullen zij die het goede deden, er uit te voorschijn komen tot de opstanding ten leven, maar die het kwade deden tot de opstanding ten oordeel. Ik kan niets uit Mijzelf: Ik oordeel naar wat Ik hoor en mijn oordeel is rechtvaardig, omdat Ik niet mijn eigen wil zoek, maar de wil van Hem die Mij zond.”

Overweging
Toen waren de Joden er pas echt op uit om Hem te doden: Hij tastte niet alleen de sabbat aan, Hij noemde ook nog God zijn Vader. (Johannes 5,18)

Smartphones en tablets zijn ontzettend populair geworden omdat je er van alles mee kunt doen: je kunt even iets opzoeken op een website, foto’s maken, een spelletje spelen, je e-mail bijhouden en een videogesprek voeren met iemand aan de andere kant van de wereld. Maar als je 200 jaar terug zou kunnen gaan in de tijd en de mensen van toen zou kunnen laten zien wat een smartphone allemaal kan, dan zou je een flinke opschudding veroorzaken!

Dit beeld geeft een aardige vergelijken met wat er in de evangelielezing van vandaag gebeurt. Het begon ermee dat Jezus ter verantwoording geroepen werd voor een genezing op de sabbat, en het draaide uit op een diepgaande openbaring van Jezus’ eenheid met de Vader. Dat was heftig! De Joden wilden dat Jezus zou uitleggen waarom Hij vond dat Hij hun wetten kon negeren, en Jezus reageerde daarop met te zeggen dat Hij één was met God de Vader.

Niemand van ons schrikt nog van de uitspraak dat Jezus Gods Zoon is, of dat deze eeuwige, onsterflijke Zoon van God werkelijk gestorven is. Tenslotte hebben we 2000 jaar geschiedenis, theologie en ervaring achter de rug. We hebben er ook geen moeite mee om te zeggen dat we kinderen van God zijn; dat de Vader, Zoon en heilige Geest drie personen zijn binnen één God; en dat wij mogen delen in het leven van deze Drie-eenheid. Waar deze gedachten voor de Joden van Jezus’ dagen absoluut revolutionair waren, lopen wij het gevaar ze vanzelfsprekend te vinden.

Broeders en zusters, het evangelie is heftig! Concentreer u op één van de waarheden uit het evangelie en denk er een poosje over na. Denk bijvoorbeeld aan het feit dat bij het Sacrament van Verzoening elke zonde uitgewist wordt – voor altijd! Dat is niet enkel een goed gevoel. Het is niet iets wat we zomaar tegen onze kinderen zeggen om ze te stimuleren om het sacrament te gaan vieren. Nee, het is de waarheid van het evangelie. Niets van wat u gedaan hebt is zo groot dat God het niet zou kunnen vergeven en vergeten. Hij zal u er nooit meer op aanspreken. Hij zal nooit naar u kijken als “de persoon die die vreselijke zonde begaan heeft”. Nee, Hij zal u voortdurend liefhebben, u omarmen en u steeds meer van zijn transformerende genade aanbieden.

Laat deze of een andere aansprekende waarheid uit het evangelie vandaag uw gedachten bezighouden. Verwacht dat u er door opgebeurd wordt en dat blijdschap uw hart zal vervullen.

Gebed
Heilige Geest, uw waarheid is levend en krachtig.
Breng die waarheid vandaag in mij tot leven! Amen.

< 4e week: donderdag

Eerste lezing uit het Tweede boek van Samuel (7,4-5+12-14+16)
In die dagen werd het woord van de Heer gericht tot de profeet Natan: “Zeg aan mijn dienaar David: Zo spreekt de Heer: Als uw dagen voleind zijn en gij bij uw vaderen rust, zal Ik de nazaat die gij verwekt hoog verheffen en zijn koninklijke macht in stand houden. Hij zal een huis bouwen ter ere van mijn naam en Ik zal zijn koninklijke troon voor altijd in stand houden. Ik zal hem tot vader zijn en Hij zal mijn zoon zijn. Zo zal uw huis en uw koninklijke macht altijd stand houden; uw troon staat vast voor eeuwig.”

Tweede lezing uit de Brief aan de Romeinen (4,13+16-18+22)
Broeders en zusters, de belofte aan Abraham en zijn nakomelingen, dat zij de wereld zouden erven, steunt niet op de wet, maar op de gerechtigheid van het geloof. Daarom hangt die belofte af van het geloof en dus van de genade, en is zij verzekerd voor heel het nageslacht, niet alleen voor hen die de wet hebben ontvangen, maar voor allen die het geloof navolgen van ons aller vader Abraham. Van hem staat immers geschreven: “Ik heb u vader gemaakt van vele volken.” Hij is dit voor het aanschijn van God in wie hij heeft geloofd, God die de doden levend maakt en wat niet bestaat in het aanzijn roept. Tegen alle hoop in heeft Abraham gehoopt, en geloofd dat hij vader zou worden van vele volken, gelijk hem gezegd was: “Zo talrijk zal uw nageslacht zijn.” Daarom werd het hem als gerechtigheid aangerekend.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (1,16+18-21+24)
Jakob was de vader van Jozef, de man van Maria, en uit haar werd Jezus geboren die Christus wordt genoemd. De geboorte van Jezus Christus vond plaats op deze wijze. Toen zijn moeder Maria verloofd was met Jozef, bleek zij, voordat ze gingen samenwonen, zwanger van de heilige Geest. Omdat Jozef, haar man, rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, dacht hij er over in stilte van haar te scheiden. Terwijl hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer die tot hem sprak: “Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw tot u te nemen; het kind in haar schoot is van de Heilige Geest. Zij zal een zoon ter wereld brengen die gij Jezus moet noemen, want Hij zal zijn volk redden uit hun zonden.” Ontwaakt uit de slaap deed Jozef zoals de engel van de Heer hem bevolen had.

Overweging
Toen Jozef uit zijn slaap wakker werd, deed hij zoals de engel van de Heer hem had opgedragen. (Matteüs 1,24)

Toen Jozef het nieuws over Maria’s verrassende zwangerschap hoorde, was hij waarschijnlijk compleet overstuur. Immers, het had er alle schijn van dat Maria het vertrouwen dat Jozef in haar stelde geschonden had. Omdat hij een “rechtschapen man” was overwoog Jozef om in stilte van Maria te scheiden (Matteüs 1,19), daarmee de mogelijkheid biedend dat de vader van het kind zijn plaats zou kunnen innemen en Maria verder leed bespaard zou blijven.

Door een engel te zenden hielp God Jozef om tot een andere conclusie te komen, een conclusie die niet gebaseerd was op menselijke logica alleen, maar op iets groters. Jozef stopte met zijn menselijke redeneringen en begon na te denken volgens de logica van de goddelijke liefde. Gods genade vervulde Jozefs hart en hielp hem om een groter plaatje te zien.

De evangelielezing van vandaag laat ons zien hoe Gods genade als het ware op onze natuur geënt wordt. Hij neemt onze goede eigenschappen en vervult ze met Gods goedheid. Het was genade die Maria ertoe bracht om ’ja’ te zeggen op de uitnodiging van de engel om de Moeder van God te worden. Het was genade die Jozef ertoe bewoog zijn roeping te aanvaarden om de beschermer te worden van Israëls Messias. En dezelfde genade zal ons de kracht geven om Gods roeping en wijsheid voor ons leven aan te nemen.

Onze menselijke rede is een kostbaar geschenk van God, maar het was nooit de bedoeling om daarmee onafhankelijk van God te gaan functioneren. Onze hemelse Vader wil ons leren hoe we zijn logica kunnen gebruiken, de logica van de goddelijke liefde, als de basis voor al onze gedachten, besluiten en acties. Maar om dit te laten gebeuren moeten we gevoelig worden voor zijn genade.

Probeer de volgende suggestie eens uit wanneer u de volgende keer bij de Eucharistieviering bent. Maak uw hart rustig terwijl u bidt en naar de lezingen luistert. Let vervolgens op wat er in u naar boven komt. Als u een gevoel krijgt van Gods liefde of als u vrede in u voelt opkomen, aanvaard het dan als een moment van genade. Als u een aanwijzing voelt om iets te gaan doen – om de armen te dienen, om mee te gaan helpen bij de catechese of de kindernevendienst, of om uw buur een helpende hand te reiken – erken dan dat dit hoogstwaarschijnlijk een uitnodiging is die van de Heer tot u komt en die de benodigde genade met zich meebrengt.

Mogen we allemaal net zo open zijn voor Gods genade als Jozef was!

Gebed
Dank U, Vader, voor uw wonderlijke genade! Amen.

< 4e week: vrijdag

Eerste lezing uit het boek Wijsheid (2,1+12-22)
In valse waan zeggen de goddelozen tot elkaar: “Laten wij de rechtvaardigen belagen, want hij is van geen nut, hij gaat in tegen onze werken, hij verwijt ons zonden tegen de wet, hij beschuldigt ons van overtredingen tegen onze opvoeding. Hij wendt voor kennis van God te bezitten en hij noemt zich een kind van de Heer; hij is ons tot een verwijt tegen onze opvattingen geworden; alleen al hem te zien is ons een last, want zijn levensstijl is anders dan van anderen en zijn gedrag is ongewoon; als valse munt beschouwt hij ons, hij mijdt onze wegen alsof ze onrein waren; hij noemt het einde der rechtvaardigen zalig, hij beroemt er zich op dat God zijn vader is. Laten wij zien of zijn woorden waar zijn, en nemen wij als proef wat bij zijn heengaan gebeurt. Want als de rechtvaardige Gods zoon is, zal Hij hem te hulp komen en hem redden uit de hand van zijn tegenstanders. Laten we met brutaliteit en kwelling hem aanpakken, om te zien of hij werkelijk zachtmoedig is en om zijn geduld te toetsen. Laten wij hem tot een schandelijke dood veroordelen, hij zal immers, naar zijn zeggen, toch beschermd worden.” Zo redeneerden zij, maar daarmee waren ze op een dwaalspoor, want hun slechtheid verblindde hen. Zij verstonden Gods geheimen niet, zij hoopten niet op loon voor een heilig leven, noch geloofden zij in een ereprijs voor smetteloze zielen.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (7,1-2+10+25-30)
In die tijd trok Jezus rond in Galilea, want Hij wilde dat niet in Judea doen, omdat de Joden er op uit waren Hem te doden. Het liep tegen één van de Joodse feesten, het Loofhuttenfeest. Toen zijn broeders naar het feest waren gegaan, vertrok Hij ook, niet openlijk maar onopvallend. Enkele Jeruzalemmers zeiden: “Is dit niet de man die ze zoeken te doden? En zie nu eens. Hij staat in het openbaar te spreken en men zegt Hem niets! Zou de overheid nu werkelijk erkend hebben, dat Hij de Messias is? Maar van deze man weten wij waar Hij vandaan is, wanneer echter de Messias komt, weet geen mens waar Hij vandaan komt.” Terwijl Jezus in de tempel leerde, riep Hij met luider stem: “Gij kent mij en gij weet waar Ik vandaan ben; toch ben Ik niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij die waarachtig is, heeft Mij gezonden, Hem kent gij niet. Ik ken Hem, omdat Ik uit Hem ben en Hij Mij heeft gezonden.” Ze wilden zich van Hem meester maken, maar niemand sloeg de hand aan Hem, want Zijn uur was nog niet gekomen.

Overweging
. . . u kent Mij . . . (Johannes 7,28)

Iedereen die kinderen heeft – en met name tieners – heeft het eerder gehoord: “Weet ik.” Je weet dat ze het niet weten, maar je kunt ze er niet van overtuigen! De bewoners van Jeruzalem waren net zo. “Maar van Hem weten we waar Hij vandaan komt” (Johannes 7,27). In werkelijkheid wisten ze het niet. Maar dat deed er niet toe. Hun tevredenheid over wat ze meenden te weten, lieten ze zich niet afnemen. Toch bleef Jezus proberen tot hen door te dringen. Altijd trouw, altijd geduldig, gaf Hij de hoop nooit op.

Elke dag, komt Jezus naar de “tempel” van ons eigen hart om precies dezelfde reden. Hij wil dat wij Hem kennen. Hij wil dat we weten wie Hij is en waar Hij vandaan kwam. Dàt is in feite het hart van de christelijke boodschap. Niet het vermijden van zonde. En ook niet het doen van goede dingen. Het gaat over het kennen van Degene die begin noch einde heeft, Die door geen oog gezien is en door geen oor gehoord. Daaruit vloeit alles voort en zonder deze kennis van Christus – deze intieme, persoonlijke ontmoeting met Hem – wordt ons geloofsleven met de tijd steeds zwakker.

Natuurlijk kan niemand van ons Jezus volledig kennen, we zijn tenslotte maar mensen! Om het er nog maar niet over te hebben dat onze gevallen natuur sluiers over ons plaatst die pas weggehaald zullen worden als we uiteindelijk de hemel binnengaan en Hem van aangezicht tot aangezicht zien. Maar toch, omdat zijn Geest in ons woont, kunnen we elke dag meer naar Hem toe groeien. Hoe?

Ten eerste: lees over Hem. In de Bijbel wordt een levendig beeld van Jezus’ karakter getekend – zijn vriendelijkheid en geduld, zijn wens om ons naar zich toe te trekken, zijn bereidheid om zijn leven voor ieder van ons af te leggen. Begin een lijstje van wat de dagelijkse mislezingen over Jezus zeggen, en kijk hoe de lijst aangroeit en zich verdiept wanneer je erover nadenkt.

Ten tweede: stel Hem vragen waardoor u Hem beter kunt leren kennen. “Wat dacht U toen?” “Waarom heette U Zacheüs welkom?”“Wat zou U tegen mij zeggen als U me tegenkwam bij de waterput in de stad?” en wacht dan rustig af, de heilige Geest zal uw gedachten of uw hart in beweging zetten.

Ten slotte: schrijf op wat u denkt, voelt of u voorstelt als antwoord op uw vragen. God is niet veranderd! Hij verlangt ernaar dat wij Hem kennen!

Gebed
Heer, open mijn ogen om U te zien en mijn oren om U in deze Veertigdagentijd te horen spreken, zodat ik U beter kan leren kennen! Amen.

