skip to Main Content

< Inleiding

Er wordt niet veel meer over de deugden gesproken, maar dat wil niet zeggen dat het niet belangrijk is wat deugden ons te bieden hebben. Veel mensen worstelen met de vraag van hoe zij hun leven invulling kunnen geven en waar de grenzen liggen van een gezond en evenwichtig leven.

Laten wij eens de Bijbel ter hand nemen om wat wijzer te worden:

“houdt uw aandacht gevestigd op wat waar is, al wat edel is, wat rechtvaardig is en rein, beminnelijk en aantrekkelijk, op al wat deugd heet en lof verdient” (Fil. 4,8).

Naar deze woorden verwijst de Kerk als zij spreekt over de deugden.

< Wat is nu een deugd?

Theologisch gezegd: een deugd is een levenshouding, een vaste gesteltenis, om het goede te doen, om in het menselijk leven Gods genade te gebruiken om meer en meer gelijkvormig te worden met Hem.

Anders gezegd: een deugd is een levenshouding, een houding om niet alleen goede daden te doen, maar om ook het beste van zichzelf te geven.

Een deugdzaam mens streeft naar het goede met al zijn krachten. Het is een meewerken ook met de kracht van God (is genade) die aan ieder mens ten volle wordt gegeven. Zij heeft den doel dat wij mensen als gelovigen, God meer en meer een gezicht geven in onze samenleving.

< Welke deugden zijn er?

Er zijn goddelijke deugden en menselijke deugden (waaronder de kardinale deugden).

De goddelijke deugden zijngeloof, hoop en liefde.

Bij menselijke deugden kunnen wij denken aan: goedheid, hulpvaardigheid, eerlijkheid, vriendelijkheid, zachtheid, doorzettingsvermogen, terughoudendheid, wijsheid, inzicht. Een bijzondere groep van de menselijke deugden zijn de kardinale deugdenvoorzichtigheid, rechtvaardigheid, sterkte en matigheid. Rond deze vier kunnen alle andere gegroepeerd worden.

< Kardinale deugden

< Voorzichtigheid

“God heeft ieder mens als een vrij wezen geschapen; een mens met een eigen vrije wil. Dit vrije wezen, de mens, heeft God aan zijn eigen leiding toevertrouwd. Deze leiding betekent voor ieder mens dat hij of zij een taak heeft om zijn handelen op een verantwoorde wijze te leiden. De deugd van de voorzichtigheid helpt de mens om goed te handelen en om de goede doelen in zijn leven te blijven zien. De deugd van de voorzichtigheid zetelt in het verstand van ieder mens. Zij bepaalt datgene waarin het doel van iedere menselijk handeling concreet ligt.

Er zijn drie belangrijke terreinen te ontdekken binnen de deugd van de voorzichtigheid, namelijk:
Het beraad, de beslissing, en het bevel.
Het beraad moet het concrete goede ontdekken en bepalen.
Daarna moet in de beslissing het concreet goede om dat te verwerkelijken in het leven, aanvaard worden, via het keuze oordeel. Het bevel is uiteindelijk de uitvoering om alles in het werk te stellen om het goede ook te bereiken.

Dit alles lijkt heel theoretisch, maar wij doen het wel honderden keren per dag, misschien onbewust, maar hopelijk bewust. Een willekeurig voorbeeld zal dit verduidelijken.
Je hebt een vriend, die aan lagerwal is geraakt. Zijn verjaardag nadert en wat moet er gebeuren. Een verjaardag is een goed doel in zich, feest is nooit weg, maar je weet dat je mensen zult ontmoeten die je liever wilt vermijden. Het beraad moet dan duidelijk maken of die verjaardag de moeite waard is (goed genoeg in zich is om ook de nare kant op de koop er bij te nemen.) Er moet een beslissing volgen: ik ga, want……… of ik ga niet, want…….Eenmaal genomen wordt de beslissing omgezet in het bevel, gaan en alles klaar maken wat je nodig hebt om de reis naar je vriend te maken.

Voorzichtigheid, zoals al duidelijk wordt, veronderstelt ook andere deugden. Het beraad dat je voert moet beheerst gevoerd worden en zo, dat altijd het goede doel voor ogen staat en ook gewild is. De beslissing en het bevel moeten ook altijd staan onder de deugd van de liefde en het geduld.

Voorzichtigheid is een mooie deugd die de mens er voor behoedt om domme dingen te doen in het dagelijks leven of dingen die je later graag had teruggedraaid. De voorzichtigheid bouwt zo aan het gezonde en evenwichtige leven van een mens. Door de voorzichtigheid wordt het verstand van ons mensen ook gescherpt om alert te zijn en te blijven en om onze leefwereld niet te verengen tot wat er om ons heen gebeurt.”

< Rechtvaardigheid

“De rechtvaardigheid is de deugd waardoor de mens bereid is aan ieder het zijne te geven. Dit is een mooie maar ook een hele kille definitie van het begrip rechtvaardigheid. Van rechtvaardigheid wordt op de eerste plaats gezegd, dat mensen haar in de praktijk van elke dag moeten beoefenen. De mens staat daarbij in een gemeenschap, maar is ook een individu. De mens die deel uit maakt van de gemeenschap is geroepen tot een algemene rechtvaardigheid: dit is de plicht om te zorgen voor het algemeen welzijn van alle medemensen om zich heen. Hieronder valt ook ons sociale gedrag, dat verder reikt dan onze eigen grenzen en zelfs verder reikt dan de landsgrenzen. Te denken is hier aan humanitaire hulp in ontwikkelingslanden, maar ook hoe wij als land, als regering omgaan met de financiële regelingen bij ontwikkelingslanden. Ook valt te denken aan ons asielbeleid, en hoe wij haar ten uitvoer brengen op een rechtvaardige manier, zodat zij die asiel nodig hebben het ook krijgen.

Naast de algemene rechtvaardigheid is er ook de bijzondere. Deze heeft de mens op het oog als individu. Het particulier belang van deze mens is daarmee gediend. De eerste vorm van bijzondere rechtvaardigheid gaat over de verdelende rechtvaardigheid. Hoe verdeelt de regering of een bestuur de lusten en de lasten op een juiste manier over haar individuele burgers? De tweede vorm van bijzondere rechtvaardigheid is de commutatieve of ruil rechtvaardigheid. Haar competentie ligt op het ruilen, kopen, verkopen, op het gebied dus van prijzen, lonen en huren, op allerlei geldkwesties en transacties die gedaan worden tussen individuen. Wat is een rechtvaardige huur ten opzichte van het huis dat gehuurd wordt? Wat is een rechtvaardig loon dat in verhouding staat tot het werk dat verricht wordt? Brandende vragen in onze samenleving omdat er in de loop van de tijd het nodige is scheef gegroeid, en nu langzaam maar zeker zichtbaar wordt.

Een heel andere vraag is of een oorlog rechtvaardig is of niet en of het wel een echte oorlog is. Een rechtvaardige oorlog, wat is dat eigenlijk? Eerst is het van belang om in het licht van het Evangelie ons standpunt te bepalen: oorlog is ten allen tijde te verwerpen. Bij conflicten moet je aan tafel gaan zitten en overleggen. Mag je dan jezelf niet verdedigen? Moet je alles maar slikken wat je aangedaan wordt? Als je rechten met voeten worden getreden, mag je dan terugslaan?

