Skip to content

Het is geen geheim dat Martin Luther alle werken elimineerde die iets te maken konden hebben met onze rechtvaardiging/redding. In zijn wat zijn “’grootste werk” genoemd kan worden: “Het Beteugelen van de Wil”, becommentarieerde Luther de Brief aan de Romeinen van de H. Paulus:

De bewering dat de rechtvaardiging vrij is voor allen die gerechtvaardigd is, laat niets over om voor te werken, om te verdienen of om zich op voor te bereiden … Want als we gerechtvaardigd zijn zonder werken, zijn alle werken veroordeeld, klein of groot; Paulus sluit niemand buiten, maar predikt tegen iedereen onpartijdigheid.

Het punt dat Paulus wilde maken door te zeggen dat rechtvaardiging een gave is die vrij is, had niet ten doel om de werken die nodig zijn voor verlossing in alle categorieën te elimineren. Men moet er bijvoorbeeld voor kiezen om de vrije gave vrij te zetten (zie II Kor. 6: 1). De H. Paulus was “Judeeërs” antwoord aan het geven – zij geloofden in Christus en probeerden de wet van het Oude Verbond te herstellen als zijnde noodzakelijk voor redding in het Nieuwe. Dit stond gelijk aan het wegvallen van Christus, of het afwijzen van de vrije gave, omdat het een poging voorstond om los van Christus te worden gerechtvaardigd. De H. Paulus zegt in Galaten 5:4-7 en 2:18, dat de Christenen die op deze wijze waren afgedwaald, waren weggevallen van de genade, juist omdat ze probeerden de wet “weer op te bouwen” die door Christus was “afgebroken” door het kruis van Christus.

Als ge uw heil in de wet zoekt, hebt gij met Christus gebroken, hebt gij de genade verbeurd. Want wij, wij verwachten door de Geest de verhoopte gerechtigheid van het geloof. Want in Christus Jezus heeft besnijdenis noch onbesnedenheid enig belang, maar alleen geloof zich uitend in liefde, Ge waart zo goed op weg. Wie heeft u verhinderd de waarheid te blijven volgen? (Gal. 5:4-7)

Voor de H. Paulus, levert elk werk, hetzij gedaan vóór het in Christus binnengaan of buiten Christus om, niets op. Maar de werken gedaan in Christus zijn een ander verhaal. Voor Christus zijn nog niet wedergeborenen mensen “dood door afdwalingen en zonden”,  en “uit onszelf een voorwerp van Gods toorn”, zoals Paulus schrijft in Efeziërs 2:1-3. Maar na Christus te zijn binnengegaan zegt Filippenzen 4:13: “Alles vermag ik in Hem [Christus] die mij kracht geeft.” En volgens Romeinen 2:6-7, omvat al “het goede” het beërven van het eeuwige leven.

Een niet op zichzelf staand probleem

Helaas hield Luthers vergissing niet op met een slechte exegese van H. Paulus. Zoals zo vaak het geval is staat een fout niet op zichzelf, maar leidt het naar een hele waslijst aan fouten. Bijvoorbeeld, Luther werd zo in beslag genomen door het idee dat de mens niets te maken kan hebben met zijn eigen redding – geen werken – dat hij claimde dat elk aanname dat de mens überhaupt actief dient mee te werken aan de verlossing, helemaal gelijk staat aan een ontkenning van de toereikendheid van het offer van Christus. In één van zijn preken verklaarde Luther:

[Katholieken] weet heel goed over hem te zeggen: Ik geloof in God de Vader, en in Zijn eniggeboren Zoon. Maar het ligt enkel op de tong, zoals schuim op water; het dringt niet het hart binnen. Figuurlijk blijft er nog steeds een grote tumor in het hart achter; dat wil zeggen, ze klampen zich vast aan iets van hun eigen daden en denken dat ze moeten werken om te worden gered – dat de Christus als persoon en zijn verdiensten niet voldoende zijn …. Ze zeggen: Christus is waarlijk voor ons gestorven, maar op een wijze dat wij, ook, iets moeten volbrengen doen door onze daden. Merk op hoe diep slechtheid en ongeloof in het hart geworteld zijn.

Zeggen dat de mens “iets moet volbrengen” in Christus ontkend niet de toereikendheid van het offer van Christus; het verklaard enkel, in overeenstemming met de H. Johannes, dat de mens, onder andere, dient te “wandelen in het licht” van Christus om Christus’ algenoegzame offer in zijn leven werkzaam te laten worden:

Maar als wij wandelen in het licht zoals Hij zelf is in het licht dan hebben wij gemeenschap met elkaar en het bloed van zijn Zoon Jezus reinigt ons van elke zonde…. Als wij onze zonden belijden, is Hij zo getrouw en genadig, dat Hij onze zonden vergeeft en ons reinigt van alle kwaad. (1Joh. 1:7-9).

De vergissingen gaan door in De Slavernij van de Wil, wanneer Luther de volgende logische stap zet door de wil van de mens absoluut passief te verklaren als het om redding gaat; en daaruit voortvloeiende ontkent hij nadrukkelijk de waarheid van de vrije wil van de mens. Dit volgt weer logischerwijs uit het beginsel van “geen werken”, wat betekent dat wij er niets aan kunnen doen, wat leidt tot twee vergissingen die uit die ene voortvloeien.

