Ga naar hoofdinhoud
zo ma di wo do vr za
dag 1 dag 2 dag 3 dag 4
dag 5 dag 6 dag 7 dag 8 dag 9 dag 10 dag 11
dag 12 dag 13 dag 14 dag 15 dag 16 dag 17 dag 18
dag 19 dag 20 dag 21 dag 22 dag 23 dag 24 dag 25
dag 26 dag 27 dag 28 dag 29 dag 30 dag 31 dag 32
dag 33 dag 34 dag 35 dag 36 dag 37 dag 38 dag 39

 

Het Paasfeest is het grootste feest van het liturgische jaar. Wij vieren met Pasen dat Jezus niet meer dood is maar leeft. Hij heeft de dood overwonnen. De Verrijzenis staat centraal in ons christelijke geloof. Het Paasfeest wordt in 2022 op 17 april gevierd. De periode hieraan voorafgaande wordt de Veertigdagentijd genoemd; deze loopt in 2021 van 2 maart tot en met 16 april. Als u goed telt zijn dit 46 dagen. Waarom dan Veertigdagentijd? Dit komt, omdat de 6 zondagen die in deze periode vallen, niet als vastendag gerekend worden en derhalve niet meegeteld worden.

Een groot feest kan pas dan echt gevierd worden als er een intensieve voorbereiding aan vooraf is gegaan. De periode van de Veertigdagentijd is van oudsher een tijd van inkeer, bezinning en gebed ter voorbereiding op Pasen. In deze periode wordt in de liturgie de kleur paars gebruikt.

Inleiding op de veertigdagentijd

De periode van de Veertigdagentijd is van oudsher een tijd van inkeer, bezinning en gebed ter voorbereiding op Pasen. Het is een bekeringstijd. Zich bekeren is: zich weer (meer) wenden tot God en zich afwenden van alles wat ons van God afhoudt. Jezus zelf heeft ook 40 dagen in vasten en gebed in de woestijn doorgebracht voordat Hij aan de verkondiging van de Blijde Boodschap begon. Veertig jaar trok het volk van het Oude Verbond door de woestijn, alvorens zij het beloofde land bereikte. Veertig dagen bracht Mozes op de berg door om Gods geboden in ontvangst te nemen. Veertig nachten bracht Elia in bidden en vasten door in de woestijn, totdat hij bij de berg Horeb God mocht ervaren. Bij zijn gedaanteverandering op de berg zou Jezus omgeven worden door deze twee oudtestamentische personen, toen Hij zich aan zijn leerlingen als verheerlijkte Heer toonde, vooruitlopend op zijn verrijzenis.

Jaarlijks bereiden de gelovigen zich eveneens gedurende een periode van veertig dagen voor op het grote Paasfeest om met een gelouterd hart het sterven en verrijzen van Christus met Pasen te gedenken. De liturgie van deze tijd is een handreiking voor een diepere bezinning op ons Christen-zijn in zijn geheel. Op twee elementen ligt bijzonder de nadruk: Ten eerste op het doopsel en ten tweede op boetedoening en het doen van goede werken.

De voorbereiding op het doopsel in de Paasnacht van pas bekeerden vond vroeger plaats in de Veertigdagentijd. Dit gebeurt in sommige parochies ook nu nog. In de liturgie van de Paasnacht worden alle gedoopten uitgenodigd hun Doopbeloften te hernieuwen: door het Paasmysterie zijn wij in het doopsel begraven met Jezus Christus, om met Hem een nieuw leven te kunnen beginnen. Het Doopsel is een onuitwisbaar teken in ons hart, maar omdat wij zo vaak ‘afdwalen’, nodigt de Kerk ons ieder jaar uit in de Paasnacht ons opnieuw bewust te worden van de belofte en de genade van ons Doopsel. De herdenking van het Paasmysterie en het sacrament van het doopsel, waardoor alle zonden werden afgewassen, nodigt de gelovigen uit om zich in deze veertigdagentijd te bekeren.

Daarom is de veertigdagentijd een tijd bij uitstek om het sacrament van de boete en verzoening (de biecht) te ontvangen. Het ontvangen van dit sacrament kan voorbereid worden door een boeteviering. Het woordje boete betekent: “Herstelling, heling of aanvulling van iets dat gebroken of verscheurd is”. Als wij ten opzichte van God en onze naaste tekort schieten (een zonde doen) dan is het nodig om te herstellen wat fout is (laten zien dat je spijt hebt).

De oproep tot vasten is heel Bijbels. Op vele plaatsen in het Oude en Nieuwe Testament wordt verteld over mensen die vasten om hun gebeden kracht bij te zetten. Je ervaart dan ook dat je meer openstaat voor Gods liefde. Je maakt je letterlijk leeg om door Gods liefde ‘gevuld’ te worden. De Kerk nodigt ons daarom uit om gedurende de veertigdagentijd te vasten (matiging van voedsel etc.) en op Aswoensdag en op Goede Vrijdag(de zgn. onthoudingsdagen) geen vlees te eten en slechts één volle maaltijd te gebruiken. Daarnaast is de veertigdagentijd een periode van meer toeleg op het gebed en van het doen van goede werken. De praktijk van het vasten, gepaard met gebed, is zeer heilzaam en wordt ook in onze tijd langzamerhand weer herontdekt.

De Veertigdagentijd begint op Aswoensdag. Tijdens de Eucharistieviering op deze dag wordt de as van verbrande palmtakken van het vorig jaar gezegend. Iedereen in de kerk wordt getekend met een kruisje van deze as. Deze as is een teken van boetvaardigheid. Het herinnert ons eraan dat wij slechts stof en as zijn en tot stof zullen terugkeren (‘Gedenk, mens, dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren’.) Deze woorden, afkomstig uit het boek Genesis, benadrukken de vergankelijkheid van het aardse leven, de vorm van het kruis daarentegen wijst op eeuwig leven.

Vanaf het begin van de veertigdagentijd tot de Paaswake wordt het alleluja niet gezegd. De zondagen van deze periode worden 1e, 2e, 3e, 4e en 5e zondag van de veertigdagentijd genoemd. De 6e zondag, waarop de Goede Week begint, heet Palm- en Passiezondag.

Het doel van de Goede Week is de overweging van het lijden en sterven van Christus, te beginnen met zijn intocht als Messias in Jeruzalem op Palmzondag. In de morgen van Witte Donderdag zegent de bisschop de heilige oliën en wijdt hij het chrisma tijdens de eucharistieviering die hij met zijn priesters concelebreert.

Het Paastriduüm van het lijden, de dood en de verrijzenis van de Heer begint met de avondmis van Witte Donderdag; dan vieren wij de instelling van de Heilige Eucharistie.

Op Goede Vrijdag gedenken wij het sterven van Onze Heer Jezus Christus; de Kruisweg wordt dan gebeden en er is een Kruisverering.Op deze dag wordt ook gevast.

In de Paaswake (zaterdagnacht) ziet de Kerk wakend uit naar Christus’ verrijzenis.

Op het Hoogfeest van Pasen vieren wij de opstanding van Christus uit de doden, waardoor Hij ons mensen verlost heeft

Waar hebben we een veertigdagentijd voor nodig?

Het woord lente komt van het Oud-Hoogduitse woord lenzin. Dit heeft te maken met het lengen van de dagen, de tijd na de winter, wanneer de boeren al gauw gingen zaaien in de hoop op een goede oogst in de zomer. Aan het einde van elke winter keek een boer uit over zijn land en zag iets wat op een kale woestijn leek. Maar hij stelde zich voor hoe prachtig dat land eruit zou zien nadat hij er hard zijn best voor had gedaan. Het is opmerkelijk dat ditzelfde woord ‘lent’ in het Engels gebruikt wordt om de veertigdagentijd aan te duiden.