< 4e week: zaterdag

Eerste lezing uit het boek Jeremia (11,18-20)
Toen God de Heer mij waarschuwde, kreeg ik het pas door; Gij hebt mij inderdaad hun plannen laten zien. Ik was argeloos als een lam dat ter slachting geleid wordt; ik vermoedde niet wat ze tegen mij beraamden: “We vellen de boom in zijn volle kracht. We bannen hem uit het land van de levenden, zodat zijn naam niet meer worden genoemd.” Heer, God van de hemelse machten, uw oordeel is rechtvaardig, Gij doorgrondt hart en nieren. Laat mij dan zien, hoe Ge U op hen wreekt; ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (7,40-53)
Bij het horen van Jezus’ woorden zeiden sommigen van het volk: “Dit is inderdaad de profeet.” Anderen zeiden: “Het is de Messias.” Weer anderen wierpen op: “Komt de Messias soms uit Galilea? Heeft de Schrift niet gezegd, dat de Messias komen zal uit het geslacht van David en uit Betlehem, het dorp waar David woonde?” Zo ontstond er dus om Hem verdeeldheid onder het volk. Sommigen hunner wilden Hem gevangennemen, maar niemand sloeg de hand aan Hem. Toen dan ook de dienaars bij de hogepriesters en Farizeeën terugkwamen, vroegen dezen hun: “Waarom hebt gij Hem niet meegebracht?” De dienaars antwoordden: “Nooit heeft iemand zo gesproken als die man.” Waarop de Farizeeën zeiden: “Hebt gij u soms ook laten bedriegen? Heeft dan één van de overheden of van de Farizeeën in Hem geloofd? Dat volk, ja, dat de Wet niet kent; vervloekt zijn ze!” Maar een uit hun kring, Nikodemus, die vroeger bij Jezus gekomen was, merkte op: “Veroordeelt onze Wet iemand zonder hem eerst te horen en te vernemen wat hij doet?” Zij gaven hem ten antwoord: “Zijt gij soms ook uit Galilea? Zoek maar na en gij zult zien dat de profeet niet uit Galilea opstaat.” Toen ging ieder naar huis.

Overweging
Zo ontstond er verdeeldheid over Hem onder het volk. (Johannes 7, 43)

Open het evangelie van Johannes en je wordt meegesleept in een rijk karakterdrama. U kent de hoofdpersoon, Hij wordt meteen in de eerste acte geïntroduceerd. “In het begin was het woord” (Johannes 1,1). Natuurlijk, Johannes heeft het over Jezus! Hij is de centrale figuur want: “het woord was bij God, en het woord was God” (1,1).

Maar hebt u ooit stilgestaan bij “bijrollen” in dit evangelie? Daar zijn Johannes de Doper, Maria, Nikodemus, de Samaritaanse vrouw en nog heel veel anderen! En breid deze lijst uit met een reeks tegenwerkende personages, onder wie Pontius Pilatus, Judas en bepaalde hogepriesters en farizeeërs die we in de evangelielezing van vandaag tegenkomen.

Het drama van Johannes’ evangelie wordt op een aangrijpende manier levend voor ons als we kijken hoe deze uiteenlopende spelers Jezus ontmoeten. Hun interacties met Hem, hetzij positief hetzij negatief, zijn vaak emotioneel geladen en altijd van beslissende betekenis. De ontmoeting met Jezus wordt het centrale punt van hun eigen persoonlijke levensverhaal. In zekere zin zijn het deze ontmoetingen met Jezus die de rode draad vormen van het Johannesevangelie. Al lezende begin je te beseffen dat Johannes niet alleen verslag doet van Jezus’ bediening, hij probeert je ook persoonlijk te betrekken bij dit verhaal. Het is of jij – in het scenario van Johannes – ook deel uitmaakt van de bezetting van het stuk. En de vraag die hij jou stelt is: “Hoe zal jouw ontmoeting met Jezus, de hoofdpersoon van de hele schepping, aflopen?”

Vandaag gaat u Jezus ook ontmoeten. U kunt Hem op dit moment ontmoeten wanneer u bidt en nadenkt over de lezing van vandaag. Of door een komende verwikkeling in het plot wordt Hij op een totaal onverwachte manier aan u geopenbaard! Met de hulp van de Heilige Geest kunt u met genade reageren op deze ontmoeting. Als Hij in uw leven spreekt als het eeuwige woord van God, ontvang dan met vreugde zijn wijsheid en licht. Als u behoefte hebt aan vrede, laat Hij u dan tonen dat Hij de Goede Herder van uw ziel is, die u naar een veilige weide leidt. En als u zich leeg voelt, laat Hij uw hart en geest dan vullen met het rijkste voedsel, want Hij is het Levende Brood!

Gebed
Heer, ik zie ernaar uit om U vandaag op een nieuwe manier te ontmoeten.
Help me om goed te reageren, ongeacht hoe de ontmoeting verder zal verlopen! Amen.

< 5e week van de Veertigdagentijd

< 5e week: zondag

Eerste lezing uit de profeet Jeremia (31,31-34)
Er komt een tijd – godsspraak van de Heer – dat Ik met Israel een nieuw verbond sluit. Geen verbond zoals Ik met hun voorvaderen gesloten heb, toen Ik hen bij de hand had genomen om hen uit Egypte te leiden.Want dat verbond hebben zij verbroken, ofschoon Ik hun meester was – godsspraak van de Heer -. Dit is het nieuwe verbond dat Ik in de toekomst met Israel sluit: Ik leg mijn wet in hun binnenste, Ik grif ze in hun hart. Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. Dan hoeft niemand een ander nog voor te houden: Leer de Heer kennen. Want iedereen, groot en klein, kent Mij dan – godsspraak van de Heer -. Dan vergeef Ik hun misstappen, Ik denk niet meer aan hun zonden.

Tweede lezing uit de brief aan de Hebreeën (5,7-9)
Broeders en zusters,
In de dagen van het sterfelijk leven heeft Christus onder luid geroep en geween gebeden en smekingen opgedragen aan God die Hem uit de dood kon redden. Om zijn vroomheid is Hij verhoord: hoewel Hij Gods Zoon was heeft Hij in de school van het lijden gehoorzaamheid geleerd; en toen Hij het einde had bereikt is Hij voor allen die Hem gehoorzamen oorzaak geworden van eeuwig heil.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (12,20-33)
Onder degenen die bij gelegenheid van het feest optrokken ter aanbidding waren ook enige Grieken. Deze nu klampten Filippus van Betsaïda in Galilea aan en vroegen hem: “Heer, wij zouden Jezus graag spreken.” Filippus ging het aan Andreas vertellen en tenslotte brachten Andreas en Filippus de boodschap aan Jezus over. Jezus echter antwoordde hun: “Het uur is gekomen, dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft blijft hij alleen; maar als hij sterft brengt hij veel vrucht voort. Wie zijn levert bemint verliest het; maar wie zijn leven in deze wereld haat zal het ten eeuwigen leven bewaren. Wil iemand Mij dienen dan moet hij Mij volgen; waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Als iemand Mij dient zal de Vader hem eren. Nu is mijn ziel ontroerd. Wat moet Ik zeggen? Vader, red Mij uit dit uur? Maar daarom juist ben ik tot dit uur gekomen. Vader, verheerlijk uw Naam.” Toen kwam er een stem vanuit de hemel: “Ik heb Hem verheerlijkt en zal Hem wederom verheerlijken.” Het volk dat er bij stond te luisteren zei dat het gedonderd had. Anderen zeiden: “Een engel heeft tot Hem gesproken.” Maar Jezus sprak: “Niet om Mij was die stem maar om u. Nu heeft er een oordeel over de wereld plaats, nu zal de vorst dezer wereld worden buitengeworpen; en wanneer Ik van de aarde zal zijn omhooggeheven zal Ik allen tot Mij trekken.” Hiermee duidde Hij aan welke dood Hij zou sterven.

Overweging
Wie Mij wil dienen, zal Mij moeten volgen. (Johannes 12,26)

U zou zich af kunnen vragen of Jezus deze Grieken met opzet de rug toekeert. Ze schijnen graag met Hem te willen praten, maar ze worden niet eens gehoord. Als Jezus hoort dat ze Hem willen zien geeft Hij een raadselachtige antwoord: “ als een graankorrel niet in de akkergrond sterft, blijft hij onvruchtbaar. Maar hij moet sterven, alleen dan brengt hij rijke vruchten voort” (Johannes 12,24). Wat voor soort antwoord is dat?

Toch is dit het goede antwoord! Deze bekeerlingen uit het heidendom tot het Jodendom zijn gekomen om te aanbidden op het Pascha, maar Jezus zegt dat hun Pascha pas zal plaatsvinden na zijn verrijzenis. Hijzelf is de “graankorrel” die een offer voor de zonde worden zal. Zijn dood was nodig zodat hij “veel vruchten” – in de vorm van de zaligheid voor iedereen – voort kon brengen. Niemand zal worden uitgesloten, zelfs niet deze heidenen!

Vandaag mogen we vieren dat ook wij ooit buitenstaanders waren, maar nu deel uitmaken van de “insiders”! De meeste mensen die deze woorden lezen zijn heidenen, geen leden van het uitverkoren volk waarmee God eerst zijn verbonden sloot. Wij waren “eertijds veraf” maar zijn dicht bij God gebracht “door het bloed van Christus” (Efeziërs 2,13). Wij zijn aangenomen kinderen en je kunt bij geen betere familie horen.

Een vraag om over na te denken is dan ook: hoe open staan wij voor diegenen die wij als outsiders zouden kunnen beschouwen? We hebben allemaal een idee van wie er bij de Kerk behoren en wie niet: die oude man die nooit lijkt te glimlachen. Dat stel van wie de kinderen bij de Eucharistieviering nooit stil kunnen zitten. Die jongeman die zo “liberaal” lijkt of die oudere vrouw die te “conservatief” lijkt, het zijn allemaal leden van onze familie. Ze zijn allemaal samen met ons in Christus geënt. Laten we allemaal ieder van hen net zo waarderen als Jezus ons waardeert!

Gebed
Dank U, Heer, dat u mij verwelkomt in uw familie. Leer me om net zo open te staan voor anderen. Geef dat ik niemand zal uitsluiten van mijn aandacht, attentie en vriendschap. Amen.

< 5e week: maandag

Eerste lezing uit het boek Daniël (13,1-9+15-17+19-30+33-62)
Lang geleden woonde er in Babel een man die Joakim heette. Zijn vrouw was Susanna, de dochter van Chelkia; zij was buitengewoon mooi en vroom. Omdat haar ouders rechtschapen mensen waren hadden ze hun dochter volgens de wet van Mozes opgevoed. Joakim was zeer rijk en bezat een park, dat bij zijn huis lag; bij hem kwamen de joden samen, omdat hij de aanzienlijkste man onder hen was. Nu waren er dat jaar twee oudsten uit het volk tot rechters aangesteld; van hen gold wat de Heer gezegd heeft: ‘De goddeloosheid is in Babel begonnen, bij de oudsten, die rechters waren en voorgaven het volk te besturen.’ Ze waren voortdurend in het huis van Joakim, waar ieder die rechtszaken had zich tot hen wendde.
Als het volk tegen de middag vertrokken was, ging Susanna wandelen in het park van haar man. De twee oudsten sloegen haar dagelijks gade, als zij zich ging verpozen, en een hartstochtelijke begeerte naar haar kwam in hen op. Zij smoorden de stem van hun geweten, wendden hun ogen af van de hemel en dachten niet aan de dreiging van de rechtvaardige straffen. Terwijl zij naar een geschikte dag uitzagen, ging Susanna, vergezeld van twee dienstmeisjes, volgens haar gewoonte weer eens het park in. En omdat het warm was, wilde zij er een bad nemen. Er was niemand behalve de twee oudsten, die zich hadden verscholen en haar begluurden. Susanna zei dus tot de dienstmeisjes: “Ga olie en balsem halen en sluit de poort van het park, dan ga ik een bad nemen.” Zodra de dienstmeisjes vertrokken waren, kwamen de twee oudsten te voorschijn en liepen op haar toe en zeiden: “Susanna, de poort van het park is gesloten en er is niemand die ons ziet; we branden van begeerte naar je! Wees ons daarom terwille en heb gemeenschap met ons, anders zullen we tegen jou getuigen, dat er een jongeman bij je was en dat je daarom de dienstmeisjes had weggestuurd.”
Susanna zuchtte diep en sprak: “Van alle kanten word ik bedreigd: want doe ik het, dan wacht mij de dood; doe ik het niet, dan zal ik uw hand niet ontkomen. Maar liever val ik onschuldig in uw handen dan te zondigen tegen de Heer.” Daarop begon Susanna luid te roepen, maar de twee oudsten schreeuwden tegen haar in en één van hen liep naar de poort van het park en opende die. Toen degenen die in huis waren het geschreeuw in het park hoorden, kwamen ze door de zij-ingang toegesneld om te zien wat Susanna overkomen was. Toen de oudsten hun verhaal deden, geraakten de bedienden in grote verlegenheid, want nog nooit was zoiets van Susanna verteld.
Toen het volk de volgende dag weer bij haar man Joakim samenkwam, gingen de oudsten ertoe over om hun goddeloos plan uit te voeren en Susanna ter dood te brengen. Voor het verzamelde volk bevalen ze: “Laat Susanna halen, de dochter van Chelkia, de vrouw van Joakim.” Men liet haar halen. Zij verscheen, vergezeld van haar ouders, haar kinderen en al haar verwanten. Haar verwanten en allen die haar zagen weenden. Terwijl de twee oudsten voor het volk gingen staan en hun handen op haar hoofd legden, blikte Susanna schreiend op naar de hemel, want in haar hart bleef zij vertrouwen op de Heer.
Toen verklaarden de oudsten: : “Terwijl we alleen in het park wandelden, kwam zij met twee dienstmeisjes naar binnen, sloot de poort en stuurde de meisjes weg. Daarop kwam er een jongeman naar haar toe, die zich schuil had gehouden, en ging bij haar liggen. Toen we vanuit een hoek van het park het misdrijf bemerkten, snelden we naar haar toe en zagen dat ze met elkaar gemeenschap hadden. Hem konden we niet te pakken krijgen, omdat hij sterker was dan wij, de poort opende en zich uit de voeten maakte; maar haar grepen we en we vroegen haar, wie die jongeman was, maar ze wilde het ons niet zeggen. Dat getuigen wij.”
De vergadering geloofde hen, gezien zij oudsten van het volk waren en rechters, en veroordeelde Susanna ter dood. Toen riep Susanna met luide stem: “Eeuwige God, die het verborgene kent en alles reeds weet, voordat het gebeurt, Gij weet dat ze een vals getuigenis tegen mij hebben afgelegd; en ofschoon ik niet gedaan heb hetgeen ze mij boosaardig ten laste leggen, moet ik toch sterven.” De Heer verhoorde haar gebed.
Terwijl zij werd weggeleid om gedood te worden, gaf God een jongeman, Daniël geheten, een heilig besluit in. Deze jongeman riep met luider stem: “Ik ben onschuldig aan haar bloed!” Waarop het volk zich naar hem toekeerde en vroeg: “Wat bedoel je daarmee?” Hij ging in hun midden staan en zei: “Zijn jullie niet goed wijs, zonen van Israël? Veroordelen jullie een dochter van Israël zonder nader onderzoek en kennis van zaken? Ga terug naar de rechtszaal, want dezen hier hebben een vals getuigenis tegen haar afgelegd.” Daarop ging al het volk haastig naar de rechtszaal terug. Daar zeiden de oudsten tot Daniël: “Neem plaats in ons midden en deel ons je bedoelingen mee, want God heeft je het gezag van de ouderdom verleend.”
Toen zei Daniël tot hen: “Zonder ze van elkaar af, dan zal ik ze aan een verhoor onderwerpen.” Ze werden dus van elkaar gescheiden. Daniël riep vervolgens één van de twee oudsten bij zich en zei: “Je bent in boosheid vergrijsd, maar nu krijg je de straf voor de zonden die je bedreven hebt, door onrechtvaardige vonnissen te vellen: onschuldigen heb je veroordeeld en schuldigen vrijgesproken in strijd met het gebod van de Heer: Breng iemand die onschuldig is en in zijn recht staat niet ter dood. Welnu, als je haar op heterdaad betrapt hebt, zeg dan onder wat voor een boom heb je ze samen gezien?” Hij antwoordde: “Onder een mastiekboom.” Daniël hernam: “Die prachtige leugen kost je je kop! Want Gods engel heeft van God al bevel gekregen je in tweeën te splijten.”
Nadat Daniël deze had laten wegleiden, liet hij de ander voorkomen en zei tot hem: “Je bent een afstammeling van Kanaän en niet van Juda! De schoonheid heeft je verleid en de hartstocht heeft je hoofd op hol gebracht. Zo handelen jullie met de dochters van Israël en uit vrees waren die jullie ter wille, maar een dochter van Juda heeft zich niet willen schikken naar jullie boosheid. Welnu: onder wat voor een boom heb je ze samen gezien?” Hij antwoordde: “Onder een steeneik.” Daniël hernam: “Ook jij hebt door die prachtige leugen je kop verspeeld! Want Gods engel staat reeds klaar om je met het zwaard doormidden te houwen en jullie beiden te verdelgen.”
Hierop barstte heel de vergadering los in luid gejuich en men loofde God, die redt wie op Hem vertrouwt. En nu Daniël met hun eigen woorden bewezen had dat de twee oudsten een vals getuigenis hadden afgelegd, keerde het volk zich tegen hen en overeenkomstig de wet van Mozes voltrokken ze aan de oudsten de straf die zij in hun boosheid hun naaste hadden toegedacht: ze werden ter dood gebracht. Zo werd die dag een onschuldige van de dood gered.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (8,1-11)
In die tijd begaf Jezus zich naar de Olijfberg. ’s Morgens vroeg verscheen Hij weer in de tempel en al het volk kwam naar Hem toe. Hij ging zitten en onderrichtte hen. Toen brachten de schriftgeleerden en Farizeeën Hem een vrouw die op overspel was betrapt. Zij plaatsten haar in het midden en zeiden tot Hem: “Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt terwijl ze overspel bedreef. Nu heeft Mozes ons in de Wet bevolen zulke vrouwen te stenigen. Maar Gij, wat zegt Gij ervan?” Dit bedoelden ze als een strikvraag in de hoop Hem ergens van te kunnen beschuldigen. Jezus echter boog zich voorover en schreef met zijn vinger op de grond. Toen zij bij Hem aanhielden met vragen richtte Hij zich op en zei tot hen: “Laat degene onder u die zonder zonden is, het eerste een steen op haar werpen.” Weer boog Hij zich voorover en schreef op de grond. Toen zij dit hoorden dropen zij een voor een af, de oudsten het eerst, tot dat Jezus alleen achterbleef met de vrouw die daar was blijven staan. Nu richtte Jezus zich op en sprak tot haar: “Vrouw, waar zijn ze gebleven? Heeft niemand u veroordeeld?” Zij antwoordde: “Niemand, Heer.” Toen zei Jezus tot haar: “Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig niet meer.”