Op deze vragen heeft de Bijbel geen standaardantwoord. Vandaar dat theologen zijn gaan nadenken over deze vragen. Is er ooit sprake van een rechtvaardige oorlog en wanneer dan wel?

In het verleden heeft de theologie de volgende voorwaarden op tafel gelegd bij bespreking van een rechtvaardige oorlog:

1. Ze moet gevoerd worden door het erkende gezag van een staat.

Niet iedereen kan een oorlog beginnen. Een staat kan de middelen hebben om een oorlog te voeren of om zichzelf te verdedigen.

2. Er moet een oorzaak zijn die gerechtvaardigd kan worden.

De oorzaak om een oorlog te beginnen moet zwaar genoeg zijn. Op de eerste plaats moeten alle andere middelen, als diplomatie en overleg ten volle benut zijn alvorens besloten wordt tot oorlogvoering.

3. Er moet een juiste intentie zijn.

De intentie moet zijn om het onrecht dat ontstaan is recht te zetten, niet om wraakgevoelens bot te vieren of om onschuldige slachtoffer te maken.

Later eraan toegevoegd:

4. De maat van oorlog voeren moet juist zijn.

Matiging moet er zijn in de middelen die gebruikt worden. Als de oorlog al bijna gewonnen is, dan geen grove middelen meer gebruiken.

5. Er moet een juiste verhouding zijn tussen kwaad dat je doet en het goede dat je wilt bereiken.

Er moet een goede verhouding zijn tussen het kwaad dat geschiedt en het goede dat je wilt bereiken. Wie of wat bombardeer je, op welke tijdstippen bombardeer je (bijv. op een stad waar marktdag is en er grote kans is op veel onschuldige slachtoffers).

Al deze overwegingen hebben hun grenzen en getuigen van een poging om te gaan met een moeilijk en delicaat onderwerp. Blijft staan dat oorlog voeren altijd een kwaad is dat je niet gauw kunt goedpraten of van goede argumenten kunt voorzien.

< Sterkte

Bij sterkte denken wij bijna automatisch aan een gespierd lichaam met spieren van staal.

Sterkte in theologische zin heeft heel iets anders op het oog: het is een deugd die te maken heeft met de opbouw van het menselijk karakter. Een deugd die de mens weerbaar maakt voor alles wat aan het menselijk leven afbreuk doet of wil aanvallen van buitenaf of van binnenuit.
Sterkte in het staan voor een mening, ook al wordt deze aangevallen door velen op verbale wijze.
Sterkte ook om weerstand te bieden aan onverschilligheid, angst, vrees, en dat wat de mens onzeker maakt.
De sterkte is een gave van de Heilige Geest die ons door God gegeven kan worden, als wij erom vragen.
Sterkte gaat altijd samen met de voorzichtigheid, om die middelen te kiezen in het leven die passen, om een aanval op je karakter af te weren, of om de situatie waarin je verkeert op de juiste manier in te schatten.

De innerlijke sterkte heeft ook alles te maken met de liefde waarom je iets doet, of waarvoor je wilt gaan staan. Elke innerlijke sterkte wordt in christelijke zin gemeten aan de inzet die je als mens wilt geven aan het tot stand komen van het komende rijk van de Heer. In dit licht moet ook het martelaarsschap van mensen van alle tijden gezien worden. Mensen die op een bepaald moment kiezen om hun leven te geven voor een juiste zaak, mensen die omwille van een hoger goed afzien van hun eigen ik.

In de 2de wereldoorlog heeft dit plaatsgevonden o.a. in het concentratiekamp Auschwitz, waar Maximilliaan Kolbe – een gevangen genomen pater – de plaats innam van een huisvader die samen met 9 anderen geëxecuteerd zou worden, omdat er een gevangene ontsnapt was. Hij gaf zijn leven voor een hoger doel. De huisvader heeft de holocaust overleefd en was bij de zaligverklaring van Maximilliaan

< Matigheid

“Wij komen de deugd van de matigheid al tegen in het Griekse denken, met name het stoïcisme: de mens die zich matigt om hogere doelen in het leven te bereiken (zelfbeheersing).

Matigheid komt ook ter sprake in de bijbel en wel in het boek der Wijsheid (hfd. 8,7):

“En als iemand de gerechtigheid liefheeft, zijn haar werken de deugden, want zij leert wijsheid, en voorzichtigheid, sterkte en matigheid, de allernuttigste dingen in het menselijk leven.”

Matigheid is er niet op uit om de mensen allerlei genoegens en genot te ontzeggen. Wel wil de matigheid ons mensen de ogen open doen houden voor alles wat ons kan afstompen in het leven. Matigheid bewaart ons voor een teveel, te mooi, te goed, een te ……., dat ons eens zal gaan opbreken.

Matigheid is een deugd die ons menselijk leven wil begeleiden als een karaktertrek van het je kunnen beheersen. Eten om te eten is verkeerd. Eten om hetgeen klaargemaakt is werkelijk te genieten is een deugd en bouwt het onderlinge contact op en verstevigt vriendschappen.
Matigheid als deugd is ook heilzaam voor ons spreken en oordelen. Het behoedt ons voor ruzie en onenigheid, voor strijd en kommer en kwel.
Matigheid is het hulpmiddel bij uitstek om je grenzen te bepalen als mens, en om die grenzen ook aan te houden in ons omgaan met anderen en onszelf.”

< Wat zegt de Catechismus over de menselijke deugden

In de Catechismus van de Katholieke Kerk wordt het Rooms-Katholieke geloof op heldere wijze uiteengezet.
Het derde deel van dit boek gaat over “het leven in Christus”, over de roeping van de mens.
Het eerste hoofdstuk hiervan bespreekt ‘De waardigheid van de menselijke persoon’, waarbij in artikel 7 het volgende geschreven staat.

< I. De menselijke deugden

1804 De menselijke deugden zijn standvastige houdingen, stabiele gesteltenissen, vervolmakingen van het verstand en wil, die tot levenshoudingen worden, onze daden regelen, onze hartstochten ordenen en ons gedrag leiden volgens de rede en het geloof. Ze verschaffen gemak, beheersing en vreugde om een moreel goed leven te leiden. De deugdzame mens is hij die in vrijheid het goede doet.

De zedelijke deugden zijn menselijke verworvenheden. Ze zijn vrucht en zaad van zedelijk goede daden; ze maken alle menselijke krachten bereid om deel te hebben aan de goddelijke liefde.

< Onderscheid van de kardinale deugden

1805 Vier deugden vervullen een scharnierfunctie. Daarom worden ze “kardinaal” genoemd; alle andere deugden vinden hun plaats rond deze vier. Het zijn de voorzichtigheid, de rechtvaardigheid, de sterkte en de matigheid. “En als iemand de gerechtigheid liefheeft, de vruchten van de wijsheid zijn de deugden; matigheid leert zij en voorzichtigheid, rechtvaardigheid en sterkte” (Wijsh. 8,7). Onder andere benamingen worden deze deugden in tal van passages van de Schrift geprezen.