We hebben een tijd van ontbering nodig
Als alles goed met ons gaat dan neemt ons verlangen naar God en naar nieuwe geestelijke groei vaak zienderogen af, soms zelfs zozeer dat dat verlangen helemaal verdwijnt. Maar als we ons in onze gedachten naar een woestijn verplaatsen — waar het heet is, waar geen voedsel is en geen water en waar we de normale gemakken van het leven moeten ontberen — dan zullen we spoedig op andere gedachten komen. Ontbering maakt dat we onszelf zien als behoeftige mensen die nieuw leven nodig hebben. Het maakt dat we ons tot God wenden en zijn stem gaan zoeken, iets waar we misschien heel goed zonder kunnen zolang we in beslag genomen worden door onze dagelijkse plichten en de verleidelijke aanbiedingen van deze wereld.

Daarom hebben we een vastentijd nodig. We hebben behoefte aan een retraite, een bezinningstijd van veertig dagen. We moeten een stap terug doen uit onze dagelijkse sleur om te kunnen nadenken over ons leven en ons gezin. Of we nu een daad stellen van zelfverloochening of dat we een poging doen om minder zelfzuchtig en meer liefdevol te zijn, we hebben allemaal een tijd nodig waarin we onszelf de normale geneugten des levens ontzeggen om ons geestelijk leven te verzorgen en nieuw zaad te zaaien.

Boeren moeten lang en hard werken om te ploegen, het land klaar te maken en nieuw zaad te zaaien. Dat is allemaal nodig om tot nieuwe groei te kunnen komen. Op dezelfde manier is de veertigdagentijd een tijd van nieuwe geestelijke groei, maar daar moeten noodzakelijkerwijs zweet en inspanning aan voorafgaan.

Tijd voor een nieuwe besef
Tegen de tijd dat we het Paasfeest vieren kunnen we allemaal een grote oogst binnenhalen — meer persoonlijke liefde tot God en meer liefde voor anderen. De komende veertig dagen kunnen we ons besef verdiepen van de Liefde die zich tweeduizend jaar geleden aan het kruis van Golgota naar ons uitstrekte. We kunnen ons verwonderen over de manier waarop de Eucharistie al zoveel eeuwen lang de gelovigen gevoed en gesterkt heeft. We kunnen onze aandacht richten op Gods diepste bedoelingen — ieder naar zich toe te trekken — en bepalen hoe we met onze inzet voor Hem en voor zijn volk kunnen meewerken om deze bedoelingen in vervulling te laten gaan. We kunnen opnieuw tegen onszelf zeggen dat deze wereld niet ons huis is, maar slechts een tussenstation waar we wachten op de terugkeer van Jezus.

Nadat Jezus zelf veertig dagen in de woestijn had gebeden en tenslotte de Satan wegstuurde, kwamen engelen Hem dienen. Zo kunnen ook wij er zeker van zijn dat God aan het einde van onze eigen persoonlijke retraite in de veertigdagentijd ook naar ons zijn engelen zal sturen om ons te dienen en ons met meer genade en meer liefde te vullen. Op Paaszondag zult u mogen zien dat Jezus naar u glimlacht. U zult zien hoe Hij het op prijs heeft gesteld wat u in de veertigdagentijd hebt gedaan.

God zegene u.

Vastenboodschap Paus 2021

“Wij gaan nu naar Jeruzalem ..” (MT. 20, 18). De Veertigdagentijd: een tijd om geloof, hoop en naastenliefde te hernieuwen.

Dierbare broeders en zusters,

Jezus openbaart aan zijn leerlingen de diepe betekenis van zijn zending als hij hen spreekt over zijn lijden, dood en verrijzenis als vervulling van de wil van de Vader. Hij roept zijn leerlingen op zich daarbij aan te sluiten voor de redding van de wereld.

Laten wij op onze tocht van veertig dagen op weg naar Pasen, Hem in herinnering houden die “zich heeft vernederd, gehoorzaam werd tot de dood, tot de dood aan een kruis” (Fil. 2, 8). In deze tijd van bekering hernieuwen wij ons geloof, putten wij het “levende water” van de hoop en ontvangen wij met een open hart de liefde van God, die ons verandert in broeders en zusters in Christus. In de Paasnacht zullen wij onze doopbeloften hernieuwen om dankzij de werking van de Heilige Geest als nieuwe mannen en vrouwen herboren te worden. Maar de tocht van de Veertigdagentijd staat, zoals de gehele pelgrimstocht van het christelijk leven, geheel in het licht van de verrijzenis, die de gevoelens, de houdingen en de keuzes van wie Christus wil volgen, bezielt.

Vasten, gebed en aalmoes zijn, zoals ze door Jezus in zijn prediking worden gepresenteerd, een voorwaarde voor en de uitdrukking van onze bekering. De weg van de armoede en onthouding (het vasten), de aandacht en zorgende liefde voor de gewonde mens (de aalmoes) en een dialoog in kinderlijk vertrouwen met de Vader (het gebed) maken het ons mogelijk een oprecht geloof, een levende hoop en een daadwerkelijke liefde voor te leven.

1. Het geloof roept ons op de Waarheid te ontvangen en er voor God en al onze broeders en zusters getuigen van te worden.
In deze Veertigdagentijd betekent het ontvangen en beleven van de waarheid die zich in Christus geopenbaard heeft, vóór alles het openen van onze harten voor Gods Woord, dat aan ons door de Kerk van generatie op generatie wordt doorgegeven. Deze waarheid is geen constructie van het verstand, voorbehouden aan kleine groep intellectuele uitverkorenen, maar het is een boodschap die wij ontvangen en kunnen begrijpen dankzij de wijsheid van een hart dat openstaat voor de grootheid van God, die ons liefheeft, nog voordat wij ons daar zelf bewust van worden. Deze waarheid is Christus zelf, die door ons mens-zijn ten volle aan te nemen een – veeleisende, maar voor allen openstaande – weg is geworden die leidt naar de volheid van leven.

Het vasten, beleefd als een vorm van onthouding, brengt hen die dit beleven in eenvoud van hart, er toe opnieuw de gave van God te ontdekken en te erkennen dat wij, geschapen naar zijn beeld en gelijkenis, in Hem onze vervulling vinden. Door de ervaring van armoede te omarmen, wordt wie vast arm met de armen en vermeerdert de rijkdom van ontvangen en gedeelde liefde. Op deze wijze helpt het vasten om God en de naaste lief te hebben, in zoverre de liefde, zoals de heilige Thomas van Aquino leert, een beweging is die de aandacht richt op de ander en daarbij deze als één met zichzelf, beschouwt”.

De Veertigdagentijd is een tijd om te geloven, om God in ons leven te verwelkomen en Hem toe te staan bij ons “verblijf te nemen”. Vasten wil ons bestaan bevrijden van alles wat ons belemmert , zoals consumentisme en een overvloed aan informatie – zowel waar als vals, om de deuren van onze harten te openen voor Hem die tot ons komt, arm in alles, maar “vol genade en waarheid” (Joh. 1, 14): de Zoon van God onze Redder.

2. De hoop als “levend water”, dat het mogelijk maakt onze levenstocht voort te zetten
De Samaritaanse vrouw aan wie Jezus bij de put te drinken vraagt, begrijpt het niet, wanneer Jezus tegen haar zegt dat Hij haar “levend water” (Joh. 4, 10) zou kunnen geven. Aanvankelijk denkt zij natuurlijk aan concreet water, Jezus bedoelt echter de Heilige Geest, degene die Hij in overvloed door het Paasmysterie zal geven en die in ons een hoop wekt die niet teleurstelt. Reeds bij het aankondigen van zijn lijden en dood spreekt Jezus over deze hoop, wanneer Hij zegt: “maar op de derde dag zal Hij verrijzen” (Mt. 20, 19). Jezus spreekt ons over de toekomst die door de barmhartigheid van de Vader is geopend. Hopen, met Hem en dankzij Hem, betekent geloven dat de geschiedenis niet eindigt met onze fouten, ons geweld, onze onrechtvaardigheid en de zonde die de Liefde kruisigt. Het betekent vergeving van de Vader ontvangen uit zijn open Hart.