Overweging
Ik veroordeel u ook niet. (Johannes 8, 11)

Stel, u bent in een rechtszaal en woont een proces bij. U hoort al de getuigen en ziet het bewijsmateriaal dat zij aanvoeren. U twijfelt er niet aan dat de beklaagde schuldig is – de misdadiger werd zelfs op heterdaad betrapt! Hoe zou u reageren als de rechter besloot de misdadiger vrijuit te laten gaan? U zou geschokt zijn!

Dat is precies wat Jezus doet in de evangelielezing van vandaag. Enkele schriftgeleerden en farizeeërs betrappen een vrouw bij overspel, brengen haar bij Jezus en zijn, in overeenstemming met de Joodse wet, van plan haar te stenigen. Wat denkt u? Zo vragen zij aan Jezus. Maar Hij doorziet hen en richt de schijnwerper van haar op hen. “Wie van u zonder zonde is, moet dan maar als eerste een steen op haar werpen.” (Johannes 8,7).

Deze scherpe woorden herinneren ons eraan dat we allemaal zondaars zijn. Net als de schriftgeleerden en farizeeërs in de evangeliën zijn ook wij vaak geneigd deze fundamentele waarheid te vergeten. Maar Jezus is er duidelijk over: deze vrouw is net zo kostbaar en waardevol als wij. Zij heeft recht op een even volledige vergeving als wij. Er bestaat geen verschil in Jezus’ ogen en dat zou er in onze ogen ook niet moeten zijn.

God wil dat we iedereen met dezelfde waardigheid, hetzelfde respect en evenveel eer behandelen als Jezus aan deze vrouw bewees. In plaats van de eerste steen te werpen, vraagt Hij ons onze armen te openen. In plaats van tegen Hem te praten over de zonden van anderen, spoort Hij ons aan onze eigen zonden te berouwen. En in plaats van te proberen Hem te misleiden of naar mazen in zijn wetten te zoeken, roept Hij ons op om onze energie te steken in het onvoorwaardelijk volgen van Hem. Dat is de enige manier waarop we allemaal kunnen groeien en bloeien in de Heer. Tenslotte is de Kerk geen club waarvoor maar enkele mensen uitgenodigd zijn. Iedereen is van harte uitgenodigd.

Iedereen heeft vergeving en genezing nodig, en dat is precies waar de Kerk voor is. Dat is precies waar Jezus voor kwam! Dus of we onszelf nu Gods liefde wel of niet waardig voelen, laten we tot de Heer komen en vragen om iets te mogen proeven van zijn barmhartigheid en genade, zodat we het geschenk van zijn open hart kunnen aanbieden aan iedereen die we tegenkomen, heilige en zondaar om het even!

Gebed
Heer, geef me een vriendelijk hart, net als het Uwe. U vergeeft mij al mijn zonden; help me om even royaal te zijn als U in het betonen van barmhartigheid. Amen.

< 5e week: dinsdag

Eerste lezing uit het boek Numeri (21,4-9)
In die tijd trokken de Hebreeën van de berg Hor in de richting van de Rietzee, want zij wilden om Edom heentrekken. Maar onderweg werd het volk ongeduldig. Het keerde zich tegen God en tegen Mozes: “Hebt u ons uit Egypte gevoerd om te sterven in de woestijn? Er is geen brood, er is geen water en dat minderwaardige eten staat ons tegen.” Toen zond de Heer giftige slangen op het volk af. Deze beten de Israëlieten en velen van hen vonden de dood. Nu kwam het volk naar Mozes en zei: “Wij hebben gezondigd, want wij hebben ons tegen de Heer en tegen u gekeerd. Bid de Heer, dat Hij die slangen van ons wegneemt.” Toen bad Mozes voor het volk en de Heer zei tot hem: “Maak zo’n giftige slang en zet die op een paal. Iedereen die gebeten is en er naar opziet, zal in leven blijven.” Mozes maakte een bronzen slang en zette die op een paal. Ieder die door een slang was gebeten en zijn ogen op de bronzen slang richtte, bleef in leven.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (8,21-30)
In die tijd sprak Jezus tot de Farizeeën: “Ik ga heen en gij zult Mij zoeken, maar in uw zonden zult ge sterven. Waar Ik heenga kunt gij niet komen.” De Joden zeiden daarop: “Hij zal toch geen zelfmoord plegen, dat Hij zegt: Waar Ik heenga kunt gij niet komen?” Maar Hij hernam: “Gij zijt van beneden. Ik ben van boven. Gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld. Daarom zei Ik u, dat gij in uw zonden zult sterven, want als gij niet gelooft dat Ik ben, zult gij in uw zonden sterven.” Zij vroegen Hem toen: “Wie zijt Gij dan?” Jezus antwoordde: “Waarom zou Ik daar eigenlijk nog met u over spreken? Veel zou Ik over u kunnen zeggen tot uw veroordeling. Maar Hij die Mij gezonden heeft, is waarachtig, en wat ik van Hem heb gehoord, dat zeg Ik tot de wereld.” Zij begrepen niet dat Hij hun van de Vader sprak. Daarop zei Jezus: “Wanneer gij de Mensenzoon omhoog zult hebben geheven, dan zult gij inzien dat Ik ben en Ik uit Mijzelf niets doe, maar dit alles zeg zoals de Vader het Mij heeft geleerd. En Hij die Mij gezonden heeft, is met Mij; Hij heeft Mij niet alleen gelaten, omdat ik altijd doe wat Hem behaagt.” Toen Hij aldus sprak, gingen er velen in Hem geloven.

Overweging
Ieder die door een slang was gebeten en zijn ogen op de bronzen slang richtte, bleef in leven. (Numeri 21, 9)

Voor de Israëlieten die door een slang gebeten waren moet het toch wel erg vreemd geweest zijn dat ze naar een bronzen slang moesten kijken als ze genezen wilden worden! Maar het werkte. Het vergif dat ongetwijfeld hun dood betekend zou hebben, verloor zijn kracht en ze werden bevrijd. Als ze genezen wilden worden moesten ze dus opzien naar het ding dat hun pijn veroorzaakt had – gevolg van hun eigen ongeloof. Ze moesten hun zonde recht in de ogen kijken als ze ervan bevrijd wilden worden.

Nu snel door naar de tijd van Jezus. Ook Hij sprak over een tegenstelling. Hij wist dat Hij opgeheven moest worden aan een kruis zodat wij allemaal bevrijd konden worden van de angel van zonde en dood. Hij wist dat hetzelfde voorwerp voor zijn dood de bron van leven voor iedereen zou worden. Het enige wat we hoeven doen is opzien naar het kruis en we zullen gered worden.

Breng daarom vandaag wat tijd door met aandachtig te kijken naar het kruis. Zie daar de gevolgen van uw zonde – en de zonden van iedereen door de hele geschiedenis heen. Zie Degene die de gevolgen op zich nam. Zie Jezus, het volmaakte Lam van God, die bereidwillig het lot omarmt dat het uwe had moeten zijn.

Blijf kijken. Zie aan dat kruis de volmaakte omschrijving van wat liefde is. Jezus heeft gezegd: “De grootste liefde die iemand zijn vrienden kan betonen, bestaat hierin dat hij zijn leven voor hen geeft” (Johannes 15,13). Laat Jezus’ liefde voor u – zijn persoonlijke, warme liefde voor u – uw hart doen smelten. Laat zijn medelijden met u – zijn bereidheid om voor u te lijden – u ertoe bewegen Hem uw leven te offeren, uw wil en uw plannen.

Kijk nu om u heen. Zie uw broers en zussen die ook naar het kruis kijken. Zij zijn verlost, net als u. Hun lot is uw lot. Laat hun leven, hun verhalen, hun behoeften en verwachtingen en dromen uw hart bewegen met liefde. U bent niet alleen! Samen met hen kunt u in deze wereld bergen verzetten. Als één lichaam kunnen we iedereen vertellen: “Kijk! Hier aan het kruis! Hier is het antwoord op alles wat je nodig hebt!”

Gebed
Alle lof aan U, Jezus, voor uw kruis!
Geef dat we allemaal tekenen van hoop mogen worden wanneer we uw liefde en hartstocht voor de zielen weerspiegelen! Amen.

< 5e week: woensdag

Eerste lezing uit het boek Jesaja (7,10-14 + 8,10)
In die dagen sprak Jesaja tot Achaz: “Vraag de Heer,uw God, om een teken, hetzij hoog aan de hemel of diep in de hel.” Maar Achaz antwoordde: “Ik vraag niet om een teken; ik wil de Heer niet op de proef stellen.” En Jesaja sprak: “Luister dan, Huis van David, is het u niet genoeg mensen te ergeren, dat gij ook mijn God tot ergernis wilt zijn? Daarom geeft de Heer u ook ongevraagd een teken: Zie de jonge vrouw zal ontvangen en een zoon baren, en zij zal hem noemen ‘Immanuel’, ‘God-met-ons’.”

Tweede lezing uit de brief aan de Hebreeën (10,4-10)
Broeders en Zusters,
het is uitgesloten dat het bloed van stieren en bokken zonden zou wegnemen.Daarom zegt Hij dan ook, als Hij in de wereld komt: “Slachtoffers en gaven hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt voor Mij een lichaam bereid. Brandoffers en zoenoffers konden U niet behagen. Toen zei Ik: Hier ben Ik. Zoals er in de boekrol over Mij geschreven staat, Ik ben gekomen, o God om uw wil te doen.” Eerst zegt Hij: “Slachtoffers en gaven, brandoffers en zoenoffers hebt Gij niet gewild, die konden U niet behagen, hoewel de wet voorschrijft dat ze gebracht moeten worden.” En dan zegt Hij: “Hier ben Ik, Ik ben gekomen om uw wil te doen.” Hij schaft dus het eerste af om het tweede te laten gelden. Door die wil zijn wij geheiligd, eens voor al, door het offer van het lichaam van Jezus Christus.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas 1,26-38
Toen Elisabeth zes maanden zwanger was werd de engel Gabriël van Godswege gezonden naar een stad in Galilea, Nazaret, tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette, uit het huis van David; de naam van de maagd was Maria. Hij trad bij haar binnen en sprak: “Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u!” Zij schrok van dat woord en vroeg zich af, wat die groet toch wel kon betekenen. Maar de engel zei tot haar: “Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God. Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen, die gij de naam Jezus moet geven. Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen.” Maria echter sprak tot de engel: “Hoe zal dit geschieden, daar ik geen gemeenschap heb met een man?” Hierop gaf de engel haar ten antwoord: “De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden, Zoon van God. Weet, dat zelfs Elisabeth, uw bloedverwante, in haar ouderdom een zoon heeft ontvangen en, ofschoon zij onvruchtbaar heette, is zij nu in haar zesde maand; want voor God is niets onmogelijk.” Nu zei Maria: “Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.”
En de engel ging van haar heen.

