Ga naar hoofdinhoud

De Bijbel leert duidelijk dat abortus verkeerd is. Deze leer komt er in veel vormen en om veel redenen in voor. Sommige mensen wijzen erop dat het woord ‘abortus’ niet in de Bijbel staat en dat is waar. Niettemin is de leer over abortus erin aanwezig. Dit is het geval bij veel leerstellingen. Het woord “Drie-eenheid” staat niet in de Bijbel, maar de leer over de Drie-eenheid is er. Maar hoe dan ook, iemand die de leer over abortus wil ontkennen, zou deze ontkennen, zelfs als het woord er stond.

Laten we eens kijken naar enkele Bijbelse redenen waarom abortus, het opzettelijk vernietigen van een kind in de baarmoeder, heel erg verkeerd is.

 

  1. De Bijbel leert dat het menselijk leven verschilt van andere soorten levens, omdat mensen zijn gemaakt naar het beeld van God.

De verhalen over de schepping van man en vrouw in Genesis (Genesis 1, 26-31; 2, 4-25) vertellen ons: “God heeft de mens naar zijn beeld gemaakt, naar het beeld van God heeft Hij hem geschapen: man en vrouw schiep Hij hen” (Genesis 1, 27).

Het woord ‘scheppen’ wordt hier drie keer gebruikt, waarbij er een bijzondere nadruk ligt op een hoogtepunt in het hele proces waarin God de wereld en alles daarop maakt. De man en de vrouw krijgen er ‘heerschappij’ over al het andere in de zichtbare wereld.

Zelfs de erfzonde neemt het beeld van God in de mens niet weg. De heilige Jacobus verwijst naar dit beeld en zegt dat we daarom niet eens slecht over elkaar moeten spreken. “Met de tong zegenen wij de Heer en de Vader, en daarmee vervloeken we mensen die naar het beeld van God gemaakt zijn … Dit zou niet zo moeten zijn, broeders” (Jakobus 3, 9-10).

Het beeld van God! Dit betekent het mens te zijn! Wij zijn niet slechts een zootje cellen die willekeurig door onpersoonlijke krachten door elkaar zijn gegooid. In plaats daarvan weerspiegelen we werkelijk een eeuwige God, die ons al van voor ons bestaan kende, en ons opzettelijk tot bestaan heeft geroepen.

In de kern van de tragedie die abortus heet, staat de vraag die in de Psalmen is opgeworpen:

‘Heer, wat is dan de mens dat Gij acht op hem slaat, het mensenkind dat Gij hem aanziet? … Met waardigheid hebt Gij, met schoonheid gekroond, die Gij heerser maakt over het werk uwer handen. (Psalm 8, 5-7).

Dat is de sleutel. Niet alleen heeft God ons gemaakt, maar daarbij waardeert Hij ons. De Bijbel vertelt ons van een God die overloopt van liefde voor ons, zozeer dat Hij één van ons werd en zelfs voor ons stierf, hoewel wij Hem nog steeds beledigen (zie Romeinen 5, 6-8).

Kunnen we met dit alles in het achterhoofd zeggen dat je mensen weg kunt gooien, als een auto die meer problemen oplevert dan hij waard is? “God maakt geen rommel.” Als je de Bijbel gelooft, moet je geloven dat het menselijk leven heilig is, heiliger dan we ons ooit hebben voorgesteld!

 

  1. De Bijbel leert dat kinderen een zegen zijn.

God heeft het onze eerste ouders bevolen om “vruchtbaar te zijn en zich te vermenigvuldigen” (Genesis 1, 28). Waarom? Omdat God Zelf vruchtbaar is. Liefde stroomt altijd over tot leven. Toen de eerste moeder het eerste kind ter wereld bracht, riep ze uit: “Ik heb een man gebaard met de hulp van de Heer” (Genesis 4, 1). De hulp van de Heer is essentieel, want Hij heeft de heerschappij over het menselijk leven en is er de oorsprong van. Ouders werken met God samen om het leven voort te brengen. Omdat dit hele proces onder Gods heerschappij valt, is het zondig om het af te breken. De profeet Amos veroordeelt de Ammonieten “omdat zij verwachtende moeders in Gilead opensnijden” (Amos 1, 13).

“Waarlijk, kinderen zijn een geschenk van de Heer, de vrucht van de moederschoot is een beloning” (Psalm 127, 3).

 

  1. De Bijbel leert dat het kind in de baarmoeder een menselijk kind is, en dat het zelfs een relatie heeft met de Heer.

De uitdrukking “werd zwanger en baarde” wordt herhaaldelijk gebruikt (zie Genesis 4, 1. 17) en het individu heeft dezelfde identiteit voor en na de geboorte. “In zonde heeft mijn moeder me verwekt”, zegt de berouwvolle psalmist in Psalm 51, 7. Hetzelfde woord voor kind wordt gebruikt voor en na de geboorte (brephos, dat wil zeggen “kind”, wordt gebruikt in Lucas 1, 41 en Lucas 18, 15.)