In deze tijden vol moeilijkheden waarin wij leven en waarin alles broos en onzeker lijkt, zou spreken over hoop een provocatie kunnen lijken. De Veertigdagentijd is juist tijd van hoop, als wij naar God terugkeren die geduldig blijft zorgen voor zijn schepping, terwijl wij deze vaak slecht behandeld hebben. Het is hoop op verzoening, waartoe de heilige Paulus ons hartstochtelijk aanspoort: “laat u met God verzoenen! (2 Kor. 5, 20). Door vergeving te ontvangen in het sacrament dat in het middelpunt staat van ons proces van bekering, kunnen wij op onze beurt vergeving geven aan anderen. Omdat wij zelf vergeving hebben ontvangen, kunnen wij deze doorgeven in een aandachtige dialoog met anderen en troost bieden aan hen die verdriet en pijn ervaren. De vergeving van God, ook door middel van onze woorden en daden, maakt het mogelijk een Pasen van broederschap te beleven.

Laten wij in de Veertigdagentijd er meer op letten “woorden van troost, sterkte en bemoediging te spreken in plaats van woorden die vernederen, bedroefd maken, irriteren of verachten”. Om hoop te geven is het soms voldoende vriendelijk te zijn, “om alles opzij te zetten en aandacht te geven, om een glimlach te schenken, om een woord te zeggen dat bemoedigt, om te midden van zoveel onverschilligheid te luisteren.

In de inkeer en het stille gebed wordt ons de hoop gegeven ter bezieling en als innerlijk licht, om uitdagingen en keuzes van onze zending te verlichten. Vandaar de noodzaak van gebed en, in het verborgene, de Vader van tedere liefde te ontmoeten.

Een Veertigdagentijd vol hoop beleven wil zeggen, groeien in het besef dat men in Jezus Christus getuige is van de nieuwe tijd waarin God “alles nieuw maakt”. Het betekent de hoop van Christus ontvangen die zijn leven heeft gegeven op het kruis en die God heeft opgewekt op de derde dag, en “altijd bereid tot verantwoording aan al wie [ons] rekenschap vraagt van de hoop die in [ons] leeft” (1 Pt. 3, 15).

3. De liefde, beleefd in het voetspoor van Christus, in de aandacht voor en het medelijden met ieder, is de hoogste uitdrukking van ons geloof en onze hoop
De liefde verheugt zich, wanneer zij de ander ziet groeien. Daarom lijdt zij, wanneer de ander in nood is: alleen, ziek, dakloos, veracht, behoeftig. De liefde is het elan van het hart dat ons uit ons zelf doet treden en banden van samen delen en gemeenschap schept.

“Sociale liefde” maakt het mogelijk te komen tot een beschaving van liefde waartoe wij ons allen geroepen kunnen voelen. De liefde kan met haar universele dynamiek een nieuwe wereld opbouwen. Niet louter een gevoel, maar de beste manier om begaanbare wegen van ontwikkeling voor allen te ontdekken”.

De liefde is een gave die zin geeft aan ons leven en waardoor wij hen die in nood zijn, beschouwen als lid van onze eigen familie, als vrienden, broers en zusters. Als het weinige dat er is met liefde wordt gedeeld, eindigt het nooit, maar verandert het in een reserve aan leven en geluk. Dat gebeurt met het meel en de olie van de weduwe van Sarefat, die de profeet Elia een broodje aanbiedt; en met de broden die Jezus zegent, breekt en aan de leerlingen geeft om te verdelen onder de menigte. Dat gebeurt met onze aalmoes, hoe groot of klein ook, aangeboden met vreugde en eenvoud.

Een Veertigdagentijd van liefde beleven betekent zorg hebben voor hen die lijden, die zich in de steek gelaten voelen of angstig zijn ten gevolge van de Covid-19 pandemie. In deze dagen van grote onzekerheid over de toekomst moeten wij Gods woord tot zijn dienaar in gedachte houden: “vreest niet, want Ik heb u verlost” (Jes. 43, 1). In liefde kunnen wij woorden van vertrouwen spreken en anderen helpen zich te realiseren dat God hen lief heeft als zonen en dochters.

“Alleen met een liefdevolle blik kan de waardigheid van anderen worden erkend, met als gevolg dat ook de armen in hun waardigheid worden erkend en gewaardeerd en gerespecteerd in hun eigen identiteit en cultuur en daardoor werkelijk geïntegreerd in de maatschappij”.

Dierbare broeders en zusters, ieder moment van ons leven is een tijd om te geloven, te hopen en lief te hebben. Moge de oproep om de Veertigdagentijd te beleven als een tocht van bekering, gebed en samen delen, ons helpen, zowel als gemeenschappen als individuen, het geloof te doen herleven dat komt van de levende Christus, de hoop die door de adem van de Geest wordt bezield, en de liefde waarvan de onuitputtelijke bron het barmhartige hart van de Vader is.

Moge Maria, Moeder van de Redder, trouw aan de voet van het kruis en in het hart van de Kerk, ons met haar zorgzame aanwezigheid ondersteunen, en moge de zegen van de verrezen Heer ons allen begeleiden op de weg naar het licht van Pasen.

Rome, Sint Jan van Lateranen, 11 november 2020, de gedachtenis van de heilige Martinus van Tours.

Franciscus

Lees meer Vastenboodschappen uit het verleden via RKDocumenten.nl

Ter overdenking: hoe vasten wij goed?

Uw Vader zal u belonen

De deur naar de genade openen door vasten, bidden en geven

De H. Augustinus heeft eens gezegd dat vasten en liefdadigheid de twee vleugels zijn die we nodig hebben om ons gebed te laten opstijgen naar God. Zo’n beeld maakt duidelijk dat het ene feit – dat we ons dingen ontzeggen – en het andere feit – dat we liefdadigheid willen betrachten – absoluut bij elkaar horen en dat zij samen ons geestelijk leven een flinke duw kunnen geven. Doordat ze ons helpen de zelfzucht opzij te zetten maken ze het ons gemakkelijker ons op Jezus te richten en op de belangeloze liefde die Hij in ons gestalte wil geven.

De Veertigdagentijd wordt vaak gereduceerd tot een tijd waarin we “iets opgeven”, een tijd waarin we gebruiken volgen die we niet fijn vinden maar waarvan we het idee hebben dat ze goed voor ons zijn. Dat lijkt op een kind dat leert om zijn groente op te eten omdat het weet dat het goed voor hem is, maar hij vindt de smaak ervan niet lekker. Hoewel deze aanpak bij kinderen kan werken, is het niet de manier waarop God wil dat wij – als volwassenen – kijken naar het leven waartoe Hij ons roept. Hij wil dat we de Veertigdagentijd bezien als een tijd van vernieuwing, niet als een stel klusjes bij elkaar die we met tegenzin uitvoeren.

In de Engelstalige wereld onderstreept de term die voor de Veertigdagentijd gebruikt wordt – ´Lent´– in zichzelf al dit besef van vernieuwing en geestelijke groei. Het woord is afgeleid van het Oud-Engelse woord lencten, dat verwijst naar het lengen van de dagen in de lentetijd. De lentetijd is een cruciaal seizoen voor boeren waarin ze goed letten op hun gewassen en ze zorgvuldig nalopen, allemaal in de hoop op een overvloedige oogst. Op soortgelijke wijze is de Veertigdagentijd voor ons een tijd om extra aandacht te geven aan de zaden van geloof en gehoorzaamheid die God in ons gezaaid heeft, in de hoop dat we tegen Pasen de vrucht van zijn heilige Geest zullen oogsten.

Laten we er daarom een punt van maken om ons in deze Veertigdagentijd los te maken van onze alledaagse routine zodat we de heilige Geest kunnen vragen ons te leren hoe we verder en sneller kunnen vliegen.

Wanneer je vast …

Aswoensdag is de eerste dag van een nieuw en hoopvol seizoen. Het is de tijd om onze geestelijke tuin goed te verzorgen, zodat we de rijkdom van Gods vernieuwende genade kunnen oogsten. Het is geen zware tijd. Het is een tijd van hoop en blijdschap omdat we uitzien naar wat God zal gaan doen in ons hart.

Toen Jezus ons leerde over vasten, bidden en liefdadigheid, gaf Hij ons drie specifieke aanwijzingen die we in acht moeten nemen. We lezen erover in Matteüs 6,1-18.