1806 De voorzichtigheid is de deugd die de praktische rede in staat stelt in alle omstandigheden het werkelijk goede te ontwaren en de juiste middelen te kiezen om het tot stand te brengen. “De schrandere kijkt uit waar hij gaat” (Spr. 14,15). “Weest dus bezonnen en nuchter opdat gij kunt bidden”” (1 Petr. 4,7). De voorzichtigheid is de “juiste regel tot handelen” schrijft de heilige Thomas in navolging van Aristoteles. Ze mag niet verward worden met schuchterheid of vrees, en ook niet met dubbelhartigheid of veinzerij. Ze wordt auriga virtutum (leidsvrouw van de deugden) genoemd: ze leidt de andere deugden door hun te wijzen op regel en maat. Het is de voorzichtigheid die onmiddellijk bet gewetensoordeel leidt. De voorzichtige mens bepaalt en ordent zijn gedrag volgens dit oordeel. Dankzij deze deugd kunnen wij zonder dwalen de morele principes toepassen op de concrete gevallen en overwinnen wij de twijfels omtrent bet goede dat gedaan en het kwade dat vermeden moet worden.

1807 De rechtvaardigheid is de morele deugd die bestaat in de voortdurende en vaste wil om aan God en de naaste te geven waar ze recht op hebben. Rechtvaardigheid tegenover God wordt “deugd van godsvrucht” genoemd. Rechtvaardigheid ten opzichte van de mensen leidt ertoe de rechten van ieder te eerbiedigen en in de menselijke verhoudingen de harmonie tot stand te brengen die de rechtschapenheid bevordert ten opzichte van de personen en het algemeen welzijn. De rechtvaardige mens, die zo dikwijls vermeld wordt in de heilige boeken, onderscheidt zich door de tot houding geworden rechtschapenheid van gedachten en gedrag jegens zijn naaste. “Wees niet partijdig bij het rechtspreken: begunstig de arme niet en zie de rijke niet naar de ogen; spreek rechtvaardig recht over uw volksgenoten” (Lev. 19,15). “Meesters, betracht jegens uw slaven recht en billijkheid in het besef dat ook gij een meester hebt in de hemel” (Kol. 4,1).

1808 De sterkte is de morele deugd die in moeilijkheden standvastigheid en volharding verzekert in het streven naar het goede. Ze bevestigt het besluit aan de bekoringen te weerstaan en de struikelblokken in het morele leven te overwinnen. De deugd van sterkte maakt het mogelijk de angst te overwinnen, zelfs voor de dood en de beproeving en de vervolgingen te trotseren. Ze stelt in staat om zó ver te gaan dat men zichzelf verloochent en het offer van zijn leven brengt om een rechtvaardige zaak te verdedigen. “Mijn kracht is de Heer en mijn lofzang: Hij heeft mij redding gebracht” (Ps. 118,14). “Weliswaar leeft gij in de wereld in verdrukking, maar hebt goede moed: Ik heb de wereld overwonnen” (Joh. 16,33).

1809 De matigheid is de morele deugd die de aantrekkingskracht van de genoegens tempert en evenwicht brengt in het gebruik van de geschapen goederen. Ze verzekert de beheersing van de wil over de instincten en houdt de verlangens binnen de grenzen van de betamelijkheid. De matige persoon richt de strevingen van zijn zinnen op het goede, behoudt een gezonde bescheidenheid en “laat zich niet meeslepen door eigen zin en kracht om te wandelen naar de begeerten van zijn hart” (Sir. 5,2). De matigheid wordt dikwijls geprezen in het Oude Testament: “Loop niet achter uw begeerten aan en houd u ver van uw lusten” (Sir. 18,30). In het Nieuwe Testament wordt ze “bezonnenheid” of ” soberheid ” genoemd. Wij moeten “bezonnen, rechtvaardig en vroom leven in deze tijd” (Tit. 2,12).

Goed leven is niets anders dan God beminnen met heel zijn hart, met heel zijn ziel en met al zijn krachten. Men behoudt voor Hem heel zijn liefde (door de matigheid) die door geen ongeluk aan het wankelen wordt gebracht (wat bij de sterkte hoort), die slechts Hem alleen gehoorzaamt (en dat is de rechtvaardigheid), die waakt om alle dingen te onderscheiden uit vrees verrast te worden door list of leugen (dit is de voorzichtigheid).

< Goddelijke deugden

< Geloof

De deugd van geloof kan beschreven worden als de menselijke beslissing om in alle vrijheid in te gaan op Gods uitnodiging om Zijn heilsgaven te ontvangen en te gebruiken.
Aanvaarden van Gods uitnodiging en de menselijke beslissing zijn verstandelijke daden.
De liefde die de basis vormt om tot deze beslissing te komen en tot aanvaarding van wat komt uit Gods hand, is een gave van God zelf (genade). De genade die God ons geeft en die wij gebruiken om onze wil te bewegen om tot een beslissing en aanvaarding te komen zijn absoluut vereist.

Is dit iets eenmaligs? De meeste mensen denken: ‘als ik eenmaal die stap heb gezet dan ben ik er.’ Welnu dat is een misvatting, want geloven vraagt om een steeds herhalen van deze beslissing en aanvaarding, daar ben je in je leven als mens nooit mee klaar.
Als eerste contact met Jezus Christus en zijn grote heilsdaden is het geloof een begin, de wortel van en de grondslag voor het feit dat God ons aanneemt als zijn kinderen. Een eerste stap die vraagt om een vervolg, om een volwassen worden in geloof, in een leven met en voor God.

Jezus is de deur naar zijn hemelse Vader, de sleutel die deze deur open kan doen is het Kruis waaraan Hij heeft gehangen. Deur en sleutel zijn voorhanden en binnen ons bereik. Echter, de sleutel vastpakken en omdraaien zodat de deur open kan, moeten wij doen. Vervolgens niet op de drempel blijven staan, maar binnengaan, telkens weer, dagelijks, op elk moment van je leven.

Een bewust en eerlijk geloof is voorwaarde om de sacramenten vruchtbaar te kunnen ontvangen, is ook een voorwaarde voor eerlijk en oprecht gebed. Wat voor nut heeft het om te communie te gaan, wanneer het geloof ontbreekt. Op dat moment is de deur van ons eigen leven gesloten en hebben wij de sleutel van onze levensdeur verstopt. Weet wat je doet, als je bidt, de sacramenten ontvangt: geloof heeft niets van doen met automatisme.

Geloof staat in dienst van onze heiligmaking en zelfs van onze zaligheid. Een oud woord, maar zeer belangrijk. Het leven van een christen is een reis, ons doel is thuiskomen bij God.
Het geloof geeft ons het begin van onze zaligheid, die wij eens ten volle zullen bezitten in de Hemel, als wij God zien van aangezicht tot aangezicht. Geloven staat altijd gericht op het verkrijgen van het eeuwig leven. De gave van God, Zijn liefde, die het mogelijk maakt voor ons om te beslissen en te aanvaarden, is voor ons mensen tegelijk een opgave: namelijk om geloof te doordenken en redelijk te verantwoorden.