God kent het ongeboren kind. “Gij weefde mij in de schoot mijner moeder … en mijn oorsprong was U niet verholen toen ik in het verborgene gevormd werd” (Psalm 139, 13. 15). God helpt en roept het ongeboren kind. “Gij deed mij de moederschoot uitgaan, u viel ik toe, nauwelijks geboren, van mijn oorsprong af zijt Gij mijn God.” (Psalm 22, 10-11). “God … die mij vanaf de moederschoot had uitgekozen en mij riep door zijn genade” (Heilige Paulus aan de Galaten 1, 15).

 

  1. De Schrift veroordeelt herhaaldelijk het doden van de onschuldige.

Dit vloeit voort uit alles wat tot nu toe bekeken is. Gods eigen vinger schrijft het gebod “Gij zult niet doden” (Exodus 20, 13, Deuteronomium 5, 17) in steen, en Christus bevestigt het opnieuw (Matteüs 19, 18 – merk op dat Hij dit gebod het eerst noemt). Het Boek der Openbaring bevestigt dat (berouwloze) moordenaars het koninkrijk der hemelen niet kunnen binnengaan (Openbaring 22, 15).

Het doden van kinderen wordt door God vooral via de profeten veroordeeld. In het land dat God zijn volk gaf om te bezetten, hadden vreemde naties de gewoonte om sommige van hun kinderen in het vuur te offeren. God vertelde Zijn volk dat ze niet aan deze zonde mochten deelnemen. Zij deden echter zoals Psalm 106 verhaalt: “Zij mengden zich met de naties en leerden hun werken… Zij hebben hun zonen en hun dochters aan de demonen geofferd, en zij vergoten onschuldig bloed, het bloed van hun zonen en hun dochters, die zij geofferd hebben aan de afgoden van Kanaän, waarmee ze het land ontwijdden door bloedvergieten “(Psalm 106, 35. 37-38).

Deze zonde van het offeren van kinderen wordt feitelijk als een van de belangrijkste redenen genoemd, dat het koninkrijk Israël door de Assyriërs vernietigd werd en het volk in ballingschap werd gevoerd. “Ze hebben hun zonen en dochters verminkt door vuur … tot de Heer in zijn grote toorn tegen Israël, hen niet langer onder zijn ogen duldde” (2 Koningen 17, 17-18).

Belangrijk om te weten is dat deze praktijk een godsdienstig ritueel was. Het doden van kinderen kan niet eens omwille van de “vrijheid van godsdienst” worden getolereerd.

 

  1. De Bijbel leert dat God een God van gerechtigheid is.

Een daad van rechtvaardigheid is het opkomen voor de hulpeloze, het verdedigen van hen die te zwak zijn om zichzelf te verdedigen. Bij de voorspelling van de Messias zegt Psalm 72: ‘De gerechtigheid zal in zijn dagen bloeien … want hij zal de arme man redden als hij uitroept en de verdrukte, wanneer hij niemand heeft om hem te helpen’ (Psalm 72, 7. 12). Jezus Christus is onze rechtvaardigheid (1 Korintiërs 1, 30) omdat Hij ons van zonde en dood bevrijdde toen we niemand hadden om ons te helpen (zie Romeinen 5, 6; Efeziërs 2, 4-5).

Als God rechtvaardigt betoont aan Zijn volk, verwacht Hij dat Zijn mensen elkaar rechtvaardigheid betonen. “Wees barmhartig zoals uw hemelse Vader barmhartig is” (Lukas 6, 36). “Ga en doe ook gij hetzelfde” (Lukas 10, 37). “Alles, wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doet dat ook voor hen.” (Mattheüs 7, 12). “Heb elkaar lief” (Johannes 15, 17).

Abortus is het tegenovergestelde van deze leer. Het is een omkering van de rechtvaardigheid. Het is een vernietiging van de hulpeloze in plaats van hun redding. Als Gods mensen niet ingrijpen om degenen te redden waarvan het leven wordt aangevallen, dan zijn de mensen Hem niet aangenaam en aanbidden zij Hem niet.

God zegt door Jesaja: “Brengt Mij toch niet langer nutteloze meeloffers. Uw wierook is mij een gruwel. Nieuwe maan, sabbat en feestvergadering: feestvieren samen met onrecht kan Ik niet uitstaan. Uw nieuwe maan, uw feesten, Ik ben ze hartgrondig beu, zij zijn een last die Ik niet langer kan dragen. Wanneer gij uw handen uitstrekt, sluit Ik mijn ogen voor u, zelfs als gij uw gebeden vermenigvuldigt, luister Ik niet naar u: uw handen zitten vol bloed. Wast u, reinigt u! Uit mijn ogen met uw misdaden! Houdt op met kwaad doen. Leert liever het goede te doen, betracht de rechtvaardigheid, helpt de verdrukten, verschaft recht aan de wezen, verdedigt de weduwen.” (Jesaja 1, 13-17).