Overweging
Verheug u, begenadigde. (Lucas 1,28)

Uit een homilie van de H. Bernard van Clairvaux (1090–1153):

“Maagd Maria, u hebt gehoord dat u zwanger zult worden en een zoon zult baren; u hebt gehoord dat dit van de heilige Geest zal zijn en niet van een man. De engel wacht op uw antwoord. Het is tijd om terug te keren naar Degene die hem heeft gestuurd. Ook wij zien uit naar dit woord vol genade, wij die zwaar gebukt gaan onder een veroordelend vonnis.”

“De prijs die voor onze redding betaald moet worden wordt in uw handen gelegd. Als u instemt, worden wij onmiddellijk bevrijd. Wij zijn allen geschapen in het eeuwige Woord van God, en zie, wij sterven (2 Korintiërs 6,9). Uw korte antwoord zal maken dat wij teruggebracht zullen worden in de oorspronkelijke staat, opnieuw tot leven gebracht.”

“De berouwvolle Adam en zijn ongelukkige nageslacht, verbannen uit het Paradijs, smeken u, goede Maagd, dit antwoord te geven. David vraagt het. Abraham vraagt het. Al de andere aartsvaders, uw bloedeigen vaderen smeken het u, evenals zij die nu verblijven in het gebied van de schaduw van de dood (Jesaja 9,2). De hele wereld wacht erop, neergebogen aan uw voeten. En terecht, want van uw antwoord hangt de troost af van de bedroefden; de bevrijding van gevangenen; de verlossing van de verdoemden; het heil van alle zonen van Adam, het hele mensenras.”

“Geef daarom vlug antwoord aan de engel, of liever via de engel aan God. Spreek slechts dat woord en ontvang het Woord. Geef het uwe en ontvang dat van God. Adem één vluchtig woord uit en omarm het eeuwige Woord . . . ”

“Waarom talmt u, waarom bent u bang? . . . Hoewel bescheiden stilzwijgen aangenaam is, is gehoorzaam spreken nu nodiger. Open uw hart voor geloof, o gezegende Maagd, uw lippen voor lof, uw schoot voor de Schepper, zie, Degene naar wie alle volken verlangen staat aan uw deur en klopt aan. Als Hij door uw talmen voorbij zou gaan, zou u verdrietig opnieuw naar Hem op zoek gaan, Degene die uw ziel bemint. Sta op, haast u, doe open. Sta op in geloof, haast u in aanbidding, doe open in lof en dankzegging.”

“Ik ben de dienares van de Heer,” zegt ze, “laat met mij gebeuren wat u gezegd hebt” (Lucas 1,38).

Gebed
Jezus, laat uw wil in mij gebeuren zoals in uw heilige Moeder. Amen.

< 5e week: donderdag

Eerste lezing uit het boek (Genesis 17,3-9)
In die dagen wierp Abram zich ter aarde, en God sprak tot hem: “Dit is mijn verbond met u: Gij zult de vader worden van een menigte volken. Gij zult niet langer Abram heten; uw naam zal Abraham zijn, want Ik maak u tot vader van een menigte volken. Ik zal u zeer vruchtbaar maken, volken zal Ik van u maken, zelfs koningen zullen uit u voortkomen. Ik sluit een verbond met u en uw nakomelingen, geslacht na geslacht, een altijddurend verbond: Ik zal uw God zijn en de God van uw nakomelingen. Geheel Kanaän, het land waar gij nu als vreemdeling verblijft, zal Ik aan u en uw nakomelingen geven om het voor altijd te bezitten, en Ik zal hun God zijn.” Verder zei God nog tot Abraham: “Gij van uw kant moet mijn verbond onderhouden, gij en uw nakomelingen, geslacht na geslacht.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (8,51-59)
In die tijd zei Jezus tot de Joden: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als iemand mijn woord onderhoudt, zal hij in eeuwigheid de dood niet zien.” Toen zeiden de Joden Hem: “Nu weten wij zeker dat Gij van de duivel bezeten zijt. Want Abraham en de profeten zijn gestorven, terwijl Gij beweert: Als iemand mijn woord onderhoudt, zal hij in eeuwigheid de dood niet smaken. Zijt Gij soms groter dan onze vader Abraham, die wel gestorven is. Zelfs de profeten zijn gestorven. Voor wie houdt Gij uzelf wel?” Jezus antwoordde: “Als Ik Mijzelf verheerlijk dan is mijn glorie niets; maar mijn Vader is het die Mij verheerlijkt, van wie gij zegt: Hij is onze God. Toch kent gij Hem niet. Ik daarentegen ken Hem en als Ik zou zeggen dat Ik Hem niet ken, zou Ik aan u gelijk zijn: een leugenaar. Maar Ik ken Hem en onderhoud zijn woord. Abraham, uw vader, juichte van vreugde bij de gedachte dat hij mijn dag zou zien; hij heeft hem gezien en zich verheugd.” Toen zeiden de Joden tot Hem: “Gij zijt nog geen vijftig jaar en Gij hebt Abraham gezien?” Jezus antwoordde hun: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: voor Abraham werd geboren, ben Ik.” Toen raapten zij stenen op om Hem te stenigen, maar Jezus trok zich terug en verliet de tempel.

Overweging
. . . voordat Abraham werd geboren, ben Ik. (Johannes 8,58)

Tijdens dit lange gesprek met de Joodse leiders had Jezus voortdurend gezinspeeld op wie Hij was – en daarmee zijn tegenstanders geërgerd. Ze hadden Hem al een leugenaar genoemd, Hem ervan beschuldigd dat Hij een Samaritaan was en zelfs gesuggereerd dat Hij door de duivel bezeten was (Johannes 8,48). U kunt zich goed voorstellen dat ze vragen: Wie denkt U wel dat U bent? (8,53). Ze hadden er al moeite genoeg mee gehad als Jezus alleen maar impliciet had gezegd dat Hij groter was dan de grote aartsvader Abraham (8,52-57). Maar nu Hij zegt: “Ik ben” – een uitspraak die alleen Jahwe kon doen – stelde Jezus zich gelijk aan de Almachtige God (8,58)! Die aanspraak maakte hen zo woedend dat ze stenen opraapten om Hem te doden.

Wij staan vandaag voor een heel ander dilemma. In tegenstelling tot Joden uit de eerste eeuw, denken veel mensen vandaag niet te veel na over Jezus’ identiteit. Ze zien in Hem weinig meer dan een edel mens of een verrichter van goede daden. En als resultaat is de horizon van hun visie op het leven helaas beperkt.

Voor ons die geloven kan echter het verstaan van Wie Jezus is mogelijkheden openen die we nooit eerder voor mogelijk hadden gehouden. Jezus is de grote “IK BEN.” In zijn persoon wonen alle eigenschappen van God zelf. Als de eeuwige Zoon van God heeft Hij altijd bestaan. Voordat de wereld begon was Hij al bestemd om over ons te regeren zoals een herder voor zijn schapen zorgt. Zelfs voordat wij in zonde vielen was zijn Vader al van plan zijn Zoon te sturen om ons te vullen met goddelijk leven en in zijn tegenwoordigheid te brengen.

Wanneer we Jezus zichzelf horen verklaren tot “IK BEN” wordt ons hart bewogen door de zekerheid dat we veilig zijn. Deze verklaring zegt ons dat de eeuwige God elk moment van ons leven kent en dat Hij in elke situatie met ons is. Hij-die-is verliest ons nooit uit het zicht – en wat is dat heerlijk! Zelfs als wij struikelen in zonde en ongeloof is Jezus bereid ons terug te brengen in de omarming van zijn Vader.

Wat heeft God ons lief! Laten we Hem vandaag danken voor zijn trouw en zijn Geest vragen om deze waarheden dieper in ons hart te verankeren.

Gebed
Jezus, hoe troostrijk is het te weten van uw onuitputtelijke liefde!
Laat uw woord in mijn hart doordringen zodat ik U kan zien zoals U werkelijk bent – de ontzagwekkende, eeuwige Zoon van God. Amen.

< 5e week: vrijdag

Eerste lezing uit het boek Jeremia (20,10-13)
Ik hoor velen fluisteren: “Daar heb je ontzetting – overal.” Breng hem aan, ja, we brengen hem aan. Al mijn vrienden willen niets liever dan mij ten val brengen. Ze zeggen: “Misschien laat hij zich misleiden, dan overmeesteren we hem en kunnen we ons op hem wreken.” God de Heer is bij mij als een machtig strijder. Mijn achtervolgers vallen neer, ze zullen niet overwinnen. Ze worden diep beschaamd, nooit bereiken ze iets. Hun schande duurt eeuwig, ze wordt nooit vergeten! God van de hemelse machten, die alles rechtvaardig onderzoekt, die hart en nieren doorgrondt, laat mij zien hoe Gij u op hen wreekt. Ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd. Zing een lied, een loflied voor de Heer uw God, want Hij heeft het leven van de arme uit de macht van de boosdoeners gered.

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (10,31-42)
In die tijd raapten de Joden stenen op om Jezus te stenigen. Maar Jezus zei hun: “Ik heb voor uw ogen veel goede werken verricht, die uit de Vader voortkomen; om welk van die werken wilt gij Mij stenigen?” De Joden gaven Hem ten antwoord: “Niet om een goed werk stenigen wij U, maar om een godslastering: dat Gij, een mens, Uzelf tot God maakt.” Jezus antwoordde hun: “Staat er niet in uw Wet geschreven: Ik heb gezegd: gij zijt goden? Zij heeft hen tot wie het woord Gods gericht werd, goden genoemd, en de Schrift heeft bindende kracht. Maar waarom dan beschuldigt ge Mij, die door de Vader geheiligd en in de wereld gezonden werd, van godslastering als Ik Mijzelf Gods Zoon noem? Als Ik de werken van mijn Vader niet doe, behoeft gij Mij niet te geloven, maar zo Ik ze wel doe, gelooft dan die werken, als ge Mij niet wilt geloven. Dan zult gij inzien en erkennen, dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader ben.”
Toen probeerden zij opnieuw Hem te grijpen, maar Hij stelde zich buiten hun bereik. Hij ging terug naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes aanvankelijk gedoopt had, en bleef daar. Velen kwamen tot Hem, want ze zeiden: “Johannes heeft weliswaar geen enkel teken gedaan, maar alles wat hij over deze man zei, was waar.” En velen begonnen daar in Hem te geloven.

Overweging
De HEER is bij mij (Jeremia 20, 11)

Hebt u wel eens het gevoel gehad dat iemand erop uit was u te grazen te nemen? Of dat iemand zijn best deed uw gezag te ondermijnen of u belachelijk te maken? Wel, u bent zeker niet de enige. U bent zelfs in goed gezelschap. Alle drie de lezingen van vandaag komen we geloofshelden tegen – Jeremia, David en Jezus – die te maken hebben met laster, bedreigingen en verraad.

Hoe reageert u dus als u zich in zo’n situatie bevindt? Herhaalt u het verzoek van Jeremia: “HEER van de hemelse machten … laat mij zien hoe U wraak neemt” (Jeremia 20,12)? Of volgt u Jezus’ woorden: “heb je vijanden lief en bid voor wie je vervolgen, dan zullen jullie kinderen worden van je Vader in de hemel” (Matteüs 5,44-45)?

Ga eens in Jeremia’s schoenen staan. He had de zware taak gekregen om oordeelsprofetieën uit te spreken over zijn koppige familie, vrienden en landgenoten (Jeremia 4,1+4). Hij bad de Heer om barmhartig te zijn, maar het volk reageerde met samenzweringen om hem te doden. Jeremia’s gebed in de eerste lezing van vandaag volgt in feite op de ontdekking van een tweede samenzwering om hem te vermoorden!

Weliswaar voegt Jeremia aan zijn gebed een scherp, wraakzuchtig verzoek toe, maar desondanks geeft hij een voorbeeldige en bewonderenswaardige reactie op onrecht en boosaardigheid. Hij gaat met zijn gebroken hart naar God. En deze blijk van vertrouwen viel bij de Heer in goede aarde. Hij troostte Jeremia, gaf hem kracht voor zijn taak en redde hem zelfs uit “de macht van de boosdoeners” die erop uit waren hem te pakken te nemen (Jeremia 20,13).

Gelooft u dat u op precies dezelfde manier naar uw Vader mag gaan? Dat mag echt. Hij raakt niet in verwarring van uw frustratie. En het is veel beter om er lucht aan te geven dan om je frustratie op te kroppen. God kent uw hart en Hij is altijd bereid u zijn hart te schenken wanneer u het uwe bij Hem uitstort.

Wanneer u deze benadering beproeft dan zult u gaan zien dat uw boze en gefrustreerde gebeden veranderen in gebeden van medelijden en barmhartigheid. Geef God de tijd en Hij zal u veranderen!

Gebed
Vader, ik vertrouw erop dat U geduld met me zult hebben als ik mijn hart met U deel. Luister alstublieft naar mijn gebed en leer me de weg van liefde en vergeving. Amen.

< 5e week: zaterdag

Eerste lezing uit het boek Ezechiël (37,21-28)
Zo zegt God de Heer: “Ik zal de kinderen van Israël, die overal verspreid onder de heidenvolken leven, bijeenbrengen en hun terugvoeren naar hun eigen grond. Ik zal hen tot één enkel volk maken, in het land, op de bergen van Israël, en één koning zal over hen allen regeren. Zij zullen niet langer twee volken zijn, niet langer verdeeld over twee rijken. Zij zullen zich niet meer bezoedelen met hun afgoden, hun gruwelbeelden en al hun misdaden. Uit de trouweloosheden waaraan zij zich bezondigd hebben zal Ik hen verlossen en Ik zal hen reinigen, zodat zij mijn volk zijn en Ik hun God. Dan zal mijn dienaar David koning over hen zijn: zij zullen allen één herder hebben.Zij zullen leven volgens mijn geboden en mijn wetten werkelijk onderhouden. Zij zullen wonen in het land dat Ik mijn dienaar Jakob gegeven heb, het land waar hun vaderen gewoond hebben; zij en hun kinderen en hun kleinkinderen zullen daar voor altijd wonen, en mijn dienaar David zal voor altijd hun vorst zijn. Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten: een altijddurend verbond zal het zijn. Ik zal hun een woonplaats geven, Ik zal hen talrijk maken en mijn heiligdom voor altijd onder hen vestigen. Mijn woning zal bij hen zijn. Zo zullen de heidenvolken weten, dat Ik, de Heer, Israël heilig maak, doordat mijn heiligdom voor altijd onder hen is.”