Het eerste wat opvalt in deze verzen is dat Jezus niet zegt: “Als je vast” of “Als je aalmoezen geeft” of “Als je bidt”. Nee, Hij zegt: wanneer je deze dingen doet. Het zijn geen vrijblijvende opties waar we al dan niet voor kunnen kiezen in ons geestelijk leven. Het zijn geboden van de Zoon van God. Het zijn essentiële gebruiken die ons helpen los te komen van onze egoïstische en genotzuchtige manier van denken.

Jezus leert ons om te vasten, te geven en te bidden. Dat doet Hij omdat Hij weet dat deze dingen ons helpen om onze bezittingen, onze genoegens en onze innerlijke waarde in het juiste perspectief te zetten. Hij weet dat zelfverloochening in combinatie met gebed en goedgeefsheid ons de ogen opent voor Gods liefde. Hij weet, uit eigen ervaring, hoe deze gebruiken ons zullen helpen om andere mensen lief te hebben en voor ze te zorgen.

Daarnaast leert Jezus ons om ons geven, ons bidden en ons vasten in het geheim te doen. Hij wil niet dat we er een show van maken waardoor mensen voor ons gaan applaudisseren of ons de hemel in prijzen. Hij houdt niet van de manier waarop sommige religieuze leiders in zijn dagen eer en bijval zochten van precies die mensen die zij dichter naar God toe zouden moeten brengen. Het is alsof ze de mensen dichter naar zichzelf toe trokken in plaats van naar de Heer! Het is veel beter, zegt Jezus, om te zwijgen over onze geestelijke gebruiken zodat we ons meer op God kunnen richten dan op het respect van andere mensen.

Hemelse en aardse beloningen

Het derde wat Jezus ons leert is het belangrijkste. Hij zegt namelijk dat als we in het geheim geven en bidden en vasten, onze hemelse Vader ons zal belonen (Matteüs 6,3-4+6+17-18).

Jezus doelt niet op materiële beloningen. We beoefenen deze vastenpraktijken niet in de hoop dat God ons met voorspoed zal overladen. Nee, Jezus spreekt zowel over de beloningen aan heerlijkheid die ons in de hemel te wachten staan als over de meer directe beloningen die we hier op aarde zullen oogsten.

De H. Paus Leo de Grote rekent tot deze directe beloningen onder meer een diepere relatie met God, grotere vrijheid van zonde en een nieuwe aandacht voor de behoeften van de armen in ons midden.

Paus Leo vertelt ook hoe onze vastengebruiken de harmonie in ons huis kunnen verhogen. Door ons vasten, bidden en geven kunnen we betere echtgenoten, betere ouders en betere kinderen worden. Deze gebruiken zorgen voor een grotere openheid voor Gods genade, waardoor we minder zelfzuchtig, goedgeefser en vriendelijker worden. Ze helpen ons van elkaar te houden op manieren die we gewoonweg niet voor mogelijk hielden. Ze leren ons oprecht berouw te hebben en ze helpen ons als we proberen gewonde relaties te verzoenen. Met andere woorden: als we de Heer tegemoet treden met vasten, met royale liefdadigheid en met gebed dan beloont God ons door ons stapje voor stapje te veranderen naar zijn beeld.

Als u Paus Leo’s woorden ter harte neemt door deze drie vastengebruiken te volgen dan mag u er zeker van zijn dat uw hemelse Vader uw pogingen zal belonen met een rijke oogst aan overvloedige genade. Dat is een belofte van Jezus.

Motivatie

De kwaliteit van ons vasten is van meer belang dan de hoeveelheid ervan. Zo is ook de intentie van onze liefdadigheid belangrijker dan de hoeveelheid geld die we weggeven. En de focus van ons gebed betekent meer dan de hoeveelheid tijd die we eraan besteden.

Om Paulus te parafraseren: we kunnen een miljoen euro weggeven, de komende veertig dagen niet eten en elke dag urenlang bidden, maar als onze liefde niet groeit of onze solidariteit met Gods volk niet dieper wordt, dan zitten we er toch naast (1 Korintiërs 13,3). Tegelijkertijd kan het weggeven van een klein bedrag – op een manier dat het wel echt als een offer voelt – een enorm effect hebben op onszelf en op de mensen aan wie we het geven. Het enige waar het in vasten, geven en bidden om draait, is dat we dichter naar God toe getrokken worden, zodat ons leven door zijn Geest omgevormd wordt tot een “steeds heerlijker” bestaan (2 Korintiërs 3,18).

In de kern van de zaak draait het niet om geld en bezittingen. Op zich worden we daardoor niet opgetild naar de hemel of in de diepte van de hel gestort. Waar het om draait is hoe ze ons leven kunnen beheersen. Het valt niet mee om rijk te zijn en ons er niet door te laten beïnvloeden in onze manier van denken of handelen. Het valt niet mee om onze waarde of zekerheid niet te zoeken in hoeveel we bezitten of hoeveel we verdienen. Dat is de reden waarom vasten, bidden en geven zo belangrijk zijn. Die laten ons zien hoe we datgene wat we bezitten – het maakt niet uit of dat veel of weinig is – in een breder, hemels perspectief kunnen plaatsen. Ze laten ons zien dat onze relaties met God en zijn volk veel belangrijker zijn dan onze status en onze bezittingen.

Methode

Als u dus elke dag van de Veertigdagentijd kunt vasten dan zult u gezegend worden. Als u alleen maar het vlees op vrijdag kunt laten staan dan zult u ook gezegend worden. Als u zakken met kleding en een aanzienlijk bedrag aan geld aan de armen kunt geven, ook dan zult u gezegend worden. En als u maar een beetje kunt geven, ook dan zult u ook gezegend worden. Wat er echt toe doet is dat u deze dingen doet uit nederigheid en liefde, dat u een offer brengt om Gods genade te ontvangen en te delen met de mensen om u heen.

Bedenk ook dat, hoewel je bij vasten het eerst aan voedsel denkt, het niet uitsluitend over eten en drinken hoeft te gaan. We kunnen ook vasten van televisie of het internet. We kunnen sarcasme, cynisme of negatieve en discriminerende taal uitbannen en proberen alleen maar opbeurende en bemoedigende woorden te spreken en proberen met iedereen in eensgezindheid te leven. We kunnen vasten van bezorgdheid om van alles en nog wat, en ons in vertrouwen richten op de Heer. Het gaat erom dat we vasten, niet hoe we vasten.

Roep een vasten uit

Roep dus deze Veertigdagentijd bij u thuis een vasten uit. Geef royaal aan mensen in nood. Maak tijd vrij om te bidden. Als u al een vaste gebedstijd hebt, probeer dan dagelijks een beetje meer tijd met de Heer door te brengen.

Wat u ook gaat doen, laat het u mogen helpen om dichter bij de Heer te komen. En houd dit in uw achterhoofd: uw hemelse Vader gaat u belonen met een golf van zegeningen – meer dan u zich in de verste verte kunt voorstellen. Moge God ons allen deze Veertigdagentijd zegenen met zijn genade!

Gewetensonderzoek ter voorbereiding op Pasen

Dit gewetensonderzoek kan gebruikt worden om het het sacrament van Boete en Verzoening te ontvangen.

Genade in de woestijn

Een gewetensonderzoek voor de Veertigdagentijd

Na veertig jaar zwerven in de woestijn, net toen de Israëlieten op het punt stonden het Beloofde Land binnen te trekken, beval God hun om sterk en moedig te zijn (Jozua 1,6). Hij wilde dat de Israëlieten zouden beseffen dat ze, hoewel Hij hun een eigen thuisland beloofde, met Hem mee moesten werken om die erfenis daadwerkelijk in ontvangst te kunnen nemen.

Op een vergelijkbare manier roept God ieder van ons op om sterk en moedig te zijn zodat wij op onze “woestijn”-reis in de Veertigdagentijd zijn vrijheid en genade kunnen ervaren. Jezus heeft de zonde al verslagen en nu roept Hij ons op om sterk te staan in het geloof. Hij roept ons op om te vertrouwen dat, wanneer wij dicht bij Hem blijven, al de genade van onze verlossing ons hart zal binnenstromen gelijk een kolkende rivier.