Dit is mede de taak van de theologie: het spreken en denken over God. Dit mag niet leiden tot een louter menselijk begrijpen en opvatten wat de inhoud van het geloof is. Het is niet het “pakken” van het geheim, maar een “cirkelen rond” het geheim.
Een klein kind weet dit al. Wie op het strand loopt en met zijn hand zand schept, weet dat wanneer de hand geopend blijft, de hoop zand op de hand blijft liggen. Wie met zijn vingers grip wil krijgen op het zand in zijn hand, ziet het tussen zijn vingers doorglippen. Geloven, om grip te krijgen op God, is gedoemd te mislukken. Geloven om meer inzicht te verwerven is heilzaam, ook voor je eigen leven.

Komen wij tot wat mensen ervaren als tegenstelling: geloven en weten.
Twee menselijke houdingen van andere geaardheid, maar die uiteindelijk hun wortels hebben in God. Hij schenkt het geloofslicht aan mensen. Hij schenkt ook het licht om ons verstand te gebruiken en om door te dringen in zaken die met ons leven te maken hebben. Geloven en weten staan gericht op dezelfde zaak, maar met een hele andere intentie: geloven, om door grenzen van al ons menselijk denken heen te breken, weten, om je geloof zuiverder te zien en je eigen te maken. Beiden, geloof en weten staan ten dienste om ons leven als mens, om ons leven als Gods geschenk, beter uit de verf te laten komen.

< Hoop

In ons Nederlandse spraakgebruik kennen wij verschillende soorten spreekwoorden met het woord hoop. Te denken valt aan: ‘hoop doet leven’, ‘valse hoop hebben’, ‘een hoopvol gebeuren’, ‘hopen tegen beter weten in’. Zo maar een paar gezegden, die ons bekend in de oren klinken.

Hoop is een gerichtheid op een toekomstig doel dat misschien moeilijk te bereiken is, maar toch voor mogelijk gehouden wordt. Dit is een definitie die ook nog nader ingevuld kan worden.
Hoop is een houding die steunt op de tussenkomst van een hogere instantie ter vervulling van datgene wat gehoopt wordt. Als het vervullen van dat wat wij hopen binnen onze eigen macht ligt, hebben wij niets te hopen, maar slechts te willen. Ook wanneer de verwerkelijking door berekening geschiedt, of met meer of mindere waarschijnlijkheid valt af te leiden, ook dan is de naam hoop niet op haar plaats, maar meer ervaring en voorspelbare verwachting. Juist daar waar het niet mogelijk is uit het verleden het toekomstige te bepalen, kan de zekerheid van hoop optreden.
Hoop steunt op de geheimzinnige verhouding tot een vervullinginstantie die tot meer in staat is dan wijzelf en de bepaaldheid van alle verschijnselen in ons leven. Die instantie zal dan haar macht aanwenden ten gunste van diegene die hoopt.

Wij stellen, waar het bepaalde wensen en verlangens betreft, onze hoop op medemensen. Die liefheeft, hoopt niet alleen voor zijn of haar geliefde, maar ook voor zichzelf van wie de liefde uitgaat, juist datgene wat beiden gelukkig maakt. Waar mensen geen zekerheid meer kunnen bieden aan elkaar of in uiterste nood, daar hoopt de mens op een bovenmenselijke of bovennatuurlijke instantie die het goed met ons meent. De mens kan zich er niet bij neerleggen dat het leven volkomen zinloos zou zijn en dat het einde van ons leven gericht zou zijn op het totale niets, of niks. De hoop is een wezenlijke trek in ons menszijn, dat een vervullinginstantie veronderstelt met ook menselijke trekken.

Soms geven mensen aan zo`n vervullinginstantie onpersoonlijke namen als ‘lot’, ‘Schicksal’, ‘fortuna’, ‘fatum’. Soms geven mensen ook persoonlijke namen: ‘voorzienigheid’, ‘Gods nabijheid’, ‘zijn liefde’, ‘zijn troost’. Paulus spreekt in zijn Romeinenbrief (Rom. 15,13) over ‘de God van de hoop’.

Theologisch gezien is de christelijke hoop de vrucht van het geloof, , die door de Heilige Geest in het hart van de mensen wordt gestort als een blijvende gesteltenis. Het is een goddelijke deugd, omdat zij God zelf tot voorwerp heeft. Wij mogen als gelovigen hopen op de bijstand van God zelf, op Hem steunen wij, vertrouwen wij, bouwen wij ons leven. Hem te ontmoeten, Hem te zien is ons uiteindelijke doel in het leven. Hopen op God betekent heil ontvangen en gebruiken in het leven nu, en later in het eeuwig leven.

Daarom is het symbool voor de hoop het anker, als teken van standvastigheid, verankerd zijn, op vaste grond staan.

< Liefde

Eigenlijk is de liefde de dragende goddelijke deugd, die alle andere deugden vervolmaakt en hun diepere betekenis geeft.

Als wij de catechismus er op na slaan krijgen wij daar een hele mooie samenvatting te zien van wat de liefde is: “zij is de goddelijke deugd, waardoor wij God beminnen boven alles en omwille van Hemzelf, en onze naaste als onszelf ter liefde Gods” (KKK 1822). God als bron van leven, opborrelend voor altijd, geeft ons de liefde en is zelf het voorwerp om lief te hebben. Doordat wij het beeld van God in ons dragen en gelovige mensen door het doopsel, vormsel en eucharistie dit beeld versterken, zijn ook wij voorwerp van de liefde en kunnen wij zelf de liefde schenken.

Jezus maakt van de liefde het nieuwe gebod. Omdat Hij “de zijnen tot het uiterste beminde” (Joh. 13, 1) laat Hij de liefde zien die Hij zelf van Zijn Vader in de hemel heeft ontvangen. Door elkaar te beminnen volgen de leerlingen van Jezus de liefde van Hem na, die zij ook zelf hebben ontvangen. “Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, zo heb ook Ik U liefgehad, blijf in mijn liefde” (Joh. 15, 9). Daarbij voegt Jezus de opdracht: “dit is mijn gebod dat Gij elkaar liefhebt, zoals Ik U heb liefgehad” (Joh. 15, 12).

Liefde is een gave, een opdracht en een vervulling van het menselijk leven. Een bijzondere kracht die ons mensen tot heel veel in staat stelt. Alles kan zij overwinnen, wat menselijk gezien niet voor mogelijk gehouden wordt. Alles kan zij tot stand brengen waar wij mensen niet toe in staat zijn.
De liefde roept ons ook op om de geboden van God in het leven te respecteren. “Blijf in mijn liefde, Als gij de geboden onderhoudt, zult gij in mijn liefde blijven” (Joh. 15, 9-10).

Geboden die te maken hebben met God de plaats te geven die Hem toekomt, de naaste te zien met de juiste ogen en hem met respect te ontmoeten en te waarderen, jezelf met de juiste ogen zien en weten door Wie je leeft.
Als wij de liefde niet hebben, verwaarlozen of ontkennen, dan verliest het leven haar glans. “Als ik de liefde niet heb, ben ik niets, als ik de liefde niet heb baat het mij niets, wat ik heb of doe” (1 Kor. 13, 14).