Inderdaad, zij die God aanbidden, maar hun steun geven aan abortus, vallen in dezelfde tegenstrijdigheid als Gods volk van oudsher, en moeten dezelfde boodschap horen.

 

  1. Jezus Christus had speciale aandacht voor de armen, voor hen die werden veracht en voor hen die de rest van de samenleving als onbeduidend beschouwde.

Hij doorbrak de valse hindernissen die mensen tegen elkaar opzetten, en erkende in plaats daarvan de gelijke menselijke waardigheid van elk individu, in weerwil van de publieke opinie. Daarom zien we Hem tot kinderen spreken, ondanks de inspanningen van de apostelen om ze bij Hem weg te houden (Matteüs 19, 13-15); we zien hem bij de tollenaars en zondaars ongeacht de bezwaren daartegen van de schriftgeleerden (Marcus 2, 16); bij de blinden, ondanks de waarschuwingen van het volk (Matteüs 20, 29-34); bij een buitenlandse vrouw niettegenstaande de volslagen verbazing van de discipelen en van de vrouw zelf (Johannes 4, 9. 27); bij de heidenen ondanks de woede van de Joden (Matteüs 21, 41-46); en bij de melaatsen, ondanks hun afzondering van de rest van de samenleving (Lucas 17, 11-19).

Wat de menselijke waardigheid betreft, wiste Christus verschillen uit. De heilige Paulus verklaart: “Er is geen Jood of heiden meer, er is geen slaaf of vrije, er is geen man en vrouw: allen tezamen zijt gij één persoon in Christus Jezus.” (Galaten 3, 28).

We kunnen ook zeggen: “Er is geen geborene of ongeborene.” Het gebruik van dit onderscheid als basis voor de waardigheid van het leven of de bescherming die je verdient, is zonder betekenis en beledigend voor alles wat de Schrift leert. De ongeborenen zijn de meest verwaarloosde en gediscrimineerde mensen van onze samenleving. Christus Zelf heeft zeker een speciale liefde voor hen.

 

  1. De Schrift leert ons om lief te hebben.

De heilige Johannes zegt: “Want dit is de boodschap die gij vanaf het begin gehoord hebt: dat wij elkaar moeten beminnen. Wij mogen niet zijn zoals Kaïn, die een kind van de boze was en zijn broeder vermoordde.” (1 Johannes 3: 11-12). Liefde staat direct tegenover moord. Het leven van een ander te nemen, is het gebod van de liefde te breken. Het niet helpen van hen die in nood en gevaar zijn, is ook tekort schieten in het beminnen.

Christus leert dit duidelijk in de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan (Lucas 10, 25-37), in het verhaal van de Rijke en Lazarus (Lukas 16, 19-31) en op vele andere plaatsen.

Geen groep mensen is in ernstiger gevaar dan de jongens en meisjes in de baarmoeder. “Hoe kan de goddelijke liefde blijven in een mens die … genoeg heeft, en toch zijn hart sluit voor de nood van zijn broeder?” (1 Johannes 3, 17).

 

  1. Het leven overwint de dood.

Dit is een van de meest basale thema’s van de Schrift. De overwinning van het leven wordt voorspelt in de belofte dat het hoofd van de slang, door wie de dood de wereld binnengekomen is, verpletterd zou worden (vgl. Genesis 3, 15).

Jesaja beloofde: “Hij zal de dood voor altijd vernietigen” (Jesaja 25, 8). Op de plaats van de eerste moord, opende de grond “zijn mond” om Abels bloed te drinken. Op de plaats van de laatste overwinning van het leven, is het de dood zelf die in de overwinning zal worden verzwolgen. “Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw angel?… Maar God zij gedankt, die ons de overwinning geeft door Jezus Christus, onze Heer.” (1 Korintiërs 15, 54-57).

Abortus is de dood. Christus kwam om de dood te overwinnen en dus ook abortus. “Ik ben gekomen, opdat zij het leven kunnen hebben en wel in overvloed” (Johannes 10, 10).

Het uiteindelijke resultaat van de strijd voor het leven ligt al vast door de opstanding van Christus. We werken niet alleen voor de overwinning; we werken vanuit de overwinning. Wij nemen vreugdevol een overwinning in bezit, die al is gewonnen, en we verkondigen, vieren en dienen haar totdat Hij weer komt om het tot zijn volheid te brengen. “Er zal geen dood meer zijn” (Openbaring 21, 4). “Amen. Kom, Heer Jezus!” (Openbaring 22, 20)

 

Geschreven door Frank Pavone

Dit artikel werd eerder gepubliceerd op Priests for life

Back To Top