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (11,45-56)
Vele Joden die in die dagen naar Maria waren gekomen en zagen wat Jezus gedaan had, geloofden in Hem. Enigen van hen gingen echter naar de Farizeeën om hun te vertellen wat Jezus gedaan had. De hogepriesters en Farizeeën belegden daarop een zitting van het Sanhedrin en zeiden: “Wat doen we? Want die man verricht veel wonderen. Als wij Hem zijn gang laten gaan, zullen ze allemaal in Hem geloven. Dan zullen de Romeinen komen en met de heilige plaats ook ons volk wegvagen.” Maar een van hen, Kajafas, die in dat jaar hogepriester was, zei hun: “Gij begrijpt er niets van; ge denkt er niet aan, dat het beter voor u is, dat er één mens voor het volk sterft dan dat het hele volk ten onder gaat.” Dat zei hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester in dat jaar profeteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het volk, en niet voor het volk alleen, maar ook om de verstrooide kinderen van God samen te brengen. Van die dag af waren ze besloten Hem te doden.
Jezus bewoog zich daarom niet meer openlijk onder de Joden, maar vertrok vandaar naar de streek bij de woestijn, en wel naar de stad Efraim, waar Hij met zijn leerlingen verbleef. Toen echter het paasfeest van de Joden op handen was, gingen velen uit die streek voor Pasen naar Jeruzalem om zich te reinigen. Ze zochten naar Jezus en zeiden tot elkaar, terwijl ze in de tempel stonden: “Wat dunkt u? Zou Hij niet naar het feest komen?”

Overweging
Ik maak hen weer talrijk en vestig mijn heiligdom in hun midden voor altijd.
Bij hen zal Ik wonen. Ik zal hun God zijn en zij mijn volk. (Ezechiël 37,26-27)

Hebt u wel eens gezien hoe een kip haar kuikens bijeenbrengt? Als ze om de een of andere reden bescherming nodig hebben, spreidt ze haar vleugels uit om ze een veilige plek te geven. Wanneer ze onder haar vleugels schuilen merkt de toeschouwer niet eens dat ze daar zitten. Wel, dat is hoe God wil dat wij over Hem denken.

De kinderen Israëls hadden zich van hem afgekeerd en waren valse goden nagelopen. Ze hadden zich afgekeerd van hun verbond met Hem en nu oogstten ze de gevolgen van hun zonde: de Tempel was verwoest en zij waren uit hun land verjaagd en moesten als ballingen wonen in een vreemd land, wat een schande! En toch, al ten tijde dat ze bezig waren zich aan te passen aan hun nieuwe toestand als vluchtelingen, beloofde God door Ezechiël dat Hij hen weer onder zijn vleugels bijeen zou brengen. Hij zou hen vergeven en zijn vredesverbond met hen vernieuwen. Hij zou hen bevrijden uit de ballingschap.

Wat God beloofde aan de Israëlieten heeft Hij ook aan ons beloofd – en Hij heeft die belofte op een verrassende, ijzersterke manier vervuld! Toen wij verloren waren in de ballingschap van de zonde, stuurde Hij zijn Zoon Jezus om ons thuis te brengen. Aan het kruis gaf Jezus zijn leven opdat wij onderdak konden vinden onder de vleugels van onze Vader.

Zo is uw God. Hij verzamelt en Hij beschermt. Hij geneest en Hij bevrijdt. Hij is niet ver weg van ons, maar heel dichtbij. Hij staat altijd klaar om ons met open armen te ontvangen. Zelfs als wij ons onwaardig of ver weg voelen, is dat niet hoe Hij ons ziet. Hij ziet ons als kwetsbare kinderen die zijn bescherming en begeleiding nodig hebben – iets wat Hij altijd bereid is te geven.

Loop vandaag dus snel naar de bescherming van Gods vleugels. Stel uw vertrouwen op Hem. Als u de neiging hebt om boos te worden of toe te geven aan zondige gedachten, als u zich neerslachtig of bezorgd voelt, als u onzeker of verward bent, loop snel naar Hem toe. Hij zal u nooit afwijzen!

Gebed
Dank U, Vader, voor uw liefde en barmhartigheid!
Dank U dat ik elk moment naar U toe mag komen om bij U bescherming en troost te vinden. U bent mijn bevrijder, mijn schuilplaats, mijn hoop. U alleen heb ik nodig. Amen.

< Vastenboodschap Paus 2021

< “Wij gaan nu naar Jeruzalem ..” (MT. 20, 18). De Veertigdagentijd: een tijd om geloof, hoop en naastenliefde te hernieuwen.

Dierbare broeders en zusters,

Jezus openbaart aan zijn leerlingen de diepe betekenis van zijn zending als hij hen spreekt over zijn lijden, dood en verrijzenis als vervulling van de wil van de Vader. Hij roept zijn leerlingen op zich daarbij aan te sluiten voor de redding van de wereld.

Laten wij op onze tocht van veertig dagen op weg naar Pasen, Hem in herinnering houden die “zich heeft vernederd, gehoorzaam werd tot de dood, tot de dood aan een kruis” (Fil. 2, 8). In deze tijd van bekering hernieuwen wij ons geloof, putten wij het “levende water” van de hoop en ontvangen wij met een open hart de liefde van God, die ons verandert in broeders en zusters in Christus. In de Paasnacht zullen wij onze doopbeloften hernieuwen om dankzij de werking van de Heilige Geest als nieuwe mannen en vrouwen herboren te worden. Maar de tocht van de Veertigdagentijd staat, zoals de gehele pelgrimstocht van het christelijk leven, geheel in het licht van de verrijzenis, die de gevoelens, de houdingen en de keuzes van wie Christus wil volgen, bezielt.

Vasten, gebed en aalmoes zijn, zoals ze door Jezus in zijn prediking worden gepresenteerd, een voorwaarde voor en de uitdrukking van onze bekering. De weg van de armoede en onthouding (het vasten), de aandacht en zorgende liefde voor de gewonde mens (de aalmoes) en een dialoog in kinderlijk vertrouwen met de Vader (het gebed) maken het ons mogelijk een oprecht geloof, een levende hoop en een daadwerkelijke liefde voor te leven.

1. Het geloof roept ons op de Waarheid te ontvangen en er voor God en al onze broeders en zusters getuigen van te worden.
In deze Veertigdagentijd betekent het ontvangen en beleven van de waarheid die zich in Christus geopenbaard heeft, vóór alles het openen van onze harten voor Gods Woord, dat aan ons door de Kerk van generatie op generatie wordt doorgegeven. Deze waarheid is geen constructie van het verstand, voorbehouden aan kleine groep intellectuele uitverkorenen, maar het is een boodschap die wij ontvangen en kunnen begrijpen dankzij de wijsheid van een hart dat openstaat voor de grootheid van God, die ons liefheeft, nog voordat wij ons daar zelf bewust van worden. Deze waarheid is Christus zelf, die door ons mens-zijn ten volle aan te nemen een – veeleisende, maar voor allen openstaande – weg is geworden die leidt naar de volheid van leven.

Het vasten, beleefd als een vorm van onthouding, brengt hen die dit beleven in eenvoud van hart, er toe opnieuw de gave van God te ontdekken en te erkennen dat wij, geschapen naar zijn beeld en gelijkenis, in Hem onze vervulling vinden. Door de ervaring van armoede te omarmen, wordt wie vast arm met de armen en vermeerdert de rijkdom van ontvangen en gedeelde liefde. Op deze wijze helpt het vasten om God en de naaste lief te hebben, in zoverre de liefde, zoals de heilige Thomas van Aquino leert, een beweging is die de aandacht richt op de ander en daarbij deze als één met zichzelf, beschouwt”.

De Veertigdagentijd is een tijd om te geloven, om God in ons leven te verwelkomen en Hem toe te staan bij ons “verblijf te nemen”. Vasten wil ons bestaan bevrijden van alles wat ons belemmert , zoals consumentisme en een overvloed aan informatie – zowel waar als vals, om de deuren van onze harten te openen voor Hem die tot ons komt, arm in alles, maar “vol genade en waarheid” (Joh. 1, 14): de Zoon van God onze Redder.

2. De hoop als “levend water”, dat het mogelijk maakt onze levenstocht voort te zetten
De Samaritaanse vrouw aan wie Jezus bij de put te drinken vraagt, begrijpt het niet, wanneer Jezus tegen haar zegt dat Hij haar “levend water” (Joh. 4, 10) zou kunnen geven. Aanvankelijk denkt zij natuurlijk aan concreet water, Jezus bedoelt echter de Heilige Geest, degene die Hij in overvloed door het Paasmysterie zal geven en die in ons een hoop wekt die niet teleurstelt. Reeds bij het aankondigen van zijn lijden en dood spreekt Jezus over deze hoop, wanneer Hij zegt: “maar op de derde dag zal Hij verrijzen” (Mt. 20, 19). Jezus spreekt ons over de toekomst die door de barmhartigheid van de Vader is geopend. Hopen, met Hem en dankzij Hem, betekent geloven dat de geschiedenis niet eindigt met onze fouten, ons geweld, onze onrechtvaardigheid en de zonde die de Liefde kruisigt. Het betekent vergeving van de Vader ontvangen uit zijn open Hart.

In deze tijden vol moeilijkheden waarin wij leven en waarin alles broos en onzeker lijkt, zou spreken over hoop een provocatie kunnen lijken. De Veertigdagentijd is juist tijd van hoop, als wij naar God terugkeren die geduldig blijft zorgen voor zijn schepping, terwijl wij deze vaak slecht behandeld hebben. Het is hoop op verzoening, waartoe de heilige Paulus ons hartstochtelijk aanspoort: “laat u met God verzoenen! (2 Kor. 5, 20). Door vergeving te ontvangen in het sacrament dat in het middelpunt staat van ons proces van bekering, kunnen wij op onze beurt vergeving geven aan anderen. Omdat wij zelf vergeving hebben ontvangen, kunnen wij deze doorgeven in een aandachtige dialoog met anderen en troost bieden aan hen die verdriet en pijn ervaren. De vergeving van God, ook door middel van onze woorden en daden, maakt het mogelijk een Pasen van broederschap te beleven.

Laten wij in de Veertigdagentijd er meer op letten “woorden van troost, sterkte en bemoediging te spreken in plaats van woorden die vernederen, bedroefd maken, irriteren of verachten”. Om hoop te geven is het soms voldoende vriendelijk te zijn, “om alles opzij te zetten en aandacht te geven, om een glimlach te schenken, om een woord te zeggen dat bemoedigt, om te midden van zoveel onverschilligheid te luisteren.

In de inkeer en het stille gebed wordt ons de hoop gegeven ter bezieling en als innerlijk licht, om uitdagingen en keuzes van onze zending te verlichten. Vandaar de noodzaak van gebed en, in het verborgene, de Vader van tedere liefde te ontmoeten.

Een Veertigdagentijd vol hoop beleven wil zeggen, groeien in het besef dat men in Jezus Christus getuige is van de nieuwe tijd waarin God “alles nieuw maakt”. Het betekent de hoop van Christus ontvangen die zijn leven heeft gegeven op het kruis en die God heeft opgewekt op de derde dag, en “altijd bereid tot verantwoording aan al wie [ons] rekenschap vraagt van de hoop die in [ons] leeft” (1 Pt. 3, 15).

3. De liefde, beleefd in het voetspoor van Christus, in de aandacht voor en het medelijden met ieder, is de hoogste uitdrukking van ons geloof en onze hoop
De liefde verheugt zich, wanneer zij de ander ziet groeien. Daarom lijdt zij, wanneer de ander in nood is: alleen, ziek, dakloos, veracht, behoeftig. De liefde is het elan van het hart dat ons uit ons zelf doet treden en banden van samen delen en gemeenschap schept.

“Sociale liefde” maakt het mogelijk te komen tot een beschaving van liefde waartoe wij ons allen geroepen kunnen voelen. De liefde kan met haar universele dynamiek een nieuwe wereld opbouwen. Niet louter een gevoel, maar de beste manier om begaanbare wegen van ontwikkeling voor allen te ontdekken”.

De liefde is een gave die zin geeft aan ons leven en waardoor wij hen die in nood zijn, beschouwen als lid van onze eigen familie, als vrienden, broers en zusters. Als het weinige dat er is met liefde wordt gedeeld, eindigt het nooit, maar verandert het in een reserve aan leven en geluk. Dat gebeurt met het meel en de olie van de weduwe van Sarefat, die de profeet Elia een broodje aanbiedt; en met de broden die Jezus zegent, breekt en aan de leerlingen geeft om te verdelen onder de menigte. Dat gebeurt met onze aalmoes, hoe groot of klein ook, aangeboden met vreugde en eenvoud.

Een Veertigdagentijd van liefde beleven betekent zorg hebben voor hen die lijden, die zich in de steek gelaten voelen of angstig zijn ten gevolge van de Covid-19 pandemie. In deze dagen van grote onzekerheid over de toekomst moeten wij Gods woord tot zijn dienaar in gedachte houden: “vreest niet, want Ik heb u verlost” (Jes. 43, 1). In liefde kunnen wij woorden van vertrouwen spreken en anderen helpen zich te realiseren dat God hen lief heeft als zonen en dochters.

“Alleen met een liefdevolle blik kan de waardigheid van anderen worden erkend, met als gevolg dat ook de armen in hun waardigheid worden erkend en gewaardeerd en gerespecteerd in hun eigen identiteit en cultuur en daardoor werkelijk geïntegreerd in de maatschappij”.

Dierbare broeders en zusters, ieder moment van ons leven is een tijd om te geloven, te hopen en lief te hebben. Moge de oproep om de Veertigdagentijd te beleven als een tocht van bekering, gebed en samen delen, ons helpen, zowel als gemeenschappen als individuen, het geloof te doen herleven dat komt van de levende Christus, de hoop die door de adem van de Geest wordt bezield, en de liefde waarvan de onuitputtelijke bron het barmhartige hart van de Vader is.