De liefde staat boven alle deugden, zij draagt allen, en geeft volheid aan allen. De liefde is het grootste. Alles in ons leven mag gevoed worden door de liefde. Zij stuurt ons leven aan, legt accenten. Zij zuivert onze intenties en geeft ons menselijke leven die opening om echt lief te hebben, om te beminnen. Zij geeft ons zelfs een innerlijke vrijheid die ons doet ademen op een manier die heel bijzonder is. Alle tegenstellingen, hokjes en scheidslijnen verdwijnen door de kracht van de liefde. Wij zijn geen slaaf meer, of huurling, of ondergeschikte, Griek, Jood of anderszins. In de liefde zijn de mensen Gods kinderen. De christen die de liefde hoog in het vaandel heeft, staat voor God als een zoon/dochter, die de liefde beantwoordt van Hem die ons mensen het eerst heeft liefgehad (1 Joh. 4, 19).

Liefde doet nog meer: zij is het vermogen in ons om naar de ander toe te gaan, om het leven te vertalen in een houden van. Liefde maakt daarbij gebruik van de menselijke vermogens als zien, voelen, aanraken, emoties, vreugde en verdriet.
De liefde doet ons mensen gaan naar elkaar om te troosten, te bemoedigen, maar ook om in alle openheid elkaar te wijzen op fouten en te werken aan vergeving.

Liefde maakt ook gebruik van onze lichamelijkheid (het vrouw en man zijn). Dat wat wij aanduiden met seksualiteit, vraagt om liefdeLiefde en seksualiteit horen bij elkaar als een rivier en een bedding. Een rivier zonder bedding geeft overstroming, een bedding zonder het water van de rivier is een droge boel. De Rooms–Katholieke Kerk heeft de seksualiteit nooit willen verengen tot de gemeenschap hebben met…. , maar haar altijd gezien als een verzamelbegrip van hoe wij met elkaar omgaan in respect, waardering, liefkozing, streling, eerlijkheid en totale overgave. Liefde is daarbij de grondslag dat ons seksueel omgaan met elkaar niet verwordt tot een pakken en nemen, met geweld en verlies aan menselijke waardigheid.

Echte liefde geeft aan ons mensen het diepe besef wat echte gemeenschap betekent: uitgaan van elkaars gelijkwaardigheid, wetend dat wij het beeld van God in ons dragen, en zoeken naar de uitdaging die ligt in het persoon zijn van ieder mens.

Liefde bouwt op, bindt, verdiept, draagt het leven, zodat wij veel van elkaar kunnen verdragen.

Liefde is een kostbaar iets
Zonder dat, geen leven
Liefde is, vergeet dat niet
ons door God gegeven
Liefde is het koesteren
van je dierbare vrinden
Liefde is een leven lang
dankbaar ondervinden
Liefde is zo speciaal
Leg ’t in de watten
Zodat niemand zeggen kan:
“Ik kom ’t bij je jatten!”

< Wat zegt de Catechismus over goddelijke deugden

In de Catechismus van de Katholieke Kerk wordt het Rooms-Katholieke geloof op heldere wijze uiteengezet.
Het derde deel van dit boek gaat over “”het leven in Christus””, over de roeping van de mens.
Het eerste hoofdstuk hiervan bespreekt ‘De waardigheid van de menselijke persoon’, waarbij in artikel 7 het volgende geschreven staat.

< II. De goddelijke deugden

1812 De menselijke deugden hebben hun wortels in de goddelijke deugden die de menselijke vermogens geschikt maken voor de deelname aan de goddelijke natuur (Vgl. 2 Petr. 1,4). Want de goddelijke deugden verwijzen rechtstreeks naar God. Ze stellen de christenen in staat om in verbondenheid met de heilige Drie-eenheid te leven. Ze hebben de ene en drie-ene God als oorsprong, motief en einddoel.

1813 De goddelijke deugden funderen, bezielen en kenmerken het morele handelen van de christen. Ze vervolmaken alle morele deugden en brengen die tot leven. Ze zijn door God ingestort in de ziel van de gelovigen om hen in staat te stellen te handelen als zijn kinderen en het eeuwig leven te verdienen. Ze zijn het onderpand van de tegenwoordigheid en het handelen van de heilige Geest in de menselijke vermogens. Er zijn drie goddelijke deugden: het geloof, de hoop en de liefde (Vgl. 1 Kor. 13,13).

< Het geloof

1814 Het geloof is de goddelijke deugd waardoor we in God geloven en in alles wat Hij ons gezegd en geopenbaard heeft, en dat de heilige Kerk ons voorhoudt te geloven, omdat Hij de waarheid zelf is. Door het geloof “”vertrouwt de mens zich in vrijheid geheel aan God toe””. Daarom probeert de gelovige de wil van God te kennen en te volbrengen. “”Die gerechtvaardigd is door het geloof zal leven”” (Rom. 1,17). Het levende geloof “”handelt door de liefde”” (Gal. 5,6).

1815 De gave van het geloof blijft in wie niet tegen haar heeft gezondigd. Maar “”het geloof is dood zonder de daad”” (Jak. 2,26): zonder hoop en liefde verbindt het geloof de gelovige niet ten volle met Christus en maakt het de mens niet tot een levend lidmaat van Christus’ lichaam.

1816 De volgeling van Christus moet niet alleen het geloof bewaren en ernaar leven, hij moet het ook belijden, ervan getuigen vanuit een diepe zekerheid, en het verspreiden: “”Allen moeten bereid zijn om Christus tegenover de mensen te belijden en Hem te midden van vervolgingen die de kerk nooit bespaard zullen worden, op zijn kruisweg te volgen””. De dienst en het getuigenis van het geloof zijn vereist voor het heil: “”Ieder die Mij bij de mensen belijdt, hem zal ook Ik als de mijne erkennen bij mijn Vader die in de hemel is. Maar ieder die Mij zal verloochenen tegenover de mensen, hem zal ook Ik verloochenen tegenover mijn Vader die in de hemel is”” (Mt. 10,32-33).

< De hoop

1817 De hoop is de goddelijke deugd waardoor wij naar het rijk der hemelen en het eeuwig leven verlangen als naar ons geluk, door ons vertrouwen te stellen in de beloften van Christus, hierbij niet steunend op onze krachten maar op de hulp van de genade van de heilige Geest. “”Laten wij onwrikbaar vasthouden aan de belijdenis van onze hoop, want Hij die de beloften deed is betrouwbaar”” (Heb. 10,23). “”Want Hij heeft de heilige Geest overvloedig over ons uitgestort door Jezus Christus onze Heiland. Zo zijn wij door zijn genade gerechtvaardigd en erfgenamen geworden van het eeuwige leven waar onze hoop op gericht is”” (Tit. 3,6-7).

1818 De deugd van hoop beantwoordt aan het verlangen naar geluk dat God in elk mensenhart gelegd heeft; ze neemt in zich op alle hoop die het menselijk handelen bezielt; ze zuivert die om ze te richten op het rijk der hemelen; ze behoedt voor ontmoediging; ze is een steun bij verlatenheid; ze brengt vreugde in het hart in de verwachting van de gelukzalige eeuwigheid. Het vuur van de hoop beschermt tegen egoïsme en leidt naar het geluk van de liefde.