Dat is de reden waarom het Sacrament van Verzoening zo belangrijk is. Steeds wanneer wij ons tot God keren en onze zonden belijden, wast Hij ons schoon van ongerechtigheid zodat we verder kunnen trekken in de richting van het “Beloofde Land” dat Hij ons gegeven heeft. Het volgende gewetensonderzoek is, ook al is het niet uitputtend, bedoeld om u te helpen die terreinen in uw leven aan te wijzen waar u mogelijk de oproep om sterk te zijn in de Heer opzij geschoven hebt. Overweeg in gebed de onderstaande vragen en vraag de heilige Geest om aan te duiden waar u berouw nodig hebt. Weet dat God u graag wil vergeven en u de kracht wil geven om alle beloften na te jagen die Hij ons gegeven heeft.

Liefde voor God (Marcus 12,28-30; Johannes 14,23-24). Op welke manieren zet ik God op de eerste plaats, boven al het andere? Maak ik tijd vrij om in gebed bij Hem te zijn? Beschouw ik Gods Kerk en haar wetten met respect en dankbaarheid?

Liefde voor anderen (Lucas 10,25-37; Johannes 13,12-15). Herinner ik me situaties waarin ik niet goed heb gezorgd voor de mensen die de Heer in mijn leven geplaatst heeft? Heb ik bij tijden geweigerd hun noden boven die van mezelf te plaatsen? Herinner ik me ook bepaalde situaties waarin ik iemand niet behandeld heb met het respect en de waardigheid van een kind van God?
Genade (Matteüs 18,21-35; Johannes 8,1-11). Zijn er situaties waarin ik het moeilijk vind om iemand te vergeven die me gekwetst heeft? Zijn er groepen mensen die ik te snel beoordeeld heb op grond van hun positie op de maatschappelijke ladder, hun ras of hun uiterlijk? Zijn er situaties waarin ik Gods genade maar moeilijk kan aanvaarden en waardoor ik het dan moeilijk vind om jegens anderen genadig te zijn?

Nederigheid (Marcus 10,13-16; Filippenzen 2,6-11). Hoe vaak bedenk ik dat mijn talenten en gaven van God komen? Heb ik de mensen die ik geregeld ontmoet, behandeld als kinderen van God, ongeacht hun status of positie? In hoeverre verlaat ik me in de loop van de dag op de Heer en zijn genade en kracht?

Gulheid (Marcus 6,30-34; Lucas 6,38). Hoe makkelijk vind ik het om mijn tijd en gaven met anderen te delen? Ben ik royaal als het erom gaat liefdadige instellingen te steunen die zorg dragen voor arme en behoeftige mensen? Hoe sterk verlaat ik mij op de Heer als het gaat om mijn persoonlijk geluk, of vind ik mijn welbevinden meer in mijn materiële bezittingen?

Moed (Jozua 1,7-9; Matteüs 23,37-39). Herinner ik me situaties waarin ik in liefde de waarheid had moeten spreken, maar het niet gedaan heb? Doe ik alles wat ik kan om op te komen tegen onrecht en om het ongeboren leven en arme en machteloze mensen te beschermen? Zijn er recente gebeurtenissen waarbij ik me niet tot het uiterste ingespannen heb omdat zich een of andere moeilijkheid voordeed?

Hymnen van de veertigdagentijd

Morgengebed

Laten wij tot de Rechter gaan
en smekend voor zijn zetel staan,
Hem bidden met het hart terstond
en het betuigen met de mond:

Wij zondigden, ja wij, o Heer,
tegen uw goedheid telkens weer,
zie op ons in barmhartigheid,
o God, die vol ontferming zijt.

Gedenk dat wij de uwen zijn,
uw schepselen, hoezeer onrein,
geef, bidden wij, uw naam, uw eer
niet aan een ander prijs, o Heer.

Was af ons kwaad en onze schuld,
maak ons van ’t goede meer vervuld,
opdat het hart dat naar U vraagt,
U nu en altijd meer behaagt.

Getrouwe Vader, zie ons aan,
wees, Zoon van God, met ons begaan,
vertroost ons, Geest, in deze tijd,
Gij die regeert in eeuwigheid.

Avondgebed

O goedertieren Schepper,
hoor naar ons gebed en hulpgeroep,
dat opstijgt veertig dagen lang
in deze heilige Vastentijd.

Gij, die de harten mild doorschouwt
en kent de zwakheid onzer kracht,
vergeef genadig onze schuld,
nu wij tot U zijn weergekeerd.

Verhoor ons, nooit volprezen God,
drievoudig, één en onverdeeld:
geef, dat ons rijk aan vruchten wordt
de vasten, die Gij ons verleent.

Attende Domine (lied voor de veertigdagentijd)

Ad te Rex summe, omnium Redemptor,
oculos nostros sublevamus flentes:
exaudi, Christe, supplicantum preces.

Attende Domine, et miserére,
quia peccávimus tibi.

Dextera Patris, lapis angularis,
via salutis, ianua caelestis,
ablue nostri maculas delicti.

Attende Domine…

Rogamus, Deus, tuam maiestatem:
auribus sacris gemitus exaudi:
crimina nostra placidus indulge.

Attende Domine…

Tibi fatemur crimina admissa:
contrito corde pandimus occulta:
tua Redemptor, pietas ignoscat.

Attende Domine…

Innocens captus, nec repugnans ductus,
testibus falsis pro impiis damnatus:
quos redemisti, tu conserva, Christe.

Attende Domine…

Tot U, hoogverheven Koning, Verlosser van ons allen, heffen wij wenend onze ogen op: verhoor Christus, de gebeden van de smekenden.

Luister Heer, en wees genadig,
want wij hebben tegen U gezondigd.

Rechterhand van de Vader, hoeksteen,
weg van het heil, poort van de hemel,
was de smetten van onze zonden af.

Luister Heer…

God, wij smeken uw majesteit:
verleen ons zuchten genadig gehoor:
vergeef ons goedertieren onze misslagen.

Luister Heer…

U bekennen wij de bedreven fouten,
met berouwvol hart, belijden wij onze geheime zonden: Uw liefde, Verlosser, moge ze vergeven.

Luister Heer…

Onschuldig zijt Gij gevangen genomen,
zonder tegenstreven weggevoerd,
op valse getuigen voor de zondaars veroordeeld;
Christus, bewaar hen die Gij hebt verlost.

Luister Heer…

Wat zegt de Catechismus over de veertigdagentijd?

Elk jaar worden we aangemoedigd onze harten voor te bereiden op Pasen, waar we de opstanding van Christus uit de doden vieren. Het is een tijd om na te denken over hoe God ons verlost heeft van de eeuwige dood. De Catechismus van de Katholieke Kerk legt het als volgt uit:

538
De evangelies spreken over een tijd van eenzaamheid van Jezus in de woestijn onmiddellijk na zijn doop door Johannes: “Gedreven door de Geest” naar de woestijn, verblijft Jezus daar veertig dagen zonder te eten; Hij leeft er met de wilde dieren en de engelen dienen Hem (Vgl. Mc. 1,12-13). Aan het einde van deze tijd stelt Satan hem driemaal op de proef, waarbij hij probeert de houding van Jezus als Zoon tegenover God ter discussie te stellen. Jezus slaat deze aanvallen af, die de bekoringen van Adam in het paradijs en die van Israël in de woestijn samenvatten, en de duivel verwijdert zich van Hem “tot de vastgestelde tijd” (Lc. 4,13).

539
De evangelisten wijzen op de heilzame betekenis van dit mysterieus gebeuren. Jezus is de nieuwe Adam, die waar de eerste Adam bezweken is voor de bekoring, trouw gebleven is. Jezus vervult op volmaakte wijze de roeping van Israël: in tegenstelling tot hen die eertijds gedurende veertig jaar God tartten in de woestijn (Vgl. Ps. 95,10), openbaart Christus zich als de dienaar Gods, die geheel gehoorzaam is aan de goddelijke wil. Daarin overwint Jezus de duivel: Hij heeft “de sterke gebonden” om hem zijn buit weer af te nemen (Mc. 3,27). De overwinning van Jezus op de verleider in de woestijn loopt vooruit op de overwinning van het lijden, de hoogste vorm van gehoorzaamheid van zijn kinderlijke liefde voor de Vader.