Moge Maria, Moeder van de Redder, trouw aan de voet van het kruis en in het hart van de Kerk, ons met haar zorgzame aanwezigheid ondersteunen, en moge de zegen van de verrezen Heer ons allen begeleiden op de weg naar het licht van Pasen.

Rome, Sint Jan van Lateranen, 11 november 2020, de gedachtenis van de heilige Martinus van Tours.

Franciscus

Lees meer Vastenboodschappen uit het verleden via RKDocumenten.nl

< Ter overdenking: hoe vasten wij goed?

< Uw Vader zal u belonen

De deur naar de genade openen door vasten, bidden en geven

De H. Augustinus heeft eens gezegd dat vasten en liefdadigheid de twee vleugels zijn die we nodig hebben om ons gebed te laten opstijgen naar God. Zo’n beeld maakt duidelijk dat het ene feit – dat we ons dingen ontzeggen – en het andere feit – dat we liefdadigheid willen betrachten – absoluut bij elkaar horen en dat zij samen ons geestelijk leven een flinke duw kunnen geven. Doordat ze ons helpen de zelfzucht opzij te zetten maken ze het ons gemakkelijker ons op Jezus te richten en op de belangeloze liefde die Hij in ons gestalte wil geven.

De Veertigdagentijd wordt vaak gereduceerd tot een tijd waarin we “iets opgeven”, een tijd waarin we gebruiken volgen die we niet fijn vinden maar waarvan we het idee hebben dat ze goed voor ons zijn. Dat lijkt op een kind dat leert om zijn groente op te eten omdat het weet dat het goed voor hem is, maar hij vindt de smaak ervan niet lekker. Hoewel deze aanpak bij kinderen kan werken, is het niet de manier waarop God wil dat wij – als volwassenen – kijken naar het leven waartoe Hij ons roept. Hij wil dat we de Veertigdagentijd bezien als een tijd van vernieuwing, niet als een stel klusjes bij elkaar die we met tegenzin uitvoeren.

In de Engelstalige wereld onderstreept de term die voor de Veertigdagentijd gebruikt wordt – ´Lent´– in zichzelf al dit besef van vernieuwing en geestelijke groei. Het woord is afgeleid van het Oud-Engelse woord lencten, dat verwijst naar het lengen van de dagen in de lentetijd. De lentetijd is een cruciaal seizoen voor boeren waarin ze goed letten op hun gewassen en ze zorgvuldig nalopen, allemaal in de hoop op een overvloedige oogst. Op soortgelijke wijze is de Veertigdagentijd voor ons een tijd om extra aandacht te geven aan de zaden van geloof en gehoorzaamheid die God in ons gezaaid heeft, in de hoop dat we tegen Pasen de vrucht van zijn heilige Geest zullen oogsten.

Laten we er daarom een punt van maken om ons in deze Veertigdagentijd los te maken van onze alledaagse routine zodat we de heilige Geest kunnen vragen ons te leren hoe we verder en sneller kunnen vliegen.

Wanneer je vast …

Aswoensdag is de eerste dag van een nieuw en hoopvol seizoen. Het is de tijd om onze geestelijke tuin goed te verzorgen, zodat we de rijkdom van Gods vernieuwende genade kunnen oogsten. Het is geen zware tijd. Het is een tijd van hoop en blijdschap omdat we uitzien naar wat God zal gaan doen in ons hart.

Toen Jezus ons leerde over vasten, bidden en liefdadigheid, gaf Hij ons drie specifieke aanwijzingen die we in acht moeten nemen. We lezen erover in Matteüs 6,1-18.

Het eerste wat opvalt in deze verzen is dat Jezus niet zegt: “Als je vast” of “Als je aalmoezen geeft” of “Als je bidt”. Nee, Hij zegt: wanneer je deze dingen doet. Het zijn geen vrijblijvende opties waar we al dan niet voor kunnen kiezen in ons geestelijk leven. Het zijn geboden van de Zoon van God. Het zijn essentiële gebruiken die ons helpen los te komen van onze egoïstische en genotzuchtige manier van denken.

Jezus leert ons om te vasten, te geven en te bidden. Dat doet Hij omdat Hij weet dat deze dingen ons helpen om onze bezittingen, onze genoegens en onze innerlijke waarde in het juiste perspectief te zetten. Hij weet dat zelfverloochening in combinatie met gebed en goedgeefsheid ons de ogen opent voor Gods liefde. Hij weet, uit eigen ervaring, hoe deze gebruiken ons zullen helpen om andere mensen lief te hebben en voor ze te zorgen.

Daarnaast leert Jezus ons om ons geven, ons bidden en ons vasten in het geheim te doen. Hij wil niet dat we er een show van maken waardoor mensen voor ons gaan applaudisseren of ons de hemel in prijzen. Hij houdt niet van de manier waarop sommige religieuze leiders in zijn dagen eer en bijval zochten van precies die mensen die zij dichter naar God toe zouden moeten brengen. Het is alsof ze de mensen dichter naar zichzelf toe trokken in plaats van naar de Heer! Het is veel beter, zegt Jezus, om te zwijgen over onze geestelijke gebruiken zodat we ons meer op God kunnen richten dan op het respect van andere mensen.

Hemelse en aardse beloningen

Het derde wat Jezus ons leert is het belangrijkste. Hij zegt namelijk dat als we in het geheim geven en bidden en vasten, onze hemelse Vader ons zal belonen (Matteüs 6,3-4+6+17-18).

Jezus doelt niet op materiële beloningen. We beoefenen deze vastenpraktijken niet in de hoop dat God ons met voorspoed zal overladen. Nee, Jezus spreekt zowel over de beloningen aan heerlijkheid die ons in de hemel te wachten staan als over de meer directe beloningen die we hier op aarde zullen oogsten.

De H. Paus Leo de Grote rekent tot deze directe beloningen onder meer een diepere relatie met God, grotere vrijheid van zonde en een nieuwe aandacht voor de behoeften van de armen in ons midden.

Paus Leo vertelt ook hoe onze vastengebruiken de harmonie in ons huis kunnen verhogen. Door ons vasten, bidden en geven kunnen we betere echtgenoten, betere ouders en betere kinderen worden. Deze gebruiken zorgen voor een grotere openheid voor Gods genade, waardoor we minder zelfzuchtig, goedgeefser en vriendelijker worden. Ze helpen ons van elkaar te houden op manieren die we gewoonweg niet voor mogelijk hielden. Ze leren ons oprecht berouw te hebben en ze helpen ons als we proberen gewonde relaties te verzoenen. Met andere woorden: als we de Heer tegemoet treden met vasten, met royale liefdadigheid en met gebed dan beloont God ons door ons stapje voor stapje te veranderen naar zijn beeld.

Als u Paus Leo’s woorden ter harte neemt door deze drie vastengebruiken te volgen dan mag u er zeker van zijn dat uw hemelse Vader uw pogingen zal belonen met een rijke oogst aan overvloedige genade. Dat is een belofte van Jezus.

Motivatie

De kwaliteit van ons vasten is van meer belang dan de hoeveelheid ervan. Zo is ook de intentie van onze liefdadigheid belangrijker dan de hoeveelheid geld die we weggeven. En de focus van ons gebed betekent meer dan de hoeveelheid tijd die we eraan besteden.

Om Paulus te parafraseren: we kunnen een miljoen euro weggeven, de komende veertig dagen niet eten en elke dag urenlang bidden, maar als onze liefde niet groeit of onze solidariteit met Gods volk niet dieper wordt, dan zitten we er toch naast (1 Korintiërs 13,3). Tegelijkertijd kan het weggeven van een klein bedrag – op een manier dat het wel echt als een offer voelt – een enorm effect hebben op onszelf en op de mensen aan wie we het geven. Het enige waar het in vasten, geven en bidden om draait, is dat we dichter naar God toe getrokken worden, zodat ons leven door zijn Geest omgevormd wordt tot een “steeds heerlijker” bestaan (2 Korintiërs 3,18).

In de kern van de zaak draait het niet om geld en bezittingen. Op zich worden we daardoor niet opgetild naar de hemel of in de diepte van de hel gestort. Waar het om draait is hoe ze ons leven kunnen beheersen. Het valt niet mee om rijk te zijn en ons er niet door te laten beïnvloeden in onze manier van denken of handelen. Het valt niet mee om onze waarde of zekerheid niet te zoeken in hoeveel we bezitten of hoeveel we verdienen. Dat is de reden waarom vasten, bidden en geven zo belangrijk zijn. Die laten ons zien hoe we datgene wat we bezitten – het maakt niet uit of dat veel of weinig is – in een breder, hemels perspectief kunnen plaatsen. Ze laten ons zien dat onze relaties met God en zijn volk veel belangrijker zijn dan onze status en onze bezittingen.

Methode

Als u dus elke dag van de Veertigdagentijd kunt vasten dan zult u gezegend worden. Als u alleen maar het vlees op vrijdag kunt laten staan dan zult u ook gezegend worden. Als u zakken met kleding en een aanzienlijk bedrag aan geld aan de armen kunt geven, ook dan zult u gezegend worden. En als u maar een beetje kunt geven, ook dan zult u ook gezegend worden. Wat er echt toe doet is dat u deze dingen doet uit nederigheid en liefde, dat u een offer brengt om Gods genade te ontvangen en te delen met de mensen om u heen.

Bedenk ook dat, hoewel je bij vasten het eerst aan voedsel denkt, het niet uitsluitend over eten en drinken hoeft te gaan. We kunnen ook vasten van televisie of het internet. We kunnen sarcasme, cynisme of negatieve en discriminerende taal uitbannen en proberen alleen maar opbeurende en bemoedigende woorden te spreken en proberen met iedereen in eensgezindheid te leven. We kunnen vasten van bezorgdheid om van alles en nog wat, en ons in vertrouwen richten op de Heer. Het gaat erom dat we vasten, niet hoe we vasten.

Roep een vasten uit

Roep dus deze Veertigdagentijd bij u thuis een vasten uit. Geef royaal aan mensen in nood. Maak tijd vrij om te bidden. Als u al een vaste gebedstijd hebt, probeer dan dagelijks een beetje meer tijd met de Heer door te brengen.

Wat u ook gaat doen, laat het u mogen helpen om dichter bij de Heer te komen. En houd dit in uw achterhoofd: uw hemelse Vader gaat u belonen met een golf van zegeningen – meer dan u zich in de verste verte kunt voorstellen. Moge God ons allen deze Veertigdagentijd zegenen met zijn genade!

< Gewetensonderzoek ter voorbereiding op Pasen

Het Sacrament van Verzoening in de Veertigdagentijd

< Genade in de woestijn

Een gewetensonderzoek voor de Veertigdagentijd

Na veertig jaar zwerven in de woestijn, net toen de Israëlieten op het punt stonden het Beloofde Land binnen te trekken, beval God hun om sterk en moedig te zijn (Jozua 1,6). Hij wilde dat de Israëlieten zouden beseffen dat ze, hoewel Hij hun een eigen thuisland beloofde, met Hem mee moesten werken om die erfenis daadwerkelijk in ontvangst te kunnen nemen.

Op een vergelijkbare manier roept God ieder van ons op om sterk en moedig te zijn zodat wij op onze “woestijn”-reis in de Veertigdagentijd zijn vrijheid en genade kunnen ervaren. Jezus heeft de zonde al verslagen en nu roept Hij ons op om sterk te staan in het geloof. Hij roept ons op om te vertrouwen dat, wanneer wij dicht bij Hem blijven, al de genade van onze verlossing ons hart zal binnenstromen gelijk een kolkende rivier.

Dat is de reden waarom het Sacrament van Verzoening zo belangrijk is. Steeds wanneer wij ons tot God keren en onze zonden belijden, wast Hij ons schoon van ongerechtigheid zodat we verder kunnen trekken in de richting van het “Beloofde Land” dat Hij ons gegeven heeft. Het volgende gewetensonderzoek is, ook al is het niet uitputtend, bedoeld om u te helpen die terreinen in uw leven aan te wijzen waar u mogelijk de oproep om sterk te zijn in de Heer opzij geschoven hebt. Overweeg in gebed de onderstaande vragen en vraag de heilige Geest om aan te duiden waar u berouw nodig hebt. Weet dat God u graag wil vergeven en u de kracht wil geven om alle beloften na te jagen die Hij ons gegeven heeft.

Liefde voor God (Marcus 12,28-30; Johannes 14,23-24). Op welke manieren zet ik God op de eerste plaats, boven al het andere? Maak ik tijd vrij om in gebed bij Hem te zijn? Beschouw ik Gods Kerk en haar wetten met respect en dankbaarheid?

Liefde voor anderen (Lucas 10,25-37; Johannes 13,12-15). Herinner ik me situaties waarin ik niet goed heb gezorgd voor de mensen die de Heer in mijn leven geplaatst heeft? Heb ik bij tijden geweigerd hun noden boven die van mezelf te plaatsen? Herinner ik me ook bepaalde situaties waarin ik iemand niet behandeld heb met het respect en de waardigheid van een kind van God?
Genade (Matteüs 18,21-35; Johannes 8,1-11). Zijn er situaties waarin ik het moeilijk vind om iemand te vergeven die me gekwetst heeft? Zijn er groepen mensen die ik te snel beoordeeld heb op grond van hun positie op de maatschappelijke ladder, hun ras of hun uiterlijk? Zijn er situaties waarin ik Gods genade maar moeilijk kan aanvaarden en waardoor ik het dan moeilijk vind om jegens anderen genadig te zijn?

Nederigheid (Marcus 10,13-16; Filippenzen 2,6-11). Hoe vaak bedenk ik dat mijn talenten en gaven van God komen? Heb ik de mensen die ik geregeld ontmoet, behandeld als kinderen van God, ongeacht hun status of positie? In hoeverre verlaat ik me in de loop van de dag op de Heer en zijn genade en kracht?

Gulheid (Marcus 6,30-34; Lucas 6,38). Hoe makkelijk vind ik het om mijn tijd en gaven met anderen te delen? Ben ik royaal als het erom gaat liefdadige instellingen te steunen die zorg dragen voor arme en behoeftige mensen? Hoe sterk verlaat ik mij op de Heer als het gaat om mijn persoonlijk geluk, of vind ik mijn welbevinden meer in mijn materiële bezittingen?