1819 De christelijke hoop herneemt en vervult de hoop van het uitverkoren volk. Deze hoop heeft haar oorsprong en voorbeeld in de hoop van Abraham die in Isaak de beloften van God vervuld zag en die gezuiverd werd door de beproeving van het offer (Vgl. Gen. 17.4-8; 22.1.18). “”Tegen alle hoop in heeft hij gehoopt, en geloofd dat hij vader zou worden van vele volkeren”” (Rom. 4,18).

1820 De christelijke hoop wordt vanaf het begin van Jezus’ prediking ontvouwd in de verkondiging van de zaligsprekingen. De zaligsprekingen tillen onze hoop omhoog naar de hemel als naar het nieuwe beloofde land; ze bakenen er de weg van af door de beproevingen heen, die de volgelingen van Jezus te wachten staan. Maar door de verdiensten van Jezus Christus en zijn lijden bewaart God ons in “”de hoop die niet teleurgesteld wordt”” (Rom. 5,5). De hoop is het “”anker voor de ziel””, veilig en sterk, “”zij dringt door binnen het heiligdom waar Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan”” (Heb. 6,19-20). Ze is ook een wapen dat ons beschermt in de strijd om het heil: “”toegerust met het pantser van geloof en liefde en met de helm der heilsverwachting”” (1 Tess. 5,8). Ze brengt ons vreugde zelfs in de beproeving: “”Laat de hoop u blij maken, houdt stand in de verdrukking”” (Rom. 12,12). Ze drukt zich uit en voedt zich met het gebed, in het bijzonder met het Onze Vader, samenvatting van al wat de hoop ons doet verlangen.

1821 Wij mogen dus op de hemelse heerlijkheid hopen die God beloofd heeft aan wie hem liefhebben (Vgl. Rom, 8,28-30) en zijn wil volbrengen (Vgl. Mt. 7,21). In alle omstandigheden moet ieder hopen, met Gods genade, te “”volharden tot het einde”” (Vgl. Mt. 10,22) en de vreugde van de hemel te verwerven als eeuwige beloning van God voor alle goede daden gesteld met de genade van Christus. In de hoop bidt de kerk dat “”alle mensen gered mogen worden”” (1 Tim. 2,4). Ze verlangt ernaar in de hemelse heerlijkheid verenigd te worden met Christus, haar bruidegom:

Hoop mijn ziel, hoop. Ge kent de dag en het uur niet, Waak zorgvuldig, alles gaat snel voorbij, hoewel uw ongeduld twijfelachtig maakt wat zeker is, en lang maakt een zeer korte tijd. Bedenk dat ge, hoe meer ge strijdt, des te meer de liefde bewijst die ge God toedraagt en dat ge u eens des te meer zult verheugen met uw Welbeminde, in een geluk en een verrukking die nooit een einde kennen.

< De liefde

1822 De liefde is de goddelijke deugd waardoor wij God beminnen boven alles en omwille van Hemzelf, en onze naaste als onszelf ter liefde Gods.

1823 Jezus maakt van de liefde het nieuwe gebod (Vgl. Joh. 13,34). Door de zijnen te beminnen “”tot het uiterste”” (Joh. 13,1) openbaart Hij de liefde van de Vader die Hij ontvangt. Door elkaar te beminnen volgen de leerlingen de liefde van Jezus na, die ze ook in zich ontvangen. Daarom zegt Jezus: “”Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, zo heb ook Ik u liefgehad. Blijft in mijn liefde”” (Joh. 15,9). En ook nog: “”Dit is mijn gebod dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad”” (Joh. 15,12).

1824 De liefde, vrucht van de Geest en vervulling van de wet, onderhoudt de geboden van God en zijn Gezalfde: “”Blijft in mijn liefde. Als gij mijn geboden onderhoudt, zult gij in mijn liefde blijven”” (Joh. 15,9-10).

1825 Christus is uit liefde voor ons gestorven, toen wij nog “”vijanden”” (Rom. 5,10) waren. De Heer vraagt ons om, zoals Hij, zelfs onze vijanden (vgl. Mt. 5,44) te beminnen, om onszelf te maken tot de naaste van degene die het verst (Vgl. Lc. 10,27-37) van ons afstaat, de kinderen (Vgl. Mc. 9,37) en de armen (Vgl. Mt. 25,40.45) lief te hebben, zoals Hijzelf dit doet.

De apostel Paulus heeft een weergaloos beeld van de liefde geschetst: “”De liefde is lankmoedig en goedertieren; de liefde is niet afgunstig, zij praalt niet, zij beeldt zich niets in. Zij geeft niet om de schone schijn, zij zoekt zichzelf niet, zij laat zich niet kwaad maken en rekent het kwade niet aan. Zij verheugt zich niet over onrecht, maar vindt haar vreugde in de waarheid. Alles verdraagt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles duldt zij”” (1 Kor, 13,4-7).

1826 “”Als ik de liefde niet heb””, zegt de apostel nog, “”ben ik niets…”” En al wat voorrecht is, dienst, zelfs deugd… “”als ik de liefde niet heb, baat het mij niets”” (1 Kor. 13,1-4). De liefde staat boven alle deugden. Ze is de eerste van de goddelijke deugden: “”Nu echter blijven geloof, hoop en liefde, de grote drie; maar de liefde is de grootste “” (1 Kor.13,13).

1827 De beoefening van alle deugden wordt gevoed en geïnspireerd door de liefde. Deze is de “”band der volmaaktheid”” (Kol. 3,14); ze is de vorm van de deugden; ze articuleert en ordent ze onderling; ze is bron en einddoel van hun christelijke praktijk. De liefde bevestigt en zuivert ons menselijk vermogen om te beminnen. Ze verheft het tot de bovennatuurlijke volmaaktheid van de goddelijke liefde.

1828 De praktijk van het morele leven, bezield door de liefde, geeft aan de christen de geestelijke vrijheid van de kinderen Gods. De christen staat niet meer voor God als een slaaf, met slaafse vrees, of als een huurling die zijn loon komt vragen, maar als een zoon die de liefde beantwoordt van Hem die “”ons het eerst heeft liefgehad”” (1 Joh. 4,19).

Ofwel keren wij ons af van het kwaad uit vrees voor de straf, en dan zijn we in de situatie van een slaaf, Ofwel laten wij ons aantrekken door de beloning, en dan gelijken wij op huurlingen. Ofwel is het omwille van het goede zelf en uit liefde voor Hem die ons beveelt te gehoorzamen (,..) en dan zijn we in de gesteltenis van kinderen.

1829 De vruchten van de liefde zijn vreugde, vrede en barmhartigheid; de liefde eist de weldadigheid en de broederlijke vermaning; ze is welwillendheid; ze wekt wederkerigheid op, blijft belangeloos en verdraagzaam; ze is vriendschap en gemeenschap:

De voltooiing van al onze werken is de liefde. Daar is het doel waarvoor wij hard lopen en we snellen op dit eindpunt toe. Daar aangekomen zullen we in haar rust vinden.

< Het geweten van de mens

Als wij de catechismus van de Rooms-katholieke kerk ter hand nemen, dan zien wij in de artikelen 1776 tot en met 1802 een hele verhandeling over het morele geweten dat de moeite waard is. We zullen hier enkele belangrijke items uitnemen die voor ons dagelijks leven van belang zijn.