Dus de wil van de mens is als een dier dat staat tussen twee berijders. Als God rijdt, wilt en gaat de wil waarheen God wilt …. Als Satan rijdt, gaat en wilt de wil waar Satan wil. Noch kan de wil ervoor kiezen naar welke berijder hij zal hollen, noch welke hij zal zoeken; maar de berijders zelf vechten om te beslissen wie hem zal krijgen en behouden.

Luthers beroemde notie van simul justus et peccator (“tegelijkertijd rechtvaardige en zondaar”) is een andere vergissing geworteld in een volledig buitensluiten van de mens als het gaat om zijn eigen rechtvaardiging. Het betekent in feite dat rechtvaardiging van de mens wordt bereikt extrinsiek van hem. God verklaart een man rechtvaardig via een goddelijke, forensische verklaring – een juridische fictie – in plaats van de Bijbelse notie van een echte innerlijke transformatie dat hem waarlijk en innerlijk rechtvaardig maakt (zie 2Kor. 5:17). (?)

Bovendien, als het grote vergissing is om te erkennen dat de mens een causale rol in zijn eigen redding heeft, dan zou het evenzo een dwaling zijn om te beweren dat de andere leden van het lichaam van Christus een rol hebben. Het gaat hier om een essentieel onderdeel van de gemeenschap der heiligen. De H. Paulus had dit klaarblijkelijk niet opgemerkt, want hij schreef: “Blijf voortdurend zorg besteden aan uzelf en aan uw onderricht. Zodoende redt gij uzelf en hen die naar u luisteren.” (1Tim. 4:16)

Er zijn vele andere vergissingen die we zouden kunnen toevoegen aan deze waslijst van Luthers misvattingen, maar wat ik zou willen beargumenteren is dat de meest flagrante vergissingen van Luther het directe gevolg waren van zijn ontkenning van de vrije wil. Denk hier eens over na. Als u de vrije wil ontkent, maar ook onderricht dat ten minste sommige mensen zullen eindigen in de hel – en dat is precies wat Luther deed – dan volgt hieruit ontegenzeggelijk dat God niet wil dat allen gered worden. Dit is logisch als je Luthers eerste beginselen aanvaard. Het probleem is dat het in strijd is met duidelijke Bijbelse teksten als 1Tim. 2:4: “God, onze heiland, die wil dat alle mensen gered worden …” (zie ook 2Pet. 3:9, Joh. 2:1-2) en Mat. 23:37, dat de woorden van onze Heer zelf registreert:

“Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt …  Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen verzamelen … maar gij hebt niet gewild!”

Interessant genoeg tracht Luther, in De Slavernij van de Wil, een antwoord te geven op deze laatste tekst die veelzeggend wordt:

Hier zegt de Vleesgeworden God (aldus): “Ik wilde en gij wilde niet.” De Vleesgeworden God (aldus), ik herhaal, werd voor dit doel gezonden, om te willen, te zeggen, te doen, te lijden, en aan alle mensen te offeren, al wat voor redding noodzakelijk is; hoewel hij veel mensen beledigd die in de steek gelaten of verhard worden door Gods verborgen wil van Majesteitelijkheid, en Hem dus niet willend ontvangen, niet sprekend, doende en offerend …. Het behoort tot dezelfde Vleesgeworden God om te huilen, te klagen en te zuchten over de verdoemenis van de goddelozen, alhoewel die wil van Majesteitelijkheid opzettelijk sommigen verlaat en verwerpt om te vergaan.

Dus wat is de reactie van Luther op dat Jezus overduidelijk wil dat allen gered worden? Hij zal toch zeker berusten in wat de Meester stelt en Gods universele reddende wil erkennen, of niet? Immers, Jezus Christus is in zekere zin, de in het vlees geopenbaarde wil van God. Jammer genoeg niet. Luther beweerde dat de menselijke kennis van Christus gebrekkig was als het ging om het begrijpen van “Gods verborgen wil van Majesteitelijkheid”, hetgeen ertoe leidde dat die menselijke wil van onze Heer zich bevond tegenover de goddelijke wil. Arme Jezus. Als hij enkel had geweten wat Luther wist.

We zouden de volgende teksten kunnen reproduceren: “Wie Mij ziet, ziet de Vader” (Joh. 14:9), of “niemand kent de Vader tenzij de Zoon” (Mat. 11:27), dat dit soort denken onhoudbaar maakt. We kunnen praten over de Hypostatische Staat. Maar dat zou dit korte artikel overstijgen.

In de uiteindelijke analyse, zien we hier in Martin Luther het oude gezegde, de ene fout op de andere stapelen, pijnlijk zichtbaar worden. Wat begon met het ontkennen dat de mens iets te maken heeft met zijn eigen redding, eindigt met problemen die zich christologische uitstrekken van hier tot de eeuwigheid … letterlijk.

 

Geschreven door Tim Staples, staf apologeet bij Catholic Answers.

Dit artikel werd eerder gepubliceerd op Catholic Answers en is met toestemming vertaald en geplaatst.

Back To Top