Moed (Jozua 1,7-9; Matteüs 23,37-39). Herinner ik me situaties waarin ik in liefde de waarheid had moeten spreken, maar het niet gedaan heb? Doe ik alles wat ik kan om op te komen tegen onrecht en om het ongeboren leven en arme en machteloze mensen te beschermen? Zijn er recente gebeurtenissen waarbij ik me niet tot het uiterste ingespannen heb omdat zich een of andere moeilijkheid voordeed?

< Hymnen van de veertigdagentijd

< Morgengebed

Laten wij tot de Rechter gaan
en smekend voor zijn zetel staan,
Hem bidden met het hart terstond
en het betuigen met de mond:

Wij zondigden, ja wij, o Heer,
tegen uw goedheid telkens weer,
zie op ons in barmhartigheid,
o God, die vol ontferming zijt.

Gedenk dat wij de uwen zijn,
uw schepselen, hoezeer onrein,
geef, bidden wij, uw naam, uw eer
niet aan een ander prijs, o Heer.

Was af ons kwaad en onze schuld,
maak ons van ’t goede meer vervuld,
opdat het hart dat naar U vraagt,
U nu en altijd meer behaagt.

Getrouwe Vader, zie ons aan,
wees, Zoon van God, met ons begaan,
vertroost ons, Geest, in deze tijd,
Gij die regeert in eeuwigheid.

< Avondgebed

O goedertieren Schepper,
hoor naar ons gebed en hulpgeroep,
dat opstijgt veertig dagen lang
in deze heilige Vastentijd.

Gij, die de harten mild doorschouwt
en kent de zwakheid onzer kracht,
vergeef genadig onze schuld,
nu wij tot U zijn weergekeerd.

Verhoor ons, nooit volprezen God,
drievoudig, één en onverdeeld:
geef, dat ons rijk aan vruchten wordt
de vasten, die Gij ons verleent.

< Attende Domine (lied voor de veertigdagentijd)

Ad te Rex summe, omnium Redemptor,
oculos nostros sublevamus flentes:
exaudi, Christe, supplicantum preces.

Attende Domine, et miserére,
quia peccávimus tibi.

Dextera Patris, lapis angularis,
via salutis, ianua caelestis,
ablue nostri maculas delicti.

Attende Domine…

Rogamus, Deus, tuam maiestatem:
auribus sacris gemitus exaudi:
crimina nostra placidus indulge.

Attende Domine…

Tibi fatemur crimina admissa:
contrito corde pandimus occulta:
tua Redemptor, pietas ignoscat.

Attende Domine…

Innocens captus, nec repugnans ductus,
testibus falsis pro impiis damnatus:
quos redemisti, tu conserva, Christe.

Attende Domine…

Tot U, hoogverheven Koning, Verlosser van ons allen,
heffen wij wenend onze ogen op:
verhoor Christus, de gebeden van de smekenden.

Luister Heer, en wees genadig,
want wij hebben tegen U gezondigd.

Rechterhand van de Vader, hoeksteen,
weg van het heil, poort van de hemel,
was de smetten van onze zonden af.

Luister Heer…

God, wij smeken uw majesteit:
verleen ons zuchten genadig gehoor:
vergeef ons goedertieren onze misslagen.

Luister Heer…

U bekennen wij de bedreven fouten,
met berouwvol hart, belijden wij onze geheime zonden:
Uw liefde, Verlosser, moge ze vergeven.

Luister Heer…

Onschuldig zijt Gij gevangen genomen,
zonder tegenstreven weggevoerd,
op valse getuigen voor de zondaars veroordeeld;
Christus, bewaar hen die Gij hebt verlost.

Luister Heer…

< Wat zegt de Catechismus over de veertigdagentijd?

Elk jaar worden we aangemoedigd onze harten voor te bereiden op Pasen, waar we de opstanding van Christus uit de doden vieren. Het is een tijd om na te denken over hoe God ons verlost heeft van de eeuwige dood. De Catechismus van de Katholieke Kerk legt het als volgt uit:

538
De evangelies spreken over een tijd van eenzaamheid van Jezus in de woestijn onmiddellijk na zijn doop door Johannes: “Gedreven door de Geest” naar de woestijn, verblijft Jezus daar veertig dagen zonder te eten; Hij leeft er met de wilde dieren en de engelen dienen Hem (Vgl. Mc. 1,12-13). Aan het einde van deze tijd stelt Satan hem driemaal op de proef, waarbij hij probeert de houding van Jezus als Zoon tegenover God ter discussie te stellen. Jezus slaat deze aanvallen af, die de bekoringen van Adam in het paradijs en die van Israël in de woestijn samenvatten, en de duivel verwijdert zich van Hem “tot de vastgestelde tijd” (Lc. 4,13).

539
De evangelisten wijzen op de heilzame betekenis van dit mysterieus gebeuren. Jezus is de nieuwe Adam, die waar de eerste Adam bezweken is voor de bekoring, trouw gebleven is. Jezus vervult op volmaakte wijze de roeping van Israël: in tegenstelling tot hen die eertijds gedurende veertig jaar God tartten in de woestijn (Vgl. Ps. 95,10), openbaart Christus zich als de dienaar Gods, die geheel gehoorzaam is aan de goddelijke wil. Daarin overwint Jezus de duivel: Hij heeft “de sterke gebonden” om hem zijn buit weer af te nemen (Mc. 3,27). De overwinning van Jezus op de verleider in de woestijn loopt vooruit op de overwinning van het lijden, de hoogste vorm van gehoorzaamheid van zijn kinderlijke liefde voor de Vader.

540
De bekoring van Jezus laat zien hoe Gods Zoon – in tegenstelling tot wat de Satan Hem voorstelt en de mensen (Vgl. Mt. 16,21-23) Hem willen toeschrijven – Messias is. Daarom heeft Christus de verleider voor ons overwonnen: “Want wij hebben een hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakheden. Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde” (Heb. 4,15). De kerk verenigt zich ieder jaar gedurende de veertig dagen van de grote vasten met het mysterie van Jezus in de woestijn.

1434
De innerlijke boetvaardigheid van de christen kan zich op uiteenlopende wijzen uiten. De Schrift en de Kerkvaders leggen vooral op drie vormen de nadruk: het vasten, het gebed en de aalmoes (Vgl. Tob. 12,8; Mt. 6,1-18); het zijn uitdrukkingen van onze bekering in onze relatie tot onszelf, tot God en tot de anderen. Naast de grondige zuivering die het doopsel of het martelaarschap bewerken, noemen zij als middel om vergiffenis van de zonden te verkrijgen: de inspanning om zich met zijn naaste te verzoenen, de tranen van boete, de zorg voor het heil van de naaste (Vgl. Jak. 5,20), de voorspraak van de heiligen en de naastenliefde “die tal van zonden bedekt” (1 Petr. 4,8).

1438
Boetetijden en boetedagen tijdens het liturgisch jaar (de vastentijd, elke vrijdag ter gedachtenis van de dood van de Heer) zijn voor de kerk gelegenheden bij uitstek om boete te doen (Vgl. SC 109-110; CIC, can. 1249-1253; CCEO, can. 880-883). Deze tijden zijn uitermate geschikt voor retraites, boetevieringen, bedevaarten als teken van boete, dingen die men zich vrijwillig ontzegt, zoals vasten en aalmoezen geven en broederlijk delen (liefde- en missiewerken).

2042
Het eerste gebod (“Op zondagen en verplichte feestdagen deelnemen aan de eucharistie”) vraagt van de gelovigen deel te nemen aan de eucharistieviering waartoe de christelijke gemeenschap zich verzamelt op de dag die de verrijzenis van de Heer herdenkt (Vgl. CIC, can. 1246‑1248; CCEO, can. 881, 1.2.4).

Het tweede gebod (“Ten minste eenmaal per jaar biechten”) verzekert de voorbereiding op de eucharistie door het ontvangen van het sacrament van boete en verzoening, dat de bekering en vergeving van het doopsel voortzet (CIC, can. 989: CCEO, can. 719).

Het derde gebod (“In de paastijd de heilige communie ontvangen”) geeft de minimumeis aan wat betreft het ontvangen van het lichaam en bloed van de Heer in verband met de paasvierin­gen, die oorsprong en kern zijn van de christelijke liturgie (Vgl. CIC, can. 920; CCEO, can. 708; 881,3).

2043
Het vierde gebod (“De verplichte feestdagen vieren als zondag”) vervolledigt de zondagsplicht door de deelname aan de voornaamste liturgische feesten, die de mysteries eren van de Heer, de maagd Maria en de heiligen (Vgl. CIC, can 1246: CCEO, can. 881,1.4: 880,3).

Het vijfde gebod (“Op onthoudingsdagen geen vlees gebruiken en op vastendagen vasten”) beschermt de tijd van ascese en boete die ons op de liturgische feesten voorbereiden; zij helpen ons onze instincten te beheersen en de vrijheid van het hart te verwerven (Vgl CIC, can 1249-1251; CCEO, can 882).

De gelovigen hebben ook de verplichting om – ieder volgens zijn mogelijkheden – tegemoet te komen aan de materiële noden van de Kerk (Vgl. CIC, can. 222).

< Een aantal preken van Augustinus over de veertigdagentijd

H. Augustinus, bisschop en kerkleraar

Augustinus werd in 354 te Tagaste in Noord-Afrika geboren. Na een woelige jeugd en een bewogen studentenleven werd hij in Milaan tot het geloof bekeerd en in 387 door bisschop Ambrosius gedoopt. Na zijn terugkeer in zijn vaderland leidde hij een ascetisch leven en werd hij gekozen tot bisschop van Hippo. Vierendertig jaar lang was hij een voorbeeld voor zijn gelovigen die hij onderrichtte door zijn talrijke preken en geschriften, waarin hij ook tegen de dwalingen van zijn tijd krachtig optrad en de geloofsleer op een knappe wijze verduidelijkte. Hij stierf in het jaar 430.

Een groot aantal van zijn preken en geschriften zijn bewaard gebleven;
een drietal preken van hem over de Veertigdagentijd treft u hier aan.

< Preek 206: Het doen van goede werken

1. De jaarlijks wederkerende vastentijd is weer aangebroken; bij gelegenheid daarvan moeten wij een vermaning tot u richten, daar ook gij de Heer werken, die in overeenstemming zijn met deze tijd, verschuldigd zijt. Niet alsof deze de Heer van nut kunnen zijn. Neen, slechts uzelf kunnen zij baten. In gebed, vasten en aalmoezen moet een christen ook anders vurig zijn; deze tijd moet echter ook hen, die op andere dagen traag in deze dingen zijn, aansporen, terwijl zij, die anders vurig zijn, er zich met nog groter felheid op moeten toeleggen.
Een tijd van vernedering is het leven op deze aarde. Het symbool daarvan zijn deze dagen, waarin onze Heer Jezus Christus, die eenmaal voor ons gestorven is en geleden heeft, als het ware jaarlijks zijn lijden hernieuwt. Wat immers eenmaal in de gehele tijd gebeurd is, opdat ons leven hernieuwd zou worden, dat wordt jaarlijks gevierd, om de herinnering daaraan levend te houden. Indien wij echter gedurende heel de tijd, dat wij op aarde toeven en te midden van beproevingen leven, in waarachtige vroomheid nederig van harte moeten zijn, hoeveel meer dan in deze dagen, die niet alleen behoren tot de tijd van onze vernedering, maar er ook het symbool van zijn? Nederig te zijn, leerde ons de nederigheid van Christus, omdat Hij door te sterven voor de ongelovigen is geweken; verheven maakt ons de verheffing van Christus, omdat Hij door te verrijzen de gelovigen is voorgegaan. Indien wij immers met Hein gestorven zijn, zegt de apostel, zullen wij ook met Hem leven, indien wij lijden, zullen wij ook met Hem heersen. Het ene gedenken wij thans met passende vroomheid, nu zijn lijden als het ware nadert, het andere vieren wij echter na Pasen, wanneer zijn verrijzenis als het ware heeft plaats gehad. Dan immers, na de dagen van onze vernedering, smaken wij het genot, ook de tijd van onze verheffing, die wij nog wel niet met eigen ogen mogen zien, van te voren te overwegen en ons voor ogen te stellen. Laten wij nu echter aanhoudend onder zuchten bidden, dan zullen wij ons dan des te uitbundiger verblijden in lofprijzingen.

2. Laten wij aan onze gebeden door aalmoezen en vasten de vleugels der vroomheid geven, opdat zij des te gemakkelijker hun vlucht nemen naar God. Een christen begrijpt, hoezeer hij zich verre moet houden van het zich toe-eigenen van andermans goed, wanneer hij bedenkt, dat het gelijk staat met diefstal, wanneer hij zijn overtollig bezit niet aan een behoeftige geeft. De Heer zegt: ‘Geeft en u zal gegeven worden; vergeeft en u zal vergeven worden’. Laten wij ons met liefde en vuur toeleggen op deze twee soorten aalmoezen: geven en vergeven. Wij bidden toch ook zelf God, dat het goede ons gegeven worde en dat het kwade niet vergolden worde. Geeft, zegt Hij, en u zal gegeven worden. Wat is juister, wat is billijker, dan dat hij, die zich aan het geven onttrekt, zichzelf te kort doet doordat hij niets krijgt? Als het schaamteloos is, dat een boer wil oogsten, waar hij weet, niet gezaaid te hebben, hoeveel schaamtelozer is het dan, dat iemand, die zelf de bede van de arme niet heeft willen verhoren, verlangt, dat God hem rijkelijk geeft? God, die geen honger kent, wilde immers in de arme gevoed worden. Laten wij onze God, die gebrek lijdt in de persoon van de arme, niet verachten, opdat wij, als wij gebrek lijden, door zijn rijkdommen verzadigd worden. Wij hebben behoeftigen en wij zijn zelf behoeftig: laten wij dus geven, om ook te ontvangen. Wat is het tenslotte, wat wij geven? En voor die kleine, zichtbare, tijdelijke en aardse gift… wat willen wij daarvoor terugontvangen? Wat geen oog heeft gezien, wat geen oor heeft gehoord en wat niet in het hart van een mens is opgekomen. Als Hij zelf het niet beloofd had, zou het onbeschaamd zijn, dit te geven en -dat te willen terugontvangen: en dit zelfs niet eens te willen geven! Trouwens we zouden zelfs dit niet hebben, als Hij, die ons aanspoort, te geven, het ons niet gegeven had. Met welk een gezindheid denken wij, dat God ons beide giften zal geven, als wij bij de minste van de twee zijn gebod in de wind slaan? Vergeeft en u zal vergeven worden, dit wil zeggen: schenkt vergiffenis en u zal vergiffenis geworden. Laat de dienaar zich verzoenen met zijn mededienaar, om te verhoeden, dat de dienaar met recht door de Heer gestraft wordt. Voor dit soort aalmoes is niemand te arm. Deze aalmoes kan hij geven, om in eeuwigheid te leven, die niet genoeg heeft, om er een korte tijd van te leven. Dit geeft men om niet, door zo te geven stapelt men schatten op, waaraan geen einde komt, tenzij wanneer men niets uitgeeft. Als er dus vijandschappen zijn, die tot de dag van vandaag bestaan hebben, dan moet men er paal en perk aan stellen en ze beëindigen. Dan moet gij ze vernietigen, opdat ze niet u vernietigen. Dan moeten ze geen stand houden, opdat ze u niet in hun greep houden; laten zij uitgeroeid worden door de Verlosser, opdat zij niet de halsstarrige uitroeien.