In ons menselijk leven ervaren wij een stem die wij wel aanduiden met de term geweten.
Hierin zit het woord weten. Diep in ons hart weten wij wat ons leven opbouwt en afbreekt. In het diepst van ons geweten ontdekken wij een wet die wij onszelf niet stellen, maar waaraan wij moeten gehoorzamen; een stem die ons steeds weer oproept om het goede te doen en het kwade te vermijden. Zij verwijst naar de wet die God geschreven heeft in het hart van ons. Het geweten is de meest verborgen kern en heiligdom van ons mensen, waarin wij alleen zijn met God en wiens stem in ons weerklinkt.

Dag in dag uit nemen wij beslissingen, beoordelen wij keuzes en worden wij opgeroepen om ons leven te bezien en onze beslissingen te nemen in het licht van de waarheid. Wij vellen een oordeel, door ons verstand, waarin wij de morele kwaliteit erkennen: goed of fout. Beter of best.
Dit vraagt van ons dat wij thuis zijn bij onszelf, dat wij een leven leiden dat gekenmerkt wordt door rust en regelmaat. Dat wij ook de tijd nemen om ons leven onder de loep te nemen en gaan doen aan gewetensonderzoek om te bezien, waar de zwakke en sterke kanten van ons leven liggen.

De kerkvader Augustinus drukt het kernachtig uit in zijn commentaar op de brief van Johannes: “Keer u naar uw geweten, ondervraag het, keer terug broeders, naar de innerlijkheid en richt uw blik in al wat u doet op de Getuige (op God)”, (H. Aug., Ep. Jo 8,9).

Ons geweten maakt het ook mogelijk om de verantwoordelijkheid op ons te nemen voor de gestelde daden. Wie goed doet, mag ook de innerlijke vreugde daarvan genieten, en zijn vreugde delen met anderen. Wie het kwade doet mag door het geweten worden teruggefloten en zich in herinnering brengen wat vergeving betekent en wat de aangerichte schade inhoudt, die zijn daad veroorzaakt heeft.

Ieder mens heeft het recht om te handelen naar zijn geweten en in alle vrijheid persoonlijke en morele beslissingen te nemen. Geen mens mag gedwongen worden om tegen zijn geweten in te handelen. Niemand mag echter ook de mens beletten om volgens zijn geweten te handelen. Dit alles ontslaat de mens niet van de plicht om zijn geweten te vormen en te onderhouden.

De opvoeding van het geweten is een opdracht voor heel het leven. Vanaf de prilste jeugd ligt hier al de opdracht aan ouders en opvoeders. Een wijze opvoeding leert de mensen de deugd aan, ze voorkomt of geneest angst en vrees, het egoïsme, en de hoogmoed die geen mens vreemd zijn.
Ook pakt een gewetensvorming valse schuldgevoelens aan en de menselijke zelfvoldaanheid, die voortkomen uit menselijke zwakheid en fouten die wij maken.
Een gezonde opvoeding van het geweten geeft vrijheid, namelijk die vrijheid om meer en meer mens te worden en te zijn naar Gods hart. Het geeft ook een innerlijke vrede en rust waardoor wij veel meer aankunnen in het leven.

De vorming en het onderhoud van het geweten dient ook te geschieden door Gods Woord, het lezen en je eigen maken, en het spreken van de kerk in onze tijd en in de traditie over de grote vragen van het leven.

Wie de stem van God en van zijn kerk uitschakelt, begeeft zich op glad ijs. ‘Het woord van God is als een licht voor onze voeten. Liefde komt voort uit een rein hart, een goed geweten en een sterk geloof ‘ (1 Tim 1, 5).

< Wat zegt de Catechismus over het morele geweten

In de Catechismus van de Katholieke Kerk wordt het Rooms-Katholieke geloof op heldere wijze uiteengezet.
Het derde deel van dit boek gaat over “”het leven in Christus””, over de roeping van de mens.
Het eerste hoofdstuk hiervan bespreekt ‘De waardigheid van de menselijke persoon’, waarbij in artikel 6 het volgende geschreven staat.

< Artikel 6

< Het morele geweten

1776 “”In het diepste van zijn geweten ontdekt de mens een wet, die hij zichzelf niet stelt, maar waaraan hij moet gehoorzamen, en waarvan de stem, die hem steeds weer oproept om het goede te beminnen en het kwade te vermijden, op het juiste moment doorklinkt in de oren van zijn hart. (…) Want de mens heeft de door God geschreven wet in zijn hart. Het geweten is de meest verborgen kern en het heiligdom van de mens, waarin hij alleen is met God, wiens stem in hem weerklinkt””.

< I. Het gewetensoordeel

1777 Aanwezig in het hart van de persoon, legt het morele geweten (Vgl. Rom. 2,14-16) hem op het juiste moment op, het goede te doen en het kwade te mijden. Het beoordeelt ook de concrete keuzen, door de goede te prijzen en de kwade aan te klagen (Vgl. Rom. 1,32). Het getuigt van het gezag van de waarheid met verwijzing naar het hoogste goed waardoor de menselijke persoon wordt aangetrokken en waarvan hij de geboden ontvangt. Wanneer de voorzichtige mens naar het morele geweten luistert, kan hij God horen spreken.

1778 Het morele geweten is een oordeel van de rede, waardoor de menselijke persoon de morele kwaliteit erkent van een concrete daad die hij gaat stellen of bezig is te stellen of gesteld heeft. In al wat hij zegt of doet, moet de mens trouw datgene volgen, waarvan hij weet dat het billijk en recht is. Door zijn gewetensoordeel ziet en erkent de mens de voorschriften van de goddelijke wet.

Het geweten is een wet van onze geest, maar die onze geest overtreft, die ons bevelen geeft, die verantwoordelijkheid en plicht betekent, vrees en hoop. (…) Het is de boodschapper van Hem die, zowel in de wereld van de natuur als in die van de genade, ons versluierd toespreekt, ons onderricht en ons regeert. Het geweten is de eerste van alle plaatsbekleders van Christus.

1779 Iedereen moet thuis zijn bij zichzelf, zodat hij de stem van zijn geweten verstaat en volgt. Deze eis tot innerlijkheid is des te noodzakelijker, aangezien het leven ons dikwijls in een situatie plaatst die ons onttrekt aan reflectie, zelfonderzoek of inkeer:

Keer u naar uw geweten, ondervraag het. (…) Keert terug, broeders, naar de innerlijkheid en richt uw blik in al wat gij doet op de Getuige, op God.

1780 De waardigheid van de menselijke persoon impliceert en eist de onkreukbaarheid van het morele geweten. Het morele geweten omvat de waarneming van de beginselen van het morele geweten (synderesis), de toepassing ervan in de gegeven omstandigheden door een praktische onderscheiding van de redenen en de goederen, en tenslotte het oordeel over nog te stellen of reeds gestelde concrete daden. De waarheid over het morele goed, verduidelijkt in de wet van de rede, wordt praktisch en concreet erkend door het voorzichtig oordeel van het geweten. Men noemt die mens voorzichtig, die kiest volgens dat oordeel.