540
De bekoring van Jezus laat zien hoe Gods Zoon – in tegenstelling tot wat de Satan Hem voorstelt en de mensen (Vgl. Mt. 16,21-23) Hem willen toeschrijven – Messias is. Daarom heeft Christus de verleider voor ons overwonnen: “Want wij hebben een hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakheden. Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde” (Heb. 4,15). De kerk verenigt zich ieder jaar gedurende de veertig dagen van de grote vasten met het mysterie van Jezus in de woestijn.

1434
De innerlijke boetvaardigheid van de christen kan zich op uiteenlopende wijzen uiten. De Schrift en de Kerkvaders leggen vooral op drie vormen de nadruk: het vasten, het gebed en de aalmoes (Vgl. Tob. 12,8; Mt. 6,1-18); het zijn uitdrukkingen van onze bekering in onze relatie tot onszelf, tot God en tot de anderen. Naast de grondige zuivering die het doopsel of het martelaarschap bewerken, noemen zij als middel om vergiffenis van de zonden te verkrijgen: de inspanning om zich met zijn naaste te verzoenen, de tranen van boete, de zorg voor het heil van de naaste (Vgl. Jak. 5,20), de voorspraak van de heiligen en de naastenliefde “die tal van zonden bedekt” (1 Petr. 4,8).

1438
Boetetijden en boetedagen tijdens het liturgisch jaar (de vastentijd, elke vrijdag ter gedachtenis van de dood van de Heer) zijn voor de kerk gelegenheden bij uitstek om boete te doen (Vgl. SC 109-110; CIC, can. 1249-1253; CCEO, can. 880-883). Deze tijden zijn uitermate geschikt voor retraites, boetevieringen, bedevaarten als teken van boete, dingen die men zich vrijwillig ontzegt, zoals vasten en aalmoezen geven en broederlijk delen (liefde- en missiewerken).

2042
Het eerste gebod (“Op zondagen en verplichte feestdagen deelnemen aan de eucharistie”) vraagt van de gelovigen deel te nemen aan de eucharistieviering waartoe de christelijke gemeenschap zich verzamelt op de dag die de verrijzenis van de Heer herdenkt (Vgl. CIC, can. 1246‑1248; CCEO, can. 881, 1.2.4).

Het tweede gebod (“Ten minste eenmaal per jaar biechten”) verzekert de voorbereiding op de eucharistie door het ontvangen van het sacrament van boete en verzoening, dat de bekering en vergeving van het doopsel voortzet (CIC, can. 989: CCEO, can. 719).

Het derde gebod (“In de Paastijd de heilige communie ontvangen”) geeft de minimumeis aan wat betreft het ontvangen van het lichaam en bloed van de Heer in verband met de Paasvierin­gen, die oorsprong en kern zijn van de christelijke liturgie (Vgl. CIC, can. 920; CCEO, can. 708; 881,3).

2043
Het vierde gebod (“De verplichte feestdagen vieren als zondag”) vervolledigt de zondagsplicht door de deelname aan de voornaamste liturgische feesten, die de mysteries eren van de Heer, de maagd Maria en de heiligen (Vgl. CIC, can 1246: CCEO, can. 881,1.4: 880,3).

Het vijfde gebod (“Op onthoudingsdagen geen vlees gebruiken en op vastendagen vasten”) beschermt de tijd van ascese en boete die ons op de liturgische feesten voorbereiden; zij helpen ons onze instincten te beheersen en de vrijheid van het hart te verwerven (Vgl CIC, can 1249-1251; CCEO, can 882).

De gelovigen hebben ook de verplichting om – ieder volgens zijn mogelijkheden – tegemoet te komen aan de materiële noden van de Kerk (Vgl. CIC, can. 222).

Een aantal preken van de H. Augustinus over de veertigdagentijd

H. Augustinus, bisschop en kerkleraar

Augustinus werd in 354 te Tagaste in Noord-Afrika geboren. Na een woelige jeugd en een bewogen studentenleven werd hij in Milaan tot het geloof bekeerd en in 387 door bisschop Ambrosius gedoopt. Na zijn terugkeer in zijn vaderland leidde hij een ascetisch leven en werd hij gekozen tot bisschop van Hippo. Vierendertig jaar lang was hij een voorbeeld voor zijn gelovigen die hij onderrichtte door zijn talrijke preken en geschriften, waarin hij ook tegen de dwalingen van zijn tijd krachtig optrad en de geloofsleer op een knappe wijze verduidelijkte. Hij stierf in het jaar 430. Een groot aantal van zijn preken en geschriften zijn bewaard gebleven; een drietal preken van hem over de Veertigdagentijd treft u hier aan.

Preek 206: Het doen van goede werken

1. De jaarlijks wederkerende vastentijd is weer aangebroken; bij gelegenheid daarvan moeten wij een vermaning tot u richten, daar ook gij de Heer werken, die in overeenstemming zijn met deze tijd, verschuldigd zijt. Niet alsof deze de Heer van nut kunnen zijn. Neen, slechts uzelf kunnen zij baten. In gebed, vasten en aalmoezen moet een christen ook anders vurig zijn; deze tijd moet echter ook hen, die op andere dagen traag in deze dingen zijn, aansporen, terwijl zij, die anders vurig zijn, er zich met nog groter felheid op moeten toeleggen.
Een tijd van vernedering is het leven op deze aarde. Het symbool daarvan zijn deze dagen, waarin onze Heer Jezus Christus, die eenmaal voor ons gestorven is en geleden heeft, als het ware jaarlijks zijn lijden hernieuwt. Wat immers eenmaal in de gehele tijd gebeurd is, opdat ons leven hernieuwd zou worden, dat wordt jaarlijks gevierd, om de herinnering daaraan levend te houden. Indien wij echter gedurende heel de tijd, dat wij op aarde toeven en te midden van beproevingen leven, in waarachtige vroomheid nederig van harte moeten zijn, hoeveel meer dan in deze dagen, die niet alleen behoren tot de tijd van onze vernedering, maar er ook het symbool van zijn? Nederig te zijn, leerde ons de nederigheid van Christus, omdat Hij door te sterven voor de ongelovigen is geweken; verheven maakt ons de verheffing van Christus, omdat Hij door te verrijzen de gelovigen is voorgegaan. Indien wij immers met Hein gestorven zijn, zegt de apostel, zullen wij ook met Hem leven, indien wij lijden, zullen wij ook met Hem heersen. Het ene gedenken wij thans met passende vroomheid, nu zijn lijden als het ware nadert, het andere vieren wij echter na Pasen, wanneer zijn verrijzenis als het ware heeft plaats gehad. Dan immers, na de dagen van onze vernedering, smaken wij het genot, ook de tijd van onze verheffing, die wij nog wel niet met eigen ogen mogen zien, van te voren te overwegen en ons voor ogen te stellen. Laten wij nu echter aanhoudend onder zuchten bidden, dan zullen wij ons dan des te uitbundiger verblijden in lofprijzingen.