3. Uw vasten moet niet zó zijn, als de profeet het veroordeelt met de woorden: ‘Dit is niet het vasten gelijk ik het verkies, zegt de Heer’. Hij hekelt hier het vasten van twistzieke mensen: Hij schept slechts behagen in het vasten van hen, die de liefde kennen. Hij hekelt de onderdrukkers, maar Hij schept behagen in mensen, die anderen van druk bevrijden. Hij hekelt hen, die zich vijanden maken, maar schept behagen in hen, die vergevensgezind zijn. Gij moet in deze dagen het verlangen naar geoorloofde dingen onderdrukken, opdat gij niets ongeoorloofds doet. Iemand, die zich in deze dagen onthoudt van de huwelijksdaad, zal zich op geen dag te buiten gaan aan wijn of aan echtbreuk. Aldus steunend op nederigheid en liefde, op vasten en aalmoezen, op matigheid en vergevensgezindheid, op het streven, het goede te doen en het kwaad niet met kwaad te vergelden, het kwaad te vermijden en het goede te doen, vraagt ons gebed de vrede en verkrijgt hem ook. Het gebed immers, dat gedragen wordt door de vleugelen van dergelijke deugden, vliegt omhoog en verheft zich gemakkelijker ten hemel, waarheen Christus, onze vrede, ons is voorgegaan.

< Preek 207 Barmhartigheid en offerzin

1. Met de hulp van de barmhartigheid van de Heer onze God moeten wij trachten de bekoringen van de wereld, de lagen van de duivels, de zorgen van het leven hier op aarde, de verlokkingen van het vlees, de stormen van de woelige tijden en alle lichamelijke en geestelijke tegenslag met aalmoezen, vasten en gebed te boven te komen. Terwijl een christen zich hierop gedurende heel zijn leven met vuur moet toeleggen, moet hij dit toch vooral doen bij de nadering van het Paasfeest, dat bij zijn jaarlijkse terugkeer voor ons een aansporing is: het roept immers de heilzame herinnering wakker aan de barmhartigheid, die onze Heer, de enige Zoon van God, ons betoond heeft, toen Hij gevast en voor ons gebeden heeft.
Het woord aalmoes komt van het Griekse ‘eleemosyna’, dat ‘barmhartigheid’ betekent. Kan men zich echter een groter barmhartigheid jegens ongelukkigen denken dan die, welke de Schepper van de hemel uit de hemel deed neerdalen en de Maker van de aarde bekleedde met een aards lichaam, welke Hem in de sterfelijkheid aan ons gelijk maakte, die in de eeuwigheid de gelijke van de Vader blijft, welke de gestalte van een slaaf oplegde aan de Heer der wereld: opdat het brood zelf hongerig zou zijn, de verzadiging dorstig zou zijn, de kracht zwak zou zijn, de gezondheid zou gewond worden, het leven zou sterven? En dit alles opdat onze honger zou gestild worden, onze dorst zou gelest worden, onze zwakheid zou getroost worden, ons onrecht zou gedelgd worden, onze liefde zou ontvlammen. Kan men zich een groter barmhartigheid denken dan dat de Schepper geschapen werd, de Meester dienstknecht werd, de Verlosser verkocht werd, dat Hij, die ons verheft, vernederd werd en Hij, die ons opwekt, gedood werd?
Ons wordt bevolen om als aalmoes brood aan de hongerige te geven, maar Hij heeft zich eerst voor ons aan zijn beulen gegeven, opdat Hij zichzelf aan ons zou kunnen geven, om onze honger te stillen. Ons wordt bevolen, de vreemdeling op te nemen, maar Hij kwam voor ons in zijn eigen bezit, maar de zijnen namen Hem niet op. Laat onze ziel dan Hem loven, die genadig is tegenover al haar ongerechtigheden, die al haar zwakheid geneest, die haar leven redt van het bederf, die haar kroont met ontferming en barmhartigheid, die al haar verlangens bevredigt.
Laten wij dus onze aalmoezen des te rijkelijker en des te vaker uitdelen, naarmate de dag naderbij komt, waarop wij de aalmoes gedenken, die God ons eerst gegeven heeft. Vasten zonder barmhartigheid helpt immers hem, die vast, niets.

2. Laten wij ook vasten door ons te vernederen nu de dag nadert, waarop de Meester van de nederigheid zichzelf vernederd heeft, nederig geworden tot aan de dood van het kruis. Laten wij zijn kruis navolgen door onze lusten te beteugelen en ze met de nagelen der onthouding aan het kruis te slaan. Laten wij ons lichaam kastijden en tot onderwerping brengen; opdat wij echter niet door ons onbedwongen vlees tot ongeoorloofde dingen vervallen, moeten wij bij het bedwingen daarvan ons ook dingen, die op zichzelf geoorloofd zijn, ontzeggen. Onmatigheid en dronkenschap moet men ook op andere dagen vermijden. Gedurende deze dagen echter moet men zelfs geoorloofde gastmalen achterwege laten. Overspel en ontucht moet men steeds verfoeien en ontvluchten, maar in deze dagen moeten zelfs de echtgenoten zich onthouden. Wanneer het vlees er aan gewend is, zich beperkingen op te leggen bij het zijne, zal het u gemakkelijk gehoorzamen, wanneer gij het verbiedt, omgang te hebben met het vreemde.
Gij moet er vooral voor oppassen, dat gij uw genietingen niet verandert in plaats van ze te verminderen. Er zijn mensen, die de gewone wijn door ongewone dranken trachten te vervangen, die zich het genot van de druif weliswaar ontzeggen, maar dit gemis vergoeden door nog veel smakelijker dranken, bereid uit het sap van andere vruchten; er zijn mensen, die allerlei smakelijke spijzen weten te vinden, om het vlees te vervangen, die juist deze tijd als het ware geschikt achten voor het gebruik van genotmiddelen, waarvoor zij zich anders zouden schamen. Zo dient de veertigdaagse vasten niet om de oude begeerten te onderdrukken, maar zij wordt een gelegenheid voor nieuwe genietingen. Met de grootste waakzaamheid moet gij er voor zorgen, broeders, dat gij u niet tot zo iets laat verleiden. Laat spaarzaamheid met uw vasten gepaard gaan. Gij moet alle overdaad tegengaan en u eveneens hoeden voor elke prikkel tot gulzigheid. Gij behoeft niet bepaalde voedingsmiddelen, die de mens tot spijs strekken, te verfoeien, maar gij moet het zingenot beteugelen. Esau heeft zijn rechten niet verloren door een vet kalf of gemest gevogelte, maar door het onmatig verlangen naar een linzenschotel. En koning David had berouw, omdat hij meer dan goed was naar water verlangd had. Niet door bewerkelijke of kostbare gerechten, maar door spijzen, die men gemakkelijk bij de hand heeft en die zo goedkoop mogelijk zijn, moet men het lichaam, dat uitgeput is door het vasten, zijn krachten teruggeven of liever trachten, het in stand te houden.

3. In deze dagen stijgt ons gebed ten hemel, als het ware geschraagd door in vroomheid gegeven aalmoezen en door vasten in matigheid. Men kan immers zonder onbeschaamd te zijn Gods barmhartigheid inroepen, wanneer men als mens aan andere mensen de barmhartigheid niet weigert en als de zuivere bedoelingen van het biddend hart niet tegengewerkt worden door de donkere spookgestalten van de vleselijke lusten. Laat ons gebed kuis zijn, laten wij vragen wat de liefde, niet wat de begeerte ons ingeeft; laten wij geen kwaad afbidden over onze vijanden, laten wij in ons gebed niet woeden tegen hen, die wij op een andere wijze niet kunnen schaden of straffen. Evenals wij door het geven van aalmoezen en door vasten geschikt worden om te bidden, zo wordt ons gebed zelf als een aalmoes, wanneer het wordt opgezonden en wordt gestort niet slechts voor onze vrienden, maar ook voor onze vijanden en wanneer het vrij blijft van elk gevoel van toorn en haat en van andere verderfelijke fouten. Als wij immers ons van spijzen onthouden, hoeveel meer moet dan ons gebed zich onthouden van dat gif? Wij herstellen onze krachten door op gezette tijden voedsel tot ons te nemen, maar het gebed mogen wij nooit het genot van zulke spijzen gunnen. Dit moet zich daarvan altijd onthouden, dit heeft zijn eigen voedsel, dat het zonder onderbreking tot zich moet nemen. Het gebed moet zich altijd onthouden van de haat, maar het moet steeds gevoed worden door de liefde.

< Preek 209 De ware geest van de vastentijd

1. Weer is de jaarlijks terugkerende tijd gekomen, waarin ik u, mijn geliefden, moet aansporen, om ernstiger dan anders aan uw zielenheil te denken en uw lichaam te kastijden. Dit zijn immers de veertig dagen, die over de gehele aarde geheiligd zijn, die de gehele wereld, welke God door Christus met zich verzoent, bij het naderen van het Paasfeest viert door betogingen van vroomheid.
Indien vijandschappen, die óf niet hadden moeten ontstaan, óf snel tot een einde hadden moeten komen, door onachtzaamheid of koppigheid of door een, niet door bescheidenheid maar door trots ingegeven, schaamtegevoel tot op heden onder de broeders hebben voortbestaan, dan moet daaraan nu terstond een einde gemaakt worden. Die vijandschappen, waarover de zon niet had mogen ondergaan, moeten nu althans, nadat de zon vele malen is op- en ondergegaan, zelf eindelijk ten ondergaan, om niet weer opnieuw op te komen. De onachtzame vergeet, een einde te maken aan de vijandschap, de koppige wil geen vergiffenis schenken, als die hem gevraagd wordt, het trotse schaamtegevoel acht het beneden zich, vergiffenis te vragen. Ten gevolge van deze drie fouten blijven de vijandschappen bestaan, maar de zielen, waarin zij niet sterven, doden zij. Laat het geheugen waakzaam zijn tegen de onachtzaamheid, de barmhartigheid tegen de koppigheid en een nederig inzicht tegen het trotse schaamtegevoel.
Laat hij, die zich herinnert, dat hij de plicht van de verzoening verwaarloosd heeft, ontwaken en zijn loomheid van zich afschudden; laat hij, die het zijne wil terugeisen van zijn schuldenaren, bedenken, dat hij zelf een schuldenaar van God is; laat hij, die zich schaamt, te vragen dat zijn broeder hem vergeeft, door een heilzame vrees deze valse schaamte overwinnen, opdat, door het beëindigen van schadelijke vijandschappen, gij leeft, nadat zij gestorven zijn. Dit alles doet de liefde, die niet verkeerd handelt. De liefde, mijn broeders, moet, voor zover zij aanwezig is, ontwikkeld worden door een goed leven, in zoverre zij echter ontbreekt, moet zij verkregen worden door het gebed.

2. Als wij nu onze gebeden op passende wijze willen ondersteunen – wij moeten immers in deze dagen vuriger bidden – moeten wij ook vuriger zijn in het geven van aalmoezen. Laten wij aan die aalmoezen toevoegen wat wij onszelf, door te vasten en door ons iets van de gebruikelijke spijzen te ontzeggen, onthouden. Maar hij, die wegens een bijzondere lichamelijke behoefte en omdat hij aan bepaalde spijzen gewend is, zich niet kan onthouden en dus niet aan de armen kan geven wat hij zichzelf ontzegt, die moet nog rijkelijker aalmoezen geven. Hij moet daarom des te meer aan de arme geven, omdat hij zichzelf niets ontzegt; daar hij zijn gebeden niet kan ondersteunen door de kastijding van zijn lichaam, moet hij rijkelijker aalmoezen sluiten in het hart van de arme, opdat deze voor hem kan bidden. Deze heilzame raad, die wij zeker moeten opvolgen, is ontleend aan de heilige Schrift: Sluit – zo staat er – uw aalmoezen op in het hart van de arme en deze zal voor u bidden.

3. Wij vermanen ook hen, die zich van het gebruik van vlees onthouden, om niet het vaatwerk, waarin dit bereid wordt, als onrein ongebruikt te laten. De apostel zegt immers: Voor de rijnen is alles rein. De bedoeling van dit soort voorschriften is trouwens niet het vermijden van onreinheid, maar het beteugelen van de begeerte. Zij, die zich onthouden van vlees, maar andere spijzen, die moeilijker toe te bereiden zijn en kostbaarder zijn, daarvoor in de plaats stellen, handelen dan ook absoluut verkeerd. Dit is immers niet zich onthouding opleggen, maar veranderen van overdaad. Hoe kunnen wij hun zeggen, dat zij aan de armen moeten geven wat zij zichzelf ontzeggen, als zij wel het gewone voedsel laten staan, maar meer geld uitgeven voor het kopen van andere spijzen? Gij moet dus in deze dagen vaker vasten, minder geld voor uzelf uitgeven en meer aan de armen geven.
Deze dagen eisen ook, dat gij u beperkt in de echtelijke omgang. Voor een bepaalde tijd, zegt de apostel, om u aan het gebed te wijden en gaat er dan weer toe over, opdat uw gebrek aan zelfbeheersing aan de satan geen gelegenheid geeft, u te bekoren. Voor gelovige echtelieden kan dat gedurende weinige dagen niet bezwaarlijk en moeilijk zijn, wat de weduwen van een bepaald ogenblik in haar leven af tot aan haar dood op zich genomen hebben en wat de gewijde maagden heel haar leven doen.
Bij dit alles moet een heilig vuur in ons gloeien, maar elke hoogmoed moet onderdrukt worden. Niemand moet zich zo zeer verheugen over de deugd der mildheid, dat hij de deugd der nederigheid verliest. Men bedenke echter, dat alle overige gaven Gods geen voordeel brengen, als de band der liefde niet aanwezig is.

Back To Top