1781 Het geweten maakt het mogelijk de verantwoordelijkheid voor de gestelde daden op zich te nemen. Wanneer de mens kwaad doet, kan het juiste oordeel van het geweten in hem getuige blijven van de universele waarheid van het goede, evenals van de boosheid van zijn bepaalde keuze. De uitspraak van het gewetensoordeel blijft een onderpand van hoop en barmhartigheid. Door de begane fout bewust te maken, herinnert het gewetensoordeel aan de vergiffenis die moet gevraagd worden, aan het goede dat nog gedaan en de deugd die onophoudelijk beoefend moet worden, met de genade van God:

Dan mogen wij ook voor zijn aanschijn ons geweten geruststellen, ook als het ons veroordeelt, want God is groter dan ons hart en Hij weet alles (1 Joh. 3,19-20).

1782 De mens heeft het recht te handelen volgens zijn geweten en in vrijheid, ten einde persoonlijk morele beslissingen te nemen. “”De mens mag niet gedwongen worden om tegen Zijn geweten in te handelen. Maar men mag hem ook niet beletten om volgens zijn geweten te handelen, vooral niet in godsdienstige aangelegenheden””.

< II. De vorming van het geweten

1783 Het geweten moet geïnformeerd en het morele oordeel verhelderd worden. Een goed gevormd geweten is juist en geloofwaardig. Het verwoordt zijn oordelen volgens de rede, in overeenstemming met het werkelijke goed, dat gewild wordt door de wijsheid van de Schepper. De opvoeding van het geweten is onmisbaar voor menselijke wezens die onderhevig zijn aan negatieve invloeden en bekoord worden door de zonde om de voorkeur te geven aan hun eigen oordeel en de gezagvolle onderrichtingen af te wijzen.

1784 De opvoeding van het geweten is een opdracht voor heel het leven. Vanaf de prille jeugd wordt het kind gevoelig gemaakt voor de kennis en de praktijk van de innerlijke wet die erkend wordt door het morele geweten. Een wijze opvoeding leert de deugd aan; ze voorkomt of geneest de vrees, het egoïsme en de hoogmoed, de valse schuldgevoelens en de zelfvoldaanheid, die voortspruiten uit menselijke zwakheden en fouten. De opvoeding van het geweten verzekert de vrijheid en verwekt de vrede van het hart.

1785 In de vorming van het geweten is het Woord Gods het licht op onze weg; wij moeten het ons eigen maken in geloof en gebed en het in praktijk brengen. Wij moeten ook ons geweten onderzoeken met de blik op het kruis van de Heer. Wij worden gesteund door de gaven van de heilige Geest, geholpen door het getuigenis of de raadgevingen van anderen en geleid door het gezagvolle onderricht van de kerk.

< III. Kiezen volgens zijn geweten

1786 Geplaatst voor een morele keuze, kan het geweten zich ofwel een juist oordeel vormen, dat overeenstemt met de rede en de goddelijke wet, ofwel integendeel een verkeerd oordeel, dat de mens ervan verwijdert.

1787 De mens wordt soms geconfronteerd met situaties die het moreel oordeel minder zeker en de beslissing moeilijk maken. Maar hij moet altijd zoeken naar wat juist en goed is en de wil van God onderkennen die uitgedrukt wordt in de goddelijke wet.

1788 Hiertoe spant de mens zich in, de gegevens van de ervaring en de tekenen van de tijd uit te leggen met behulp van de deugd van voorzichtigheid, de raadgevingen van bezonnen personen en dankzij de hulp van de heilige Geest en zijn gaven.

1789 Enkele regels kunnen in alle gevallen toegepast worden:
– Nooit mag men kwaad doen, opdat er een goed uit volgt.
– De “gulden regel”: “Alles wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doet dat ook voor hen” (Mt. 7,12).
– Liefde heeft altijd te maken met eerbied voor de naaste en zijn geweten: “Door te zondigen tegen de broeders en hun angstvallig geweten te kwetsen (…) zondigt gij tegen Christus” (1 Kor. 8,12). “Het is goed zich te onthouden (…) wanneer uw broeder daardoor geërgerd wordt” (Rom. 14,21).

< IV. Het dwalend oordeel

1790 De mens moet altijd gehoorzamen aan het zekere oordeel van zijn geweten. Zou hij welbewust tegen dit gewetensoordeel in handelen, dan zou hij zichzelf veroordelen. Maar het kan gebeuren dat het morele geweten onwetend is en een verkeerd oordeel velt over nog te stellen of reeds gestelde daden.

1791 Dikwijls is men voor deze onwetendheid persoonlijk verantwoordelijk. Zo is het “wanneer de mens zich weinig zorgen maakt over het zoeken naar het ware en goede, en het geweten door de gewoonte tot zondigen langzamerhand praktisch blind wordt”. In deze gevallen is de persoon schuldig aan het begane kwaad.

1792 Aan de oorsprong van de afwijkingen van het oordeel in het moreel handelen kunnen liggen: onwetendheid aangaande Christus en zijn evangelie, het slecht voorbeeld van anderen, de slavernij van de driften, het beroep op een verkeerd begrepen autonomie van het geweten, het ontkennen van het gezag van de kerk en haar onderricht, het gebrek aan bekering en liefde.

1793 Wanneer daarentegen de onwetendheid onoverkomelijk is, of als het oordeel dwalend is zonder verantwoordelijkheid van het moreel subject, dan kan het kwaad dat door de persoon bedreven wordt, hem niet aangerekend worden. Dit neemt niet weg dat het een kwaad blijft, een gemis, een wanorde. Men moet dus werken om het moreel geweten te zuiveren van zijn dwalingen.

1794 Een goed en zuiver geweten wordt verlicht door het waarachtig geloof. Want de liefde komt tegelijkertijd voort “uit een rein hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof” (1 Tim. 1,5).

Hoe meer een juist geweten de overhand heeft, des te meer verwijderen personen en groepen zich van de blinde willekeur en leggen zij er zich op toe zich te conformeren aan de objectieve normen van de moraliteit.

< In het kort

1795 “Het geweten is de meest innerlijke kern en het heiligdom van de mens, waarin hij alleen is met God, wiens stem binnen in hem weerklinkt”.

1796 Het morele geweten is een oordeel van de rede waardoor de menselijke persoon de morele kwaliteit van een bepaalde daad erkent.

1797 Voor de mens die kwaad gedaan heeft, blijft de uitspraak van zijn geweten een onderpand van bekering en hoop.

1798 Een goed gevormd geweten is juist en waarachtig. Het formuleert zijn oordelen volgens de rede, in overeenstemming met het werkelijke goed dat gewild wordt door de wijsheid van de Schepper. Iedereen moet de middelen tot gewetensvorming gebruiken.

1799 Staande voor een morele keuze kan het geweten of een juist oordeel vellen, dat overeenstemt met de rede en de goddelijke wet, of integendeel een verkeerd oordeel dat zich ervan verwijdert.

1800 De mens moet altijd het zekere oordeel van zijn geweten volgen.

1801 Het morele geweten kan onwetend zijn of verkeerde oordelen vellen. Die onwetendheid en die dwalingen zijn niet altijd vrij van schuld.

1802 Het woord van God is een licht voor onze voeten. Wij moeten het ons eigen maken in geloof en gebed en het in praktijk brengen. Zo wordt het morele geweten gevormd.

Back To Top