2. Laten wij aan onze gebeden door aalmoezen en vasten de vleugels der vroomheid geven, opdat zij des te gemakkelijker hun vlucht nemen naar God. Een christen begrijpt, hoezeer hij zich verre moet houden van het zich toe-eigenen van andermans goed, wanneer hij bedenkt, dat het gelijk staat met diefstal, wanneer hij zijn overtollig bezit niet aan een behoeftige geeft. De Heer zegt: ‘Geeft en u zal gegeven worden; vergeeft en u zal vergeven worden’. Laten wij ons met liefde en vuur toeleggen op deze twee soorten aalmoezen: geven en vergeven. Wij bidden toch ook zelf God, dat het goede ons gegeven worde en dat het kwade niet vergolden worde. Geeft, zegt Hij, en u zal gegeven worden. Wat is juister, wat is billijker, dan dat hij, die zich aan het geven onttrekt, zichzelf te kort doet doordat hij niets krijgt? Als het schaamteloos is, dat een boer wil oogsten, waar hij weet, niet gezaaid te hebben, hoeveel schaamtelozer is het dan, dat iemand, die zelf de bede van de arme niet heeft willen verhoren, verlangt, dat God hem rijkelijk geeft? God, die geen honger kent, wilde immers in de arme gevoed worden. Laten wij onze God, die gebrek lijdt in de persoon van de arme, niet verachten, opdat wij, als wij gebrek lijden, door zijn rijkdommen verzadigd worden. Wij hebben behoeftigen en wij zijn zelf behoeftig: laten wij dus geven, om ook te ontvangen. Wat is het tenslotte, wat wij geven? En voor die kleine, zichtbare, tijdelijke en aardse gift… wat willen wij daarvoor terugontvangen? Wat geen oog heeft gezien, wat geen oor heeft gehoord en wat niet in het hart van een mens is opgekomen. Als Hij zelf het niet beloofd had, zou het onbeschaamd zijn, dit te geven en -dat te willen terugontvangen: en dit zelfs niet eens te willen geven! Trouwens we zouden zelfs dit niet hebben, als Hij, die ons aanspoort, te geven, het ons niet gegeven had. Met welk een gezindheid denken wij, dat God ons beide giften zal geven, als wij bij de minste van de twee zijn gebod in de wind slaan? Vergeeft en u zal vergeven worden, dit wil zeggen: schenkt vergiffenis en u zal vergiffenis geworden. Laat de dienaar zich verzoenen met zijn mededienaar, om te verhoeden, dat de dienaar met recht door de Heer gestraft wordt. Voor dit soort aalmoes is niemand te arm. Deze aalmoes kan hij geven, om in eeuwigheid te leven, die niet genoeg heeft, om er een korte tijd van te leven. Dit geeft men om niet, door zo te geven stapelt men schatten op, waaraan geen einde komt, tenzij wanneer men niets uitgeeft. Als er dus vijandschappen zijn, die tot de dag van vandaag bestaan hebben, dan moet men er paal en perk aan stellen en ze beëindigen. Dan moet gij ze vernietigen, opdat ze niet u vernietigen. Dan moeten ze geen stand houden, opdat ze u niet in hun greep houden; laten zij uitgeroeid worden door de Verlosser, opdat zij niet de halsstarrige uitroeien.

3. Uw vasten moet niet zó zijn, als de profeet het veroordeelt met de woorden: ‘Dit is niet het vasten gelijk ik het verkies, zegt de Heer’. Hij hekelt hier het vasten van twistzieke mensen: Hij schept slechts behagen in het vasten van hen, die de liefde kennen. Hij hekelt de onderdrukkers, maar Hij schept behagen in mensen, die anderen van druk bevrijden. Hij hekelt hen, die zich vijanden maken, maar schept behagen in hen, die vergevensgezind zijn. Gij moet in deze dagen het verlangen naar geoorloofde dingen onderdrukken, opdat gij niets ongeoorloofds doet. Iemand, die zich in deze dagen onthoudt van de huwelijksdaad, zal zich op geen dag te buiten gaan aan wijn of aan echtbreuk. Aldus steunend op nederigheid en liefde, op vasten en aalmoezen, op matigheid en vergevensgezindheid, op het streven, het goede te doen en het kwaad niet met kwaad te vergelden, het kwaad te vermijden en het goede te doen, vraagt ons gebed de vrede en verkrijgt hem ook. Het gebed immers, dat gedragen wordt door de vleugelen van dergelijke deugden, vliegt omhoog en verheft zich gemakkelijker ten hemel, waarheen Christus, onze vrede, ons is voorgegaan.

Preek 207 Barmhartigheid en offerzin

1. Met de hulp van de barmhartigheid van de Heer onze God moeten wij trachten de bekoringen van de wereld, de lagen van de duivels, de zorgen van het leven hier op aarde, de verlokkingen van het vlees, de stormen van de woelige tijden en alle lichamelijke en geestelijke tegenslag met aalmoezen, vasten en gebed te boven te komen. Terwijl een christen zich hierop gedurende heel zijn leven met vuur moet toeleggen, moet hij dit toch vooral doen bij de nadering van het Paasfeest, dat bij zijn jaarlijkse terugkeer voor ons een aansporing is: het roept immers de heilzame herinnering wakker aan de barmhartigheid, die onze Heer, de enige Zoon van God, ons betoond heeft, toen Hij gevast en voor ons gebeden heeft.
Het woord aalmoes komt van het Griekse ‘eleemosyna’, dat ‘barmhartigheid’ betekent. Kan men zich echter een groter barmhartigheid jegens ongelukkigen denken dan die, welke de Schepper van de hemel uit de hemel deed neerdalen en de Maker van de aarde bekleedde met een aards lichaam, welke Hem in de sterfelijkheid aan ons gelijk maakte, die in de eeuwigheid de gelijke van de Vader blijft, welke de gestalte van een slaaf oplegde aan de Heer der wereld: opdat het brood zelf hongerig zou zijn, de verzadiging dorstig zou zijn, de kracht zwak zou zijn, de gezondheid zou gewond worden, het leven zou sterven? En dit alles opdat onze honger zou gestild worden, onze dorst zou gelest worden, onze zwakheid zou getroost worden, ons onrecht zou gedelgd worden, onze liefde zou ontvlammen. Kan men zich een groter barmhartigheid denken dan dat de Schepper geschapen werd, de Meester dienstknecht werd, de Verlosser verkocht werd, dat Hij, die ons verheft, vernederd werd en Hij, die ons opwekt, gedood werd?
Ons wordt bevolen om als aalmoes brood aan de hongerige te geven, maar Hij heeft zich eerst voor ons aan zijn beulen gegeven, opdat Hij zichzelf aan ons zou kunnen geven, om onze honger te stillen. Ons wordt bevolen, de vreemdeling op te nemen, maar Hij kwam voor ons in zijn eigen bezit, maar de zijnen namen Hem niet op. Laat onze ziel dan Hem loven, die genadig is tegenover al haar ongerechtigheden, die al haar zwakheid geneest, die haar leven redt van het bederf, die haar kroont met ontferming en barmhartigheid, die al haar verlangens bevredigt.
Laten wij dus onze aalmoezen des te rijkelijker en des te vaker uitdelen, naarmate de dag naderbij komt, waarop wij de aalmoes gedenken, die God ons eerst gegeven heeft. Vasten zonder barmhartigheid helpt immers hem, die vast, niets.

2. Laten wij ook vasten door ons te vernederen nu de dag nadert, waarop de Meester van de nederigheid zichzelf vernederd heeft, nederig geworden tot aan de dood van het kruis. Laten wij zijn kruis navolgen door onze lusten te beteugelen en ze met de nagelen der onthouding aan het kruis te slaan. Laten wij ons lichaam kastijden en tot onderwerping brengen; opdat wij echter niet door ons onbedwongen vlees tot ongeoorloofde dingen vervallen, moeten wij bij het bedwingen daarvan ons ook dingen, die op zichzelf geoorloofd zijn, ontzeggen. Onmatigheid en dronkenschap moet men ook op andere dagen vermijden. Gedurende deze dagen echter moet men zelfs geoorloofde gastmalen achterwege laten. Overspel en ontucht moet men steeds verfoeien en ontvluchten, maar in deze dagen moeten zelfs de echtgenoten zich onthouden. Wanneer het vlees er aan gewend is, zich beperkingen op te leggen bij het zijne, zal het u gemakkelijk gehoorzamen, wanneer gij het verbiedt, omgang te hebben met het vreemde.
Gij moet er vooral voor oppassen, dat gij uw genietingen niet verandert in plaats van ze te verminderen. Er zijn mensen, die de gewone wijn door ongewone dranken trachten te vervangen, die zich het genot van de druif weliswaar ontzeggen, maar dit gemis vergoeden door nog veel smakelijker dranken, bereid uit het sap van andere vruchten; er zijn mensen, die allerlei smakelijke spijzen weten te vinden, om het vlees te vervangen, die juist deze tijd als het ware geschikt achten voor het gebruik van genotmiddelen, waarvoor zij zich anders zouden schamen. Zo dient de veertigdaagse vasten niet om de oude begeerten te onderdrukken, maar zij wordt een gelegenheid voor nieuwe genietingen. Met de grootste waakzaamheid moet gij er voor zorgen, broeders, dat gij u niet tot zo iets laat verleiden. Laat spaarzaamheid met uw vasten gepaard gaan. Gij moet alle overdaad tegengaan en u eveneens hoeden voor elke prikkel tot gulzigheid. Gij behoeft niet bepaalde voedingsmiddelen, die de mens tot spijs strekken, te verfoeien, maar gij moet het zingenot beteugelen. Esau heeft zijn rechten niet verloren door een vet kalf of gemest gevogelte, maar door het onmatig verlangen naar een linzenschotel. En koning David had berouw, omdat hij meer dan goed was naar water verlangd had. Niet door bewerkelijke of kostbare gerechten, maar door spijzen, die men gemakkelijk bij de hand heeft en die zo goedkoop mogelijk zijn, moet men het lichaam, dat uitgeput is door het vasten, zijn krachten teruggeven of liever trachten, het in stand te houden.

3. In deze dagen stijgt ons gebed ten hemel, als het ware geschraagd door in vroomheid gegeven aalmoezen en door vasten in matigheid. Men kan immers zonder onbeschaamd te zijn Gods barmhartigheid inroepen, wanneer men als mens aan andere mensen de barmhartigheid niet weigert en als de zuivere bedoelingen van het biddend hart niet tegengewerkt worden door de donkere spookgestalten van de vleselijke lusten. Laat ons gebed kuis zijn, laten wij vragen wat de liefde, niet wat de begeerte ons ingeeft; laten wij geen kwaad afbidden over onze vijanden, laten wij in ons gebed niet woeden tegen hen, die wij op een andere wijze niet kunnen schaden of straffen. Evenals wij door het geven van aalmoezen en door vasten geschikt worden om te bidden, zo wordt ons gebed zelf als een aalmoes, wanneer het wordt opgezonden en wordt gestort niet slechts voor onze vrienden, maar ook voor onze vijanden en wanneer het vrij blijft van elk gevoel van toorn en haat en van andere verderfelijke fouten. Als wij immers ons van spijzen onthouden, hoeveel meer moet dan ons gebed zich onthouden van dat gif? Wij herstellen onze krachten door op gezette tijden voedsel tot ons te nemen, maar het gebed mogen wij nooit het genot van zulke spijzen gunnen. Dit moet zich daarvan altijd onthouden, dit heeft zijn eigen voedsel, dat het zonder onderbreking tot zich moet nemen. Het gebed moet zich altijd onthouden van de haat, maar het moet steeds gevoed worden door de liefde.

Preek 209 De ware geest van de vastentijd

1. Weer is de jaarlijks terugkerende tijd gekomen, waarin ik u, mijn geliefden, moet aansporen, om ernstiger dan anders aan uw zielenheil te denken en uw lichaam te kastijden. Dit zijn immers de veertig dagen, die over de gehele aarde geheiligd zijn, die de gehele wereld, welke God door Christus met zich verzoent, bij het naderen van het Paasfeest viert door betogingen van vroomheid.
Indien vijandschappen, die óf niet hadden moeten ontstaan, óf snel tot een einde hadden moeten komen, door onachtzaamheid of koppigheid of door een, niet door bescheidenheid maar door trots ingegeven, schaamtegevoel tot op heden onder de broeders hebben voortbestaan, dan moet daaraan nu terstond een einde gemaakt worden. Die vijandschappen, waarover de zon niet had mogen ondergaan, moeten nu althans, nadat de zon vele malen is op- en ondergegaan, zelf eindelijk ten ondergaan, om niet weer opnieuw op te komen. De onachtzame vergeet, een einde te maken aan de vijandschap, de koppige wil geen vergiffenis schenken, als die hem gevraagd wordt, het trotse schaamtegevoel acht het beneden zich, vergiffenis te vragen. Ten gevolge van deze drie fouten blijven de vijandschappen bestaan, maar de zielen, waarin zij niet sterven, doden zij. Laat het geheugen waakzaam zijn tegen de onachtzaamheid, de barmhartigheid tegen de koppigheid en een nederig inzicht tegen het trotse schaamtegevoel.
Laat hij, die zich herinnert, dat hij de plicht van de verzoening verwaarloosd heeft, ontwaken en zijn loomheid van zich afschudden; laat hij, die het zijne wil terugeisen van zijn schuldenaren, bedenken, dat hij zelf een schuldenaar van God is; laat hij, die zich schaamt, te vragen dat zijn broeder hem vergeeft, door een heilzame vrees deze valse schaamte overwinnen, opdat, door het beëindigen van schadelijke vijandschappen, gij leeft, nadat zij gestorven zijn. Dit alles doet de liefde, die niet verkeerd handelt. De liefde, mijn broeders, moet, voor zover zij aanwezig is, ontwikkeld worden door een goed leven, in zoverre zij echter ontbreekt, moet zij verkregen worden door het gebed.

2. Als wij nu onze gebeden op passende wijze willen ondersteunen – wij moeten immers in deze dagen vuriger bidden – moeten wij ook vuriger zijn in het geven van aalmoezen. Laten wij aan die aalmoezen toevoegen wat wij onszelf, door te vasten en door ons iets van de gebruikelijke spijzen te ontzeggen, onthouden. Maar hij, die wegens een bijzondere lichamelijke behoefte en omdat hij aan bepaalde spijzen gewend is, zich niet kan onthouden en dus niet aan de armen kan geven wat hij zichzelf ontzegt, die moet nog rijkelijker aalmoezen geven. Hij moet daarom des te meer aan de arme geven, omdat hij zichzelf niets ontzegt; daar hij zijn gebeden niet kan ondersteunen door de kastijding van zijn lichaam, moet hij rijkelijker aalmoezen sluiten in het hart van de arme, opdat deze voor hem kan bidden. Deze heilzame raad, die wij zeker moeten opvolgen, is ontleend aan de heilige Schrift: Sluit – zo staat er – uw aalmoezen op in het hart van de arme en deze zal voor u bidden.

3. Wij vermanen ook hen, die zich van het gebruik van vlees onthouden, om niet het vaatwerk, waarin dit bereid wordt, als onrein ongebruikt te laten. De apostel zegt immers: Voor de rijnen is alles rein. De bedoeling van dit soort voorschriften is trouwens niet het vermijden van onreinheid, maar het beteugelen van de begeerte. Zij, die zich onthouden van vlees, maar andere spijzen, die moeilijker toe te bereiden zijn en kostbaarder zijn, daarvoor in de plaats stellen, handelen dan ook absoluut verkeerd. Dit is immers niet zich onthouding opleggen, maar veranderen van overdaad. Hoe kunnen wij hun zeggen, dat zij aan de armen moeten geven wat zij zichzelf ontzeggen, als zij wel het gewone voedsel laten staan, maar meer geld uitgeven voor het kopen van andere spijzen? Gij moet dus in deze dagen vaker vasten, minder geld voor uzelf uitgeven en meer aan de armen geven.
Deze dagen eisen ook, dat gij u beperkt in de echtelijke omgang. Voor een bepaalde tijd, zegt de apostel, om u aan het gebed te wijden en gaat er dan weer toe over, opdat uw gebrek aan zelfbeheersing aan de satan geen gelegenheid geeft, u te bekoren. Voor gelovige echtelieden kan dat gedurende weinige dagen niet bezwaarlijk en moeilijk zijn, wat de weduwen van een bepaald ogenblik in haar leven af tot aan haar dood op zich genomen hebben en wat de gewijde maagden heel haar leven doen.
Bij dit alles moet een heilig vuur in ons gloeien, maar elke hoogmoed moet onderdrukt worden. Niemand moet zich zo zeer verheugen over de deugd der mildheid, dat hij de deugd der nederigheid verliest. Men bedenke echter, dat alle overige gaven Gods geen voordeel brengen, als de band der liefde niet aanwezig is.

Voor kinderen

Bekijk de volgende websites:

Ons Dagelijks Brood

Samuel Advies

Back To Top